(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Soendaneesch-Hollandsch woordenboek"

P R M I- i. i: T Y Of 







Uitld 




SOENDANEESCH-HOLLANDSCH 

WOORDENBOEK. 



t i-rt f 



SOENDANEESCH-HOLLANDSCH 

WOORDENBOEK 



DOOR 



S^ gOOLSMA, 

Oud-Afgevaardtgde van het Nederlandsch Bflbelgenootschap, eni. 



TWEEDE DRUK. 




Leiden, • 
A. W. SIJTHOFF's UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ. 

1913. 



\ 



PI 

5Ï5Ï 

,L?7? 

M/3 



Met verwijzing naar de Auteurswet van 1912, die 
volgens Art. 45 ook voor Nederlandsch-lndië verbindend 
is verklaard, wordt met den meesten ernst tegen nadruk 
gewaarschuwd. Inbreuk op het auteursrecht van dit werk 
zal beslist worden vervolgd. 



W?/.v. ??/ 



y '<j'V 



VOORREDE. 



In de voorrede vanmyn „Hollandsch-Soendaneesch Woordenboek" *) 
gaf ik mjjn voornemen te kennen, van mijn „Soendaneesch-Hollandsch 
Woordenboek" een nieuwe editie te doen volgen, indien imj daartoe 
de weg geopend werd. Tot mijn vreugde is de weg inderdaad geopend. 
Op aanbeveling van Haren Adviseur voor Inlandsche zaken te 
Batavia verklaarde de Regeering zich namelijk bereid de uitgave 
van een nieuwen druk te willen bevorderen. Verzekerd van deze 
onmisbare hulp zette ik mij terstond aan den arbeid, terwijl ik A. W. 
Süthoifs Uitgevers-Maatschappij bereid vond zich met de uitgave 
te belasten. Wij hebben thans het genoegen, deze nieuwe editie den 
belanghebbenden bij het Soendaneesch aan te bieden. 

Het zij mij vergund, het ontstaan van dezen tweeden druk korteüjk 
toe te lichten. In de voorrede van den eersten druk verhaalde ik de 
geschiedenis der beoefening van het Soendaneesch tot 1884. Het 
daar gezegde zal ik hier niet herhalen. Niet lang na de verschijning 
van dat boek had ik goede gelegenheid, gedurende een driejarig ver- 
blijf te Bandoeng, den inhoud woord voor woord aan een onderzoek 
te onderwerpen en dien met menig nieuwe vondst te vermeerderen, 
waaraan ook later nog wel een en ander kon worden toegevoegd. 
Toch zou de woordenschat niet den tegenwoordigen omvang hebben 
gekregen, zoo niet anderen hunne medewerking hadden verleend. 
Ik acht het een plicht der dankbaarheid, hier hunne namen te noemen, 
daar zjj niet alleen hebben verzameld, maar ook met mij in denzelfden 



l ) A. W. SythofTs Uitgevers-Maatschappy, 1911. 



VI VOORREDE. 

geest hebben gearbeid en mij hebben toegestaan hunne verzamelingen 
in dezen tweeden druk op te nemen. 

En dan noem ik in de eerste plaats den Heer J. J. Meijer, die als 
Controleur van Goenoengkantjana (Juni 1885 tot April 1889) zich 
verdienstelijk gemaakt heeft met licht te ontsteken over het vóór 
hem zoo goed als onbekende Soendaneesch van Zuid-Bantam '). 
De nieuwe woorden, aan Meyer's geschriften ontleend, heb ik aan- 
geduid met Z.-B., wat slechts zeggen wil, dat die woorden door hem 
in Zuid-Bantam zyn aangetroffen, maar waaruit geenszins behoeft 
te volgen, dat het gebruik tot Zuid-Bantam beperkt is. Men mag 
integendeel veilig aannemen, dat de meeste van die woorden ook 
buiten Bantam gangbaar zijn, alleen — zekerheid bestaat dienaan- 
gaande nog niet. 

De Heer Meyer sprak in een van zijne geschriften den wensch uit, 
dat zijne ambtgenooten in Midden^ en Noord-Bantam voor de kennis 
der taal in die streken mochten doen, wat hijzelf voor die van Zuid- 
Bantam gedaan had, maar bij mijn weten heeft niemand van hen aan 
dien wensch gevolg gegeven, en onze kennis van het Bantamsch zou 
dus na het vertrek van den Heer Meijer uit West-Pasoendan niet 
zijn vermeerderd, indien niet eenige jaren later in den Heer C. M. 
Pleyte een nieuw beoefenaar van het Soendaneesch was opgestaan, 
die op uitnemende wijze onze kennis van deze taal in het algemeen 
en van het Bantamsch in het byzonder heeft aangevuld. 

Dit is, naar mijn bescheiden meening, de groote verdienste van 
den Heer Pleyte, op dit gebied. Waren wij tot dusver vooral uitge- 
gaan van de bestaande geschriften, de Heer Pleyte heeft inzonderheid 
de Pantoen's, zoo ook de taal van het platteland over geheel de Pasoen- 
dan, en tevens de Badoej's met hun dialect tot onderwerp zijner studie 
gekozen. De resultaten daarvan getuigen van een helder taalinzicht, 
van geen gewonen y ver en van bijzondere bekwaamheid. Binnen het 
tijdsverloop van enkele jaren (1906 — 1912) deed de Heer Pleyte het 
licht zien de volgende Pantoen's : „Raden Moendinglaja di Koesoema", 
„Njai Soemoer Bandoeng", „Tjijoeng Wanara" en „Loetoeng Kasa- 



*) Zie „De Badoej's", door Dr. Jul. Jacobs en J. J. Meyer (1891). Verder 
de belangrijke opstellen van Mefler, geplaatst in de Bijdragen tot de Taal-, 
Land- en Volkenkunde van Ned.-Indiê, 5de volgreeks (1890). 



VOORREDE. VII 

roeng". Daarop verrijkte hij de Soendaneesche letterkunde met „Vy f» 
en-twintig Sprookjes (Dongeng's)" afkomstig uit de verschillende 
deelen der Soendalanden, en deze werden^op den voet gevolgd 
door zijn; geschrift „Badoejsche Geesteskinderen", waarmede hy het 
bovenvermelde werk van den Heer Meijer heeft voortgezet en aan* 
gevuld. De genoemde geschriften brachten honderden nieuwe woor- 
den aan, waarvan de Heer Pleyte mij met groote welwillendheid de 
verklaring toezond, met verlof alles op te nemen in dezen nieuwen 
druk. Buitendien zond hy mij een lijst van meer dan twee duizend 
woorden toe, door hem in verschillende streken van Pasoendan uit 
den mond van Soendaneezen opgeteekend. Ik heb natuurlyk niet 
geaarzeld al deze woorden op te nemen. Men zal ze in het Woorden- 
boek aangeduid vinden met een P. Van vele woorden was mij de 
plaats van herkomst niet opgegeven, zoodat ik die niet heb kunnen 
vermelden. Zoolang het tegendeel niet blijkt, beschouwe men ze als 
gemeengoed van het Soendaneesche volk. 

Tot de eerste beoefenaren van het Soendaneesch behoort, gelijk 
bekend is, de Heer C. Albers, met wiens medewerking ik myn Hol- 
landsch-Soendaneesch Woordenboek vervaardigde. Voor deze tweede 
editie gaf hij mij inzage van zyne geheele verzameling Soenda- 
neesche woorden, met vergunning daaruit te kiezen wat mij dienstig 
zou voorkomen. Ik vond er een paar honderd woorden in, die nieuw 
voor mij waren en dus door mij zijn opgenomen. — Van den Heer 
B. M. Alkema, Oud-Zendeling, ontving ik mede een aantal nieuwe 
woorden, door hem opgeteekend, vooral in het Buitenzorgsche. 

Van de tegenwoordig werkzame Zendelingen in Pasoendan hebben 
de meeste medegeholpen om dit Woordenboek zoo volledig mogelijk 
te maken. De Heer J. Verhoeven zond my een collectie woorden, door 
hem verzameld te Kadipaten in het Cheribonsche. Ze zijn kenbaar 
aan het toevoegsel Kad. — Van den Heer A. van As ontving ik een 
lijst van woorden behoorende tot het Indramajoesch dialect en in 
het Woordenboek aangewezen met Indr. — Verder ontving ik by dragen 
van den Heer H. C. G. Ruttink te Bandoeng; van den Inlandschen 
leeraar Titus aldaar; van den Heer J. H. Blinde te Tjiandjoer; van 
den Heer L. Borst, Directeur van de Zendings-Kweekschool te Ban- 
doeng, en van den Heer A. van Dyk te Tjigelam. 

Was de medewerking van genoemde Heeren my welkom, niet 



VIII VOORREDE. 

minder was het die van den Heer H. C. H. de Bie, Adjunct- Inspecteur 
van den Inlandschen landbouw, die zoo welwillend was mij voor dit 
boek af te staan een lyst van nieuwe woorden, door hem bij zijn ver- 
keer met Soendaneezen successievelijk opgeteekend. Deze zijn te 
kennen aan de toegevoegde letter B. 

Wat den ondervonden bijstand aangaat, heb ik echter nog niet alles 
gezegd wat ik te zeggen heb. Bij de herziening stuitte ik gedurig op 
een woord dat mij niet helder was en waarover ik opheldering had 
te vragen. Ik heb daartoe de hulp ingeroepen van de Heeren Pleyte, 
Borst, Ruttink, Blinde en van den Heer M. Tuiten op Pangharëpan 
bij Soekaboemi. Geen enkele vraag, door my gedaan, is onbeantwoord 
gebleven. De Heer Blinde raadpleegde in moeilijke gevallen mijn 
ouden medewerker en vriend Raden Ganda Koesoema, terwijl de 
Heer Borst my de medewerking bezorgde van Mas Moehammad Rais, 
Leeraar in de Soendaneesche taal aan de Gouvernements-Kweekschool 
te Bandoeng, en van Mas Parta di Rèdja, Leeraar in de Soendaneesche 
taal aan de School voor zonen van Inlandsche hoofden aldaar. Ook 
Mas Ardiwinata te Weltevreden en Mas Natawisastra te Bandoeng 
verleenden hun bijstand. 

Van Hooger hand was my de wenk gegeven, voor de juiste ver- 
klaring van de Arabische woorden en uitdrukkingen, in het boek 
op te nemen, de voorlichting te vragen van een deskundige. Ik heb 
aan dien wenk gaarne gevolg gegeven, en mij eerst gewend tot Dr. 
Pb. S. van Ronkel te Weltevreden, en later, om spoediger geholpen 
te worden, tot Prof. Dr. C. Snouck Hurgronje te Leiden. Beide Heeren 
hebben met volle bereidvaardigheid aan mijn verzoek voldaan. 

Voor alle genoemde en mogelijk niet genoemde medewerking betuig 
ik hier mijn warmen dank. Het was mijn wensch en streven, dit boek 
zoo volledig mogelijk te doen worden, en ik meen te hebben gedaan 
wat ik vermocht om dat doel te bereiken. Bij vergelijking zal men 
zich gemakkelijk kunnen overtuigen, dat de tweede druk heel wat 
ryker is dan de eerste *). De eer daarvan komt voor een goed deel 
toe aan myne geëerde medewerkers. 

My rest nog te verklaren, dat ik, wat Sanskritsche en Kawi-woorden 
aangaat, inzonderheid te rade ben gegaan met de laatste editie van 



') De aanwinst bestaat uit ong. 4500 woorden. 



VOORREDE. IX 

het Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek van Gericke en 
Roorda. 

Na aldus verantwoording te hebben gedaan van het ontstaan van 
dezen tweeden druk, wensch ik iets te zeggen over de spelling. In 
de dagen toen wij Europeanen pas Soendaneesch begonnen te leeren 
en te schrijven, had ieder een spelling op eigen hand. Dat kon natuurlijk 
zoo niet blijven, en de Heer K. F. Holle, Adviseur van het Indisch 
Gouvernement, besloot te trachten daaraan een einde te maken. 
Met Dr. W. Engelmann, den Afgevaardigde van het Ned. Bijbel- 
genootschap, en met den toenmaligen Directeur der Kweekschool te 
Bandoeng, ontwierp hij een nieuw spelsysteem voor het Soendaneesch. 
Toen ik nu in 1873 was benoemd voor de Bijbelvertaling, in de plaats 
van Dr. Engelmann, noodigde de Heer Holle mij uit, dat systeem 
ook aan te nemen. Hij schreef mij, dat het de goedkeuring had ver- 
worven van gezaghebbende taalgeleerden in Nederland; dat het door 
de Regeering tot „officieele spelling' ' was verklaard; dat het op de 
Kweekschool te Bandoeng was ingevoerd enz., en hij riep mij toe : 
„Bederf nu de eenheid niet door een eigen stelsel naast het algemeene 
te willen aanhouden". Zijn laatste brief aan mij over dat onderwerp 
sloot met deze woorden : „Zullen wij nu allen ééne schrijfwijze volgen? 
Daartoe kunt gij veel bijdragen". Ik had een bedenking. Als ik die 
spelling aannam, dan zou daarin de Bijbel gedrukt worden en dan 
zou zij ook zeker de spelling van de Zending worden. Bestond er geen 
gevaar, dat bij verandering van personen de spelling wijziging zou 
ondergaan ? In een boek als de Bijbel kan men niet gedurig de spelling 
veranderen. „Heb geen vrees", — zoo luidde Holle 's antwoord — 
„onze spelling is door het Gouvernement voor de officieele verklaard 
en zal dus standhouden". In vertrouwen op die verzekering namen 
wij de nieuwe spelling aan en voerden ze in. 

Maar wat* gebeurde reeds nu na nog geen 40 jaren ? Er is door 't 
Indisch Gouvernement in 't leven geroepen een „Commissie voor de 
Volkslectuur", en deze zorgt er nu met prijzenswaardigen yver voor, 
dat het volk wat te lezen krijgt. Deze lectuur is over 't geheel van 
zeldzaam lichten aard en lang niet vrij van schadelijke bestanddeelen, 
maar het is hier de plaats niet, daarover te spreken. Die Com- 
missie heeft terecht begrepen, dat in de van haar uitgaande geschrif- 



X VOORREDE. 

ten éénzelfde spelling dient te worden gevolgd, maar doende alsof er 
geen officieel aangenomen en vastgestelde spelling (bestaat, heeft 
zij een eigen systeem ontworpen •)» dat zich (gelukkig !) wel 
nauw bij het bestaande aansluit, maar althans in één opzicht 
daarvan belangrijk afwijkt. Ik bedoel de zoogenaamde „overgangs- 
letters". Tot dusverre schreyen we precies zóó als de Soenda- 
neezen uitspreken en hunne beste auteurs schrijven. Zij zeggen 
b.v. duidelijk: teja, pijas, sijeun, doewa, hoewi, koewës enz., en zóó 
schryft men en schreven wij dus ook. Nu echter wil de Commissie, 
dat men schrijven zal tea, pias, sieun, doea, hoei, koeês enz. Dat is 
tegen de officieele spelling, maar ook tegen de natuur. Verder beweert 
de Commissie, dat men vaak hoort zeggen mowal, wat beslist onjuist 
is, want geen Soendanees zegt anders dan moal, tenzij een Europeaan 
hem in verkeerde uitspraak is voorgegaan. Ik zal er thans niet meer 
van zeggen. Alleen wil ik er hier mijn leedwezen over uitspreken, dat 
de Commissie onnoodig een spelkwestie in het leven heeft geroepen. 
Ik voor my houd mij aan de bestaande officieele spelling, die zich 
(gelijk gezegd is) nauw aansluit bij de uitspraak en schryfwijze van 
het volk zelf. Ik geloof ook niet, dat het stelsel der Commissie er zal 
ingaan. Ik wil daarvoor een bewijs bijbrengen. De Commissie spelt 
aoer. Nu werd aan Mas Moehammad Rais (lid der Commissie, N. B. !)» 
de vraag gedaan : „Is aoer hetzelfde als awoer V Zijn antwoord luidde f 
„Hetzelfde, maar niet behoorlyk uitgesproke n." Zoo is 
het, en de Commissie moge dat oordeel van haar medelid ter harte 
nemen en terugkeeren van den verkeerden weg, nu het nog tijd is. 

Ten slotte een enkel woord over de inrichting van het boek. Als 
regel is aangenomen, bij het stamwoord te vereenigen al wat daarvan 
is afgeleid, en alle afleidingen daar te verklaren. Voor ongeoefenden 
komt het er bij gebruik van het boek dus op aan, hetstamwoord 
te kunnen vinden. In Hoofdstuk VI van de Inleiding wordt de 
weg daartoe gewezen. Onregelmatig gevormde of moeilijke woorden 
zijn afzcmderhjk vermeld. Samengestelde woorden en uitdrukkingen 
zoeke men steeds op bij het achterste lid. Achter de verklaring 
van het actieve werkwoord is in den regel de lijdende ^rorm vermeld. 



l ) Neergelegd in haar geschrift „Palanggëran", 1912. 



VOORREDE. XI 

Moeilijke woorden en uitdrukkingen zijn met voorbeelden, aan de 
spreektaal of de bestaande geschriften ontleend, opgehelderd, nog 
meer dan in den eersten druk reeds was gedaan. Het zou niet moeilijk 
zijn geweest, die voorbeelden nog met zeer vele te vermeerderen, maar 
er diende rekening te worden gehouden met omvang en prijs. 

De wetenschappelijke namen der planten zijn, met weinig uitzon- 
deringen, ook in dezen nieuwen druk niet opgenomen, ter vermyding 
van grootere uitvoerigheid. Men kan over die wetenschappelijke 
namen met vrucht raadplegen het „Nieuw Plantkundig Woordenboek 
voor Ned. Indië", van F. S. A. de Clercq. 

Aan den eersten druk deed ik als Inleiding een kort begrip van 
Soendaneesche Spraakkunst voorafgaan. Aangezien ik eenige jaren 
later een volledige Spraakkunst heb doen volgen, had ik gemeend, 
dat „kort begrip'' nu maar weg te laten. Van verschillende zijden 
werd my echter te kennen gegeven, dat men het niet gaarne zou 
missen, en daarom nam ik het weer op, doch in eenigszins gewijzigden 
vorm. 

Achterin zal men vinden een lijst van „Aanvullingen en Verbe- 
teringen". De „Aanvullingen" kunnen doen zien, dat het boek bijge- 
werkt is tot het oogenblik van zijn verschijnen. De „Verbeteringen" 
betreffen enkele betreurde uitlatingen, en een aantal drukfouten die 
mijn oplettendheid ontsnapt zijn. Ik had, helaas ! niemand om mij 
bij het moeilijk werk der correctie te assisteeren. Het beste zal zijn, 
dat ieder gebruiker voor zich even de fouten in den tekst verbetert. 
Onder het nalezen der afgedrukte vellen is mij gebleken, dat hier en 
daar een teeken den druk van de pers niet heeft vermogen te weerstaan. 
Dit gebrek kan ieder voor zich gemakkelyk met de pen herstellen. 
Ik besluit met de slotwoorden der voorrede van den eersten druk : 
„Dit Woordenboek is ook een vrucht der Evangelische Zending. 
Indien iemand er dienst van mag hebben en er nut uit mag trekken, 
hij rekenehethaarto e." Ik ben dankbaar, ook dit werk nog 
te hebben mogen volbrengen, en wensch aan mijne geëerde Mede- 
werkers en aan allen die het boek zullen gebruiken : Heil ! 

Apeldoorn, Voorjaar 1913. 

S. COOLSMA. 



INLEIDING. 



I. De Soendaneesche Taal. 

Het Soendaneesch is nauw verwant aan het Javaansch en Maleisch, 
inzonderheid aan het Javaansch. Het wordt gesproken over geheel 
West-Java, met uitzondering van enkele betrekkelijk kleine gedeelten. 
Op de hoofdplaats Batavia namelijk, met inbegrip van de Ommelanden, 
is het Bataviasch Maleisch de hoofdtaai. De taal van Noord-Bantam 
bestaat uit een ruw mengelmoes, waarvan Javaansche woorden het 
hoofdbestanddeel uitmaken *). Langs de kuststrook van Oud-Krawang 
en in het Westelijk deel van Noord-Cheribon predomineert mede 
een Javaansch dialect. Wat de strook langs de Zuidkust, met name 
van de Djampangs en Zuid-Bantam aangaat, het Soendaneesch is 
daar bij de ontwikkeling der taal in het centrum van Pasoendan min 
of meer achtergebleven. Naar de Oostelijke grens van West-Java gaat 
de taal geleidelijk in het Javaansch over; ja, hier en daar overschrijdt 
zy aan die zijde zelfs de grens. — Sprekende van het Soendaneesch 
bedoelen we dus in het algemeen de taal van West-Java, maar bepaal- 
delijk die vanjfde Preanger, van Zuid-Cheribon, van ruim de Zuidelijke 
helft der residentie Batavia, en van Bantam, met uitsluiting van de 
Noordehjke kuststrook. In het centrum echter van de Soendalanden 
is de taal het rijkst en het meest beschaafd. Behoudens plaatselijke 
eigenaardigheden treft men in het pasgenoemde, uitgestrekte gebied, 
één en dezelfde taal aan. De afwijkingen raken het wezen der taal 



l ) Men noemt dat dialect aldaar Djawa kentasa. 



INLEIDING. XIII 

niet, maar vloeien voort uit de afgezonderde ligging der streek. Zij 
bepalen zich, behalve locale woorden, voornamelijk tot het minder, 
niet of ongeregeld gebruiken van hooge woorden, — iets dat men 
trouwens ook op het platteland van de meer beschaafde gedeelten 
van Pasoendan kan constateeren. 

IL Schrift en Uitspraak. 

De Soendaneezen hebben geen eigen letterschrift. Zij bedienen zich 
èn van het Javaansche, èn van het Arabische, beide eenigszins ge- 
wijzigd. Ook ons letterschrift is reeds vrij algemeen bekend, en aan- 
gezien daarmede zoowel de Soendaneesche als de vreemde woorden 
nauwkeuriger zijn weer te geven dan met een der andere genoemde 
karakters, is bevordering van het gebruik van ons letterschrift aan- 
gewezen. 

Het Soendaneesche alphabet telt 18 medeklinkers, die met onze 
teekens aldus worden geschreven : h, n, tj, r, k, d, t, s, w, l, p, dj, ƒ, 
nj, m, g, b en ng. Deze letters worden alle uitgesproken met den a-klank, 
op deze wijze : ha, na, tja, enz. Naar de derde, vierde en vijfde letter 
noemt men het alphabet Tjatjarakan. Ten aanzien der uitspraak is 
het volgende op te merken : de h klinkt aan het einde van een letter- 
greep scherp, ongeveer als onze ch. Sluit zij een woord en krijgt dit 
een achtervoegsel, dan behoudt zij dien scherpen klank, zoodat b.v. 
minoehan (van pinoeh) uit te spreken is als minoechan. De k wordt 
aan het einde van een woord niet opgeslokt, gelijk wel bij verwante 
talen geschiedt, maar integendeel helder uitgesproken. De g klinkt 
zacht, gelijk b.v. in het Friesch. De tj, dj, nj en ng zijn elk slechts 
één letter en mogen dus niet gescheiden worden. Waar de j achter 
een n, d of t voorkomt en als afzonderlijke letter is te beschouwen, 
doet men wel haar met y te transcribeeren. Men schrijve dus doenya 
(en niet doenija of doenia), wadya (en niet wadija of wadja). 

Er zyn 7 klinkers, namelijk a, i, oe, e, o, ë en eu. De a klinkt open 
als onze opene, of gesloten als onze geslotene a. In sommige woorden 
b.v. atji, andjeun, ladjëng, mandjing heeft zij een klank als dien waar- 
mede men gewoonlijk deze letter in den naam „Antje" hoort uit- 
spreken. De i en de oe klinken zacht, zonder uitzondering. De e daaren- 
tegen klinkt altijd scherp. De o eveneens; slechts in enkele woorden, 



XIV INLEIDING. 

b.v. bodo en bodjo, klinkt zij minder scherp. De £, uit te spreken als 
onze toonlooze e, is eigenlijk geen klinker; immers, zij dient slechts 
om in een woord een kleine scheiding te maken tusschen een paar 
medeklinkers, wier uitspraak gezamenlijk anders bezwaar zou op- 
leveren. De eu wordt vol en lang uitgesproken, en klinkt ongeveer 
als onze u in „kunnen", als men in de uitspraak der eerste lettergreep 
de n loslaat en dus uitspreekt : ku-nnen. 



III. De Spelling. 

Uitgaande van het beginsel: „te schrijven zooals men spreekt", 
is men gekomen tot de volgende hoofdspelregels l ) : 

a. De medeklinkers worden niet verdubbeld, behalve in de volgende 
gevallen : 1. als het achterv. na komt bij een woord op n uitgaande; 
men schrijve dus leungeunna, djalanna; — 2. als het achterv. keun 
komt by een woord op k uitgaande; men schrijve dus ngadijoekkeun, 
ngaroeksakkeun; — 3. als het voorv. mang komt te staan voor een 
werkw. met ng aanvangende; men schrijve dus mangngasoepkeun 
[ofschoon er niemand een verwijt van te maken is wanneer hij de eene 
ng weglaat, want een dubbele ng is moeilijk uit te spreken en het 
weglaten veroorzaakt geen verwarring]. 

b. De overgangsletters w en j worden, zoozeindeuitspraak 
gehoordworden, uitgedrukt. Men schrijve doewa (en niet doea), 
hoewi (en niet hoei), bowek (en niet boek), teja (en niet tea), sija (en 
niet sta), dijoek (en niet dioek), bejas (en niet beas). Daarentegen 
poè (en niet powe), poëk (en niet powek), moal (en niet mowal). Is déze 
spelling naar de natuur, zij is ook noodzakelijk om b.v. doewa van 
doea, ower van oër, sajid van said, kawoela van kaoela te onderscheiden. 
Het Woordenboek wijst ook in dit opzicht den weg. 

c. By herhaling wordt het herhaalde gedeelte óók geschreven, en 
dus niet door een herhalingsteeken [dat in o n z e wijze van schrijven 
een onding is] aangeduid. Men schrijve dus : poera-poera, ngitjoeh- 
ngitjoéh, dikitjoeh-kitjoeh, adjret-adjretan, dikanlet-kantetkeun, enz. 



J ) Zie over de wordingsgeschiedenis de Voorrede en vergelyk het hoofd- 
stuk „Schrift en Uitspraak". 



INLEIDING. XV 



IV. De Klemtoon. 



Regel is bij het spreken, dat de voorlaatste lettergreep van het 
woord den klemtoon krijgt. Heeft echter een woord in die lettergreep 
een toonlooze e, maar in de achterste een klinker, zoo verspringt 
de toon naar de laatste lettergreep. Doch er zyn uitzonderingen : bij 
sëdja en dëngki b.v. valt de klemtoon op de voorlaatste lettergreep; 
eveneens bij kalërtsan; daarentegen bij kdbënëran op de derde letter- 
greep van achteren. — Tweelettergrepige woorden, met een toonlooze 
e in beide lettergrepen, z.a. ben&r, lërès, sëdïk, krijgen den toon op 
de voorlaatste lettergreep, dus regelmatig. — Bij meerlettergrepige 
woorden brengt de toonlooze e onregelmatigheid teweeg. — Staat 
een eenlettergrepig woord in verband met een voorafgaand woord, 
zoo beschouwt men het als daartoe te behooren en dus krijgt dat 
voorafgaande woord in dit geval den toon op de achterste lettergreep, 
of is het eenlettergrepig, dan valt daarop de toon. — Het einde van 
een zin wordt doorgaans gerekt en zangerig uitgesproken en de voor- 
laatste lettergreep van den zin krijgt meestal een bij zonderen nadruk. 

V. Hooge en Lage Woorden. 

Het verschil in rang, stand en leeftijd wordt door den beschaafden 
Soendanees, hetzij hij schrijft of spreekt, streng in het oog gehouden 
en in zijn taal uitgedrukt. Hij heeft daartoe te beschikken over hooge 
en lage woorden, waaromtrent we kortelij k het volgende opmerken : 

a. De gewone taal, zoo ook het enkele woord, waarvan men zich 
bedient in het dagelijksch leven als geen verschil in rang 
of stand behoeft te worden uitgedrukt, en waarvan 
zich tevens de meerdere bedient tegen den mindere, heet basa kasar, 
of kortweg kasar. Men noemt het ook wel tjohag. Bijzonder grove 
woorden, die in den mond van een beschaafd mensch eigenlijk niet 
passen, heeten kasar pisan, grof. 

&. De hooge (of fijne) taal, zoojook het enkele woord, gebezigd 
tegen of van een meerdere, heet basa Ufmës, of kortweg l#më&. In 
plaats daarvan noemt men zulk eén woord ook wel eens kam, dich- 
terwoord. Bijzonder fijne woorden noemt men lëmës pisan. 



XVI INLEIDING. 

c. Buitendien heeft men nog een beperkt getal middenwoorden, 
basa sëdéng, of kortweg sëdëng, ook wel basa panëngah geheeten. 
Deze worden gebezigd wanneer iemand van zichzelven of wel van 
iemand anders spreekt tot een meerdere, en verder in alle gevallen 
waarin Umh te hoog en kasar te laag zou zijn *). 

Voorbeelden : 1. kodjor en modar k. p., paeh k., maot s., poepoes L, 
palastra 1. p., sterven, gestorven, dood; — 2. molor k. p., hees k., 
sasarean s., sare 1., koelëm 1. p., slapen. 



VI. Stamwoorden en Afgeleide Woorden. 

Naar den vorm zijn in 't Soendaneesch de woorden te onderscheiden I 

in stamwoorden en afgeleide woorden. Onder stam- \ 

woord versta men een woord, dat naar de heden geldende regelen j 

der taal niet tot eenvoudiger vorm kan gebracht worden. i 

Aanm. Voor den leerling is het voor alles noodig, het stamwoord ; 

te kunnen vinden, wijl in het Woordenboek de afgeleide woorden 

onder het stamwoord verklaard zijn. Het volgende wijst den weg. 

Afgeleide woorden zijn die, welke van stamwoorden 
zijn gevormd. De afleiding geschiedt : 

a. Door voorvoegsels, invoegsels en achtervoegsels. De voorv. zijn : 
n, nj, m, ng of nga, mang (lijd. vorm dipang), njang (lijd. vorm disang), 
barang, pi, si, ti, ting (voluit pating), di, ka (of k), pa (of p), pang, 
per, pra, pri, pan, ba en sa. — De inv. zijn : oem (bij een woord met 
een klinker aanvangende is het voorv., nl. m), ar of al (bij een woord 
met een klinker aanvangende vóórgevoegd), en in. — De achter v. 
zijn : an, keun, na (soms verlengd tot and), ing en eun, hetzij op zich- 
zelf of met een ander achterv. verbonden. 

b. Door herhaling van den begin-medeklinker met bijbehoorenden 
klinker (reduplicatie), hetzij met of zonder een der achtervoegsels 



*) De meeste Europeanen mopperen tegen dat onderscheid in hooge en 
lage woorden. Er wordt zelfs wel beweerd, dat het in goed Soendaneesch 
niet thuis behoort* Tegenzin en afkeuring kunnen het gebruik echter niet 
uit de wereld helpen en de eisen bltfft bestaan : ^al wie beschaafd Soenda- ; 
neesch wil spreken en schrijven, moet er de lemes-woorden b\j leeren, wat 
trouwens best te doen is. (Zie Soend. Spraakkunst § 20 — 28.) 



INLEIDING. XVII 

eim of an. Soms wordt tusschen de herhaalde lettergreep en het stamw. 
een ng ingeschoven, b.v. teungteuingeun, van teuing. 

c. Door herhaling van het woord, met of zonder het achterv. an. 
Dikwijls gaat deze herhaling gepaard met verandering van klinkers. 

d. Door samenstelling van twee of meer woorden. 

VII. Woordsoorten. 

V 

Men kan in 't Soendaneesch de volgende woordsoorten onderschei- 
den : werkwoorden, zelfstandige naamwoorden, 
telwoorden, voornaamwoorden, bijwoorden, voor- 
zetsels, voegwoorden, tusschen werpsels en n a- 
drukswijzers. Slechts houde men hierbij in 't oog, dat by deze 
verdeeling gelet wordt op den dienst, dien het woord gewoonlyk 
in den zin verricht. Het lidwoord ontbreekt. Waar dat noodig is 
wordt het onbep. lidw. door het telw. één en het bepalende door het 
aanw. voornaamw. eta, het betrekk. voornaamw. noe, het achterv. 
na of een der nadrukswijzers vervangen. Verder ontbreekt het bij- 
voeglijk naamw. De functie, door die woordsoort in onze taal uit- 
geoefend, wordt in het Soendaneesch waargenomen door een werk- 
woord of een zelfst. naamwoord. Ook mist het Soendaneesch het 
koppelw. zijn. 

VIII. Het Werkwoord. 

S tamwoord el ij ke Werkwoorden. 

De werkwoorden zijn naar den vorm te verdeelen in twee hoofd- 
soorten, nl. stamwoordehjke en afgeleide. Onder stamwoorde- 
lijke werkwoorden zijn te verstaan : werkwoorden die het 
voorkomen hebben van een stamwoord. Wat de beteekenis aangaat 
kan men ze vergehjken met onze onbepaalde wys. Als gezegde toe- 
geschreven aan een subject zijn ze intransitief. 

Afgeleide Actieve Werkwoorden. 

I. Werkw. met den neusklank (zonder achterv.). De 
belangrijkste en meestgewone werkwoordsvorming in 't Soend. is die 
door middel van den neusklank, die aan een woord de hoogste activiteit 



XVIII INLEIDING. 

mededeelt. Er zijn vier zulke neusklanken, nl. n, nj, m en ng (of 
nga). Zij worden bij het stamw. aangebracht op de volgende wijze : 

A. Begint een woord met t (tandletter), dan komt daarvoor n (tand- 
neueletter) in de plaats. Vb. : tendjo wordt nendjo. 

B. Vangt een woord met ij of s aan (gehemelteletter), dan wordt 
die vervangen door nj (gehemelte-neusletter). Vb. : tjèloek wordt 
nfeloek; sawah wordt njawah. 

C. Woorden beginnende met p, w of b (lipletter), krijgen daarvoor 
m (lip-neusletter) in plaats, of nemen den klank nga (keel-neusklank) 
vóór zich. Vb. : patjoel wordt matjoel', wëdal wordt mëdal; bikeun 
wordt mikeun; waroeng wordt ngawaroeng; watja wordt matja of 
ngawatja; boeroe wordt moeroe of ngaboeroe. 

D. Woorden aanvangende met een der overige letters (keelletters), 
krijgen den keel-neusklank ng, en wel aldus : 

1. By woorden met een klinker beginnende vereenigt zich de neus- 
klank met dien klinker. Vb. : andjang wordt ngandjang; iring wordt 
ngiring, enz. 

2. Bij woorden met k aanvangende gaat deze letter in ng over. 
Vb. : kadek wordt ngadek. 

3. Woorden beginnende met h, n, r, d, l t dj, j, nj, m, g of ng nemen 
den klank nga vóór zich. Vb. : kormat wordt ngahormat, enz. 

E. Eenlettergrepige woorden worden eerst tweelettergrepig gemaakt 
door voorvoeging van de toonlooze e (ê) en krijgen dan daarvóór 
ng. Vb. : tjap, ïtjap, ngëtjap. [In den lijd. vorm verliezen deze woorden 
doorgaans de e weer.] 

De werkwoorden, op deze wijze gevormd, zijn bedrijvende werk- 1 
woorden. Van sommige is het stamw. als zoodanig niet in gebruik f | 
van andere alleen in de geb. wijs. Ten deele zijn deze werkw. intran- | 
sitief, ten deele transitief, ten deele causatief. Intr. is meuting, ver- | 
nachten (van peuting, nacht); trans, is ngera, beschamen (van era, 
beschaamd); caus. is ngaroeksak, verderven (van roeksak, verdorven). 

II. Werkw. met den neuskl. en het achter v. an. Bij 
een paar woorden wordt de begin-medeklinker met zijn klinker her- 
haald» terwijl dan tusschen deze herhaalde lettergreep en het stamw. 
een ng ingeschoven wordt. Vb. : njeungtjeurikan (van tjeurik). — Naar 
de beteekenis zijn deze werkw. transitief. Is echter het achterv. ge- 
hecht aan een werkw. lste . kl. dat reeds transitief was, dan duidt 



INLEIDING. XIX 

het aan, dat de werking herhaaldelijk of bij aanhoudendheid verricht 
wordt. Ngadatangan (van datang) bet. : komen over of tot iemand 
of iets, maar ngadekan : herh. of aanh. op iets houwen of hakken 
(van ngadek, ééns hakken, stam kadek). 

III. Werkw. met den neuskl. en het achter v. keun. 
Bij enkele woorden wordt de begin-medeklinker met zijn klinker 
herhaald, op dezelfde wijze als bij II. — De bet. van dit werkw. is 
een causatieve, veroorzakende, teweegbrengende. Het object is óf de 
persoon zelf óf een ander persoon of zaak. Vb. : ngadengekeun (st. 
denge), zich tot hooren stellen, d. i. met aandacht naar iets hooren, 
luisteren; ngadijoekkeun (st. dijoek), doen zitten; moengpoéloengkeun 
(st. poéloeng), verzamelen, bijeenrapen. 

IV. Werkw. met 't voorv. mang en 't achter v. keun . 
Door dezen vorm aan een stamwoordelijk of afgeleid werkw. te geven, 
duidt men aan, dat de handeling geschiedt voor of in plaats van, of 
wel uit vrees voor, ten behoeve of in het belang van, ten voordeele 
of ten nadeele van iemand, die onderscheiden is van hem die de han- 
deling verricht. Vb.: mangmeulikeun (st. beulï), voor iemand koopen; 
mangloempatkeun, uit vrees voor iemand op den loop gaan (loempat, 
hard wegloopen); mangnaliankeun, iets of iemand voor een ander 
binden (nalian, iemand of iets binden, st. tali, touw). 

V. Werkw. met 't voorv. njang. Door dit werkw. wordt een 
persoon of zaak voorgesteld, als ten opzichte van een ander persoon 
of zaak de richting aan te nemen of te hebben, die door het stamw. 
wordt aangeduid. Vb. : njanghareup, met het gelaat of front zich 
keeren of gekeerd zijn naar (van hareup, vóór). Door aan zulk een 
woord het achterv. an of keun te geven, kan men het transitief of 
causatief maken. 

VI. Werkw. met 't voorv. barang. Vorming van stammen. 
Deze werkw. duiden een handeling aan, die zich bepaalt tot den 
persoon van wien ze uitgaat, of anders gezegd : een werking in onbe- 
paalden, algemeenen zin, niet overgaande op een object. Vb. : barang- 
beuli, koopen (in 't algemeen), inkoopen doen; baranggawe, werken 
(in 't algemeen), arbeiden. 

VII. W e r k w. m e t 't a c h t e r v. an. Van zelfst. naamw. gevormd 
duiden deze werkw. aan, dat een persoon of zaak datgene voortbrengt 
of teweegbrengt, of ook wel voorzien is van datgene wat het woord, 



XX INLEIDING. 

waarvan ze zijn afgeleid, beteekent. Vb. : anakan, (van een dier) 
een jong of jongen werpen of hebben, jongen; (van een mensen) een 
kind of kinderen krijgen of hebben (anak, jong, kind); kZmbangan, 
in bloei staan, bloeien (kenibang, bloem, bloeisel). — Van stamw. 
werkw. gevormd, duiden ze aan, dat iemand of iets tot eigenschap 
bezit of behept is met datgene, wat het stamw. werkw. beteekent. 
Vb. r daekan, gewillig, vhjtig (daek, willen); moemoélan, onwillig, traag 
(moemoél, niet willen). 

VIII. Werkw. met 't achter v. eun. Men kan deze werkw. 
in twee soorten onderscheiden : a. zulke die een lijden of behept zijn 
beteekenen. Vb. : tjatjingeun, aan wormen of de wormziekte lijden 
(tjatjing, worm); — b. zulke die te beschouwen zijn als figuurlijke of 
spreekwoordelijke uitdrukkingen. Vb. : sorejang-monjeteun, om en om 
kyken als een aapje (sorejang, omkijken; monjet, de gewone aap). 

IX. Werkw. met't voor v. pi en't achter v. eun. Vorming 
van stamw. werkw., van werkw. kl. I — III, van de passieve vormen 
en ook wel van een afgeleid zelfst. naamw. Dusgevormde werkw. 
drukken den toek. tijd uit. Vb. : pihoedjaneun, zullen regenen (hoedjan, 
regen); pimoélangeun, huiswaarts zullen gaan (moelang, naar huis 
gaan); pikahartieun, zullen verstaan worden (kaharti, .verstaan 
worden). 

X. Werkw. met herhaling van den begi n-m ede- 
klinker en bijbehoorenden klinker. Vorming van 
stamw. De bet. is, dat men de handeling herhaaldelijk of aanhoudend 
verricht. Vb. : tjatjarita, gedurig-, aanhoudend of verschillende dingen 
verhalen; toetoeloeng, herhaaldelijk helpen, allerlei hulp verleenen. 

XI. Werkw. met herh. van den begi n-m e d e k 1. en 
bijbeh. klinker, met eenvoudig of verdubbeld 
a c h t e r v. an. Er zijn drie soorten : a. zulke die een samenwerken, 
een zijn-met-elkander of een wederkeerige werking aanduiden. Vb. : 
moemoesoehan, met elkander in vijandschap zijn of leven (moesoeh, 
vijand); — b. zulke die een bij herhaling of aanhoudend doen der han- 
deling beteekenen. Vb. : gëgëroan, aanhoudend schreeuwen (güro, 
schreeuw); — c. zulke die een zich voordoen of een nadoen beteekenen. 
Vb. : babatoekan, gemaakt hoesten (batoek, hoesten); njanjahoanan 
(dubbel an), het air aannemen van te weten wat men werkelijk niet 
weet, betweterig (njaho, weten). 



INLEIDING. XXI 

XII. Werk w. met 't v o o rv. pa, zonderof met 't ach- 
ter v. an. Soms wordt het stamw. verdubbeld. Deze vorm wordt 
gebezigd van meer dan één persoon of zaak, tot uitdrukking eener 
tusschen deze bestaande betrekking, van een doen over en weer, enz. 
Vb. : papanggih, elkander ontmoeten (manggih, vinden); pa&loesdloes, 
om het mooist doen, b.v. schrijven (aloes, mooi); patembalan, elkander 
antwoorden, om de beurt kraaien, enz. (nembal, antwoord geven). 

XIII. Werkw. met 't voorv. silih. Vorming van werkw. kl. 
I — IV, met weglating van den neusklank. Bet. : een opzettelijke 
wederkeerige handeling. Vb. : silih-tintjak, elkander trappen; silih- 
adjenan, elkander eeren; silih-hoedangkeun, elkander ophelpen; silih- 
pangnëdakeun, voor elkander bidden. 

XIV. Werkw. met 't voorv. si. Vorming van stamw. Bet. : 
een verrichting of houding van het lichaam. Vb. : sïbeungeut, zich 
het gezicht wasschen (beungeut, gelaat); sidoeroe, zich bij het vuur 
warmen (st. doeroe). 

XV. Werkw. met 't voorv. ti. Vorming van stamw. Des» 
vorm duidt aan, dat een persoon of zaak geraakt of geraakt is in den 
toestand waarop het stamw. wjjst, en wel bij ongeluk of ten gevolge 
der omstandigheden. Vb. : tïbalik, omkantelen (balik, omkeeren, 
omgekeerd); tisoledat, uitglijden (st. soledat). 

XVI. Werkw. met 't invoegsel oem. Vorming van stamw. 
werkw. en van enkele woorden die den vorm van het 2de pass. hebben. 
Vangt het stamw. met een klinker aan, dan komt oem daarvoor te 
staan, maar valt de oe meest weg. Vb. : matoer, spreken, zeggen (van 
atoer); doemeuheus, voor een meerdere verschijnen of zich voor hen» 
bevinden; goemëde, zich voornaam voordoen; koemawani, zich moedig 
voordoen, zich verstouten (van kawani, st. wani, moedig). Zie de 
afzonderlijke woorden in het boek. 

XVII. Werkw. met 't i n v. in. Vorming van stamw., terwijl 
de bet. daarmee vrij wel overeenkomt. Vb. : pinanggih, vinden (st. 
panggih); tinangtoe, zeker zijn (tangtoe, zeker); Mnangkit, schrander 
zijn (st. bangkit). 

De Passieve of Lijdende Vormen. 

Het eerste passief is kenbaar aan het voorv. di. Het wordt 
gevormd van werkw. van kl. I — V en ook wel eens van een stamw. 



XXII INLEIDING. 

of een samengesteld woord. Het voorv. neemt de plaats in van den 
neusklank. De bet. staat tegenover die van het actief. Vb. : ditjëkël, 
gegrepen worden (njëkïl, grijpen); direudjeungan, vergezeld worden 
(ngareudjeungan, vergezellen); dikijeukeun, aldus gedaan worden 
(hijeu, aldus). 

Het tweedepassiefis kenbaar aan het voorv. ka, op dezelfde 
wijze voorgeplaatst als di. Het wordt gevormd van werkw. van kl. 
I — III. De bet. is vierderlei : 1°. wordt een persoon of zaak er door 
voorgesteld als iets lijdende, maar niet ten gevolge van iemands wil; 
vb. : kadenge, gehoord raken of zijn, iemand ter ooren komen; — 2°. 
dient dit passief om aan te duiden, dat iets aan een persoon of zaak 
overkomen is zooals bij ongeluk; vb. : kdbaledog, bij ongeluk geraakt 
door een voorwerp dat geworpen werd; — 3°. bezigt men dit passief, 
wanneer men beleefdheids- of voorzichtigheidshalve de handeling wil 
doen voorkomen als onopzettelijk; vb. : katjatoer of katjatoerkeun, er 
wordt (is) gezegd, men zegt; — 4°. dient dit passief om uit te drukken 
wat wij doen door een bijv. naamw. met den uitgang b a a r of door 
de onb. wijs met t e; vb. : kdbawa, vervoerbaar, draagbaar, te dragen; 
moal kahakan, niet op te eten. 

De persoonsuitgang eun. 

Een betrekkelijk klein aantal woorden (stamw. werkw., werkw. 
kl. I en 2de passief) krijgt, van een derden persoon gebezigd wordende, 
het achterv. eun. Het zijn uitsluitend woorden die een werkzaamheid 
der ziel uitdrukken. Njahoëun b.v. bet. : hij (zij) weet, zij weten. 
[In den lsten en 2den pers. zegt men njaho]. 

Het meervoud bij de Werkwoorden. 

Dit kan worden uitgedrukt op drieërlei wijze : 

1. door den klank ar of al. Deze wordt bij het stamw. aangebracht, 
en wel zóó, dat hij bij woorden met een klinker aanvangende wordt 
voorgevoegd en by woorden met een medeklinker beginnende wordt 
ingeschoven tusschen dien medeklinker en zijn klinker. Vb. : arasoep 
(van asoep), laleumpang (van leumpang). 

2. door het woord pada k., sami 1., dat kan geplaatst worden voor 



INLEIDING. XXIII 

werkw. van alle klassen. Het bet. „gelijk" en wil dus zeggen, dat 
ieder der bedoelde personen of zaken de handeling verricht of onder- 
gaat. De vormen 1 en 2 komen ook (ter versterking) vereenigd voor, 
b.v. pada ngaromong, zij spraken. 

3. door het voorv. ting, voll. pating. Dit wordt geplaatst vóór een 
stamw., en wel gewoonlijk voor een drielettergrepig, dat in de tweede 
of ook wel in de eerste lettergreep een r of l heeft. Een tweelettergrepig 
woord moet, om dit voorv. te kunnen aannemen, eerst drielettergrepig 
worden gemaakt door invoeging van ar of al. Deze meervoudsvorm 
dient om uit te drukken, dat de handeling geschiedt door velen en 
verspreid. Vb. : patingdjalërit, gillen van velen en verspreid (stam 
djêrit, gil; ngadjèrit, een gil geven). 



De uitdrukking van den tyd. 

Het Soendan. drukt den tijd niet uit door een verandering in den 
vorm van het werkw. Een uitzondering maken het werkw. kl. IX, 
dat den toek. tijd-, en het 2de pass., dat meestal den verl. tijd uitdrukt. 
Overigens geven afzonderlijke woorden, voor zoover noodig, den tijd 
aan. Daartoe dienen dan in de eerste plaats de tijdsbenamingen en 
de bijwoorden van tijd, en in de tweede plaats eenige hulpwoorden. 
Om uit te drukken dat men aan een handeling bezig is, dat een han- 
deling aan den gang is, gebruikt men het hulpw. keur (of eukeur). — 
De verl. tijd kan worden uitgedrukt : 1. door het hulpw. geus (of 
ènggeus) k., parantos 1., reeds fc afgeloopen; 2. door voor een werkw. 
met den neusklank het woord beunang k., kenging 1. te plaatsen, b.v. 
beunang noelis, geschreven; 3. door het 2de passief (zie boven); 4. 
door manten achter een werkw. te plaatsen, b.v. palid manten, bereids 
weggedreven; 5. door den nadrukswijzer teja (ook wel eens door teh) 
achter het woord of den zin te plaatsen. — De toek. tijd kan worden 
uitgedrukt : 1. door het werkw. kl. IX (zie boven); 2. door een der 
hulpw. rek (of dek) k., kërsa 1., willen, zullen; 3. door het minder be- 
paalde bakal k., bade 1.; 4. door meureun, „zeker wel"; 5. door de meer 
bepaalde hulpw. tangtoe en tanwande k., tinangtos 1., vast, stellig; 6. 
door 't hulpw. poegoeh k., kantënan 1., bepaald, gewis; 7. door ëngke, 
„zoo meteen"; 8. door mangke (of mëngke), in de toekomst, later. 



XXIV INLEIDING. 



De Willende Wtfs. 

Er is bij de verschillende af deelingen van de willende wijs te onder- 
scheiden tusschen den subjectieven en den objectieven vorm. De 
eerste, kenbaar aan den neusklank, geldt het subject; de tweede, 
kenbaar aan 't gemis van den neusklank, geldt het object. We onder- 
scheiden : 

A. Degebiedendewijs. Deze wordt uitgedrukt : 1. door het 
werkw. op den toon des bevels uit te spreken; 2. door voorplaatsing 
van het hulpw. geura, eig. spoedig; 3. door het hulpw. geuwat, z. v. a. 
gauw wat; 4. door het hulpw. koedoe k., këdahëL, moeten; 5. door een 
der hulpw. poma of geuna; 6. door het hulpw. sing, voll. masing, en 
het overeenkomstige hulpw. mangka, zeer, doe, laat, of ook te vertalen 
met onze aanv. wijs, terwijl beide woorden tevens dienen tot uitdruk- 
king van een gebod ten aanzien van een derden persoon. In dat laatste 
geval voorziet men ze echter in den regel van het achterv. na (masingna, 
mangkana), terwijl masingna dan in het dagelijksch leven doorgaans 
verkort wordt tot singna of sina. [N.B. De beleefdheid brengt mede, 
jegens den meerdere in plaats van de gebiedende, liever de voor- 
stellende of biddende wijs te bezigen.] 

]?. De verbiedende wijs. Deze wordt gevormd door het 
hulpw. oelah, moet niet, mag niet, doe niet, wees niet, of het zachtere 
montong> 't behoeft niet. Is versterking noodig, dan kan men oelah 
doen voorafgaan door poma of geuna. Verder bezigt men veel het 
hulpw. pa,patjoewan. 

C. De voornemende of voorstellende wijs. Deze kan 
wat den. lsten pers. betreft worden uitgedrukt door rek of dek, al 
of met voorafgegaan door een der hulpw. In den 2den pers, wordt 
de zin soms geconstrueerd zonder, maar in den regel met een hulpw.» 
waartoe men in kasar gebruik maakt van tjik, tjing, hajoe, kom, 
welaan, of van tjoba, beproef, terwijl men in l^mos soemangga of 
mangga bezigt. Om zijn verlangen aan iemand te kennen te geven 
iets gezamenlijk te doen* bezigt men het meerv. pers. voornw. oerang. 
Dat mag echter slechts tegen minderen en gelijken. Tegen meerderen 
vervangt men liefst de voor^tellend^ door de biddende wijs. 

D. De wenschende o( biddende w ij s. Deze wijs wordt 



INLEIDING. XXV 

uitgedrukt door een der hulpw. kaoelanoen (koelanoen of ook eenv. 
noen), atoeh, moegi, moega, moegi^moegi en moega-moega. 

De trappen van vergelijking. 

De stellende trap wordt in den regel uitgedrukt door het stamw. 
werkw., b.v. gëde, groot. — De vergel ij king van gelijk- 
li e i d wordt uitgedrukt door den steil, trap : 1. met hulp van tjara 
of sapèrti k., sapftrtos L, gelijk; 2. met hulp van saroewa k., sami 
1., e v e n z o o, waarbij djeung (met) dan de plaats van ons voegw. 
a 1 s inneemt. — De vergel ij kende trap wordt uitgedrukt : 1 . 
door djeung k., sarëng 1., vergeleken met; 2. door ti, batan, 
manan, ti batan, ti manan, alah batan of alah manan, dan; 3. door 
leuwih k., langkoeng 1., meer; 4. door hade of leuwih hade k., sae of 
langkoeng sae 1., bete r; 5. door mënding, beter; 6. door anggoer, 
liever, eerder; 7. door beuki, meer worden; 8. door katjek, 
iets minder; 9. door rada, een weinig, ietwat; 10. door 
toevoeging van an aan den steil, trap, b.v. gédean, iets grooter. — 
De overtreffende trap wordt meestal van den steil, trap ge- 
vormd door voorv. van pang en achterv. van na, b.v. panggëdena, 
de grootste. Tot versterking wordt vaak het stamw. herhaald. 



IX. Het Zelfstandig Naamwoord. 

Ook de Zelfst. naamw. zijn naar den vorm te verdeelen in stam- 
woordelijke en afgeleide. Laatstgenoemde zijn te onderscheiden in 
de volgende veertien soorten : 

I. Die met herhaling van den begin-medekl. (van 't stamw.) met 
bijbehoorenden klinker. Vb. : tatangga, nabuur; lalambe, iemands 
mond (die voor hem het woord voert), van lambe, lip. 

II. Die met herh. van den begin-medekl. en bijbehoorenden klinker 
{of van de eerste lettergreep, zoo deze uit een enkelen klinker bestaat), 
met 't achterv. an. Vb. : këkëmbangan, gebloemte; oörajan, een ge- 
maakte slang. 

III. Die met voorv. për 9 pra, pri of pan. Vb. : permata, edelgesteente; 
pradjoerit, krijgsman; priboemi, inwoner; pandoea, heilbede. 

2* 



XXVI INLEIDING. 

IV. Die met 't achterv. an (achter den stam). Vb. : omongan, woord; 
bilangan, getal. 

V. Die met 't voorv. ka (voor den stam). Vb. : kahajang, wensen;. 
kanjèri, pijn. 

VI. Die met 't voorv. ka en 't achterv. an. Vb. : kasoesahan, moei- 
lijkheid; kaboengahan, blijdschap. 

VII. Die met 't voorv. pa (hetzij voor den stam, hetzij voor het 
werkw. 1ste kl.). Vb. : pawarta, bericht; pameuli, koopprijs; pamenta r 
verzoek. 

VIII. Die met 't voorv. pa en 't achterv. an. (vgl. VII). Vb. : pasa- 
wahan, aaneenschakeling van rijstvelden; pagawean, bezigheid; pana- 
nja&n, vraagbaak. 

IX. Die met 't voorv. pi (voor den stam). Vb. : piloewang, kuil; 
pitoéloeng, hulp; pikoekoeh, inzetting. 

X. Die met 't voorv. pi en 't achterv. an. Vb. : pigoenoengan, ge- 
bergte; pisaboekan, de plaats voor den gordel, de middel. 

XI. Die met 't achterv. eun. Vb. : seuseuheun, wat te wasschen is r 
de wasch; njeuseuheun, iemand om de wasch te doen; watjaeun, iets 
om te lezen, lectuur; arïp-arïpeun, iets dat te hopen is, waarop men 
hopen kan; pikiraneun, iets om over te denken; omongkeuneun, iets 
dat uit te spreken is, dat men te spreken heelt. 

XII. Die met 't voorv. pi en 't achterv. eun. Vb. : pibadjoeëun, stof 
voor een baadje, lap goed; pingaraneun, naam die iemand zal ont- 
vangen; pisalakieun, man die de echtgenoot van zekere vrouw zal 
worden. 

XIII. Die met 't voorv. pang. Vb. : panghampoera, vergiffenis; 
pangrasa, het gevoel; pangërsakeun (st. kërsa), iemands wil ten aanzien 
ergens van. — Hiertoe behooren ook de woorden aan welke dit voorv _ 
de bet. geeft van : de reden waarom, dat; b.v. pangdatang, de reden 
van de komst, het komen; pangbeungharna, de reden waarom hi| 
rijk is, zijn rijk zijn. 

XIV. Die met 't voorv. pang en 't achterv. an. Vb. : pangdijoékan y 
zitplaats; pangeureunan, rustplaats; pangharëpan, verwachting, hoop; 
panganggeman, einde. 

Getal, Geslacht, Naamval. 
Het getal kan bij het zelfst. naamw. worden uitgedrukt: 1. 
door den klank ar of al (op dezelfde wijze als bij het werkw.); 2- 



INLEIDING. XXVIJ 

door vóórplaatsing van para, doch dit wordt alleen gedaan bij woorden 
die een zekere waardigheid aanduiden; 3. door herhaling van het 
Woord, doch daarmede is men in goed Soendan. spaarzaam. [N.B. 
Het werkw. geeft doorgaans gelegenheid het meerv. uit de drukken, 
zoodat het dan bij het zelfst. naamw. niet behoeft.] — Het Soendan. 
kent geen geslacht. Het wordt soms door een afzonderlijk woord, maar 
overigens (voor zooveel noodig) door de bepaling „mannelijk" of 
„vrouwelijk" (lalaki, awewe) aangeduid. — Naamvallen zijn aan het 
Soendan. volkomen vreemd 

X. Het Telwoord. 

1. De getallen van 1 — 10 zijn : hidji, doewa, tiloe, opat, lima, gënëp, 
toedjoeh, dalapan, salapan, sapoeloeh. In samenstellingen (z. a. sapoe- 
loeh) wordt hidji doorgaans vervangen door sa. Van 11 — 19 vormt 
men de getallen met hulp van wëlas : sawëlas, doewa wëlas, enz. Voor 
20 zegt men doewa poeloeh. De getallen 21 — 29 worden gevormd met 
hulp van likoer : salikoer, doewa likoer, enz. Voor 25 zegt men echter 
salawe [2 X 25 doewa lawe, enz.] ; men mag evenwel ook zeggen lima 
likoer en doewa poeloeh lima. Van 30 af telt men tiloe poeloeh, tiloe poeloeh 
hidji, en zoo verder. Voor 60 echter zegt men sawidak [2 X ^ doewa 
widak, enz.]. Het getal 100 heet saratoes; 101 : saratoes hidji, enz. 
Het getal 1000 heet saréboe; 10,000 : salaksa; 100,000 : sakëti; 1,000,000 : 
sajoeta. 

2. Bij het tellen wordt veel gebruik gemaakt van hulptelwoor- 
den, die met de soort van voorwerpen, welke geteld worden, moeten 
overeenstemmen. Voor twee planken zegt men dan : papan doewa 
bébék; voor vier vruchten : boewah opat siki. 

3. Wat breuken aangaat: voor een half zegt men: satëngah, 
sabeulah of sapaw, voor een vierde : saparapat. Anderhalf heet : 
kadoewa satëngah. Alle andere breuken kan men uitdrukken door 
den teller voorop te plaatsen en aan den noemer het voorv. per te 
geven, b.v. een-derde : sapërtiloe; vijf-zesde : lima përgënëp. 

4. Ranggetallen worden gevormd door vóór de getalsbenaming 
het voorv. ka te plaatsen, b.v. : kadoewa, de tweede; katiloe pèrkara, 
ten derde. Voor eerste zegt men : kahidji, noe hidji of noe mimiti; 
voor laatste : panoetoep of panganggeusan. — Verzameltaliea 



XXVIII INLEIDING. 

vormt men met het achterv. an, b.v. doewadn, tweetal. — Om o n- 
bestemde grootheden aan te duiden, heeft men de voorv. 
ba en mang, waarbij het telw. verdubbeld wordt. Vb. : baratoes-ratoes , 
bij honderden; manglaksa-laksa, bij tienduizenden. — Herha- 
lingstallen worden gevormd met kali en verdubbeltallen 
met tikël, lipët en patikëlaneun, 

XI. De Voornaamwoorden. 

1. Persoonlijke voornw. — 1ste pers. enk. (van hoog naar nede- 
rig) : aing, deivek, kami, oerang, kaoela, djasadkaoela, koering, abdi, 
djisimkoering, djisimabdi. — 1ste pers. meerv. oerang [sluit den aan- 
gesprokene in en wordt om die reden niet tegen meerderen gebruikt]. — 
2de pers. enk. (van laag naar hoog) : sija, silaing, maneh (ook manehna), 
andika, sampejan, adjëngan, andjeun, gamparan. Van deze woorden 
(met uitzondering van sija en andika), kan een meerv. gevormd worden 
door invoeging van ar (zie boven). — 3de pers. enk. (van laag naar 
hoog) : manéhna of manehanana, sampejanana* adjënganana, andjeunna 
of andjeunanana. Van minderen en dingen zegt men verder inja, dat 
als het door een voorz. wordt voorafgegaan veelal dinja luidt. Van 
meerderen bezigt men naast andjeunna veel mantënna. Van deze 
woorden (met uitzondering van inja en mantënna) kan een meerv. 
gevormd worden door invoeging van ar. — Intusschen vervangen 
de Soendaneezen de pers. voornw. vaak door verwantschapstermen 
en titels. 

2. Bezittelijke voornw. Hiertoe dienen : 1°. alle persoonl. 
voornw. met uitzondering van inja en dinja; 2°. de hierna te noemen 
refl. voornw.; 3°. alle termen en titels die in plaats van een voornw., 
gebruikt worden. Daarenboven heeft men 4°. voor den 3den pers. 
ènk. en meerv. het achterv. na, dat bij woorden voorzien van een der 
achterv. an, eun of keun verlengd wordt tot ana. 

3. Reflexieve voornw. zijn : maneh, diri, awak en sorangan 
k., prïbadi s., andjeun, mantën en salira 1. 

4. Aanwijzende voornw. zijn : ijeu, deze, dit (voor wat zich 
in de onmiddellijke nabijheid bevindt); eta, die, dat (voor hetgeen 
verder af is), en Hoe, gene, gindsche (voor wat in de verte wordt waar- 
genomen). 



INLEIDING. XXIX 

5. Vragende voomw. (of liever vraagwoorden) : 1. na of naha, 
om een eenvoudige vraag uit te drukken; — 2. noem, om naar zaken 
te vragen; hiervan koe naon, waarom ? pinaoneun of k&ur naon, voor 
wat ? waartoe zou het dienen ? — 3. saha, om naar personen te vra- 
gen; — 4. koemaha, om naar het hoe of hoedanig te vragen; hiervan 
pikoemahaeun, hoe. zal? hoe zou ? — 5. sabaraha, om naar het getal 
of de hoeveelheid te vragen; — 6. mana, om te vragen wie, welk of 
wat men van zeker aantal verlangt; hiervan : di mana, waar ? ti mana, 
van waar ? ka mana, waarheen ? — 7. iraha, om naar den tijd te 
vragen; — 8. lain bet. z. v. a. : is het niet ? — 9. karah en koetan 
dienen om in een vraag het onwaarschijnlijke dan wel verrassing of 
verbazing uit te drukken. 

6. Betrekkelijk voomw. is noe (anoe), die, dat, enz. 

XII. Voorzetsels. 

De voornaamste voorzetsels zijn: 1. di, voorz. van rust: 
in, bij, op, te, aan, onder, aangaande; — 2. ka, voorz. van beweging : 
naar, naar toe, tot, aan, tegen, op, jegens; — 3. ti, eveneens voorz. 
van beweging : van, uit, bij, over, aan; in vergelijkingen : dan; — 4. 
koe : door, bestaan uit, gemaakt van, op, aan, van, met, voor; — 5. 
bawaning : wegens, ter oorzake van, om; — 6. balas : vanwege aan- 
houdend; — 7. ari k., doepi 1., aangaande, wat betreft; — 8. tanpa 
en hanteu djeung, zonder; — 9. djaba k., djabi 1., behalve, uitgezon- 
derd; — 10. adjang, baris, geusan, keur of eukeur, pakeun of pikeun 
k., bade 1., voor, om te; — 11. karana k.. karanten 1., wegens, ter wille 
van, namens, om. 

XIII. Voegwoorden. 

De voornaamste voegwoorden zijn: 1. djeung en sarta k., 
sarëng 1., en; — 2. bari, en, terwijl, onder (verbindt twee gelijktijdige 
handelingen); — 3. toer, en ook, alsmede; — 4. malah, ook, ook nog, 
daarenboven; — 5. soemawon, noch; — 6. toeloej, tidinja, seug, seg, 
heiig, heg k., ladjëng 1., daarop, vervolgens; — 7. geus .(sanggeus) kitoe 
k., saparantos kitoe 1., daarna; — 8. oge (ge), ook; — 9. ari en demi k., 
do&pi \., maar; — 10. tapi (tatapi) en ngan k., tanapi en nanging 1., maar, 



XXX INLEIDING. 

doch; — 11. atawa en boh k., oetawi en atanapi L, of; — 12. sabab 
k., poerwa 1., omdat, om reden, dewijl; — 13. karana k., karanten 1., 
want; — 14. kawas, alsof; — 15. tjara en sapërti k., sapïrtos 1., als, 
gelijk; — 16. keneh, masih keneh, nog; — 17. wani, datang ka, nïpi 
ka k., dongkap s., moenggah ka L, totdat, zoodat; — 18. lamoen k., 
manmw 1., als, indien, ingeval; — 19. oepama k., oepami 1., ingeval, 
bijaldien; — 20. sanadjan en sangküang, ofschoon, hoewel; — 21. 
soepaja en sangkan k., soepanUn 1., opdat. 

r! XIV. Tusschenwerpséls. 

Drie soorten zijn te onderscheiden : gevoelsklanken, klanknaboot- 
singen en werkwoordelijke tusschenwerpséls. 

a. Gevoelsklanken zijn ó. a. de volgende : 1. wah, euj en 
hijap, om aan te roepen; — 2. eh k., noen 1., bij toespraak en ant- 
woord; — 3. tjik, tjoba en hajoe, om aan te moedigen; 4. moegi en atoeh, 
om een wensch te kennen te geven; — 5. ang, ah, ih, abong, b# en si, 
om onwil of bestraffing uit te drukken; — 6. ëh, lah en adoeh, om 
ontstemming of smart te kennen te geven; — 7. aeh, naha, wet (bet), 
amboe, geuning, hor eng en doemadakan, om verwondering of verrassing 
uit te spreken. 

fc. Klanknabootsingen: 1. doer, dor, djëdoer en drel, geluid 
van schieten; — 2. goegoer, goeloedoeg en geledeg, geluid van donder 
en onweer; — 3. kiritjit en kerentjeng, gerinkel of gerammel; — 4. 
keresek en korosok, geritsel; — 5. tes en tjlak, druppelen; — 6. ngek 9 
ngeng, ngong en koeng, geluid van muziek; — 7. tjitjit, ejong, haoeng, 
oë t emoh en kongkorongok, nabootsing van dierengeluiden. 

c. Werkw. tusschenw. Deze gaan 1°. aan hun bepaald werkw. 
vooraf, als om in een gevoelsklank dat werkw. aan te kondigen; 2*. 
worden ze gebezigd om op korten toon iemand te gebieden de handeling 
welke ze aanduiden te verrichten, en 3°. treden ze op als gezegde. 
Een enkel voorb. : pok ngomong, hij sprak; pok ! spreek ! teu daekeun 
pok, hy wil niet spreken. 

XV. De Nadrukswijzers. 

Denadrukswijzers zijn woordjes, die de bestemming hebben 
een zekeren nadruk te leggen op een woord, zinsnede of volzin. Het 



INLEIDING. XXXI 

zijn de volgende : 1. p,ja, dat vóór een woord of zinsnede geplaatst 
wordt; — 2. pon wordt eveneens vooropgeplaatst, maar komt alleen 
voor in staande uitdrukkingen; — 3. teh, dat achter een woord of 
zinsnede voorkomt, om een terugslag uit te drukken; — 4. teja staat 
ook immer achter een woord of zin, om aan te duiden dat daarover 
reeds gesproken is; — 5. mah, achter een woord of zin geplaatst, 
drukt een tegenstelling uit; — 6. pisan komt mede achter een woord 
te staan, en is doorgaans weer te geven met : zeer, geheel, ten volle, 
volstrekt; — 7. teuing dient tot aanduiding van een overmatigen 
trap of graad; — 8. soteh kan veelal vertaald worden met : wel, wel 
is waar. 



NASCHRIFT. Met de Spraakkunst waarnaar in het Woordenboek 
gedurig is verwezen, is niet bedoeld deze Inleiding, maar de „Soen- 
daneesche Spraakkunst door S. Coolsma, Leiden, A. W. SijthofTs 
U itgevers-Maatschappij . ' ' 



VERKORTINGEN. 



aanh. 


wil zeggen : 


aanhoudend. 


aanw. vnw. 


»i »> 


aanwijzend voornaamwoord. 


afl. 


?5 J5 


afleiding. 


ald. 


11 Jï 


aldaar. 


alg. 


11 M 


algemeen. 


Ar. 


11 »J 


Arabisch. 


B. 


11 J> 


H. C. H. de Bie, Adj. Insp. van 
den Inl. Landbouw, enz. 


Bad. 


)> »» 


Badoej, Badoejsch. Zie Woorden- 
boek. 


Band. 


>> 11 


Bandoeng, Bandoengsch. 


Bant. 


»? »» 


Bantam, Bantamsch. 


Bat. 


JJ >» 


Batavia, Bataviasch. 


Bat.-Mal. 


11 11 


Bataviasch-Maleisch . 


ben. 


>? »» 


beneden. 


bep. 


»ï »> 


bepaling, bepaaldelijk. 


bet. 


11 >> 


beteekent, beteekenis. 


betr. vnw. 


5) »» 


betrekkelijk voornaamwoord. 


bez. of bezitt. 


vnw. „ 


bezittelijk voornaamwoord. 


byz. 


»j »> 


by zonder. 


b. n. 


»> »» 


basa neneh, d. i. minzame (vrien- 
delijke) uitdrukking. 


b. p. 


*> »* 


basa pantoen, d. i. woord of uit- 
drukking, uitsluitend of voor- 
namelijk door pcwiom-zangers 
gebezigd. 



VERKORTINGEN. 



XXXIII 



Buit. 

b. v. 

Cher. 

Chin. 

coll. mv. 

derg. 

d. i. 

dial. 

Djamp. 

Djas. 

d. w. z. 
eenv. 

eig. 

Eng. 

enk. 

enz. 

Europ. 

fig. 

Gal. 

Gar. 

gebr. 

gew. 

grondv. 

grondw. 

g. w. 

hedend. 

herh. 

hetz. 

Hind. 

Holl. 



hulpw. 



wil zeggen : Buitenzórg, Buitenzorgsch. 

bij voorbeeld. 

Cheribon, Cheribonsch. 

Chineesch. 

collectief meervoud. 

dergelijke. 

dat is. 

dialectisch. 

de Djampangs (Zuid-Preanger). 

Djasinga. 

dat wil zeggen. 

eenvoudig. 

eigenlijk. 

Engelsch. 

enkelvoud. 

en zoo voort. 

Europeesch. 

figuurlijk. 

Galoeh, Galoehsch.^ 

Garoet, Garoetsch. 

gebruikelijk, gebruikt. 

gewoonlijk. 

grondvorm. 

grondwoord. 

gebiedende wijs. 

hedendaagsch. 

herhaaldelijk, herhaling. 

hetzelfde. 

Hindoestani. 

Hollandsen. (In het Wboek zijn 
kortheidshalve niet alleen de 
woorden die uit het Hollandsen, 
maar ook die door het Hol- 
landsen in het Soendaneesch zijn 
opgenomen, als „Hollandsen** 
opgegeven). 

hulpwoord. 



VERKORTINGEN. 



XXXIV 



Indr. 

Inl. 

inv. 

inz. 

Jav. 

Jav. Wb. 



k. 

Kad. 

klankn. 

Koen. 

k. p. 

Kw. 

1. 

lett. 
lidw. 
lijd. v. 
1. p. 

M. 



Mal. 

Man. „ 

mann. ,, 

meerv. „ 

Moh., Mohammed. „ 

nab. „ 

nadruksw. „ 

N.-B. 

Ned. 

ngbr. „ 



wü zeggen : 



Indramajoe, Indramajoesch. 

Inlandsch. 

invoeging, invoegsel. 

inzonderheid. 

Javaansch. 

Javaansch-Nederlandsch Hand- 
woordenboek van Gericke en 
Roorda. 

kasar (grof, taal van het dage- 
lrjksch leven), zie Wboek. 

Kadipaten (Madjalëngka). 

klanknabootsing. 

Koeningan. 

kasar pisan (zeer grof, plat). 

Kawi, zie Woordenboek. 

lemës (fijn, hoog woord, fijne uit- 
drukking), zie Wboek. 

letterlijk. 

lidwoord. 

lijdende vorm. 

lëmfcs pisan (zeer fijn, zeer hoog 
woord). 

J. J. Meijer, Oud Ass.-Resident, te 
voren Controleur van Goenoeng- 
kantjana, enz. 

Maleisch. 

Manondjaja, Manondjajasch. 

mannelijk. 

meervoud. 

Mohammedaansch. 

nabootsing. 

nadrukswijzer. 

Noordbantamsch. 

Nederlandsen. 

niet gebruikelijk, niet in gebruik. 
(Versta: voor zoover den vervaar- 
diger van dit Wboek bekend is). 





VERKORTINGEN. XXXV 


nl. ml zeggen : 


namelijk. 


o. a. 


»> »> 


onder andere. 


0.-J. 


>J JJ 


Oud-Javaansch. 


ong. 


JJ »J 


ongeveer. 


O.-P. 


J» 1) 


Oostpasoendan, het Oostelijk ge- 
deelte van de Soendalanden. 


O.-S. 


JJ JJ 


Oud-Soendaneesch. 


overdr. 


JJ JJ 


overdrachtelijk. 


P. 


f) JJ 


C. M. Pleyte, Leeraafr aan het 
Gymnasium Willem III te Ba- 
tavia, enz. 


p., pers. 


*J ?J 


persoon. 


Pam. 


1» »J 


Pamanoekan, Pamanoekansch. 


pers. vnw. 


JJ »J 


persoonlijk voornaamwoord. 


Perz. 


JJ JJ 


Perzisch. 


Poerw. 


JJ JJ 


Poerwakarta, Poerwakartasch. 


Port. 


I) JJ 


Portugeesch. 


Pr. 


JJ 1» 


Preanger-Regentschappen. 


P.-R. 


JJ JJ 


Palaboewan-Ratoe(Wijnkoopsbaai) . 


Rijnl. 


JJ JJ 


Rijnlandsch. 


s. 


JJ JJ 


sëdëng (middenwoord, tusschen 
hoog en laag in). 


samengest. 


JJ JJ 


samengesteld. 


samengetr. 


JJ JJ 


samengetrokken. 


scheldw. 


JJ »J 


scheldwoord. 


Skr. 


JJ >» 


Sanskrit. 


Soek. 


9 JJ 


Soekaboemi, Soekaboemisch. 


Soekap. 


JJ JJ 


Soekapoera, Soekapoerasch. 


Soem. 


JJ JJ 


Soemëdang, Soemëdangsch. 


Soend. 


»> JJ 


Soendaneesch. 


Spraakk. 


JJ JJ 


Soendaneesche Spraakkunst van 
S. Coolsma. 


sprkw. 


jj JJ 


spreekwijs, spreekwoord. 


stamw. 


I» JJ 


stamwoord, stamwoordelijk* 


Tangg. 


J »J 


Tanggeran, Tanggëransch. 


Tasikm. 


>J JJ 


Tasikmalaja, Tasikmalajasch. 


tegenoverg. 


»J JJ 


tegenovergestelde. 



KXVI 




VERKORTINGEN. 


Tjar. 


tuil 


teggen : 


Tjaringin, Tjaringinsch. 


Tjiandj. 


»» 


ii 


Tjiandjoer, Tjiandjoersch. 


telw. 


>> 


19 


telwoord. 


tusschenw. 


>» 


11 


tusschenwerpsel. 


uitdr. 


9t 


11 


uitdrukking. 


vb. 


11 


11 


voorbeeld. 


verb. 


1t 


11 


verbastering. 


verbl. 


11 


11 


verbloemd. 


verg. 


11 


11 


vergelijk, vergelijken. 


verk. 


11 


11 


verkorting. 


verkl. 


11 


11 


verklaard. 


verst. 


11 


11 


versterkt, versterking. 


vgl. 


11 


11 


m vergelijk. 


vnw. 


11 


11 


voornaamwoord. 


voll. 


11 


11 


volledig. 


voornw. 


11 


11 


voornaamwoord. 


voorz. 


11 


11 


voorzetsel. 


vr. 


11 


11 


vrouwelijk. 


waarsch. 


11 


11 


waarschijnlijk. 


Wb. 


11 


11 


Woordenboek. 


werkw. 


11 


*» 


werkwoord. 


werkw. tusschenw 


• »> 


»» 


werkwoordelijk tusschenwerpsel. 


w. 0. 


91 


11 


waaronder. 


W.-P. 


11 


9* 


Westpasoendan (het Westehjk ge- 
deelte van de Soendalanden). 


z. a. 


11 


11 


zooals. 


Z.-B. 


11 


11 


Zuid-Bantam, Zuidbantamsch. 


Z.-Cher. 


11 


19 


Zuid-Cheribon, Zuidcheribonsch. 


zelfst. nw. 


11 


19 


zelfstandig naamwoord. 


Z.-P. 


19 


11 


Zuid-Pasoendan (het Zuidelijk ge- 
deelte van de Soendalanden). 


z. v. a. 


11 


f» 


zooveel als. 




«♦ 


19 


gehjk. 



A. 



A, zie Spraakk., de beide tafels btf § 6 
en § 7. 

AB-AB, = koe8oet (het tegenoverg. van 
entep), verward. 

ABAD (Ar.), wat zonder eind is, eeuwige 
tyd, eeuw. 

AB'AD, zie soenat. 

ABAH (O.-S., nu zelden meer gehoord), 
vader. P. (Vgl. ajah en bapa.) 

ABAH-ABAH (Jav.), zadelvormig juk (vgl. 
sela); ook in 't alg.: wat tot zadel ge- 
bezigd wordt (b. v. een kleed). P. 

ABANG, I. (Jav ), rood. (Vgl. ëbang.) 

II. Titel waarmede Bataviasche Maleiers 
door de Soendaneezen worden genoemd 
en aangesproken. 

AB AR, = sorot, glans, uitstraling, luister, 
schoonheid, deugd; hade abarna, = hade 
sorotna, schoon van glans, glanzend; 
eleh abar, (van een mensen, een voor- 
werp, een handeling) onderdoen voor 
^en ander of iets anders in geschikt- 
heid, bruikbaarheid, voordeeligheid, enz.; 
ngdbar, uitgetrokken (van een zwaard 
of ander wapen); ngabar-ngabar, zwaaien 
met iets dat men in de hand houdt (b. v. 
«en mes); ngabarkeun, een zwaard of 
derg. wapen in de hoogte houden (laten 
glinsteren); pangabaran, of wel oembang 
pangabaran, een vreesaanjagend voor- 
komen hebben. 

ABDA8 (Perz., abdast), 1. van woeloe, de 
wassching vóór de voorgeschreven ge- 
beden. 

ABDI (Ar.), slaaf, dienaar, knecht, die- 
nares, dienstmaagd; abdigamparan t ïk.bon 
uw knecht; abdi gamparan poen bodjo, uw 
■dienstmaagd mjjne vrouw; - ook pers. en 
bezittel. voornaamw. Ie pers.: ik, nuj, 
nifln; = koer ing, maar nog iets onder- 
daniger; djisimdbdi of aimabdi (vgl. djisim), 
idem, maar zeer onderdanig (vgl. Spraakk. 

SOEKDANIESCH-HOLL. WoORDENB. 



§ 150, 7) ; ngdbdi, knecht (van iemand) zfln t 
dienen; ngabdikeun, dienstbaar maken, 
doen dienen; diabdikeun. 

ABEH, = 't meer gebr. ambeh, 

ABËN, ngbr.; ngabèn, 1. van ngadoe, zie 
adoe; pdbèn, 1. 1. van diadoe (zie adoe); 
2. 1. van padoe (zie adoe), een twist voeren ; 
3 1. van pèrang (zie ald.); mabën, tegen 
iemand twisten; ngabënkeun, 1. van 
ngadoekeun (zie adoe); diabënkeun. 

ABËR, verkl. met matak kèndor, niet 
voortkunnen, z. a. wanneer iemand die 
in 't water duiken wil, een sarong aan 
heeft; ngabër (vgl. awër). 

ABÉR-ABËRAN, = loeloempatan, hard 
heen en weer loopen (b. v. een losloopend 
paard), ronddraven. 

ABEWARA.z. v.a. oendang-oendang, overal 
bekendmaken; verder: bekendmaking, rond- 
zegging; ngabewaraan, aan lieden be- 
kendmaken; diabewaradn; ngabewarakeun, 
iets alom bekendmaken; diabewarakeun. 

ABID (Ar), dienen, vereeren, aanbidden; 
als zelfst. nw.: godvruchtige; ook: iemand 
die in de eenzaamheid leeft en zich uit- 
sluitend met de vereering Gods (ibadah) 
bezighoudt. 

ABIG, = 't meer gebr. ampig; zie ald.; 
men zegt ook abigabig. 

ABIR, voll. peso abir, verkl. met peso 
paragi ngaladn daoen tjaoe, d. i. een mes 
om pisangbladeren van den stam af te 
snijden. 

ABLÉ8, = 't meer gebr. amlës. 

ABOE BAKAR (Ar.), Aboe Baker, de eerste 
chalif (632-684). 

ABOER (vgl. boer)j g. w. ; ngaboer, in het 
wild of zoo maar los laten loopen (inz. 
buffels) ; van kinderen: ze in 't wild laten 
opgroeien, hun opvoeding verwaarloozen ; 
diaboer, vrfl laten rondloopen; ngaboer- 
kcun, r= ngadjarahkeun, (vee) vrfl laten rond- 

1 



ABOES— ADAT. 



loopen; diaboerkeun; aboer-aboeran, in 't 
wild of zoo maar los rondloopen, bande- 
loos; maboer, wegloopen, op den loop gaan, 
op hol gaan of z\jn, vlieden ; mawa maboer, 
wegvlieden met; de wijk nemen, mede- 
voorende; - kaboer, zich uit de voeten ma- 
ken, vlieden, vluchten; kakaboeran, = boe- 
boedalan, ontsnappen, ontkomen, ontvluch- 
ten (inz. uit den strijd of uit de gevangenis) ; 
ook: vluchteling, ontkomene, uitgewekene. 

ABOES (vgl. boes), = asoep k., lêbèt l, 
ingaan, binnengaan; ngaboesan, in iets 
gaan, binnendringen; diaboesan ali ali, er 
werd een ring aan (den vinger) gedaan; 
ngaboeskeun, in doen gaan, binnenbren- 
gen; diaboeskeun. 

ABON, I. draadsgewijs vaneengetrokken 
(geplozen) en vervolgens gebakken vleesch. 
(Hetzolfde als sawoed.) 

II. Z. v. a. sërëdan, overschot (inz van 
iemands disch); soegan meunang abonna, 
misschien kragen we het overschot van 
zjjn disch; njyeun abon, in Kad. z. v. a. 
„in de wacht sleepen" (gezegd b.v. van 
iemand die, gehuurd om hout te hakken, 
dit hout geheel of gedeeltelijk meesleept 
naar huis). 

ABONQ, tusschenw. tot uiting van min- 
achting, afkeer, verbazing, afkeuring enz. 
over een pedante of eigenwillige hande- 
ling; men kan 't door foeil of iets derg. 
vertalen; abong, biwir teu diwéngkoe! foei, 
dat men zijn tong (lippen) niet in toom 
houdt! abong t sya oerang sisi! foei, jij onge- 
manierd mensch (dorpeling)! - met verst. 
abong-abong, b. v. alah,r aden, abong '-abong ! 
och, raden, foei toch! oerang teh bèt abong- 
abong! ons aangaande, wel fo^il (vgl. kena); 
kabongan, door omstandigheden van min- 
der kwaliteit worden of geworden zijn, 
min of meer ontaard ztyn [men spreekt 
van djati kabongan, moentjang kabongan, 
djëroek mipis kabongan, enz ], verbasterd, 
gedegenereerd. 

ABOT, 1. van beur at, zwaar; verder: 
zwaartillend, bedrukt; ook: gehecht aan, 
verknocht aan (vgl. bobof)\ kabot lawan, 
overmocht (in getal of macht) door de 
tegenpartij ; kabotan lawan, idem. 

ABRAG, = 't meer gebr. badag, grof. 

ABRAG- ABRAGAN, staan huppelen, staan 
te springen. 

ABRËG, met zjjn velen zijn of komen ; 
8emah teh wani abrêg di imah, het huis is 
vol gasten; abrëg-abrëgan, by groepen ko- 
men. (Vgl. ambrëg.) 

ABRET, ngbr.; ngabret, springen, steige- 
ren: tingalabret, idem, van velen (paarden 
enz.); abreUabretan, = adjret-adjretan en 



abërabëran, aanh. springen, steigeren, ga- 
loppeeren. 

ABRIK, g. w.; ngabrik, = ngoedag, na- 
jagen, nazetten, vervolgen ; ngabrak-nga- 
brik, met volharding nazetten of vervolgen 
(meer gewoon is echter ngoébrak-ngabrik)\ 
diabrik; diabrik-abrik; ngoebrak-ngabrik, 
met volharding nazetten of najagen ; 
oebrak-abrik, sing nëpi kana raosna, jaag 
het na tot gy het smaakt (verkregen hebt) ; 
dioebrak-abrik. 

ABRING, ngbr.;ngabringngabring, = noe- 
toer-noetoerkeun, achterna of achteraan 
loopen, meeloopen (b. v. met een topeng) ; dia- 
bring-abring ; abring-abringan, heen en weer 
loopen, van de eene plaats naar de andere 
gaan (b.v. een optocht). 

ABROE8, ngbr.; ngabroeskeun, instorten, 
instrooien (b.v. zand in eten) ; diabroeskeun 
(Vgl. aboes en goebroes.) 

ABROET, een sprong doen, van een hoogte 
springen, afspringen, naar beneden sprin- 
gen. (Vgl. adjroet.) 

ADAB, I. (Ar.), beschaving, eerbied, be- 
schaafd, goede manieren hebben, wellevend > 
eerbiedig; ook wel: regel, verplichting; 
lampah adab, wellevendheid; gëde adab, 
zeer wellevend, zeer eerbiedig; euweuh 
adab, onbeschoft; soewal adab, — tjoela- 
ngoeng, zie ald. (P.); adab-adaban, goede 
manieren ; ngadaban, iemand met beleefd- 
heid (eerbiedig) behandelen; diadaban. 

AD-AD, weifelen (b. v. tusschen geven en 
niet geven, tusschen gelooven 6n niet 
gelooven); oelah dek ad-ad, weifel niet. 

ADAQ, ngbr.; ngadag, eigens een standje 
gaan maken; oedoeg-adag, idem, herh. of 
aanh. (Vgl. ngontrog by ontrog.) 

ADAH, = adoeh, een uitroep: ach! och t 
adahadahan, een klaaggeschrei aanheffen 
(doch zelden gebr.) \ngadahan, roepen tegen. 

ADAM (Ar.), de eerste mensch, Adam 
[door de Mohammedanen doorgaans Nabi 
Adam gehoeten]; anak Adam, kind aes- 
menschen, menschenkind, mensch. (Vgl. 
manoesa.) 

ADAN (Ar., bekendmaking), de aan- 
kondiging van den tijd ter verlichting van 
het ritueel gebed; toekang adan, verkl. met 
toekang ngadjakan salat, de aankondiger of 
uitroeper van het gebedsuur [waartoe men 
meestal jongelingen gebruikt die een hel- 
dere stemhebbenj; ngadanan, o ver iemand 
(inz. over een pasgeboren kind of een 
doode) de adan uitspreken; diadanan % h 
pangadan, de genoemde aankondiging. 

ADAT (Ar.), gebruik, gewoonte, gewoon- 
heid, manier, aard, hebbelijkheid; Allah 
ngadamël adat, God heeft (aat) tot gewoonte 



ADEGr— ADJAG. 



gesteld; saddatsaadatna, elk naar zijn 
aard; hoekoem adat, het gewoonterecht; 
ngasoepkeun adatbatoer,vreQmdQ gewoonten 
invoeren ; ngadat, een verkeerde gewoonte 
aannemen (z. a. b. v. een paard, dat te 
hard behandeld wordt, de gewoonte aan- 
neemt lui te zijn), kuren hebben; in Z.-B. 
ook = ambëk, zie ald.; miadat, zich tot 
gewoonte maken, zich aanwennen; dipia- 
dat; kapiadat, (in goeden zin) gewoonte 
geworden zijn. 

ADËG, ngbr.; adëg-adëg, een stijl, midden 
tusschen de hoekstijlen van een huis ge- 
plaatst om den bindbalk te schragen; 
ook: stijl tot steun van densoehoenan;sa- 
adëgna, = satangtoengna, de geheele lengte 
of hoogte ervan; ngadëg, 1. in algemoenen 
zin: staan, vaststaan, overeind staan; 
verder: een ambt of waardigheid aanvaar- 
den of bekleeden, zijn of worden dat wat 
door het volgend zelfst. nw. wordt aan- 
geduid, b. v. ngadëg radja, den troon be- 
klimmen, vorst worden of zijn; ook: be- 
leggen, houden van een vergadering {nga- 
dëg pakoempoelan); 2. in bijzonderen zin: 
1. van nangtoeng, en dan alléén van men- 
schen: opstaan, overeind staan, staan; 
ngadëgan, 1. van nangtoengan, bij iemand 
of iets staan; diadëgan; ngadëgkeun, over- 
eind zetten, opzetten, oprichten, grond- 
vesten, bouwen, stichten; verder: aan- 
stellen, benoemen, veiheffen tot iets (b.v. 
tot vorst); ook: aanrichten (b. v. een feest); 
diadëgkeun; adëgan, gebouw, ook wel: 
lichaam; pangadëg, yö\1. pangadëg pake, pak 
of stel kleeien; sapangadëg, één (volledig) 
pak. 

ADEJAN, het „tellen" van een paard, 
in den telgang gaan, huppelen, fier trippe- 
len (van een paard) ; adejan koe koeda beureum 
(of koe koeda batoer) sprkw., ong. = ons: 
„pronken met eens anders veeren". 

ADÈK, = antël, raken aan, tegen aan 
komen; singsarwa adëk, zwaartillend. 

ADEN, korter vorm den, titel dien men, 
gemeenzaam sprekende, geeft aan kinderen 
en jongelieden die raden zijn. 

ADEN -ADEN, soort tooverkol of toover- 
heks. [Het bijgeloof verstaat hieronder een 
oude vrouw, die ineenftaraw&owfirofdraag- 
doek een groot pak bij zich draagt. Zij wil 
dit aan niemand laten zien, en het tot 
geen prijs verkoopen. Dat pak ni. bevat 
haar aanstaand gewaad, hetwelk zij in de 
eenzaamheid aandoet, om er in over te 
gaan tot tijger. Kinderen worden ver- 
maand zulk een oude vrouw geen last aan 
te doen, om de mogelijke gevolgen.] Vgl. 
kadjadjaden. 



ADËP, I. ±= soekoed en idëp, eerbiedig zijn, 
met trouw-, toewijding of zorg iets doen, 
in eere houden (b.v zijn goeroe of leeraar); 
basa adëp, eerbiedige taal. 

II. Ngadëp s., njanghareup k., majoen 1., 
zijn (zitten, staan) vóór (b. v. voor een 
tafel); ngadëp ka toekang tekin, voor een 
teekenaar poseeren ; madëp s., voor het front 
komen, vóór komen; ook: met het gelaat 
of front gericht naar; madëpan s., — njang- 
hareupan, met het gelaat of front gericht 
naar; ngadëpkeun s., iets, b. v. 't gelaat, 
richten naar (b.v. naar een meerdere). 

ADEUH, I. — adoek; zie ald. 

II. = adab I.; zie ald. 

III. -=z kira-kira (zie kira), gissing, ver- 
moeden. 

ADI, 1. (Kw.), het edelste, het beste, edel, 
uitmuntend, schoon ; - 2. k., raji en jaji 
1., (jongere) broeder of zuster (vgl. beuteung) ; 
dipiadi, (van zeker persoon) door iemand 
jongere broeder of zuster geacht of ge- 
noemd worden; kapiadi, idem (maar fijner). 

ADIGANG ADIGOENG, zie adigoeng. 

ADIQOENA, = adigoeng; adigoeng -adi- 
goena, = adigang- adigoeng. 

ADIQQENQ, ook digoeng, trotsch, hoog- 
moedig, verwaand; oelah rek pikir adigoeng, 
wees niet hoogmoedig; adigang-adi7oeng, 
— adigoeng, maar met verst. 

ADIL (Ar.), rechtvaardig, rechtvaardig, 
heid; ditërapan adil, gevonnist worden ; njoe- 
hoenkeun adil, recht vragen ;mere(maparin 
enz.) adil en ngadilan, z. v. a. ngahampoera, 
op iemand 't recht niet toepassen, kwijt- 
schelding schenken; diadilan; saddilna, 
naar voliegerechtigheid (zonder timbangan); 
kaddilan, rechtvaardigheid; njoehoenkeun 
kaadilan hoekoem, recht verzoeken; maparin 
(mere enz.) kaddilan, recht doen; panga- 
dilan, plaats waar het recht gesproken of 
voltrokken wordt; korsi pangadilan, rech- 
terstoel; gëdong pangadilan of eenv. panga- 
dilan, gerechtshof. 

ADIM (Ar., athlim), groot, grootsch, ver- 
heven; Koeranoefl-adim, de verheven Koran 

ADINQ (6. p.), = gading. P. 

ADIPATI (uit adi en pati, eig. opperheer), 
titel van verdienste, die door het Gouver- 
nement wel aan regenten wordt verleend 
(hooger dan toemënggoeng); de volledige titel 
is dan: dalem adipati; kadipaten, het gebied 
van een adipati. 

ADJABON (samenst. uit adja, Jav., en bon, 
Jav.), = oektbon, zie ald. en vgl. oelamoen. 

ADJAQ, bosch- of wilde hond, jakhals j 
ki adjag, naam van een boom ; ngadjag f 
rondloopen te snuffelen of te zoeken ; ook 
wel gezegd van een man, die rondloopt 



ADJAGIDJIG— ADJI. 



om naar de vrouwen te zien; adjag-adjagan, 
al maar of aanh, zoo loopen rondsnuf- 
felen. 

ADJAG-IDJIG, druk in de weer ztfn, al 
maar heen en weer loopen om een zaak 
te regelen. 

ADJAH, — atjah, een uitroep: wel! wel 
zoo I adjah, teu woedoe l wel zoo, dat kan 
schikken I hajang meunang adjah, een prtysje 
willen hebben. 

ADJAHAN (Z.-B.), naam van een zeevisch; 

ADJAIB (Ar.), treffend, wonderlijk, 
wonderbaar, prachtig (b. v. van sieradiën), 
adjaib'oellak, wonderen Gods. 

AD JAK, g. w. ; ngadjak k., ngaloengsoer 
en ngahatoeranan ]., noodigen, uitnoodigen, 
voorslaan; diadjak; ngadjakan, iemand 
noodigen, tot iets noodigen of dringen» 
diadjakan; pangadjak, uitnoodiging, voor- 
slag. 

ADJAL (Ar.), termen, levenseinde, ster- 
vensuur, uiteinde, de overgang in de 
eeuwigheid ; geus nëpi ka adjalna, htf is de 
eeuwigheid ingegaan, hy is gestorven; 
diadjalkeun, tot zjjn (levens)einde gebracht 
worden of zjjn. 

ADJAM I. (Ar., azam), vast voornemen, 
bepaald plan, besluit; diadjam, aangaande 
iets een plan gevormd hebben (b. v. ten 
aanzien van geld, waaraan men dat be- 
steden zal). 

II. (Ar.), zekere kampoeng in het gebied 
van Aspahan, waar de Dadjal zich mani. 
festeeren zal. 

ADJANG, rr eukeur k., bade 1., voor, be- 
stemd voor, zullen dienen voor of tot; 
ngarëboet adjang Oemar Maja, wegpakken 
wat bestemd was voor O. M.; diadjang- 
adjang, bereid of bestemd voor meerdere 
personen; ngadjangan, voor iemand of iets 
een of ander bestemmen of bereiden ; di- 
adjangan. 

ADJAR, 1. kluizenaar, leeraar; 2. g. w.: 
leer 1 ook k., woeroek 1., onderwijs, onder- 
richt, opleiding; koerang adjar, geen op. 
leiding (opvoeding) hebben gehad, onop- 
gevoed, ongemanierd; ngadjar k., ngawoe- 
roek 1., onderwazen, opleiden; beunang 
ngadjar, geoefend, gedresseerd, gewend; 
diadjar, 1. onderwezen worden; 2. aan- 
leeren, zich eigenmaken, zich oefenen 
in; diadjar tjeurik, zich in weenen oefe- 
nen; ngadjaxan, beproeven, probeeren, 
aanpassen, zien of iets past; diadjaran; 
ngadjarkeun, iets aan iemand leeren, in 
iets les geven , diadjarkeun; pangadjaran, 
onderwas, les. 

AD J AWAD J AL A (Ar., azzawadjala, samen- 
gest. uit azca, machtig, wa, en, benevens 



djala, gioot, uitstekend), een titel van 
God, (God) de Machtige, de Heerltyke. 

ADJÉG, overeind staan, recht overeind. 

ADJEN, zie adji II. 

ADJËNG, ngbr.; ngadjëng, 1. van ngarëp, 
verlangen, hopen, verwachten; diadjëng; 
ngadjëng-ngadjëng, sterk verlangen; di- 
adjëng; ngadjëngkeun, 1. van noenggoekeun, 
doen wachten op, in gereedheid houden 
voor; anoe diadjëngkeun ka nabi Moeham- 
mad, hetwelk in gereedheid gehouden 
wordt voor M. \pangadjëng-ngadjëng, hoop, 
verlangen, verwachting. 

ADJENG (Indr.), helper, makker. 

ADJËNGAN, pers. en bezittel. voornaamw. 
2de pers.: g$j, uw; gebruikt tegen dezelfde 
personen als andjeun, maar speciaal tegen 
goeroe's en personen die eenig geesteiyk 
ambt bekleeden; men verbindt het ook 
veel met titels, b. v. adjëngan toewan, 
adjëngan goeroe, adjëngan panghoeloe, en 
dan is het z. v. a.kangdjëng; adjënganana, 
pers. en bezitt. voornw. 8<*e pers.: hjj, zy, 
hem, haar, zjjn, hun, van dezelfde per- 
sonen als adjëngan. (Zie verder Spraakk. 
§ 152, 9 en § 164.) 

ADJËR (Buit.), ngbr.; ngadjër, uithuizig 
z\jn (inz. van kinderen die telkens van 
huis loopen); adjër-adjëran, 1. aanh. 
van huis loopen; 2. zich ophouden, nu in 
het huis van dezen, dan in het huis 
van dien. 

ADJI, I. = djampe, tooverformulier; ari 
watëk eta adji, gatnpang sagala kahajang, 
het karakter van dat formulier is, dat 
men eiken wensch spoedig verkrijgt; - 
verder k., aos 1., g. w.; ngadji, den Koran 
lezen, een godsdienstig boek lezen; ook 
wel in het algem. lezen, b. v. een brief 
(vgl. watja); voorts: iets leeren (b. v. een 
vak); diadji; adjiëun, iets om te lezen, 
lectuur; adjian, wat men geleerd heeft, 
het geleerde; ook z. v. a. djampe, toover- 
formulier. 

II. Ook pangadji k., pangaos 1., waarde, 
geidswaarde, gehalte, prys; iaja adji 
sadoewit, zonder eenige waarde; ngadjian, 
maar meestal ngadjenan, zie ond.; adjen 
(Jav. uitgang, samentr. van ion), waarde, 
waardy, eerbewijs, eere, achting; ngadjen, 
eeren, in waarde houden, hoogschatten, 
achting toedragen; diadjen; kaddjen, op 
waarde geschat, in waarde gehouden, in 
achting zjjn; ngadjenan, iets of iemand 
in waarde houden, op prfls stellen, hoog- 
achten, eerbiedigen, eeren; ngadjenan 
maneh, zrchzelven eeren; diadjenan, geëerd 
worden; silihadjenan, elkander in waarde 
houden, elkander eeren ; kaddjenan, geëerd 



ADJIDAN— ADOEG. 



5 



zfln; sipat kaddjenan, eere; ngadjen-nga- 
djen, taxeeren, schatten; diadjen-adjen. 

III. (Nu verouderd) leeraar; vghparadji. 

ADJIDAN, het Holl. adjudant; idem. 

ADJIR, stok oi paaltje, in den grond te 
steken of gestoken, by uitmeting of af- 
bakening van een terrein; kopi adjir, 
tuinkoffle, door dadap overschaduwd; 
ngadjiran, (een terrein) met stokken of 
derg. afbakenen; diadjiran. 

ADJOEG, het voetstuk der palita of 
Inlandsche lamp. 

ADJOEL, g. w.; ngadjoel, afstooten (b. v. 
de vrucht van een boom met een stok), 
afslaan; ngadjoel boelan koe asiwoeng, de 
maan van den hemel stooten met een 
draadje katoen, sprkw. voor: het onmo- 
geiyke willen (ong. hetzelfde als andjing 
ngagogogan kalong)\ diadjoel. 

ADJOEN, het Holl. adjunct; idem. 

ADJOER, vergruizen, vergruisd worden 
of ztfn, tot gruis worden of geworden 
(b. v. 't lichaam van een mensch, of zelfs 
een berg, enz.), tot pap geworden (b. v. 
een lichaam), vergaan, verrot, smelten, 
gesmolten, vloeiend, vloeibaar, dun; asa 
adjoer awak teh, 't is of myn lichaam 
smelt; adjoer teuing adonanana, 't beslag 
is te dun (er is te veel water in; vgl. 
kahkal); timah adjoer, gesmolten lood; 
lëboer-adjoer, vergruisd, tot pap geworden, 
verbrand, vergaan; goenoeng lëboer-adjoer, 
de bergen vergaan; oedjar-adjer, vermor- 
seld, verbryzeld; ngadjoerkeun, smelten, 
doen smelten; diadjoerkeun. 

ADJOL, ngbr.; ngadjol, een sprong doen, 
overspringen ; tingaradjol, van velen: sprin- 
gen, springend voortgaan (b. v. wagens); 
adjol-adjolan, aanh. of herh. springen, sprin- 
gend voortgaan (b.v.eenkikvorschofook 
een mensch); verder: spartelen (b. v. van 
iemand die een krissteek gekregen heeft). 

ADJRAG, ngbr.; ngadjrag, indenbronst- 
tyd van huis loopen (inz. van vee en 
huisdieren) om 't wijfje te zoeken. 

ADJRET, ngbr.; oedjrat-adjret, al maar 
springen of huppelen, z. a. een jong hert; 
adjret-adjretan, springen, rondhuppelen, 
galoppeeren (inz. van een paard). 

ADJRIH (vgl. djërih), = isin, bedeesd, 
beschroomd, verlegen, eerbiedige vrees 
voor een meerdere uit oorzaak van diens 
hoogheid, ontzag, eerbied, schroom; adjrih 
koe Goesti noe maha agoeng, ontzag hebben 
voor den hoogen God; kaddjrih, vreeze, 
ontzag, enz. 

ADJROEG-ADJROEGAN, huppelen van 
blydschap, vrooiyk rondspringen. 

ADJROET, = abroet, een sprong doen, 



van een hoogte springen, naar beneden 
springen, afspringen; adjroet-adjroeten, al 
springende voortgaan. 

ADOE, alleen in samenst. (zie b. v. hareup 
en biroe); koeda adoe, harddraver; ngadoe 
k., ngabën 1., tegen elkaar aan doen komen 
(b. v. van elkanders neus of vooihoofd), 
zich met elkander meten, b. v. ngadoe 
kawani, zien wie het dapperst is; ngadoe 
tanaga, (van twee personen) hun kracht 
meten ; ngadoe djoerit, een wedstry d of kamp- 
stryd voeren; verder: spelen, b. v. ngadoe 
kartoe, kaartspelen; ook: kampen, streden, 
zich met elkander laten meten, laten stre- 
den, b. v. ngadoe hajam, hanen laten 
vechten; toekang ngadoe, speler, dobbelaar; 
diadoe, ïyd. vorm, maar ook soms actief ge- 
bruikt (1. pabën), een twist Voeren ; diadoe 
reudjeung batoerna, zich meten met-, een 
kampstryd voeren met ztfn makker; diadoe 
patoetoenggalan, met zyn tweeen vechten; 
ngadoean, tegen iets of iemand in het strijd- 
perk brengen, in een of ander opzicht tegen 
iemand een wedstrijd voeren om boven hem 
uit te blinken (b. v. als die een mooien hond 
heeft, zich een nog mooier aanschaffen); 
diadoean; ngadoékeun, twee dingen of par- 
tyen tegen elkander in het strijdperk 
brengen (om te zien wat ofwie het sterkst 
is, wie wint); ngadoékeun kasakti, tvan 
twee personen) hun bovennatuurlijke 
kracht meten, vechten om te zien wie 't 
sterkste is; diadoekeun; adoean, in ha jam 
adoean, vechthaan; adoe-adoean, spellen, 
spelletjes (met knikkers enz.) \pangado$an, 
plaats waar een wedstrijd gehouden wordt, 
kampplaats ; - padoe (samentr. van paddoe, 
tegenover elkander) k., pabën ]., met el- 
kander over iets twisten of stryden, een 
strtfd voeren (b. v. om het bezit van iets 
over een leerstuk, enz.), een rechtszaak heb- 
ben met iemand ; verder: twist, strjjd, woor- 
denstrijd, debat (vgl. hareup); pasang padoe, 
een strijd gaan voeren; batoer padoe, de 
persoon met wien men twist of strydt; 
prakara padoe singkiran, vermijd geschil; 
papadoean, 1. met elkander twisten of 
strijden; 2. strijdigheden. twisten; madoean, 
met of tegen iemand twisten, met woorden 
tegenstaan, iemand met woorden bestry. 
den; dipadoean; papadon, = pasini, samen- 
spreken, afspreken; dipapadonan, ten op- 
zichte van iets met iemand een afspraak 
maken; madoekeun, over iets (b. v. een 
elmoe) of over iemand twisten of stryd 
voeren; dipadoekeun. 

ADOEG, ngbr.; adoeg-adoegan, spartelen, 
liggen te spartelen, krimpen, tegenspar 
telen. (Vgl. adoeg-ladjër by ladjër.) 



6 



ADOEH— AGEM. 



ADOEH, een uitroep van ptyn of smart: 
ocht ach! o wee! helaas! doeh adoeh! 
ach ! o wee ! adoeh-adoeh, klagen, jammeren ; 
aja noe lak adoeh- adoeh, daar lag iemand 
te jammeren; tingaradoeh, kermen, klagen, 
jammeren, van velen; adoeh-adoehan, aanh. 
jammeren, weeklagen; ngaddoehadoeh, 
ach en wee roepen. 

ADOEJ, week, rottig (z. a. een rjjpe 
gëdang), moes z$n geworden (van een 
kooksel). Vgl. ajoed. 

ADOEK, gemengd, vermengd; ook g.w.; 
ngadoek, mengen, kneden ; diadoek; ngadoek- 
keun, vermengen, kneden, ondereenmen- 
gen; diadoekkeun; adoekan, wat dooreen- 
geraengd is (b. v. kalk en zand), met- 
selspocie. 

ADOES (Jav.), = mandi, zich baden, 
wasschen. 

ADOL, ngbr.; atah-adol, een gemeen 
scheldwoord, z. v. a. misbaksel, mispunt 
(alleen van menschen); ngadol, k. p. van 
ngewe, zie ewe. 

ADON, samentr. van adoean, ngbr.; 
adonan, beslag van meel, deeg; njijeun 
adonan, deeg maken; saddonan, geheel 
het deeg, al het deeg; ngadonan, beslag 
ot deeg maken, kneden; diadonan; panga- 
donan, voorwerp waarin het deeg gekneed 
wordt, baktrog. 

ADRI (O.-S. en Skr.), = goenoeng, berg. 

AEB, zie aib. 

AEH, maar meestal aeh, aeh, een uitroep 
van verrassing of verbazing, = ons: ei! 
of oi! ei! aeh f aeh f koetan radja Kawistana? 
ei! ei! is dat de koning van Kawistana? 
ngaeh, al maar door praten, praatachtig; 
(van een zieke of oude) aanhoudend praten; 
(van een kind) klaaglijk schreien, kreten. 

AEN (Ar., zaak, wezen, zelfstandigheid), 
verkl. met beh en boekti, bljjkbaar, klaar 
(b. v. zien); ook z. v. a. stoffelijk; anoe 
përloe aen, wat een duideljjke, onafwijs- 
bare plicht is ; sakabeh përloe aen, dat is 
alles een onafwijsbare plicht. 

AER (Mal.), water (zie tjai); djamboeaer, 
naam van een djamboe-soovt. 

AERGÉLET, of ergëlet, glazen karaf. 

AERLODJI, of erlodji, het HolL horloge; 
idem. 

AERMA8, of ermas (samentr. van oer, 
Mal., water, en mas, goud), verguldsel; 
ngaermas, vergulden; dia er mas. 

AERMAWAR, of ermawar, voll. këmbang 
aermawar, roos, inz. witte roos (vgl. ëroa 
en goelo); tj ai aermawar, rozew&ter;minjak 
aermawar, rozenolie; djamboe aermawar, 
naam van een djamboe-boom die kleine 
rozeroode vruchten draagt, de roxeappel. 



AERPERAK (samentr. van aer, Mal., water, 
en perak, zilver), kwikzilver, kwik. 

AE8, of aes-aes, versiering, tooisel, smuk, 
maar lain saestoena, d. i. smuk van minder 
allooi (b. v. om iets echts na te maken 
of af te beelden); ngaes-ngaes, versieren, 
opsmukken, oppronken, tooien; diaes-aes; 
papaes of papaesan, wat tot versiering 
dient, tooi, smuk, pronk, pronktuig, 
pronkten t, pronkgebouw, enz. (Vgl.aloes.) 

AEUD, = owa, een grjjze aap; ook scheld- 
woord. 

AEUK-AEUKAN, = aloek- aioekan, rouw- 
klagen, huilen; ook minachtend van 
nëmbang (tëmbang- zingen). 

AQAQ, de hand ophefien om te slaan 
of den voet om te schoppen; ngan tiba 
agag bae, hrj hief z$n hand slechts op; 
diagagagag, heen en weer bewogen worden 
(van de hand die slaan of werpen zal, of 
van den voet die gaan zal, z. a. v. iemand 
die weifelt tusschen doen en laten); sok 
diagag-agag heula, eerst (door nu links, 
dan rechts te gaan, z. a. de entjang-entjang) 
zien hoe men vooruit kan komen; agag- 
agagan, dreigend de hand boven het 
hoofd tot slaan heen en weer bewegen; 
ngagagkeun, hand of voet opheffen om te 
slaan of te schoppen ; diagagkeun. 

AQAHAN, voornemen, zich voornemen. 

AQAMA, I. (Skr., overlevering, overge- 
leverde leer), godsdienst (nl. het geheel 
der plechtigheden en leerstellingen, uit- 
makende den vorm van zekere gods ver- 
eering). 

II. (Kw.), z. v. a. iata; zie ald. 

AGAN, zoon (ook wel eens dochter) van 
een regent of W6l van een vorst, uit de 
eerste vrouw in rang (poetra dalem ti pa- 
warang); men zou het woord met prins 
(of prinses) kunnen vertalen; het wordt 
echter ook wel in plaats van oedjang 
en agoes gebruikt. 

AGE-AGE, spoedig, schielijk, met haast, 
zich reppen. 

AGEH, ngbr.; ngagehan, = ninggalan, 
iemand iets overlaten, voor iemand iets 
bewaren; diagehan; ngagehkeun, een deel 
(b. v. van den maaltijd) voor iemand over- 
laten, bewaren of wegleggen, iets over- 
laten; diagehkeun. 

AGËL, I. (Z -B.), zekere vezelstof bereid 
uit pondoh. (Zie ald. en vgl boedëg.) 

II. Palmiet. P. 

AGËM, 1. 1., sëgoet k., welgemaakt, wel- 
gevormd, schoon (b. v. van een huis), 
krachtig en welluidend (van stem), in 
't alg.: indrukwekkend; agëmna sësëgorna, 
(van een paard) ztjn indrukwekkend gesnuif. 



AGENG— AHIR. 



II. Ngagëm 1., = njandak, grypen, aan- 
vatten, vasthouden; ook = nganggo, 1. 
van make, aanhebben, gebruiken; diagëm; 
kadgëm; piagëm, akte van aanstelling; 
ook: diploma; djaro piagëm, een der ajaro's 
van de buitengehuchten der Badoej's, door 
het Gouvernement aangesteld en dienst- 
doende als tusschenpersoon tusschen 
het bestuur en de kleine Badoejsche 
maatschappij. (Zie „De Badoej's" bl. 47.) 

AQÉNG, 1. van gëde, groot (van lichaam, 
nl. van den mensen, vgl. agoeng); ngagëngan, 
groot of grooter worden, groeien, opwassen. 

AGEP (Buit.), = bedja, bericht, tyding; 
ngagepkeun, iets berichten; diagepkeun; 
ka&gepkeun. 

AQËR, I. naam van een zeep\a.nt (djoekoet 
laoet), het bekende zeewier, waarmede 
geleien gemaakt worden, gelatine. 

II. Diagër-ager, uitgejouwd worden ; agër- 
agëran, = ajeuh-ajeuhan en raramean, 
juichen, jubelen; toerak ajeuh-ajeuhan, idem. 

AQEUNQ, dial. voor agëng. 

AGOEL, zich verheffen op, opgeblazen, 
hoovaardig, zich (orgens op) verhoovaar- 
digen; dipake agoel, zich er op verhoo- 
vaardigen; ngagoelkeun, hoog opgeven van, 
zich laten voorstaan op ; ngagoelkeun radja 
lijan, hoog opgeven van een ander vorst; 
naon noe diagoelkeun? waarop laat ge u 
voorstaan? waarop verheft gy u? waarop 
z\Jt ge trotsch? 

AGOENG, 1 van gëde, groot (in waardig- 
heid, rang of derg.), aanzienlek, voornaam 
(vgl. agëng); agoengna, = gëdena, het 
meest, vooral, bovenal (vgl. djëmbar); 
miagoeng, groot achten; dipiagoeng, groot 
geacht worden; kapiagoeng, groot geacht 
zyn; ngagoeng-ngagoeng, grootmaken, ver- 
heffen, eeren; diagoeng -agoeng; ng agoeng - 
keun, tot grootheid-, macht-, aanzien bren- 
gen, grootmaken, verhoogen, verheffen, ver- 
heerlijken (inz. God); ook: eer bewezen, 
eeren (b. v. een kind zyn ouders); ngagoeng- 
keun ka diri sorangan, zichzelven groot- 
maken; adjëngan anoe diagoengkeun, Gy 
(God) zyt het die verheeriykt wordt; 
kadgoengkeun, verhoogd-, verheeriykt 
worden of zyn; kadgoengan, grootheid, 
verhevenheid, majesteit; kagoengan 1., 
gadoeh s., boga en banda k., verkrygen, 
hebben, bezitten, bezitting, eigendom; 
kagoengan poetra, een kind krygen of 
hebben; noe kagoengan, eigenaar, bezitter, 
meester; kamagoengan (voor koema- 
goengan), = angkoeh, groot in eigen oogen, 
ingebeeld, hoogmoedig. 

AQOE8, = oedjang, titel voor santana'a 
beneden asep; ook wel in 't algemeen 



door ouders gegeven aan hun jonge 
zoons en door ieder aan personen die men 
niet kent, maar die een goed burgeiyk 
voorkomen hebben. 

AGOE8TOES, het Holl. Augustus; idom; 
voll. boelan Agoestoes. 

AGRENG, sterker dan aloes, fraai, schit- 
terend. 

AH, tusschen w. om zyn afkeuring te 
kennen te geven, zich van iets af te 
maken, of ook wel gezegd als men op een 
plan of gedachte komt: ahl ha! (Vgl. 
Spraakk. § 216, V 2 en VIII 11.) 

AH AD (Ar., één), Zondag, Yoll.poëAhad; 
sadhad, een week ; doewa ahad, twee weken ; 
tëpoeng ahad, den volgenden Zondag. 

AH ADI JAT (Ar. ahadijjat), zie martabat. 

AHA-EHE, klanknab. van jengelen, 
grienen. 

AHAM-EHEM, zie ehem. 

AHA-OHO, klanknab. van hoesten, ge- 
hoest. 

AHASA (O.-S.), = 't betere akasa. 

AHËNG, aanvangswooid van djampe*s, 
radjah's en andere derg. formulieren. P. 
(Vgl. ahoeng en ong.) 

AHENQ, ongewoon, schoon, wondervol, 
vreemd, zonderling, boven 't begrip ver- 
heven, opmerkeiyk, belangryk, merk- 
waardig; moedjidjat aheng, een boven 
't begrip verheven wonder; anak aheng, 
een wonderkind; diaheng-aheng, als iots 
wondervols behandeld worden, iets be- 
schouwen of behandelen alsof het heel 
wat is; ngahengkeun, boven 't begrip ver- 
heven maken of achten, als bovenzinne- 
neiyk vereeren; diahen gkeun; kadhengan, 
luister, glans, pracht, heeriykheid, het 
wondervolle, de onbegrypeiykheid; kadke- 
ngan Allah, de onbegrypeiykheid van het 
Goddeiyk Wezen. 

AHERAT (Ar., archirat), het leven hier- 
namaals, de eeuwigheid; ti doenya tëpika 
aherat, van nu aan tot in eeuwigheid, 
voor immer; doenya-aherat, dit (in dit) en 
het toekomende levon, 

AH-IH-ËH, gedurig zuchtende ah! ëhl 
zeggen (z. a. wanneer men verscheidene 
dingen doen moet en niet weet waarmede 
te beginnen). 

AHIR (Ar., achir), laatste, einde (staat 
tegenover awal); lohor ahir, na lohor, in 
den namiddag; asar ahir, na asar, zoo 
tusschen half 5 en half 6; poë ahir, de 
laatste of jongste dag; djaman ahir, de 
laatste tyd, d. i. de laatste periode van 
't bestaan der wereld; mapan djaman 
ënggeus ahir, we zyn immers reeds in 
't einde des tyds; ahir-ahir, ten laatste, 



8 



AHLI— AJEM. 



eindeiyk; ahirna, eindeiyk, ten laatste; 
awal-ahir, vroeg of laat, te avond of 
morgen, te eeniger tyd; ti awal tèpi ka 
ahir, van 't begin tot het einde, voor 
immer. 

AHLI (Ar., volk, lieden), lieden die tot 
zekeren stand behooren, zich op een vak 
of kunst toeleggen of daarin ervaren zjjn, 
behooren tot een kring, vereeniging, enz.; 
ook: deskundige, specialiteit; ahli ibadah, 
een die tot de godvruchtigen behoort; ahli 
poëk, een die het duister liefheeft; verder: 
iemands familie of huisgenooten ; ahli 
kaocla, de mjjnen; ahlina, de zijnen. 

AHOENG, hetzelfde als ahëng. P. 

Al (alleen in de spreektaal), samentr. 
van art; zie ald. 

AIB, ook aeb (Ar.), schande, smaad; 
verder: ondeugd, slechtheid; kadïban, idem. 

AINQ, pers. en bezitt. voornaamw. 
Ie pers.: ik, my, myn(inZ.-B.ooknsrainp); 
het wordt gebezigd door ouders tegen 
hun kinderen (vgl. ëming), door aan- 
zienleken tegen geringen, door iemand 
die op een ander scheldt of door twistenden 
onderling; het is dus grof; by zichzelven 
sprekende kan men kami gebruiken, 
maar beter en algemeener is aing (zie 
Spraakk. § 160, 14); - ijeu aing, eig.: 
dit ben ik, of: hier ben ik, ik (met 
nadruk), zjjn ik op den voorgrond stellen; 
aing-aing, elk of ieder voor zichzelf; aing- 
aingan, doen alsof men alléén bestaat, 
alsof men maar alleen op de wereld is, 
voor zichzelven leven, egoïstisch handelen. 
[In de Bant. pantoen'a voegt men voor 
ngaing dikwfols simadjar ka, zoodat men 
dan voor „ik" de uitdr. simadjar ka 
ngaing krflgt; waarsch. wil die uitdr. 
zeggen: „de zich ik noemende".] 

A'INOE L-BAN AT, zie soep IL 

AIS, in pantoen'a soms = adi k., raji 1., 
Jonger broeder of zuster; verder g. w.; 
ngais k., ngëmban 1., iets in een karembong of 
draagdoek voor de linkerborst dragen, 
b. v. een kind; diais; aisan, pakje of wat 
ook in een karembong gedragen wordt; 
verder: draagriem waarin de boomen 
of strengen passen by eenpaardetuig(B.); 
pangais, 1. = karembong, draagdoek; 2. op 
een na de jongste van iemands kinderen, 
het voorlaatste kind, ook wei p. boengsoe 
genoemd. 

A J A (Buit. en in Z.-B. k., anten 1.), is, zij n, er 
is, er zyn, aanwezig zjjn, zich bevinden, be- 
staan, voorhanden; ook wel gebezigd vóór 
een werkw., inz. veel vóór tjalik, en dan 
met dat werkw. een deelw. vormende: 
aja tjalik t zittende, gezeten; piajaeun, 



zullen ztyn; ook: zullen aanbrengen of 
afwerpen; dagangan noe piajaeun batina> 
handel die winst zal aanbrengen ;sadjana, 
al wat er is, wat in wezen is, wat aan- 
wezig is; sadja*aja, zooveel er is, al wat 
voorhanden (voorradig) is; ngaja&n, iemand 
of iets ergens doen ztyn, plaatsen, station - 
neeren; di nagara eta geus diajadn tiloe 
goeroe, in die stad had men drie onder- 
wijzers geplaatst; ngajakeun, doen zrjn, 
't aanwezen schenken, voortbrengen; ook : 
't bestaan van iets erkennen (b. v. van 
een afgod, in dézen zin, dat men 't er 
voor houdt dat hy werkeljjk iets is); 
diajakeun; kadjaan, het zijn of wezen van 
iets, wezen; pangaja, het ztyn of aanwezig 
z^n, reden waarom iets er is. 

AJAB, naam van zeker schepnet. 

AJAH k., = bapa, vader. 

AJAK, g. w.; ngajak, zeven, wannen; 
diajak; ajakan, zeef, wan; ook: mand, 
luiermand; ajakan tara meunang kantjra, 
een zeef vangst geen karper, sprkw., z. v. a. 
noe koeli tara meunang bajaran mantri, 
een daglooner ontvangt niet het tracte- 
ment van een minister; ajak-ajakan (Z.-B.), 
naam van een katjapi-wtfs. 

AJANQ, ngbr.; ngajang, zich strengelen, 
zich slingeren (om een boom of ander 
voorwerp, van een slingerplant), voort- 
kruipen ;padjang-ajang t aan elkander raken 
(het een aan het ander), elkander vast- 
houden (b. v. lieden die in een kring staan 
of dansen), aan elkander gestrengeld of 
verbonden (b. v. met een koord), aan 
elkander vastgebonden (van twee of meer 
personen of dingen); ajangajangan, loopen 
met den arm om elkander geslagen, 
gaan elkander omstrengeld houdende. 

AJANG-AJANGGOENG, elkander den arm 
om den hals geslagen houden, elkander 
omstrengeld houden (van twee of meer 
personen onder 't gaan). 

AJAP, ngbr.; ngajap, een voornaam 
persoon omringen; diajap; diajapajap, 
steeds begeleid worden. (Vgl. obeng.) 

AJAT (Ar., teeken), vers, Koranvers, 
Bybelvers, eenige woorden uit den Koran, 
den Btybel enz., tekst. 

AJËG, ngbr.; ngajëg, z. v. a. njaeur (zie 
saeur), vullen (b. v. met zand), ophoogen ; 
disaeur koe doewit, z. v. a. dikiriman loba 
djeung dihantèm, veel geld ergens in 
storten, groote sommen (aan iets) te koste 
leggen. 

AJEH (vgl. jeh), ngbr.; ngajehkeun, 
gering achten, verachten; diajehkeun. 

AJÉM, vriendeiyk, minzaam, = aris; 
vorder: rustig, bedaard, zacht, geduldig, = 



AJER— AKAL. 



9 



sabar; ngajëm-ngajém maneh, zich tot 
kalmte-, zich tot bedaren brengen. 

AJÉR, ngbr.; ngajër, water zóó weg- 
werpen dat het rondom neerpias t; 
ook: piasregen; verder: dun afgaan, 
diarrhee hebben; ajër-ajëran, aanhoudend 
dun afgaan. 

AJEUH, omliggen (inz. r\jsthalmen door 
overzwaarte); ajeuh-ajeuhan, verkl. met 
broeg ka kentja broeg ka katoehoe, d.i. zich 
nu over de eene en dan over de andere 
zjjde werpen; ook = raramean, pret 
maken ; soerak ajeuh-ajeuhan, juichen met 
groote luidruchtigheid, jubelen met groot 
vreugdebetoon. (Vgl. ambal-ambalan.) 

AJEUNA, thans, nu, heden, tegenwoordig, 
op het oogenblik; ajeuna pisan, nü (met 
nadruk); ajeuna ijeu, thans op dit oogen- 
blik; alam (of djaman) ajeuna, de tegen- 
woordige tyd of eeuw; mangsa (of waktoe) 
ajeuna, deze ttfd, deze ure; dangêt ajeuna, 
idem; poë ajeuna, heden; sadjeuna, nü, 
op dit oogenblik, voor dit oogenblik, voor 
heden; hiroep sadjeunaeun, alléén voor 
het tegenwoordige leven. 

AJI, 1. van adi en = raji, maar ver- 
trouwelijker of intiemer, (jongere) broeder 
of zuster [het wordt met name veel ge- 
bruikt door mannen van goeden stand 
tegen hun echtgenooten], 

AJID, (van het vleesch van zeer jonge 
dieren) zeer malsch ztfn, op het siymige 
af. B. 

AJOE ( Jav.), schoon (van een vrouw), = 
genlis (zie ook koening); raden ajoe, titel 
waarmee, in navolging van wat onder de 
Javanen geschiedt, in den regel de gemalin 
van een regent wordt genoemd of toe- 
gesproken (haar eigende Soend. titel 
is: nji dalem, nji toemënggoeng, enz.); ook 
de echtgenooten van districtshoofden, wier 
titel anders eenvoudig nji wadana is, 
worden reeds dikwyis zoo genoemd; in 
Z.-B. titel van vrouwen wier vader het 
predicaat ëntol voert. 

AJOEB (Ar.), Job, de bekende ïyder uit 
het O. T. [door de Mohammedanen in 
den regel Nabi Ajoeb genoemd]. 

AJOED, = adoej en boeroek, week (inz. 
van den grond). 

AJOEH, I. ngbr.; ngajoeh, een doa of gebed 
uitspreken om in het bezit van iets te 
geraken, iets te verkrijgen of te winnen 
(wordt verkl. met ngadatangkeun) ; diajoeh; 
pangngajoehkeun, verkl. met pangnjipta- 
keun, het door middel van een doa aan- 
wezig doen zfln. 

II. Ngajoeh, voor iemand koopwaren in 
commissie rondventen of verkoopen; 



ngajoehkeun, koopwaren aan iemand in 
commissie geven; diajoehkeun. 

III. (Z.-B.), = ijoeh; zie ald. 

AJOEMAN, g. w.; ngajoeman, verwisse- 
len, vervangen (b. v. een beschadigde 
plant door een gezonde, een stukkende 
dakpan door een heele, enz.), inboeten, 
stukkende mazen van een net herstellen, 
een net vermaken; diajoeman. 

AJOEN, g. w.; ngajoen, sÜDgeren, wiegen; 
diajoen; diajoen-ajoen, aanh. gewiegd wor- 
den, aangenaam geschommeld worden; 
overdr. voor: prettig behandeld worden; 
oejan-ajoen, al maar in schommeling zjjn; 
ajoen-ajoenan, heen en weer schommelen; 
ngajoenkeun, iets in slingerende beweging 
brengen, iets wiegen; overdr. z. v. a. noe- 
roetkeun sakahajangna, een wensch of ver- 
zoek inwilligen, aan iemands wensch of 
verlangen voldoen; diajoenkeun; ajoenan 
en pangajoenan, wieg, hangmat, schommel. 

AJOER, waterig, dun (van 5oe&o«r of pap); 
= adjoer. 

AJON, ngbr.; ngajon, het gewicht van 
twee dingen vergeleken of gelijkmaken; 
ook: meten (b. v. rtfst); diajon; pangajonan, 
weegschaal; overdr.: geUjkheid, evenredig- 
heid, toegevendheid. (Vgl. taradjoe.) 

AJONG-AJONG, naam van een slinger- 
plant. 

AKA (vgl. ka III), = kaka (doch gemeen- 
zamer dan dit) k., raka 1., (oudere) broeder 
(veel gebezigd onder geringe lieden, en 
dan vooral ook door de vrouw tegen 
haren man). 

AKAD (Ar., overeenkomst), iets van 
iemand koopen of aan iemand verkoopen, 
op voorwaarde dat men 't op een be- 
paalden ttfd, tegen teruggave van het 
geld, weer zal aistaan of weer in bezit 
kan nemen (zoo iets als hypotheek; vgl. 
gade); ook: voorwaarden van verkoop; 
akad nik ah, zie tikah ; ngakadkeun, = nga- 
gadekeun, verpanden, maar op de boven- 
genoemde voorwaarde. 

AKAL (Ar), verstand, rede, list, uit- 
vlucht, kunst, nuk ;njawaditërangkeunana 
koe akal, de ziel wordt verlicht door 't 
verstand; eta tjëk akal moehal, dat, zoo 
zegt de rede, is ongeremd; owah akal, 
krankzinnig; koerang akal, onverstandig ; 
tatjan boga akal, (van kinderen) nog geen 
verstand hebben; loba akal, vindingrijk 
(eig. vol listen of streken); mëtakeun 
saboedi-dkal, al z\jn vermogen (kracht enz.) 
aanwenden; sadkal-akal, zooveel mogelijk ; 
akal-akal, een list bedenken; oekoel-akal, 
een list of listen (uitvluchten, streken 
enz.) bedenken; piakaleun, list of middel 



10 



AKANG— ALAIHISSALAM. 



voor of tot iets; ngakal, een list te baat 
Demon of aanwenden; ngakalan, op iemand 
of iets een list aanwenden; diakalan. 

AKANG, 1. van kakang, (oudere) broeder 
(vgl. aka); ook veel gebezigd door de vrouw 
tegen haar man; ngakangkeun, iemand 
akang noemen. 

AKAR, wortel (van boom of plant) ;akaran, 
wortelen, wortel schieten, een wortel 
hebben (ook in overdr. zin). 

AKAS, ngbr.; beusi akas, buigzaam staal 
(z. a. dat van Europ. sabels en messen); 
peso akas, tafelmes. 

AKASA (O-S., Skr. akaca), lucht, uit- 
spansel, hemel. P. 

AKBAR (Ar.), groot; Allahoe akbar, God 
is groot! hadas akbar, een groote on- 
reinheid. 

AKËJ AKÉJAN (vgl. këj), aanh. luide 
lachen. 

AKEKAH (Ar.), het slachten van een 
schaap of geit ten behoeve van een kind, 
gepaard met het eerste afscheren van zyn 
hoofdhaar, en wel op den zevenden dag 
na de geboorte. (Vgl. ekah.) 

AKEUL, g. w.; ngakeul, (de gaargestoomde 
ryst, zoodra deze uit do aseupan in den 
doelang overgestort is) met een pangarih 
of houten spaan, onder bewaaiïng mot 
een hihid dooreenwerken ter afkoeling 
en om de kedjo rul (poelen) te maken; 
diakeul; akeuleun, kedjo welke in den 
doelang moet dooreengewerkt worden. 

AKEUP, ngbr.; akeupakeup, = akeup- 
andong, zie andong; ngakeup, =r ngagan- 
dong, op den rug dragen (b. v. een kind); 
diakeup. 

AKI k., ejang 1., grootvader; soms: voor- 
ouders; ook in 't algem. titel voor oen 
oud man (vgl. ëmbah); aki-aki, een onbe- 
kend oud man. 

AKIL (Ar., vgi. akal), verstandig, de 
periode waarin zich 't verstand van een 
kind begint te ontwikkelen, tot verstand 
geraken; kakara akil boe, tatjan baleg, 
hy begint pas verstandig te worden, maar 
is nog niet zelfbewust; teu akil, onnoozel, 
onverstandig, zinneloos. 

AKINQ (Jav.), —garing, dor, droog; koeroe 
aking, erg mager. 

AKIR, = 't meer gebr. en betere ahir. 

AKMA, verb. van atma; zie ald. 

AKOD, g.w.; ngakod, = ngagandong (zie 
gandong) en = ngakeup (zie akeup), op den 
rug dragen; diakod. 

AKOE k., angkën 1., g. w.; ngakoe, erken- 
nen, bekennen, beiyden, ontvangen (van 
een gast), opnemen (z.a. in huis); verder: 
voorgeven te zyn (vgl. dakoe); ngakoe ka 



kami, mtf beladen; ngakoe aing Ooesti, 
voorgeven: ik ben de Heer; ngakoe- 
ngakoe ngaran kami, voorgevende mynen 
naam (in mynen naam); diakoe; ngakoe- 
keun, iets of iemand erkennen, van iets 
of iemand beiydenis doen, zeggen of voor- 
geven te zyn; ngakoekeun dosa, zyn zonde 
bekennen; ngakoekeun ka Jesoes, Jezus 
belyden; ngakoekeun radja raso'el, voorgeven 
de vorst der gezanten te zyn; diakoekeun; 
padkoe-akoe, van weerszoden op iets aan- 
spraak maken; akoean, = serewel k., sareseh 
1., gul in 't ontvangen van bezoekers en 
gasten, gastvry, herbergzaam, voorko- 
mend, vriendelijk, minzaam; ook gulheid; 
akoean ka semah, herbergzaam, gastvrij; 
akon-akon, voorgeven, voorwenden, liegen; 
pangakoe, beiydenis, bekentenis, erkenning, 
het ontvangen. 

AKOER, z.v. a. anoet, volgen, meegaan, 
meedoen, zich by anderen aansluiten. 

AKOET, g.w.; akoetakoet (Z.-B.), naam 
van een kleine wesp ;ngakoet, heendragen, 
binnenbrengen (inz. van den oogst; diakoet; 
ngakoetan, = ngakoet, maar in meer dan één 
dracht; in Z.-B. van vogels: takjes enz. 
aandragen om het nest te bouwen; dia- 
koetan. 

AKON, zie akoo. 

AKSARA (Skr.), letter, letters; ook: op- 
of onderschrift (zoo dit nameiyk uit enkele 
letters bestaat); daoen aksata, naam van 
een plant wier bladeren als met Javaan - 
sche letters beschreven schynen, letter- 
blad. 

AKTI, het Holl. akte; idem. 

ALA, g. w.; ngala, 1. k., ngangkir s., 
njandak 1., halen, nomen, zoeken, inzame- 
len , inoogsten ; ook : afhalen ; ngala nagara, 
een stad nemen, een stad in bezit nemen ; - 
2. k., njaoer 1., roepem ontbieden; seug 
ngala hidji-hidji djalma noe baroga hoetang 
ka djoeraganana, hy ontbood allen die iets 
schuldig waren aan zyn heer; - 3. (doch 
alleen 't k.-woord) visschen, voll. ngala 
laoek; 4. (ook alleen 't k.-woord) gelyken 
op, b. v. ngala ka ramana, hy gelykt op 
zyn vader; diala; kadla. 

ALAEKOEM AS3ALAM (Ar.), u zy vrede! 
(antwoord op de groete: vrede zy u! zie 
assalam). 

ALAH, I. (vgl. lah), tusschenw. om leed 
uit te drukken: ach! o wee! o smart! 
helaas! oeloeh-alah, gedurig alah roepen; 
alah-alahan, aanh. alah roepen. 

II. In samenst. met manan of batan; 
zie aldaar. 

ALAIHISSALAM (Ar.), de vrede zy op 
hem! [vereerend toevoegsel tot den naam 



ALAK-ALAK-ALAS. 



11 



van een engel en dergelijke perso- 
nagos]. 

ALAK-ALAK, zie by tjampaka. 

ALAK-ILIK, zie Hik. 

ALAM (Ar.), de wereld, = doenya; verder: 
tydperk, = djaman; ook: tyd, tydstip (zie 
ook by martabat) ; sadlam kabeh, de geheele 
wereld; keur alam nabi Soeleman, tentyde 
van Salomo; - [het woord wordt verder 
samengest. met ajeuna, doenya, djaga, 
gaib, baheula, enz., zie ald.] ; sapirang-pirang 
alam, onheugiyke tyden, een zeer lang 
tydsverloop ; ngalaman, beleven, by wonen, 
dooi leven. 

ALAMAT (Ar.), kenmerk, teeken, ver- 
schy nsel, ken teeken, voorteeken; ook: adres; 
alamat djalma saleh, dat is het kenmerk 
dat hy een vroom man i3 ; pialamateun, 
^pitandaeun, een teeken of kenmerk 
waaraan men iets zal kunnen onderken- 
nen, een teeken of aanwyzing van iets 
dat zal gebeuren; lamoen nandjakpialama- 
ieun moedom, in 't stygen ligt een voor- 
teeken dat men dalen zal; ngalamatan, 
tot een voor- of kentoeken zyn (z. a. b. v- 
«en betrokken lucht doet vermoeden dat 
het zal gaan regenen); verder : iets van een 
adres voorzien, adresseeren; dialamatan, 
van een adres voorzien worden; palamatan, 
kenteeken, voorteeken. 

ALAMIN (Ar., mv. van alam), werelden; 
Raboe'lalamin, do Heer der werelden. 

ALANQ, I. hindernis, wat in den weg 
ligt (meer gebr. is halang); ook: dwars; 
kadlangan, iets vóór zich hebben, zoodat 
't uitzicht belemmerd is; - palang, iets 
dat ergens dwars overheen zit of ligt, 
iets dat ergens dwars vóór ligt, dwarshout, 
dwarsbalk; malang, dwars, dwars over iets 
liggen (b. v. over den weg), dwars zitten, 
in den weg liggen, den weg versperren, 
dwarsboomen; maoeng malang, een den 
weg versperrende tijger, overdr. voor: 
iemand den voet dwars zetten, dwars- 
dryver; gëloeng malang, zeker (deftig) 
kapsel van vrouwen, hierin bestaande dat 
het haar in vouwen van den hals af naar 
boven tegen het hoofd gelegd wordt \pama- 
lang, iets dat dwars ligt (b. v. zekere 
balk van het dakgeraamte), wat dwars 
in den weg ligt; kapalangk., kapambëngl., 
= tanggoeng, (lett. tegengehouden zyn door 
iets dat in den weg kwam) niet voort 
kunnen zetten of ten einde kunnen bren- 
gen, ten halve (doen), in iets biyven 
steken (voll. kapalang lampah); koemapa- 
lang, == kapalang (maar als toestand), 
ergens in blyven steken; alangkoemapa- 
lang, met oelah vóór zich: doe het niet 



ten halve; paiangan, 1. wat hinderiyk is, 
hindernis, verhindering; ook: ongesteld, = 
oedoer; 2. 1. van bolon, de maandstonden 
hebben; mapalangen, iemand iets in den 
weg leggen, iemand in iets den voet dwars 
zetten, hinderpalen in den weg leggen, 
doen „tegen" iets of iemand, verhinderen; 
mapalangan paeh, iemands dood verhin- 
deren . 

II. Alangalang (Jav.), hoog rietgras. [In 
sindir's soms dienende om te zinspelen op 
kapalang, zie alang I.] Vgl. eurih. 

ALANGAH-ELENGEH, zyn best doen om 
zyn verlegenheid te verbergen, glim- 
lachende de waarheid van iets ontkennen; 
ook z. v. a. „zoete broodjes bakken" by 
iemand dien men eerst boos gemaakt 
heeft. 

AL ANQ AHOEN, naam van de beste tabaks- 
soort in de Preanger, ook kawak geheeten. 

ALANGKARA, = sageuj en pamohalan 
(veelal door sok voorafgegaan, en soms 
door teuing tot versterking gevolgd), on- 
denkbaar, onmogeiyk, ongerymd; sok 
alangkaral dat is ongerymd! alangkara 
istri djadi pamëgët, 't is ongerymd dat een 
vrouw een man zou worden; alangkara 
teuing aing mandi, 't is ongerymd dat ik 
een bad nemen zou. 

ALANG-OEDJOER, zie oedjoer. 

ALA-OLO, zie oio. 

ALAP, I. g. w.; ngalap, ong. = ngala, 
nemen, halen; ook = ngarah, beoogen, 
bedoelen, begeeren; ngalap mantoe, tot 
schoonzoon nemen; ngalap elmoe, naar 
kennis trachten; ngalap ati, iemands hart 
trachten te winnen; ngalap kasoeka goeroe, 
den ieeraar trachten te pieizieren ; beunang 
ngalap Una kijas, ontleend aan vergeiyklng ; 
dialap; kadlap, krankzinnig, dolzinnig 
(door overspanning der geestvermogens), 
een vlaag of vlagen van verstandsver- 
bystering hebben; pangalap, het hoogst- 
gelegen bed {kotakan) van een sawah (dat 
't eerst het water ontvangt, staat tegen- 
over boentar), ook soengapan genoemd; 
pangalapan, voll. djalma pangalapan, = 
pangarahan (zie arah), een uiterst hebzuch- 
tig mensen; ook: de goeroe of leeraar, by 
wien men zyn kennis opdoet. 

II. Alap-alap, naam van een roofvogel, 
ter grootte van een duif, kleiner dan een 
heulang, wouw, gier. [Volgens P. een witte, 
op visch azende valksoort.] 

ALA8 (Jav.), bosch; 1. kopi alas, bosch- 
koffie; tali alas, guirlandes van bladgroen; 
2. z. v. a. soegoeh, onthaal, gerecht (eig. 
toespys by de ryst (deungeun sangoe); 8. 
(Band.) = tobas, plaats aan tafel, couvert; - 



12 



ALATAN— ALO. 



ngalasan, 1. in 't bosch jagen op; 2. op- 
gaderen, lezen, verzamelen (van kruiden), 
brandhout in 't bosch zoeken; 8. = njoe- 
goehan, iemand iets voorzetten, onthalen; - 
djoeroe pangalasan, onbeschaafd mensen, 
lomperd. 

ALATAN, = djalan en anoe djadimatak, 
aanleiding, oorzaak, uit oorzaak van, naar 
aanleiding van. 

ALEAN (Kad), = milih, kiezen; zie pilih. 

ALEH, z\jn boosheid of verkeerde ge- 
zindheid hebben afgelegd; terwijl men 
eerst niet komen wilde, nu komen en 
vriendeiyk zyn; niet aan zyn neiging of 
stemming toegeven (vgl. eleh en kalah); 
oélah-dleh, = aleh, maar met verst. 

ALEHISSALAM, = 't betere alaihissalam. 

ALEKETEK, ngbr.; ngaleketek, = 't betere 
ngeleketek; zie eleketek. 

ALËM, ngbr.; ngaUrn, roemen, prezen; 
dialëm; alëman, (van een kind) gewoon 
z\)n geprezen te worden en geen bestraf- 
fing kunnen verdragen, verwend zyn; 
pangalëm, lofspraak. (Vgl. moedji, by 
poedju dat serieuzer is.) 

ALËNG-ALËNGAN, hoog en lang uithalen 
van de stem (by nëmbang). 

ALËPA, = 't meer gebr. alpa. 

ALÉ8, dekkleed onder de schabrak 
(sëbrak). 

ALEUT (vgl. leut), ngbr.; ngaleut, in een 
lange ry loopen of voorttrekken; ngaleut- 
ngaleut, in lange ryen of in scharen voort- 
trekken ; dialeut-aleut koe djalma, door scha- 
ren van menschen worden gevolgd; aleutan, 
een lange ry of schare (menschen of dieren), 
volgreeks, trein, stoet, sleep, zwerm; 
saéUeutan, een lange ry-, een groep-, een 
zwerm-, een troop-, een schare vormen; 
ook: bondgenooten of deelgonooten zyn, 
eensgezind zyn; aleut- aleutan, in lange ryen 
of troepen voorttrekken. 

ALEWOH, z. v. a. tjektjok, druk praten, 
hard door elkander praten; alewohnjar ita, 
met veel drukte vertellen. 

ALHAMDOE'L-ILLAH (Ar.), lof zy God! 
[een uitdrukking, die den naam draagt 
van kalimah tahmid en dienen moet om 
God te pryzen, maar in 't dageiyksch leven 
weinig meer dan een gedachtelooze uit- 
roep is, z. v. a. gelukkig! prettig! dat 
doet me genoegen 1]. 

ALI, L k., lelepen en tjingtjin 1., vinger- 
ring; ali-ali, schakel, schalm. 

II. (Ar.), de vierde chaiif (654- C61). 

ALIH, 1. van pindah, g. w.; ngalih, zich 
verplaatsen, verhuizen; alihan, afwyken 
van de werkeiykheid, iets verkleind of 
vergroot voorstellen (z. a. door een glas); 



alih-alihan, = pipindahan, zich aanhou- 
dend verplaatsen, aanh. van gedachte 
of van wensch veranderen, onvast ; ngalih- 
keum, 1. van mindahkeun, iets of iemand 
vei plaatsen of verhuizen; dialihkeun. 

ALIM (Ar.), 1. geleerd, kundig; 2 iets 
niet weten, met iets onbekend zyn; ook 
= doeka, ik weet niet; verder verbloemd 
voor: ik wil niet, ik dank er voor; kaoela 
alim teuing, ik weet volstrekt niet (zie 
ook toetoet); aliman, =r ëmboengan, onwil- 
lig (zie ook hieronder). 

ALIMAN (Ar., van ilmoe), de zeatiende 
der twintig eigenschappen, door de Moham- 
med. Theologie aan Allah toegekend en 
verkl. met noe oeninga, de Alwetende. 

ALINQ, = pipinding, scherm; tajaaling- 
alingna, zonder beschutting; kadlingan, 
een scherm vóór zich hebben, belet wor- 
den iets te zien. (Vgl. alang.) 

ALIP (Ar., alif), de eerste letter van het 
Arabische alphabet; alipalipan, aan de 
eerste beginselen van het spellen zyn; 
ook in 't algemeen: bezig zyn de begin- 
selen van iets te leeren, b. v. alip-alipan 
kana maling, verkL met keur ngamimitian 
diadjar maling, beginnen te leeren stelen; 
als zelfst. nw.: de eerste beginselen van iets. 
ALIT (Jav.) t klein, dun; alit halis, dun 
van wenkbrauwen; ook (nl. alit), 1. van 
leutik, zie ald. 

ALJASA (Ar.), de Mohammed, naam van 
den profeet Eliza [doorgaans Nabi Aljasa 
geheeten]. 

ALKËTIP (Ar., alqatifat), vloerkleed, kar- 
pet, tapyt (vgl. pramedani); alkëtip kanteh 
Mësir, vloerkleed van Egyptisch garen, 
Egyptisch vloerkleed. 

ALLAH (Ar.), God; Allah tehngansahidji, 
er is slechts één God; karna Allah (of 
Karn' Allah), om Gods wil, om niet; ogan 
Allah (Kad.), genoodigd om Godswil, ook 
wel gezegd van iemand die ongenood 
komt, een ongenoode gast; adllahan, een 
god, afgod, goden (vgl. Ex. 20:3); miallah, 
wat geen God is als zoodanig vereeren, 
afgodsdienst plegen; dipiallah. (Vgl. Batara, 
Jang, enz.) 

ALLAHOE AKBAR (Ar.), God is groot! 
[een uitdrukking die den naam draagt van 
kalimah takbir en dienen moet om God 
groot te maken]. 
ALLAHOEMA (Ar.), een uitroep: o God! 
ALMARI (Port., almario), kast, losse kast 
(linnenkast, enz.), meest lamari uitge- 
sproken. 

ALMËNAK, het Holl. almanak; idem; 
kalender. 
ALO, neef, nicht (nl. zoon of dochter 



ALOEK— AMANG. 



13 



van een ouder broeder of zuster). Vgl. 
soewan. 

ALOEK (in Tomo), = mënding en ang- 
goer, liever, beter; malaoer tjitjing aloek 
digawe, 't is beter te werken dan stil te 
zitten. 

ALOEK-ALOEKAN (vgl. aeuk-aeukan en 
a&>&), woeklagen, jammeren, rouw bedreven, 
rouwklagen; ook: rouwklacht, jammer; 
tjeurikna aloek-aloekan, hij weende jamme- 
rende, hy weende en jammerde. 

ALOEM, verwelken, verflensen, verwelkt, 
verflensd (van bloemen en in 't algem. 
van planten), kwijnen (in algem. zin), een 
kwijnend voorkomen hebben, achteruitgaan 
(b. v. een stad); verder: bleek, betrokken, 
verzwakt, ingezonken (b. v. 't gelaat); ook 
van menschen en dieren soms = ngahëroek, 
in zwijgende of gedrukte houding staan 
of zitten; kaloeman, z.v. a. kësël en teu 
bëtah, niet op zfln gemak zyn, zich ergens 
niet prettig gevoelen, zich vervelen. (Vgl. 
ryoek en mësoem.) 

ALOEN, golf, baar; ngaloen, met de gol- 
ven medezwemmen, op de golven voort- 
dreven; kadloenkeun, door de golven mede- 
gevoerd worden of raken. 

ALOEN-ALOEN, een ongeveer vierkant 
grasplein, aan de zijden met tjaringin- 
boomen beplant, voor de huizen van 
regenten en districtshoofden. 

ALOENQ (vgl. loeng), g. w.; werp! werp 
toel ngaloengan, iemand of een dier iets 
toewerpen ; dialoengan ; aloeng aloengan, 
elkander (iets) toewerpen; ngaloengkeun, 
= ngabalangkewn (maar minder forsch), 
iets bovenhands naar iemand of ergens 
heen werpen, wegwerpen, inwerpen; 
dialoengkeun. 

ALOER, spoor, nagelaten spoor van een 
tyger, rhinoceros, enz.; overdr.: verleden, 
het verleden; ook = byasa, gewoon, ge- 
woon zyn; adjëngan ënggeus aloer, gfl zyt 
gewoon, gy hebt de gewoonte (vgl. galoer); 
aloeran, spoor. 

ALOES k., sae 1., fraai, schoon (van ge- 
daante, van voorkomen, van de stem, enz.), 
goed (en zóó sterker dan hadé) van gedrag, 
handelingen, enz.; verder: fijn, edel, best; 
ook euphemistisch voor bangsar of koeris, de 
pokken (basa doekoen); lampah aloes, goede-, 
edele daden; müampah noe aloes, het goede-, 
edele*, schoone doen ;ngaloes-ngaloes, mooi 
maken, versieren; dialoes-aloes; ngaloesan, 
verfraaien; dialoesan; ngaloeskeun, fraai 
maken ; ook : veredelen; dialoeskeun; kadloe- 
san, fraaiheid, schoonheid (ook wel van 
een vrouw, doch zie geulis). 
ALOK, I. z. v. a. belot en djaoeh, om, 



verder, een omweg vormen; rada alok, 
't is een beetje om. 

II. Roepen, uitroepen, uitschreeuwen, 
b. v. alok moesoeh datang, uitroepen dat 
de vijand komt; alok maling, roepen dat 
er een dief is; meestal echter met her- 
haling: alok-alok, uitroepen (b. v. dat 
iemand dood is), = oewar-oewar, een 
noodkreet laten hoorenjook = akon^akon, 
zie akoe; alok-alokan, = gëgëroan bari 
tjeurik, weeklagen, rouwklagen, jammeren ; 
ngalokkeun, iemand of iets uitroepen; 
anoe dialokkeun, kakang, i& was het die 
uitgeroepen werd. 

ALON, langzaam, zachtjes, bedaard, 
fluisterend; bidjil alon } zachtjes naar bui- 
ten gaan; dialon-alon, langzaam gedaan 
worden. (Vgl. laoen.) 

ALPA, verkJ. met gampang, opvliegend, 
licht boos worden, zich om een kleine 
beleediging zelfs wreken; ook = ampag, 
zich vergrijpen aan het goed van een 
ander. 

AM, tusschenw. om een kind te gebieden 
te eten: eet! hap! 

AMA, = rama, 1. van bapa, vader (het 
wordt voornamelijk door de ouders en de 
kinderen gebruikt, en is intiemer of ge- 
meeLzamer dan rama); in Bant. =pa, vóór 
namen van vaders geplaatst (zonder on- 
derscheid van 1. en k.); ama Joesoep is 
dus in Bant. = pa Joesoep in de Preanger. 

AMAL (Ar., werk, arbeid), een goed-, 
verdienstelijk werk (meest gezegd van aal- 
moezen geven of bijstand verieenen), een 
verdienstelijk werk verrichten; ngamal- 
keun, betrachten, in beoefening brengen, 
zich toeJeggen op, inz. op hetgeen goed is; 
diamalkeun. 

AMAN (Ar.), veiligheid, gerustheid. 

AMANAT (Ar.), verkl. met kapërtjajadn, 
zekerheid, vertrouwen, getrouwheid, be- 
trouwbaarheid; ook: geloofwaardig, be- 
trouwbaar; verder: het toevertrouwde. 

AMANG, de hand, een wapen of derg. 
opheffen en iemand daarmede dreigen 
(vgl. agag); diamang, zich met ontoloot 
zwaard of derg. in den weg van een 
mensen of dier stellen en hem vrees aan- 
jagen door het wapen op en neer te zwaaien ; 
ngamang-ngamang, dreigen (met iets, b. v. 
met een gobang); diamang-amang; amang- 
amangan en oemang-amang, de hand-, een 
zwaard of derg. dreigend boven zijn hoofd 
heen en weer bewegen; ngamangkeun, 
iets dreigend opheffen of over iemand 
uitstrekken; diamangkeun; ngamang-nga- 
mangkeun pakarang, met een wapen drei- 
gend zwaaien [wat pamali is]. 



14 



AMANTOE— AMBIL. 



AMANTOE BILLAHI (Ar.), het eerste van 
de zes Moh. geloofsartikelen, verkl. met 
kaoela përtjaja ka Allah, a. i. ik geloof 
aan God. 

AMAR (Ar.), bevel. (Vgl. komara.) 
AMARAH (vgl. marah), = ambëk, toorn, 
toornig, maar ook = napsoe, lust krijgen 
of hebben tot; napsoe amarah, hartstocht 
of boozo lust om te toornen, drift. 

AMAS (Z.-B.), zestien duiten. 

AM AT (Buit.), = tëmën, zeer, bijzonder; 
amat moerah, zeer goedkoop; lila amat, 
zeer lang; beurang amat, ver op den dag; 
pageto amat, over-overmorgen; amata- 
nan, = amat, maar met verst. 

AMATJAK, ong. = atjak-atjakan, vele 
dingen welke men te doen heeft, tegelijk 
willen uitvoeren, waardoor ze alle half 
ongedaan bltfven liggen. 

AMBA, I. = roengkang, groot van om 
vang maar van betrekkelijk geringe zwaar- 
te, volumineus; of ook: zwaar van gewicht 
maar van betrekkelijk geringe waarde; 
verder: zwaar van stem; ook: omhaal, 
omslag. 

II. Ook ambaamba, = ngarëp-ngarëp; 
zie arëp. P. 

AMBAH, ngbr.; ngambah, 1. van njorang, 
gaan op, over of langs, zfln weg nemen 
over; ngambah mega, over de wolken 
gaan; diambah; ambahan, (eig. het te 
inspecteeren stuk land), gedeelte, gebied, 
onderhoorigheid. 

AMBAJ, ngbr.; ngambaj, hangen aan 
(b. v. een slang aan den vinger), uithangen 
(b. v. de tong uit den mond), neerhangen 
(b. v. van de oogleden), afhangen (b. v. 
een doek ergens van) ;ambaj-ambajan, van 
iets af-, uit iets of by iets neerhangen; 
oemboej-ambaj, al maar by iets neerhangen 
of ergens uit hangen te slingeren. 

AMBAL-AMBALAN, ong. = ajeuh-ajeuhan, 
aanh. juichen (verkl. met geus soerak, 
soerak deui); soerak ambtU-ambalan, idem. 

AMBAR, I. (Ar.), amber; w angina ambar- 
ambaran, zy verspreidde een geur als amber. 

II. Een voorwerp, bevattende vier tot 
zes kleine potjes {tjëtjëpoekan) gevuld met 
malam, minjak enz., hetwelk door rong- 
geng's soms aan den gordel gedragen 
wordt. 

III. Een bosje toiletartikelen (tanden- 
stoker, oorlepeltje, haartangetje enz., van 
zilver of koper), gedragen aan een zilveren 
band of ring, die soms met edelgesteenten 
ingezet is. 

AMBARAJAH, verspreid liggen. 
AMBAR1KOET, verkl. met loba babawadn, 
veel of volop mededragen. 



AMBARITJIN, naam van een vrucht- 
boom. P. 

AMBAT, ngbr.; ngambat, iemand in een 
zaak of in een rechtsgeding betrekken ; 
diambat; kadmbat, in een zaak betrokken 
geraakt; kadmbat njaksian, in een zaak 
betrokken geraakt om getuigenis af te 
leggen. 

AMBAT JAK, = amatjak; zie ald. 

AMBEH, = 't meer gebr. ameh. 

AMBËK k., bëndoeL, toornig, boos, driftig, 
drift, toorn; ngambëk k., ngawëra 1., hygen 
van toorn, driftig z\jn, zyn drift geen 
meesterzen, zyn toorn botvieren, uitvaren, 
woeden; piambëkeun, reden tot toorn; 
manggih piambëkeun, iets ondervinden dat 
toornig maken kan; njijeun (njijar, neja- 
ngan) piambëkeun, iemand reden tot toorn 
geven, iemands toorn gaande maken of' 
wekken ; ambëk- ambëkan, uitvaren, te keer 
gaan; ambëkan, adem, ademhaling; sësëk 
ambëkanana, zyn ademhaling is (was) be- 
klemd; ngambëkan, ademen, ademhalen; 
ook: uitwasemen (van den grond). 

AMBËN, buikgordel (van een paard), 
buiksingel; anbënan, van een buikgordel 
voorzien z\jn; diambënan, (van een paard) 
een buiksingel aankrygen. 

AMBEN, = tëpas, gaandery.galery, wa- 
rande. 

AMBÉNG, g. w.; ngambëng, = mëtakeun 
piring, (gevulde) borden gereed zetten; 
diambëng; sadmbëng, uit één schotel-, aan 
één disch-, met elkander eten; sadmbëng 
reudjeung, idem; ngambëngan, 1. van njoe- 
goehan, gereed zetten voor iemand (nl. 
êpyze); ook in algemeenen zin: voor 
iemand gereed maken, klaar zetten; di- 
ambëngan; ngambëngkeun, 1. van njoegoeh- 
keun, de spyzen, die men voor een hadjat 
heeft bestemd, op de tëpas, op de tafel of 
derg. gereed zetten (de gasten scharen 
zich daar dan omheen, en nemen wat 
hun gevalt); diambëngkeun; ambëngan, de 
plaats waar men de spyzen heeft gereed 
gezet. 

AMBEU k., amboeng en angseu 1., geur, 
reuk; ook g. w.; ngambeu, ruiken; diam- 
beu; kadmbeu, geroken; ngambeuan, aan 
iets ruiken, beruiken, iets opsnuiven, in- 
snuiven; diambeuan; admbeuan, reukwerk, 
odeur; admbeuan anoe seungit, welriekend 
reukwerk; pangambeu, de reuk (als zin- 
tuig); pangambeuan, = iroeng, neus. 

AMBIJA, zóó meestal in plaats van anbija 
(zie ald.), wyi het Soendan. vóór een lip- 
letter, hier de b, een lipletter eischt. 

AMBIL (Mal., nemen), ngbr.; tanda 
ambilan, aanhalingsteekens: „..."; ambil- 



AMBING— AMERIKAN. 



15 



ambilan, zeker kinderspel (waarsch. af- 
komstig uit een Mal. land), pakkertjes- 
spel. (Zie „Mangle".) 

AMBING, ngbr.; ngambing f \.yamngejong- 
ngejong (zie ejong-ejong), een kind enz., dat 
men in den arm houdt, heen en weer be- 
wegen, op de armen wiegen; diambing. 

AMBIT, naam van een boom; voll. ki 
ambit. 

AMBLÉNG, = 't meer gebr. amlêng. 

AMBO, = 't meer gebr. amboe II. 

AMBOE, I. = ëma, moeder; vooral als 
titel voor gehuwde vrouwen uit de volks- 
klasse, en met name tegen of van bejaarde 
vrouwen. 

II. Tusschenw.: o! he! wel! verbaasd! 
kjjk eens! amboe, itoe tingalil o, kyk daar 
eens! - amboe-amboe, idem, met versterking: 
wel! wel! enz. 

AMBOEL, ngbr.; ngamboel, draven, niet 
zinken, boven draven, b. v. in water gezet 
zaad (het tegenoverg. van kalërn); ook: toor- 
nig worden (van iemand die van aard 
zachtzinnig is); diamboel-amboelkeun, ge- 
durig in de hoogte geworpen worden (b.v. 
van iets, dat door een buffel op zjjn hoorns 
genomen is). Vgl. ampotl. 

AMBOENG, 1. van ambeu en tjijoem, het 
kussen, kus; ook g. w.; ngamboeng 1. van 
ngambeu en van ryijoem, den neus aan 
iets, of iets aan don neus brengen, ruiken, 
kussen; diamboeng; ngamboengan, aan iets 
ruiken; diamboetigan ; oembang-amboeng, 
overal aan ruiken: pangamboeng, 1. van 
iroeng, neus. 

AMBOERADOEL, open- en uiteenspringen, 
bezwjjken (b.v. een gebeukte deur), bars- 
ten, openbarsten, zich uitstorten (b. v. van 
de ingewanden), uitbreken (z. a. v. degenen 
die in een vesting zfln); verder: door elk- 
ander, in de war (b.v. een barisan of 
krijgsmacht, byeengelegde vruchten, enz.). 

AMBOERAN, het wijdere middengedeelte 
van een lisoeng of van een prauw, dat 
gedeelte waarop gewerkt wordt of waarin 
wen zit, dat gedeelte van een r^stmolen 
waarop de rflst gelegd wordt. 

AMB0ERA80ET, = oedoelan, uit elkander 
liggen (b. v. een boek), uit elkaar zp, uit 
het verband z\jn, uiteenliggen, in ver- 
warring z*)n. 

AMBOERATÉL (vgl. tël), spatten (van 
vloeistof die uitgestort wordt) op meerdere 
voorwerpen. 

AMBOETJOEJ, helder of schitterend rood, 
z - a. een geheel rjjpe vrucht. 

AMBON, I. het eiland van dezen naam 
m de Molukken; tjaoe Ambon, naam van 
zekere groote pisangsoort. 



II. Verkl. met: hajang diakoe koe noe 
ngewa, d. i. liefde jegens iemand koesteren 
zonder dat deze beantwoord wordt, liefde 
van één kant; oemambon, idem, maar ook 
= gëtol nembongan, d. i. zich by iemand 
indringen, volstrekt bemind willen worden. 

AMBRÉQ, samen en te gelijk iets doon 
(b. v. schrjj ven, in een schip gaan, komen, 
afgaan van vuurwapenen, enz.); ambrëg- 
ambrëgan, idem, maar bjj herhaling; 
kadmbrëgan, door vele dingen te geljjk 
worden overvallen, met zorgen ovorladen, 
enz. (Vgl. abrëg.) 

AMBRIH, bedoelen, met de bedoeling dat; 
diambrih, bedoeld worden; pambrih, be- 
doeling, wat men bedoelt; marnbrih, be- 
doelen , op het oog hebben, beoogen, streven 
naar; noe dipambrih, wat met iets bedoeld 
wordt, met de bedoeling. 

AMBRIN, goheel op, kaal, ledig, ont- 
volkt. P. 

AMBROEQ (vgl. broeg), te gel*jk neer- 
vallen (van vele voorwerpen), te gehjk 
instorten, te geUjk de rijststampers op 
't rjjstblok laten slaan, te geljjk aanvallen ; 
ngambroegkeun, (van vele dingen) ze te 
gelyk doen slaan, blazen, neervallen, op 
iemand neerkomen, enz.; diambroegkeun. 

AMBROEK (vgl. anibroeg), neerploffen 
(een geit, een olifant, enz.), maar inz.: te 
geiyk afschieten of losbranden (van eenige 
kanonnen); ambroek-ambroekan, zonder op- 
houden te geiyk losbranden. 

AMEH, = amrih, bedoelen, en = sangkan, 
opdat; ameh harden katara, bedoelen dat 
iets niet openbaar zal worden; verder: 
laat het niet openbaar z\jn, laat het niet 
in 't openbaar geschieden. 

AMEN, ngbr.; ngamen, (van speellieden 
of kunstemakers) langs de huizen gaan, 
spelende of kunsten vertoonende, in de 
hoop dat er ztfn die hen willen laten 
spelen of hen hunne kunsten willen laten 
vertoonen ; ngamenkeun, iets ter vertooning 
rondvoeren, met iets (b. v. met z^jn kunde) 
te koop loopen; diamenkeun, gezegd van 
hetgeen zoo rondgedragen wordt of van die 
zoo rondgeleid worden (b. v. ronggeng's 
door den pandjak). 

AMËNQ, 1. van oelin, zich vermaken, zich 
amuseeren, zich uitspannen door spelen 
of iets anders; rentjang amëng, 1. van 
batoer oelin, speelmakker; amëng-amëng en 
amëng-amëngan, idem., met verst.; amëngan y 
1. van kaoelinan, speelgoed; ook: uitspan- 
ning; verder: zich gaan ontspannen, zich 
vermaken, voor zfln genoegen uitgaan. 

AMERIKA, het Holl. Amerika; idem. 

AMERIKAN, het Holl. Amerikaansch; 



16 



AMEUR— AMPIH. 



idem; kareta Amërïkan, een Amerikaansch 
rötuig. 

AMEUR, ngbr.; diameur-ameur (Z.-B.), 
verkl. met ditjapek ka hareup, (een sirih- 
pruim) vóór in den mond kauwen. 

AMIL (Ar., agent), een Mohammedaansch 
beambte voor een wijk of dorp, wijk- of 
dorpsgeestelijke (zóó te Tjiandjoer en om- 
streken; elders lëbe). [Hij krijgt kennis van 
geboorte en sterfgevallen, is behulpzaam 
by het innen der godsdienstige belasting, 
gaat by familiefeesten en offermaaltijden 
voor in 't gebed, en houdt een langgar; 
hU trekt zijn bestaan uit een gering deel 
der godsdienstige belasting, en uit hetgeen 
hem gegeven wordt door hen aan wie hy 
diensten bewijst; eertijds was hij ook be- 
last met het toezicht op de sawahs.] 

AMIN (Ar., waarachtig, getrouw), ons 
„amen"; ook „amen" zeggen; tadah amin, 
't opheffen der samengevoegde handen bij 
het uitspreken van het woord amin in de 
salat; ngaminan, „amen" zeggen (na den 
imam door de mamoem). 
AMIR (Ar.), bevelhebber, opperhoofd. 
AMIRAL, het Holl. admiraal; vlootvoogd. 
AMIROE'L-MOEMININA (Ar.), opperhoofd 
der geloovigen [titel der kalifen]. 

AMI8, zoet (vgL manis); ki amis, naam 
van een kaneelboom (minder zoet, maar 
naar men zegt even samentrekkend als 
kajoe manis). 

AMIT, verlof vragen om heen te gaan, 
afscheid nomen; nèda amit, verlof vragen 
om heen te mogen gaan ;amit-amitan, van 
elkander afscheid nemen; ngamitkeun, 
voor een ander <b. v. voor zijn zoon) ver- 
lol vragen om te mogen heengaan; diamit- 
keun; pamitan, verlof vragen om heen te 
mogen gaau, afscheid nemen (te verstaan 
als samentr. van padmitan). 
AMJ ANQ = 't meer gebr. omjang; zie ald. 
AMLÉNQ, = katjëp en mëdëng, doodstil 
<z. a. te middernacht); ook: niets hooren 
of vernemen van iemand of iets (b. v. van 
iemand die weggereisd is). 

AMLÊS, indringen, inboren (b. v. een 
afgeschoten pijl in den grond), in den 
grond schieten ofdringen(b.v. een zwaard 
dat geworpen werd), in den grond zakken 
of zinken (b.v. de voeten). 

AMLONGAN, slijkkuil (b.v. in den weg), 
slijkput (waarin de wielen enz. bleven 
steken). 

AMOEK (vgl. owWfc), ngbr.; ngamoek, ver- 
woed aanvallen en vechten, vechten als een 
dolle, hevig streden, verwoed er op los 
«laan of er op in houwen, hevig te keer 
gaan; diamoek; pangamoek, het woeden, 



enz.; oemak-amoek, te keer gaan, razen, 
hevig aangaan, = djëdjëbris; amoek-amoe- 
kan, doen als een die ngamoek't, hevig 
aangaan, razen, als een dolle te werk 
gaan; pamoek, = panggagahna, voor- 
vechter, vechtersbaas. 

AMOEM (Ar.), = 't meer gebr. mamoem; 
zie ald. 
AMOENG, 1. van ngan; zie ald. 
AMPAG, vrijpostig beschikken over het 
goed van een ander. 

AMPAR, I. alleen in sdampar-samak, zoo 
ver de mat strekt, overdr. voor tëpoeng- 
watës, grenzen aan; ngampar, uitspreiden, 
uitgespreid liggen (b.v. een mat); tjadas 
ngampar, een uitgestrekte tjadas-bo&em; 
ngamparan, iemand een mat of iets derg. 
spreiden; diamparan; ngamparkeun, iets 
spreiden of uitspreiden; diamparkeun; 
amparan, wat uitgespreid ligt op den 
vloer: mat, vloerkleed, tapyt, enz. 

II. Poleng-ampar, een geruite saroeng-stof, 
geweven van verschillend gekleurde kanteh- 
soorten door elkander. 

AMPÉG, 1. van mëngi, aamborstig, aam- 
borstigheid, het asthma, het asthma 
ebben; ook = antëb, zwaar, wichtig; 
overdr.: zwaar of verstopt in 't hoofd. 
AMPEL, = 't meer gebr. apel; zie ald. 
AMPËLA8, voll. tangkal ampëlas, naam 
van een boom wiens bladeren {daoen 
ampëlas) gebruikt worden om glad te 
schuren of te polsten. 

AMPER AMPER, een hapje vooraf (om 
voorloopig den honger te stillen), ver- 
snapering. 

AMPEUH, ngbr. ; ngampeuh, = mëngkëk, 
inhouden, weerhouden, bedwingen; ook: 
zich in acht nemen; hanieu beunang 
diampeuh, niet weerhouden kunnen wor- 
den, niet gestopt kunnen worden, zich 
niet laten weerhouden; hanteu kadmpeuh, 
niet te weerhouden, zich niet laten weer- 
houden, niet kunnen inhouden, niet kunnen 
nalaten, niet tegen te houden, zich niet 
kunnen weerhouden. 
AMPEUJ, = deukeuU nabij. F. 
AMPIAN (Z.-B.), onderdeel eener dessa, 
gehucht, = tjantilan. 

AMPIG, = abig } driehoekig gevelstuk 
van gevlochten geplette bamboe (voor 
leu.it en imahbapang). 

AMPIH, = entep, zorgvuldig voor iets 
zijn, netjes, ordelijk, iets goed onderhouden; 
koerang ampih, de dingen niet opbergen, 
niet goed voor de dingen zorgdragen; 
ampih-ampih, zeer zorgvuldig, zeer ordelijk 
zijn; ngampih, zich bergen, in huis gaan 
(asoep ka imah); ngampihan k., njimpën 1., 



AMPIL— ANBIJA. 



17 



bewaren, wegbergen, btf beetjes weg- 
leggen, opleggen, in bewaring nemen of 
hebben; diampihan; ngampihkeun, iets 
bergen of opbergen, ergens plaatsen of 
leggen ter bewaring, wegsluiten ; diampih- 
keun; dipangngampihankeun, voor iemand 
iets in bewaring nemen of wegbergen; 
pangampih, 1. van baraja, bloedver- 
want. 

AMPIL, ngbr.; ngampil, de rjjkssieraden 
dragen achter den vorst of in den stoet 
die een vorst geleidt; ook van de ïyf wacht 
die den vorst begeleidt: wapens (b. v. 
zwaarden en speren) dragen; ampilan, 
verkl. met parabot tjiri kaprabon, de rtfks- 
sieraden. 

AMPJANG, een soort gebak als lengt eng, 

AMPLÉNQ AMPLËNGAN, (van t\)d) zeer 
lang duren; amplëng-amplèngan tara 
manggih lëmboer, gedurende langen tyd 
treft men geen dorp aan. 

AMPOEH (vgl. ampih), goed, zachtzinnig 
(van aard en humeur), zachtaardig, stil 
en vlijtig, eeriyk, degeiyk, best (vgl. loeng- 
goeh); mampoeh, = wani, koewat en kadoega, 
aandurven, aankunnen, doen kunnen, kun- 
nen bestaan; hanteu mampoeh, niet aan- 
kunnen, niet opgewassen tegen; (van 
wapens en kogels) niet treffen ;moal mam- 
poeh, niet opgewassen zullen zjjn tegen, 
niet zullen kunnen bestaan; pimam- 
poeheun, zullen kunnen bestaan, iemand 
zullen kunnen staan, zullen overmogen. 

AMPOEL, licht als een veertje, licht op 
't gewicht; ngampoel, zich opheffen (inz. 
van een golf); kabawa ngampoel, door een 
golf worden opgeheven; ampoel-ampoelan, 
(van de golven) deinen, dansen, dobberen; 
ngampoelkeun, opwerpen (b. v. met de 
hoorns), uitwerpen (b.v. uit een kuil). 
Vgl. amboel. 

AMPOEN (Mal., Indr.), vergeving, ver- 
giffenis. (Vgl. hampoera.) 

AMPOK, voorschoot, schootsvel (volgens 
sommigen = apok, volgens anderen 
grooter en bepaaldelijk gebruikt voor 
„schort" en derg.); ampofc-ampofc(P.),z.a.v. 
ioeroeb anoe koerang sampoerna, onvol- 
komen bedekt, onvoldoende aan den blik 
onttrokken (b.v. het lichaam van iemand 
die slechts een tjangtjoet draagt, een saoeng 
waarvan de wanden uit bladeren be- 
staan, en derg.) 

AMPREK, ngbr.; amprek-amprekan, voll. 
loempat amprek-amprekan, hard wegloopen, 
weghollen. 

AMPRET (vgl. kepret), ngbr.; ngampret, 
«patten op; ook: dat wat ergens op gespat 
«; ampret-ampretan, her- en derwaarts 

SOÏNDAKEESOH-HOLL. WOORDEKB. 



spatten of gespat (van iets dat uitgestort 
is), overal op zitten of aan kleven. 

AMPROET AMPROETAN, van het een op 
het ander springen; ook = aproek-aproekan, 
zie aproek. 

AMPROK, = 't meer gebr. aprok. 

AMPROT, ngbr.; ngamprot, nazetten, 
najagen, wegjagen, aanzetten (b.v. een. 
paard met de zweep) ; diamprot; amprotan, 
barsen, ruw, wreed. 

AMRIH, = 't meer gebr. ambrih. 

ANA, I. = ari II. en HL, wanneer, zoo 
wanneer, als, toen; - voor een werkw. 
staande, vormt het daarmede vaak een 
tegenwoordig deelwoord, b. v. ana 
nendjo, opziende; ana ngadjawab, ant- 
woordende. 

II. Bezitt. achterv. van den 8den pers.; 
vgl. na. (Zie Spraakk. § 169-161.) 

ANAJ (Kad.), een klein soort rinjoeh, 
zelden uit den grond komend, maar meest 
verblyfhoudend in het dakwerk en daarom 
te meer gevreesd. 

ANAK, van een dier: jong (zelfst. nw.); 
garoeda anak, adelaarsjong ; - van een 
plant: loot; ook: rente (vgl. echter boengah); 
- van een mensch k., seuweu s., poetra 1., 
kind, nl. kind van iemand (vgl. boedak), 
zoon, dochter; anak-anakan of ad nakan k., 
poepoetrian 1., pop, poppetje (inz. voor 
meisjes); anaking, samentr. van anak 
aing, bfl toespraak: mjjn kind (b. n.); 
boedjang anak, een aangenomen kind van 
geringe afkomst, dat voor z\Jn pleegouders 
moet werken; nganak, = njeuweu, 't uit- 
schieten of uitstoelen der rtfsthalmen en 
derg.; dianak, plat voor: bezwangerd 
worden; anakan, jongen werpen of hebben, 
jonden (ook wel van insecten); van men- 
schen grof: een kind of kinderen krjjgen 
of hebben; ook = ngadjoeroe, baren; keur 
anakan, jongen werpen, enz.; geus anakan, 
reeds gejongd hebben, reeds een jong 
(jongen) of kind (kinderen) hebben; nganak- 
keun, = ngaboengahkeun, geld op interest 
zetten, voll. nganakkeun oewang; dianak- 
keun; pianakan, baarmoeder. 

ANAKINQ, zie anak. 

ANASIR (Ar.), de vier elementen [nl. 
seuneu, angin, tjai en boemi). 

ANAWADAK, =s poedot, naam van zekeren 
vogel, iets kleiner dan de koentoel (houdt 
zich op btf moera <sen en voedt zich evenals 
de bango met kikkers en derg.); in Soem, 
= hahajaman, waterhoen; volgens som- 
migen echter pelikaan. 

ANBIJA (Ar M meerv. van nabi, profeet, 
en doorgaaas amb&a uitgesproken), pro- 
feten; para anbya, de profeten tjarita 

2 



18 



ANDAM— ANDIKA. 



anbija of tjarita para anbija, verhaal of 
geschiedenis van de profeten. 

ANDAM, voll. pakoe andam, naam van 
de slingorvaren. 

ANDANQ (Z.-B.), een bamboestok, links 
en rechts van een klein vaartuig aange- 
bracht, om het omslaan te voorkomen. 
ANDAR, I. ngbr.; ngandar, medesiepen, 
medesleuren, na zich slepen; ngandar 
hoetang, schuld medesiepen ; diandar ; ka&n- 
dar, medegesleept; ngangandar, aanh. 
medesiepen of na zich slepen. 

II. Z. v. a. ieu moepakat en ieu aaroewa 
djeung batoer, vreemd, zonderling; aja 
andar, iets vreemds, iets ongehoords, iets 
onbehoorlijks; aja andar, boedak sagëde 
kitoe geus oedoedl 't is iets ongehoords, 
dat zoon kleine jongen reeds rookt! 

ANDE, I. ngbr.; sobat ande, een vertrouwd-, 
oud vriend, iemands bijzondere vriend. 

II. Gelijk, als; ande-ande, in schijn iets 
doen of dragen, b. v. een bandje om den 
hals dragen, om den schtyn aan te nemen 
alsof men een horloge op zak had ; ngande* 
ngandean, iemand iets voor- of uitteekenen 
(schilderen), nauwkeurig beschreven ; 
diande-andean; ngande-ngandekeun, iets in 
bijzonderheden voor iemand verklaren of 
beschrfl ven, iets voor iemand uitteekenen 
(uitschilderen) om er hem een duidelijk 
begrip van te geven, aanduiden, uitduiden; 
diande-andekeun f het genoemde ergens 
van doen. 

ANDËQ (vgl.) adëg), g. w.: houd (hem, 
haar) staande! ngandëg, stilhouden, blijven 
staan; verder: iemand staande houden, 
ophouden, bjj zich houden, niet laten 
gaan, terughouden; ook 1. van njiram, 
bevrucht; in Z.-B. daarenboven = ngadég, 
een ambt aanvaarden of bekleeden; diandèg, 
by zich gehouden worden, enz.; kandëg f 
L van kagok, niet voortkunnen, door eenig 
beletsel zjjn weg niet kunnen vervolgen, 
verhinderd worden zijn voornemen te 
volvoeren, opgehouden, blijven staan, stok- 
ken, belet, stilstand, rust; hanteungandëg, 
zich niet ophouden, steeds doorgaan, door- 
reizen, zonder ophouden of rusten; hanteu 
toandèg beurangpeuting, dag en nacht reisde 
hfl door; ngandëgan, staande houden, 
iemand ophouden; ook: 't ophouden van 
den stonden vloed; diandëgan; kandègan 
(Cher.), = djënëngan, naam; pangandëg, 
het ophouden. (Vgl. randèg.) 

ANDËKAK, = ngadjemprak, ««a-zitten 
op de gewone manier. 

ANDËL, ngbr.; ngandèï, vertrouwen in 
of op, betrouwen op, vertrouwen stellen 
in, gelooven; diandël; andëleun, iemand 



om op te vertrouwen, vertrouwbaar per- 
soon; piandël, lichtgeloovig; ngandëlkeun f 
op iemand of iets vertrouwen of betrou- 
wen; ngandëikeun diri, op zichzelven be- 
trouwen, van zichzelven vertrouwen (dat 
men is enz.); diandëlkeun; andèlkeuneun f 
iets of iemand waarop men vertrouwen 
kan; pangandél, vertrouwen; andélan, 

I. licht vertrouwen, te goed van vertrou- 
wen, lichtgeloovig; 2. persoon op wien 
men vertrouwt (b. v. een krijger), ver- 
trouwde, = tanggèlan; Oemar Maja andëlan 
bagenda Amir, O. M. is de vertrouwde van 
bagenda A. ; - kandël, dik, stevig, dik (veel) 
haar of veeren hebben \djanggotnoe handel, 
zware baard (onder de kin); ook: degelijk, 
b. v. kandêl ibadahna, zijn godsvrucht is 
degelijk (hecht); kandêlan, iets dikker; 
koemandêl, vertrouwen; ngandëlan, iets 
dikker of steviger maken, verdikken (b v. 
de muren van een stad); dikandëlant 
mikandëlan, zich voordoen alsof men ver- 
trouwbaar is, zich rijk enz. voordoen om 
by iemand vertrouwen te krijgen. 

ANDËLA8 (Ar.), Andaluzie, d. i. Spanje ; 
voll. nagara Andèlas. 

ANDËMAN, de borst van een paard (zel- 
den van andere dieren). 

ANDENG-ANDENGAN ((6. p.), = pareren- 
deng; zie renden g. P. 

ANDEPROK, nederhurken, neergehurkt 
zitten. 

ANDËRËWËNQ, verkl. met andërwël en 
keukeuh-peuteukeuh, koppig, vasthoudend, 
doordrijvend. 

ANDËRWËL, doordrijvend, met haast 
doorzetten, haastig vertrekken; diandërwëL 
(Vgl. andèrëwëng) 
ANDEU "(6. jp.), = ambo; zie ald. 
ANDEUAR, onophoudelijk heen en weer 
loopen, ong. = angkrag-ingkrig. P. 
ANDEWI, het Holl. andijvie; idem. 
ANDIH, ngbr.; ngandih, iemand verdrin- 
gen of van zijn plaats verdiijven (b. v. 
een vorst uit zijn gebied), iemands plaats 
innemen of bezetten, zich in iemands 
plaats zetten, bemachtigen; ngandih ënggon f 
iemand uit zijn plaats verdringen en die 
zelf innemen; diandih; kadndih, verdron- 
gen, verdreven. (Vgl. Undih.) 

ANDIHI, forsch van lichaamsbouw, gezet, 
corpulent (sterker dan montok). 

ANDIKA, I. pers.enbezittel.voornaamw. 
2de persoon: gij, uw [vrij wel gelijkstaande 
met manéh, maar uitsluitend tegen vreem- 
den gebruikt en wel tegen minderen, die 
men met een zeker respect toespreekt]. 
Zie Spraakk. % 152, 6. 

II. Ngandika 1. p., =z nimbalan, spreken ; , 



ANDIR— ANDONGk 



19 



ngandikadn, tot iemand spreken; diandi- 
kadn; ngandikakeun, spreken over, be- 
spreken ; diandikakeun ; pangandika, woord. 

ANDIR, I. de spoel die gebruikt wordt 
by mihane. 

II. Lieden, voorheen belast met het op- 
zicht over een weg of gedeelte daarvan; 
oendar-andir, op de wegen toezicht houden. 

ANDJANQ, ngbr.; ngandjang k. t tjalik en 
linggih 1., een bezoek afleggen, bezoeken, 
te gast zyn; ngandjangan, iemand bezoeken; 
diandjangan; ngandjangkeun, iemand ergens 
een bezoek doen brengen (hetzy men hem 
geleidt of alleen laat gaan); diandjangkeun; 
andjangan, veel op bezoek gaan, uitloope- 
rig; andjang-andjangan, elkander bezoe- 
ken; kadndjangan, iemand op bezoek 
kragen of hebben, visite hebben; pangan- 
djangan, plaats des {bezoeks (waar men 
gewoon is elkander te bezoeken), rendez- 
vous. (Vgl. ngendjeng en ngoendjoeng.) 

ANDJASMARA, naam van een patroon 
(b. v. in een tyk). P. 

ANDJENQ, ngbr.; ngandjeng, te verg. met 
ngoegët (zie oegët), wrikken, loswrikken, 
uitwrikken; ngandjeng-ngandjeng, idem, 
met verst. ; diandjeng, diandjeng-andjeng, P. 

ANDJEUN, 1. het beleefdste pers. en 
bezitt. voornaamw. 2de pers.: gy, uw; 
2. reflexief voornw. (en zóó 1. van maneh 
en diri), zich; 3. voorafgegaan door koe, 
dus: koe andjeun (1. van koe maneh), zelf, 
in eigen persoon, vanzelf; ook wel eens: 
salira koe andjeun; - andjeunna en andjeu- 
nanana, het beleefdste pers. en bezitt. 
voornw. 8de pers.: hy, zij, hem, haar, zyn, 
hun (vgl. adjëngan). Zie Spraakk. § 152, 9, 
§ 154 en § 168-170. 

ANDJI, ngbr.; ngandji, = ngewe, (van 
dieren, zie ewe) bespringen, dekken; 
diandji; ngandjian, bespringen; diandjian. 

ANDJINQ, hond; koetoe andjing, vloo; 
ngandjingan, een hond op iemand of iets 
afjagen, met een hond of honden jagen; 
diandjingan, gezegd van 't voorwerp of den 
persoon waarop men een hond afzendt; 
didjogo-andjingkeun, gemaakt of geplaatst 
worden in den stand van een zittenden 
hond (sterk hellend). 

ANDJOEK, I. g. w.; ngandjoek, op krediet 
nemen of koopen, borgen ; mere (k., maparin 
1.) ngandjoek f op krediet geven; oendjak- 
nndjoek, al maar of by dezen en genen op 
krediet nemen of borgen; andjoek*anajoe- 
kan, van vele personen (van hier en van 
daar) op krediet nemen; ngandjoekkeun, 
iets aan iemand op krediet geven; ngan- 
tfoekkeun hade, aan iemand weldaden be- 
lzen (om die in tyd van nood vergolden 



te krjjgen); diandjoekkeun; andjoekan, dat 
wat men op krediet genomen heeft;. 
pangandjoekan, persoon by wien men op 
krediet koopt. 

II. (Z.-B.), = indjoek; zie ald. 

ANDJOEN, voll. toekang andjoen (Cher.) r 
pottenbakker; pandjoenan, (Soem. enz.), 
idem; 't gewone Soend. woord is echter 
toekang parpoek. 

ANDJOG k., aankomen, komen aan; ook: 
stilhouden, blyven staan (b. v. een kar); 
ngandjogkeun, doen aankomen, doen stil- 
houden; diandjogkeun; kandjog, komen 
(gekomen, beland) waar men eerst niet 
komen noch wezen wilde; ook = kagok, 
door tusschenbeiden komende omstandig- 
heden zyn plan niet kunnen volvoeren. 

ANDJRAH, algemeen verbreid of uitge- 
strekt. B. 

ANDJRÉK, ngbr.; ngandjrëk, vertoeven, 
thuisliggeü, herbergen, logeeren; ngan- 
djrëkan, by iemand logeeren; diandjrëkan, 
gezegd van den gene by wien iemand logeert ; 
kadndjrêkan, iemand te logeeren hebben; 
ngandjrëkkeun, iemand by zich of een 
ander herberg geven; diandjrëkkeun;silih- 
andjrêkkeun, elkander herbergen ; pangan- 
djrëkan, plaats waar men logeert, logies. 

ANDJROQ, ngbr.; ngandjrogkeun, = nga- 
gëntakkeun, aanzetten, aandryven (vgl. 
gëntak); diandjrogkeun. 

ANDOEK, het Holl. handdoek; idem; = 
topo. 

ANDOEK-ANDOEK, verkl. met tarima 
salah, schuld bekennen, vergiffenis vragen, 
zich excuseeren voor het heengaan, d. i. 
groeten; ook : iemand neerzetten, tot zacht- 
heid trachten te stemmen. (Zie sandoèk- 
sandoek.) 

ANDOEM (Jav.), = doeoem, deelen, toe- 
deelen (zie ook salamët); diandoem, toege- 
deeld worden; andoemeun, degene die een 
deel moet of zal ontvangen. 

ANDOENQ (Z.-B.), = indoeng; zie ald. 

ANDOET, ngbr.; Ijjang andoet, h van 
lyang tai, aarsgat, anus. (Vgl. dadoet.) 

ANDON, uit eigen of vrye beweging 
ergens heengaan, zyn of dienen; asal 
andon soeka, uit vrye beweging (komen 
of doen). Vgl. ngadon. 

ANDONO, I. een lederen zak of tasch ; 
akeup-andong, = koeioe-koeja, naam van 
een insect dat zyn eitjes In den nek 
draagt. (Vgl. kandoeng.) 

II. Het zilveren beslag aan een borst- 
tuig en hoofdstel van een paard; andong 
dada, borsttuig of borstriem met zoodanig 
beslag. 

III. (Buit.), voll. awi andong, naam Tan 



20 



ANEGENG— ANGGER. 



een dikke bamboe-soort, = awi soerat 
(Soem.) en awi gombong (Tjiandj.). 

ANÉQENG, een woord om zyn afkeuring 
te kennen te geven aan iemand (b. v. 
omdat hy zit waar hy niet behoort). 

ANEH, = loetjoe, aardig (b. v. om te zien), 
lief; ook: bijzonder, zeldzaam, curieus; 
barang noe aneh-aneh, dingen die aardig, 
vreemd, bijzonder, zeldzaam zyn. 

ANG, tusschenw., alleen in de spreek- 
taal, z. v. a. ëmboeng, ik wil niet! ik zou 
je danken! 

ANGAH, ngbr.; ngangah k., èngah 1., = 
tjalangap, den mond openen, of ópen- 
hebben; ngangahkeun, den mond (eigen 
mond) opendoen; aing sapoë yeuteuhajang 
ngangahkeun soengoet, ik wil vandaag 
geen mond opendoen; ngangangahkeun, 
een ander den mond opendoen, een dier 
den bek openen; voor beide is de ïyd. 
vorm ^ingangahkeun. 

ANQAR, schraal, droog, dor (van den 
grond (vgl. sangar en keèng); sawahangar, 
een droge-, schrale sawah. 

ANGEL, lang van duur, lang onderhanden 
zijn. 

ANGËN, = pikir en hate k., manah 1., hart, . 
gemoed; ook: maag; verder: wenschen, 
begeeren, verlangen ; voorts : het begeerver- 
mogen; angën hanteu datang ka tjoekoep, 
de begeerte wordt niet voldaan; njëri angën, 
= prihatin, harteleed, hartzeer, leed; 
ook: kniezen; hoeloe angën, de maagstreek, 
maag; ngandoeng angën, wrok koesteren; 
koeris angën, waterpokken; - kangën, 
ong. = bogoh, naar iets of iemand begeerig 
zyn of verlangen; ook: smachten; masih 
kangën, nog iemands bflztfn begeeren 
(zoodat men hem nog niet wil verlaten) ; 
kangën taja toengtoengna, verlangen zonder 
einde; mangën, zyn hart gesteld hebben 
op, wenschen te bezitten ; ngangën, week, 
niet gaar van binnen (van gebak); diangën- 
angën, bedacht worden, behartigd worden; 
mikangën, naar iemand sterk verlangen, 
iemand zeer genegen zyn; dipikangën, ge- 
zegd van iemand naar wien men wenscht, 
verlangt of smacht. (Vgl. angin.) 

ANGÉT, z. t. a. katjida, zeer, hevig, erg, 
sterk, groot, van hevigen-, ernstigen aard, 
bovenmate; rada angët, een weinig meer, 
een weinig sterker; leuwih angët, zeer erg, 
zeer Bterk of hevig; angët pisan, zeer 
sterk, zeer ernstig; angët katjida, boven- 
mate, uitermate. (Vgl. angot, bangët en 
sangët.) 

ANOEUN, soepachtig of papachtig kook- 
sel of stoofsel, gekookte groente, stukjes 
Vleesch of vlsch met water gekookt tot 



soep; ngangeun, groente stoven, soep 
koken; verder: gesneden vleesch, vischof 
groente tot pap of soep koken of stoven; 
diangeun. (Vgl. pëijok.) 

ANGGAH-OENGGOEH (vgl. oenggah),z.v. 
a. oendak basa, beleefde woorden of han- 
delingen jegens zyn meerderen, etiquette. 
ANGGAHOTA, lid, leden, ledematen van 
het lichaam; akal anggahota, het Moham- 
med, voorschrift ten aanzien der zeven 
lichaamsdeelen (mata, tjeuli, Utah, beuteung, 
pardji, leungeun en soekoe); panggahota* 
de ledematen. 

ANGGAJ-ANGGAJ, 1. jonge paling; 2. kik- 
kerlarve. p. 

ANGGAL, = heubeul en djaoeh, lang ge- 
leden; ook: ver van vol; anggal-anggal, 
allengs, langzamerhand; ti anggalna, uit 
de verte, vooruit, van te voren, lang te 
voren. 

ANGGALEWOH (b. p.), = alewoh. P. 

ANGGANG, = bënggang (dat ook wel 
eens als 1. van anggang wordt gebruikt), 
verwyderd, afgescheiden, op eenigen af- 
stand; nganggangan, zich van iets of 
iemand verwyderen of verwyderd houden; 
dianggangan; anggang-anggangan, beide 
retireeren (b. v. bokken die op elkander 
willen aanvallen), zich van elkander ver- 
wyderen; nganggangkeun, iets van iemand 
of ergens van verwyderen ; dianggangkeun; 
kadnggangan, = kadjaoehan, afstand, verte; 
ti kadnggangan, van op een afstand, uit 
de verte. (Vgl. djaoeh.) 

ANGGAP, ngbr.; dianggap, verkl. met 
diwaro, aangehoord worden, gelet worden 
op, aangemerkt worden als ; saeutik koedoe 
dianggap, ook op kleinigheden dient gelet 
te worden; teu dianggap, = teu diwaro, 
geen acht worden geslagen op. (Zie ook 
sisiwo.) 

ANGGAR, gemonteerde bandelier of 
koppel. 

ANQGARA, voll. poë Anggara, de oude 
benaming voor Salasa, Dinsdag. [Skr. 
naam van de planeet Mars.] Zie ook kasih 
bjj asih, 

ANGGARE80L (vgl. garesol), ongeiyk 
(b. v. van hoogte), niet geiyk. 

ANGGEKLENG, zich op een hooge plaats 
zetten. P. 

ANGGËL k., bantal of kadjmg mastaka 
1., hoofdpeluw, hoofdkussen; aaroeng ang- 
gël, kussensloop; dianggël koe batoe, een 
steen tot hoofdkussen nemen of hebben. 

ANQQÉM (Z.-B.), = agëm II.; nganggèm, 
grepen, vasthouden, hanteeien; dianggëm. 

ANGGËR (vgl. majëng en dëngdëng), op 
dezelfde hoogte biyven, biyven wat men 



ANGGEREMAN— ANGIN . 



21 



of wat het is, dezelfde of hetzelfde bhj ven, 
bestendig, stabiel, vast, z. v. a. tëtëp satadi; 
kamt teh anggër keneh bae, ik ben nog 
steeds dezelfde; in Kad. ook g. w., z. v. a. 
vast! STOpI (b. v. b\j 't ophyschen niet aan 
het touw rukken, maar hotstrakhouden; 
een boom die op 't vallen staat met 
touwen nog staande houden); nganggëran, 
iets doen bleven in den toestand waarin 
het zich bevindt; dianggëran; anggëran, 
1. grens, uiteinde, bepaling, maatstaf, 
wet; anggëran sirah, de grensscheiding 
van het hoofdhaar. 

ANQQEREMAN (samengest. uit angger, 
Jav., = tole of 't Soedan, oedjang, en heman, 
liefde, genegenheid), z. v. a. lieve [het woord 
wordt alleen door ronggeng's gebruikt, die 
er hare sindir's mee aanvangen]. 

ANQGEUH, alleen in hanteu kapütnggeu- 
han, men kan er niet op aan, men kan 
zich daarop niet verlaten. 

ANGGEUS (vgl. geus en ënggeus) k., 
parantos 1., ten einde z\jn, afgedaan, vol- 
tooid, afgeloopen, gereed, uit, uit zyn, enz.; 
anggeusna, ten. slotte; nganggeuskeun, de 
laatste hand aan eenig werk leggen, ten 
einde brengen (nl. iets dat reeds voor een 
deel gedaan is), voltooien; dianggeuskeun; 
panganggeusan, de (het) laatste; poë 
panganggeusan, = poë ahir (ook wei eens 
poë wëkasan), de jongste dag ; njijeun poë 
panganggeusan, overdr. voor: een eindeer 
aan maken. 

ANGGiT, ngbr.; nganggit, z. v. a. ngagoerit, 
schreven (inz. in versmaat, van een 
tëmbang); nganggit hikajat, een verhaal 
schryven; verder: dichten, inkleeden, ver- 
dichten, verzinnen, met woorden een wel 
fraaie maar niet ware voorstelling van een 
zaak geven; ook: verfraaien, verfijnen, 
pohjsten; omongan beunang nganggit, op- 
gesierde (gemaakte) woorden; dianggit; 
anggitan, wat op genoemde wflze is ge- 
schreven, beschreven of in woorden voor- 
gesteld; ook: verdichtsel; verder : vry spel 
uit het hart, fantasiespel ; dongeng anggitan 
aheng, kunstig ingekleede (verdichte) 
fabelen ; toelisdn anggitan k., sëratan anggitan 
1 , schoonschrift. 

ANQGO, 1. van pake, dat wat men ge- 
bruikt, waarmede men zich kleedt, wat 
men aan heeft (b. v. een ring), kleeding; 
ook g. w.; nganggo, gebruiken, bezigen, 
aanhebben; verder: zich kleeden, aandoen; 
bepaaldelijk ook : zy n ambts- of feestgewaad 
aandoen of aanhebben, zich (daarmee) 
kleeden of gekleed zjjn; dianggo; anggoëun, 
om te bezigen, om aan te trekken, ten 
gebruike voor; anggoan of anggon ('t tegen- 



overg. van kokoden), goed van kwaliteit, 
best; kadnggo, gebezigd, gebruikt, bruik- 
baar, op prys gesteld door een meerdere; 
nganggoan, iemand iets aantresken,iemand 
bekleeden; dianggoan; nganggokeun, iets 
(b. v. een kleedingstuk) iemand aantrekken 
of aandoen; dianggokeun; anggoan, kleed, 
kleeding, kleederen ; panggango, 1. 1. van 
papakean, gewaad, kleeding; 2. 1. van 
pamake, wjjze van doen, handeling, ge- 
drag; ngadeuleu panganggo ratoe, ziende 
het gedrag van den vorst 

ANGGOEKLOENG, hoog en groot (b. v. 
een huis), te hoog naar evenredigheid, 
zich voor z\Jn stand te hoog of te groot 
voordoen. 

ANGGOER, 1. liever, eerder, veeleer, 
beter, beter is of zou zjjn; anggoer nëda 
hoekoem adil, vraag liever een rechtvaardig 
vonnis; anggoer madjoe batan kaboer, 't is 
beter voorwaarts te gaan dan te vluchten; 
anggoer-anggoer, veeleer (zieookben.);awgf- 
goeran, beter dan, eerder dan, beter dan dat 
is of zou z\jn ; anggoer anan, veeleer; - ngang- 
goer, ledig zfln, werkeloos, z^Jn tjjd verkwis- 
ten; anggoer-anggoer, uit verveling (om toch 
iets te doen); nganggoerkeun, iemand wer- 
keloos laten ; ook : ongebruikt laten; diang- 
goerkeun; panganggoeran, iets dat men 
doot voor tydverdrjjf (verkl. met tamba 
tjitjing); ook: voor de aardigheid doen, 
tijdkorting, knutselwerk, scherts, jok- 
kernjj. 

II. (Perz., angoer), voll. tji-anggoer, drui- 
vensap, wrjn ; boewah anggoer, druif, druiven. 

ANGGOERSI (samengest. uit anggoer en 
het bestraffende si), beter zou z\jn dat, 
liever moest ge, of derg. 

ANGGOET, ngbr.; nganggoet, zich nu 
voorover dan achterover buigen; anggoet' 
anggoetan, aanh. die beweging maken 
(b. v. gedurig ja-knikken). Vgl. oenggoet. P. 

II. nganggoetan, iemand uitstellen, al 
maar z}jn afspraak jegens iemand ver- 
schuiven ; dianggoetan. 

ANGGON (samentr. van anggoan), zie 
anggo. 

ANGGRIT, voll. ki anggrit, naam van een 
woudboom welke goed timmerhout op- 
levert. (Zie ook majang VI.) 

ANGIN, wind, tocht, de wind; verder: 
waaien; ook vaak gebezigd waar wjj „lucht" 
zeggen ; bedja angin, los gerucht (ook alléén 
angin) ; katëbak angin, aangewaaid worden ; 
van een schip: voor den wind hebben; 
poetjoek angin, windhoos; andjing angin, 
hazewindhond; roda angin, of kareta angin, 
rijwiel; njatoerkeun angin, wind praten 
(onbeduidende dingen zeggen); tjalik angin, 



22 



ANGING— ANGKEUT. 



zekere boomachtige heester in Z.-B.; 
tangtangangin, rjjst, gekookt in een 
driehoekig gevouwen bamboeblad; nang- 
tang angin (iett.: den wind uitdagen), den 
wind roepen (b. v. door middel van fluiten) ; 
nganginan, aanwaaien; dianginan; ka- 
anginan, aangewaaid, op den wind of den 
tocht zitten, tocht vatten; nganginkèun, 
in den wind zetten of hangen, verluchten; 
dianginkeun; kadnginkeun, door den wind 
medegevoerd, uiteengedreven (b. v. wolken, 
zemelen, enz.); ook = kabedjakeun, bericht 
zjjn; angin-anginan, nü sterker dan zwak- 
ker (van geur of van een geluid); hoedjan- 
angin,een hevige stortbui, storm met regen; 
ngaïioedjananginkeun, iemand er geweldig 
van langs geven ; dihoedjan-anginkeun. 

ANGING, = nanging,i. van ngan, slechts, 
dan alleen, maar, eenigiyk; tapi aja oge 
anging, doch er is ook een „maai" bjj (er 
is ook een bedenking). 

ANGIR k., koeramas 1., g. w. ; diangir, zich 
het hoofdhaar wasschen (b.v. met zeep- 
water); diangir sareupna, zich zoo 't haar 
wasschen om den avondtyd noemt men 
pamali (matak poeh geus boeril); ngangiran, 
een ander het hoofdhaar wasschen; 
diangiran. 

ANGKA, I. (Skr.), getalmerk, cflfer, 
nommer. 

IL Duchten, vermoeden (vgl. sangka en 
angkanan); diangka bingoeng t bang zijn 
voor, zich bezorgd of beangst maken over 
(verkl. met risi memeh pek). 

ANGKAG INQKIG, zie ingkig. 

ANGKAG OENGKOEG, onvast te paard 
zitten, heen en weer schudden (z. a. een 
slecht ruiter). 

ANGKANAN, voornemen, een voornemen 
hebben, van plan ztyn; djalma oelah sok 
angkanan, koedoe djeung prakna, men moet 
niet (slechts) een voornemen hebben, maar 
het ook volbrengen. 

ANGKANG-INGKING, zie ingking. 

ANGKARIBOENQ, van onderen tot boven 
beladen zjjn, z. v. a. ngelek ngegel. 

ANQKAT, 1. g. w.: licht op 12.1. van indtt 
en van leumpang, vertrekken, op reis gaan, 
heengaan, trekken, gaan, reizen; mangkat 
k., en somtijds 8., vertrekken, gaan, reizen; 
ngangkat, (van een feest of derg., z. v. a. 
barang rek), zullen aanvangen, openen; 
verder: oplichten, opheffen, verheffen, be- 
noemen, aanstellen; ngangkat katiga, de 
opening of aanvang van den drogen ttyd ; 
diangkat; pangangkat, inleiding, het begin 
(inz. van een feest) ;kadngkat, op te lichten, 
kunnen oplichten; ook aandurven; teu 
kadngkat, niet op zich durven nemen, niet 



aandurven (z. v. a. teu sanggoep); angkat- 
angkatan, 1. van leuleumpangan, loopen, wan- 
delen; ngangkatan, het bty herh. doen van 
ngangkat; diangkatan; ngangkatkeun, iets 
oplichten, opheffen; diangkatkeun; - sérat 
angkatan, benoemingsbrief, schriftelijke 
aanstelling; -pangkat,ra.ng, graad, waardig- 
heid, ambt; ook: ambtenaar, overheid; 
pangkat-pangkat, ambtenaren, overheden; 
para pangkat, de ambtenaren, de over- 
heden; mangkatkeun, iemand tot een ambt 
of waardigheid verheffen, iemand aan- 
stellen tot een ambt; dipangkatkeun', 
kapangkatan, waardigheid, gezag. (Vgl. 
djoeng, djoengdjoeng en djënëng.) 

ANGKED-ANQKÈDAN, beurtelings voor- 
over en achterover wippen. 

ANGKA-ONGKO, zich aanh. of herh. buk- 
ken. (Vgl. dongko.) 

ANGKÈN, i. van akoe, g. w.; ngangkên, 
erkennen, erkennen als of voor, beschou- 
wen als, beujdeu; verder: ontvangen, ter 
harte nemen ; ngangkên doeloer y iemand voor 
broeder erkennen; ajeuna wasyat iboe 
koedoe diangkën pisan, de laatste ver- 
maningen van moeder moet ge ter harte 
nemen; silih-angkën, elkander erkennen, 
enz.; pangangkèn, erkenning, beschouwing, 
opvatting van iets, belijdenis; ook: mede- 
deeling. 

ANGKENG, 1. van tjangkeng i de len- 
denen. 

ANGKÉR, vurig, vif, levendig, vlug (van 
geest), opgewekt; verder: snel, gezwind 
(b. v. loopen), haastig, met haast (b. v. geroe- 
pen worden), voortvarend, overhaast, drin- 
gend; ngangkëran, iemand aanzetten, zich 
doen voortspoeden; diangkëran; ngangkër- 
keun, tot spoed aanzetten; diangkërkeun. 

ANGKEUB, bewolkt, donker, triestig (het- 
zjj buiten of in huis). Zie ook mëdëd. 

ANGKEUH, dunken, de meening hebben, 
zich (vast) voornemen, achten, houden 
voor, beschouwen als, een meening of 
gevoelen koesteren, bet hart ergens op 
stellen of gesteld hebben, willen doen; 
ook: zich inbeelden; diangkeuh, beschouwd 
worden als; ngadjëgoerna koletjer diang- 
keuh sora goöng, het gonzen van het 
molentje beschouwde h|j als het geluid 
der gamelan; ngangkeuhkeun, iets of iemand 
houden voor, beschouwen als, ten aanzien 
van iemand of iets denken dat, zich ten 
aanzien van iemand of iets verzekerd 
houden dat; ngangkeuhkeun din, van zich- 
zei ven denken; diangkeuhkeun boeroeng, 
beschouwd worden als dwaas. (Vgl. angkoh 
en angkoeh) 

ANGKEUT, 1. van gado, de kin. 



ANÖKIK— ANGSEL. 



28 



ANGKIK, naam van een edelgesteente, 
Voll. batoe of intén angkik, de sardonix. 

ANQKIR, ngbr.; ngangkir s. van ngala, 
njandak 1., medenemen, iemand afhalen 
naar, brengen naar; diangkir. 

ANGKLEUNG-ANGKLEUNGAN, met de 
golven mededry ven, door den stroom mee* 
gevoerd (zóó dat het voorwerp even boven 
water zichtbaar is en op en neer dobbert. 

ANGKLOEK, of ook ngangkloek, — oengkëd, 
trippelen (van een paard); angkloek-ang- 
kloekan, idem, aanhoudend. 

ANGKLOENG, naam van een muziek- 
instrument (en wel een schudinstrument), 
vervaardigd van bamboepypen; ngadoe 
angkioeng, om het luidst de angkioeng 
bespelen; overdr. van tegen elkander in 
of om 't hardst schreeuwende stemmen; 
toékang angkioeng of pangangkloeng, ang> 
kloeng-bespeier (als beroep); diangkloengan, 
voor iemand of iets de angkioeng bespelen, 
d. i. toejuichen, aanzetten, aanhitsen. 

ANQKOEH, verkl. met hajang loehoer, 
tiotsch, verwaand, hooggevoelend, hoog- 
moedig, in hoogmoed wanen (vgl. angkoh 
en angkeuh); in Z.-B. ook = angkeuh, va.ii 
plan zyn, voornemen; ngangkoeh (Z.-B.), 
zich voornemen, van plan zyn. 

ANGKOEL, de ringen van het tuig, waar 
men de leidsels doorheen doet. 

ANGKOH, meenen, zich inbeelden, het 
er voor houden dat, wanen dat; ook: inbeel- 
ding, verwaandheid; boga angkoh, in de 
meening of in den waan verkeeren, pre- 
tendeeren; angkoh geus sampoerna, zich 
inbeelden volmaakt te zyn. (Vgl. angkeuh 
en angkoeK) 

ANGKONG (Tjiandj.), = wangkong (Band.), 
de versiersels op een vlieger. 

ANGKRAG-INGKRIG, zie ingkrig. 

ANGKREK, in 't algem. orchidee, standel- 
kruid; in 't byz. vanielje. 

ANGKROEK, ngbr.; ngangkroek, niet te 
eten hebben, niet te eten krtygen, honger 
moeten ïyden (ook b. v. omdat men niets 
thuis brengt); ngangkroekkeun, een gast 
niet te eten geven, honger laten ïyden; 
diangkroekkeun. (Vgl. ngongkrong.) 

ANGLENG, een zekere lekkernij van këtan. 

ANGLER, afgedaan, gereed ; ook : afmaken 
(nl. het werk aan een veld); ngangler, 
afmaken, ten einde brengen. 

ANGLE8, ngbr.; nganglës, iets loochenen, 
ontkennen; dianglës. 

ANGLINGDARMA, naam van een vorst 
van het rtyk Malawar [verder niet be- 
kend]. 

ANQLO (Chin.), komfoor van klei; ook 
wel: petroleum-toeatel. 



ANGLOEH, of ook nganglosh 1. p., teu 
damang L, gering k., onwel, ongesteld, 
ziek. 

ANQOB, 1. van heuaj, geeuwen. 

ANGON, g. w.; boedak angon, een kind 
dat op vee passen moet; ngangon, hoeden, 
weiden; ngangon pikir, = ngantèpan pikir, 
aan zyn gedachten den vrijen loop laten; 
diangon; toékang ngangon, herder over eens 
anders vee; pangangon, herder over eigen 
vee; ngangonan, weiden, hoeden, ver- 
zorgen, iemand van 't noodige voorzien; 
ook: (een kind) zyn gang laten gaan, toe- 
geven, laten begaan, vertroetelen; nga- 
ngonan amarah, zyn lust weiden (laten 
gaan, botvieren); diangonan; angonan, 
kudde (die men weidt); pangangonan, 
weide. 

ANGOT, in sterke of hooge mate, 
in sterken of hoogen graad, sterk, 
krachtig; leuwih angot, zeer sterk, zeer 
krachtig; mingkin angot, te meer, te krach- 
tiger; mingkin angot nja boengah, te meer 
biyde zyn. (Vgl. angët.) 

ANGREM, ngbr.; ngangrëm (Jav.) = 
njileungleum (zie sileungleum), broeden, 
zitten te broeden. 

ANG8ANA, voll. ki angsana, naam van 
een gomhoudenden boom [de geutah of 
gom is sterk samentrekkend]; pare angsana, 
naam van een witte rystsoort, kort be- 
haard. 

ANG8AR, ngbr.; ngangsar, tot den grond 
afhangen, schier langs den grond slepen 
(b. v. een kleed, of de buik van een zwyn); 
ook: tegen den grond liggen (van planten); 
ngangsarkeun, iets tot den grond toe doen 
reiken; diangsarkeun. 

ANQ8ËG, g. w.: zet in 't nauw I man^s^, 
naderen, nader komen, op (iets) aandrin- 
gen, aanhouden (b. v. by een vrouw om 
haar ja-woord); ook: hygen, snikken; 
ngangsig, aandringen op, aanhouden op, 
op indringen, in het nauw brengen, be- 
nauwen (hetzy van een persoon ten op- 
zichte van een ander, van één ten op- 
zichte van velen of omgekeerd, van 
een leger op een stad, enz.); verder: het 
benauwd hebben, moeiiyk kunnen ademen; 
in Kad. ook: iets met een ruk ergens op- 
of overheenwippen (b. v. een kar over een 
steen in den weg);diang8ig;ngang8ègkeun, 
aanzetten, aandrijven (b. v. een leger)» 
dicht op iemand laten aanhouden (b. v. 
wapenen); diangsëgkeun. 

ANQ8ËL (vgl. asèT), ngbr.; ngangsèï, op- 
vullen, een stuk ergens invoegen tot 
bevestiging, vastmaken, vastzetten door 
opvulling; diangaël; ngangsêlan, in iets 



24 



ANGSEU— ANTANAN. 



een stuk voegen tot vulling, iets opvullen; 
didngsëlan; pangangsêl, opvulsel. 

ANQ8EU, 1. van ambeu, g. w.; ngangseu, 
ruiken, aan iets ruiken ; diangseu; kadngseu, 
geroken; ngangseuan, iets bebruiken, den 
reuk opsnuiven; diangseuan; pangangseu, 
de reuk. 

ANQ8IT, z. v. a. gantjang en tereh, spoedig, 
snel; diangsit, met spoed gedaan-, tot 
spoed aangespoord worden; diangsil-angsit, 
voortgedreven worden. P. 

ANG80D, == 't meer gebr. asod. 

ANG80ER (Ygl. asoer), ngbr.; ngangsoer- 
kèun, iets schuiven naar de plaats waar het 
behoort, opschuiven (nl. van wat afge- 
gleden is, b. v. een kussen of een stuk 
hout in 't vuur); diangsoerkeun. 

ANQ80N, ngbr.; ngangsonan, ophitsen, 
opstoken, aanhitsen, tot twist aanstoken; 
êiangsonan; kadngsonan, opgehitst, opge- 
stookt. 

ANQ8RET (vgl. angsrot), een bamboezen 
spuit (om b.v. de wegen te bevochtigen); 
ngangsrei, met een angsret spuiten; diangsret. 

ANGSROT (vgl. angsret), spuit, klisteer- 
Spuit; ngangsrot, met een angsrot spui- 
ten, een lavement zetten; ngangsrotan, 
bespuiten, inspuiten; diangsrotan. 

ANIJAJA (Skr. any&ya), ngbr.; kan&aja, 
het onderdrukken, onderdrukking; ook: 
verdrukker; verder: hard (van een be- 
handeling); kanijaja teuing! welk een 
harde behandeling! saksi kantfaja, een 
boos getuige (die iemand negeren wil); 
nganyaja, hard behandelen, geweld aan- 
doen, onderdrukken, verdrukken; dikani- 
jaja; panganijaja, harde behandeling, ver- 
drukking, onderdrukking. 

ANIL (Bant.), = simpeureum; zie ald. 

ANING (6. p.), = nanging; zie ald. 

ANJAM, g. w.; nganjam, vlechten (inz. 
rotan of bamboe); nganjam samak, een 
mat vlechten ; nganjam makoeta tjoetjoek, 
een kroon van doornen vlechten ;dianjam; 
anjaman, in 't alg.: vlechtwerk; in 't brjz.: 
de inslag bfl vlechtwerk (vgl. langan). 

ANJANG-ENJENG, zie enjeng. 

ANJAR, nieuw, versch; ook = kakara, 
pas; verder: eindig (als eigenschap van 
al* het geschapene, in tegenstelling met 
den oneindigen Schepper), wat in dentvjd 
ontstaan is; raheut anjar, een versche 
Wond; anjar keneh, nog nieuw, nog versch; 
panganten anjar, jonggetrouwd, jongge- 
trouwde^)/ anjar datang, pas aangekomen ; 
noe anjar, het eindige, de eindige mensen; 
anjar anjar, maar meestal anjaran, nog 
niet lang, pas, nog nieuw ztfn, nog in 
den aanvang zrjn; anjaran kawin, nog 



niet lang geleden of pas onlangs gehuwd 
zjjn; - ook comperatief, soms door rada 
voorafgegaan (rada anjaran), iets nieuwer 
dan zeker iets; ng anjaran, proeven, pro- 
beeren (b. v. een nieuw gewas); sidëkah 
anjaran, een maaltijd aanrichten van de 
eerste rtyst, welke men van een veld 
tehuis brengt of wel by een aanvang van 
den veldbouw, enz.; nganjarkeun, vernieu- 
wen, in goeden staat herstellen; di anjar- 
keun. 

ANJING (Bant.), = geuning, kijk! zoo 
waar! P. 

ANJOEL (In dr.), = hejot, fluiten (met 
den mond). 

ANJOR (6. p.), z. v. a. ambaj. P. 

ANOE, of de korte vorm noe, betr. 
voornaamw.: die, dat, dewelke, hetwelk, 
hetgeen, degene (hem, haar, hjj, zty) die, 
hetgeen dat; ook = boga, bezitting; soms 
als bep. lidw. dienst doende, b. v. anoe 
mimitina, de eerste, de beginner, het 
eerste; noe hidji, de een e, noe hidji deui, 
de andere; noe sedjen, de andere, het 
andere, de anderen (zie ook bjj mana en 
matak); anoena, het z\jne, het hare, 
het hunne; - ook gebruikt in den zin van 
ons „die en die", of „N. N.", soms met 
si, nji of ki vóór zich. (Zie verder Spraakk. 
§ 187-192.) 

ANOET, 1. van noeroet, volgen, gehoor- 
zamen; nganoetkeun, doen gehoorzamen 
aan, iemand brengen tot gehoorzaamheid 
aan; kadnoetan, gevolgd-, gehoorzaamd 
worden, het gehoorzaamd worden; panoe- 
tan, voorganger, leidsman, gids; lalctki 
panoetan istri, de man is de leidsman der 
vrouw. 

ANOM, 1. van ngora, jong, jeugdig ; radja 
(of paraboe) anom, onderkoning, troonop- 
volger; ti adnom, 1. van ti ngongora, van 
jongs aan. (Vgl. nonoman.) 

AN8AR (Ar., antsar), de eerste hulp- 
bende, die Moehammad van uit Medina 
ondersteunde; in 't alg.: helper of helpers 
(van Moehammad). 

AN8LAH, het Holl. aanslag (in de be- 
lasting), kohier; nganslah, aanslaan (in de 
belasting). 

ANTAJ, ngbr.; ngantaj, (van eenige 
menschen die op een rrj achter elkander 
staan) elkander iets aangeven; padntaj- 
antaj, achter elkander staande elkaar 
vasthouden. 

ANTAL, ngbr.; pa&ntal-antal, verkl.met 
kabawa koe angin, door den wind overal 
heen meegevoerd. B. 

ANTANAN, naam van zekere kruipplant, 
welke men tot lalab gebruikt. 



ANÏAPARAH— ANTEUR. 



25 



ANTAPARAH, verkl. met taia-pasini; 
hanteu antaparah, geen verlof vragen, 
geen praatjes maken, zoo gezegd zoo 
gedaan. 
ANTAP-ENTEP, zie entep. 
ANTAR, = rata, vlak, met den grond 
gelijk. P. 

ANTARA (Skr.) k., antawis 1., tusschen- 
ruimte, tusschentyd, tusschenin, omtrent, 
naar gissing, ongeveer; ook = tempo, 
uitstel; kana antara langu, naar wat 
tusschen aarde en lucht in is \lawaspisan 
antarana, een lange tusschentjjd ; antara 
tiloe boelan, ongeveer na drie maanden; 
hanteu antara deui, zonder verwijl, oogen- 
blikke'.yk; diantaradn (eig. een tusschen- 
tijd geven), uitstellen. 
ANTAWIS, zie antara. 
ANTÉB, = beurat, zwaar, wichtig, ge- 
wichtig, zwaarwichtig; müih anoe antëb, 
een zwaar (pakje suiker b. v.) uitkiezen; 
ook: diep (b. v. in iets zitten of steken), 
innig, grondig; koerang antëb, niet grondig; 
antëb-lëlëb, diep-, innig-, erg bezwaard; verder 
(nl. antëb) z. v. a. tëlëg, vast, standvastig; 
pangantèb, versterking. 

ANTÉQ, g. w.; ngantëg, zonder ophouden 
of tusschenpoozen losbranden (van ge- 
schut of geweren); diantèg; eta mar\jëm 
oelah diantëg teuing, laat het kanon niet 
zoo aanhoudend afvuren. 

ANTEH (Bant.) = kanteh elders, d.i. 
katoenen garen; ook: spinnen; NïniAnteh 
„de Spinster in de maan," te verg. met 
ons: „het Mannetje in de maan". P. 

ANTËK (Buit), stekende pijn (inz. van 
een zweer); antèfaantëkan, idem, aanh.; 
tingarantëk, stekende pijn z. a. v. vele 
zweren of van meerdere plekken in een 
verzwering. 

ANTEK, z. v. a. noengtoeng, tot den graad 
van volmaaktheid toe, zoo volkomen 
moge'ijk, in volkomen mate, volkomen 
doen, doen met volkomen toewijding 
{soehoed), vervuld-, volleerd-, volkomen 
zijn; moerid noe geus antek, 'een discipel 
die volleerd is; manték, volhouden, met 
volharding voortgaan; ngantekkeun, of 
ook wel mantekkeun, = noengtoengkeun, 
(wat reeds ten deele gedaan is) tot het 
uiterste brengen (b. v. bij het denken), 
goed doordenken, alles wel overwegen, 
iets in volkomene mate doen, iemand 
tot de volkomenheid brengen. (Vgl. 
antoek.) 

ANTÉL (vgl. tël). in aanraking komen 
met, raken aan, tegen aan komen; ngantël- 
beun, iets ergens tegen aan doen komen, 
doen raken aan ; diantëlkeun;padntël, tegen 



elkander komen, aar. elkander raken, tegen 
elkander sluiten. 
ANTÉL AS, = atëlas; zie ald. 
ANTEN, I. inwilligen, opvolgen (b. v. de 
lusten). 

II. (Buit., Bad.), 1. van aja, zijn; hanteu 
anten, niet zijn. 
ANTEN AR, het Holl. ambtenaar; idem. 
ANTÉNG, rustig, vreedzaam, stil, zoet 
(inz. van een kind of van een vrouwj; 
boedi antëng, rustig, kalm, stil in 't gemoed, 
een stil gemoed; ati antëng sabar-darana, 
een stil en lijdzaam hart hebben 

ANTÉP, I. 1. van ingkeun, g. w.: laat 
het (hem, haar)! laat maar begaan! laat 
maar blijven 1 arantëpan, = karadjeunan, 
onverschillig; ngantëp, aan zichzelven 
overlaten; ngantëp bitoir, zijn lippen vrij- 
laten, d. i. er maar lustig op los praten; 
ngantëp amarah, aan zijn toorn toegeven ; 
diantëp; ngantëpan, iemand of iets aan 
zichzelven overlaten, zijn gang laten gaan, 
laten varen, blijven laten; nganUpan dtri, 
zich niet inhouden, zich niet matigen; 
diantëpan. 

II. Volharden, standvastig, met getrouw- 
heid doen, vasthouden aan; mantëp, = 
soehoed, getrouw, standvastig, volhardend; 
8ing mantëp nëda ka Allah, ztyt stand- 
vastig in 't bidden tot God; mantëp ka 
padjënëngan Allah, vasthouden aan God ; 
ngantëp, =■ antek en katjida, zeer, buiten- 
gemeen, ten volle; diantëpan, vertrouwd 
worden; antëpkeun, g. w., = sing antëp, 
doe 't met ijver, met trouw of met vol- 
harding; antëpan, standvastig, getrouw; 
antêp-antëpan, buitengemeen, in de hoogste 
mate, uiterst, heftig, strak, hevig ;përang 
antëp-anlëpan, heftig streden; seuri antëp* 
antëpan, hevig lachen; mëlongna antëp- 
antëpan, hij staarde er strak naar \kaman- 
tëpan, standvastigheid, volharding. 

ANTER, vertoeven, treuzelen; ook: niet 
licht boos worden. 

ANTERO (Port., enteiro), geheel, het 
geheel, het geheele getal, de geheele om- 
vang, de geheele boel ; ook = sakabeh, alle, 
alles. 

ANTEUR k., djadjap 1., g. w.; nganteur- 
begeleiden, medegaan, achter een lijk gaan, 
een doode grafwaarts geleiden; verder: 
toegeven, botvieren,vryiaten;nya?i/cttr^ate, 
eigen zin volgen; nganteur kasoekadn, zijn 
vreugde botvieren; nganteur soekoe, zijn 
voeten te vrtf laten (te veel eigen weg laten 
gaan); dianteur; dianteuranteur, steeds be- 
geleid worden,steed8 gevolgd worden; ngan- 
teuran k., moepoendoetan 1 M aan iemand iets 
brengen, b. v. sptjs of een geschenk; dian- 



26 



ANTI— ANTOL. 



teuran; nganteurkeun k., ngadjadjapkeun 1., 
geleiden, uitgeleide doen, vergezellen, heen- 
leiden, wegbrengen; dianteurkeunipangan- 
teuran, dat wat aan iemand gebracht 
wordt (b. v. sptfs). 

ANTI, ngbr.; nganti k., ngantos 1., wachten 
(nl. van een meerdere op een mindere); 
nganti-nganti, lang (of verlangend) wach- 
ten; dianti-anti; ngantian, op iemand (een 
mindere) wachten; diantian. 

ANTING, I. oorsieraad (ring of bel); 
ook wel: neusring; anting-anting, oor- 
sieraden; adnlingan, naam van een slinger- 
plant met bloemen die op anting geleken. 

II. Oentang -anting, heen en weer gaan, 
aanh. heen en terug loopen \poelang-anting, 
idem, vice versa; dioentang-antingkeun, 
doen heen en weor gaan. 

ANTJA, langzaam (loopen, lezen, schre- 
ven, enz.). 

ANTJAK, een plat voorwerp van gevloch- 
ten bamboe (om op te dragen, b. v. een 
8idèkah). 

ANTJAL (Z.-B.), voll. hama antjal, een 
ziekte in het padigewas, veroorzaakt door 
•en worm. 

ANTJAL-ANTJALAN, ongeregeld-, ongeltfk 
werken (b. v. op vele plaatsen te gelyk), 
ongeregeld opkomen van zaad (hier wel, 
daar niet). 

ANTJAM, ngbr.; antjam-antjam, g. w., 
z. v. a. asa&n, beproef het! ngantjam, 
proeven, beproeven; diantjam. 

ANTJËLOEB (vgl. tjëloeb), te water gaan, 
zich in het water storten; als g. w.: spring 
in 't water I spring erinl koeja antjëloebka 
tjai, de schildpad springt in 't water, 
sprkw. voor: naar zfln verbluf, oorsprong 
of voormalig bedrflf terugkeeren; ngan- 
Ijëloeban, in water zich storten; dian- 
tjëloeban; ngantjëloebkeun, iets of iemand 
in 't water storten, zóó dat men het voor- 
werp onderdompelt; diantjëloebkeun. 

ANTJÉLOK, = atjëlok; zie ald. 

ANTJËLOM, in water of vocht vallen 
en zoodoende nat worden; ngantjëlomkeun, 
iets in water of vocht doen, in 't water 
werpen (b. v. een oeseup of hengel), uit- 
werpen (vau ankers), indoopen, indom- 
pelen; diantjëlomkeun. 

ANTJENQ, ngbr.; diantjeng-antjeng of 
dioentjang-antjeng, (van een sirih-pruim 
in den mond) heen en weer geduwd of 
geworpen worden. 

ANTJËAOEB, = 't meer gebr. antjëloeb. 

ANTJIJA8, = 't meer gebr. antjis. 

ANTJIK k., zich ergens ophouden, ver- 
toeven, ztfn, wonen; ngantjik, staan of 
treden op, betreden, zfln op of in (b. v. in 



een land), „uithangen", wonen op, be- 
wonen; diantjikan, gezegd van iemand bjj 
wien (wie) een ander op bezoek komt, 
zich vestigt, enz.; antjik-antjikan, woon- 
plaats. 

ANTJIN, ong. = tjëmi, b}j beetjes eten, 
drinken, enz. 

ANTJIS, het Holl. sjees; idem. 

ANTJLANG, ngbr.; ngantjlang, rondslen- 
teren, vagebondeeren. 

ANTJLËNG, ngbr.; antjlèngantjlëngan, 
huppelen, springen, rondspringen. 

ANTJLONQ, ngbr.; ngantjlong (Mal. 
melantjong), = njaba, er op uit gaan, 
rondloopen; antjlongan, verkl. met teu 
doek matoeh, teu daek tjitjing, gezegd van 
iemand die nooit thuis, maar altijd afwezig 
is, uithuizig; oentjlang-antjlong, zonder doel 
rondloopen, rondkuieren; antjlong-antjlo» 
ngan, rondloopen. 

ANTJO, ngbr.; ngantjokeun, z. v. a. nja- 
wiskeun, gereedmaken, bereiden; antjoan, 
= tjawisan, bereid, toebereid, bestemd 
voor. 

ANTJOE (Z.-B.), = intjoe; zie ald. 

ANTJOEL, springen, huppelen (z. a. een 
hert), dartelen; ook gezegd vaneen manke, 
die hard loopt; oentjal-antjoel, al heen en 
weer loopen te huppelen (van een dier, 
of ook van een jong mensen, uit vreugde); 
antjoél-antjoelan, aanh. springen of dartelen, 
rondhuppelen; patingarantjoel, van vele 
dieren: huppelen, springen, dartelen, hup- 
pelende voortgaan, galoppeeren. 

AHTJOEN, een woord dat men zegt tegen 
iemand (inz. tegen een kind) om hem te 
beschamen (b. v. wanneer htf beweerd heeft 
iets te kunnen en het kwam anders uit; 
ngantjoenan, iemand voor antjoen uitmaken, 
uitsliepen; diantjoenan. 

ANTJOER, = adjoer; zie ald. 

ANTJROED-ANTJROEDAN, verkl. met 
njaba teu poegoeh, ëmboeng balik ka imah, 
buiten (of ver van) eigen huis omzwerven, 
zonder plan daarheen terug te keeren. 

ANTOEK, op-zyn, niet meer kunnen, uit- 
geput zjj n, het niet verder kunnen brengen ; 
ook: in de hoogste mate of volkomenheid 
(vgl. antek); antoek kamoeljadning Pangeran, 
de hoogste heerlijkheid des Heeren; ngran- 
toek (Jav. mantoek), = noendoetan, slaperig, 
geeuwen van den vaak. 

ANTOK (Soem.), = bidal, vingerhoed. 

ANTOL, I. stut waarop men een uitge- 
spannen kar met het vooreind van den 
tjatfadan of boom doet rusten; ook : stut 
onder een overhellende pisangstruik, enz» 

II. (Z.-B.), de sasak om van den wal op 
een prauw te stappen en omgekeerd. 



ANTOS— APING. 



27 



ANTOS, g. w.; ngantos, 1. van nganti, 
ngadago en noenggoe, wachten, wachten op, 
verwachten; ngantoskcun, doen of laten 
wachten op, met iets ergens op wachten; 
diantoskeun, laten wachten. 

AOEB, 1. van yoeh, beschutting, schaduw, 
lommer; ook: bescherming; sadoebpajoeng, 
satjadng damar, verkl. met hanteu lëga, 
hanteu gëde, niet ruim, niet wyd ; ngaoeb, eig. 
I. van, maar ook wel = njalindoeng, zich 
begeven onder de schaduw van, zich onder 
iemands hoede stellen; ngaoeban, 1. van 
ngjjoehan, iets of iemand beschaduwen, 
overschaduwen, onder de vleugels nomen, 
dekken, beschermen; diaoeban',ngaoebkeun, 
L van ngyoehkeun, iets in de schaduw ergens 
van brengen (b. v. vee, tegen 't heetst 
van den dag); dmoebkeun\ pangaoeban, 
plaats of voorwerp waaronder men scha- 
duw of bescherming zoekt of geniet, 
schuilplaats; ook: beschutting, bescherm- 
heer, opperste ot overste. 

AOEDOE BILLAHI MINHA (Ar.), God be- 
ware ons daarvan I aoedoe bitiahi minasseta- 
nirradjim (Ar.), ik neem mjjn toevlucht 
tot God tegen den gesteenigden satan. 

AOEL, zeker fabelachtig dier. [Men zegt 
ervan, dat het zich in de bosschen op- 
houdt en geiykt op den mensch, maar de 
beenen omhoog heeft getrokken; dat het 
loopt op handen en voeten, steeds om 
zich heen spuwende, terwjjl het gedurig 
een schellen kreet: oei! oei! laat hooren; 
misschien de orang oetan.] 

AOENG, tygerwelp; aoeng-aoengan, brul- 
len, inz. van een tjjger. P. (Vgl. haoeng.) 

AOM, titel van de echte zonen van een 
vorst of van een regent. (Vgl. agan.) 

AOR, (van een kat) miauwen, krollen; 
(van een mensch) een schreeuw geven; 
aor-aoran, al maar miauwen, aanh. krol- 
len; (van een kind) schreien, jengelen. (Vgl. 
goor.) 

AOS, I. 1. van adji I.envariwa<ja;g.w.; 
ngaos, lezen ; maos, idem ; diaos\ aoseun, iets 
ter lezing, lectuur; mamaos, 1. van nëmbang, 
een tëmbang zingen. 

II. Pangaos, 1. v&npangadji, waarde, prtfs. 
(Zie adji II.) 

APAL I. (Ar., hafathl), in 't geheugen 
bewaren, van buiten of uit 't hoofd kennen, 
weten; teu apal, niet weten, niet kennen, 
zich niet herinneren; ngapalkeun, iets van 
buiten leeren, instudeoien; diapalkeun. 

II. (Ar., afal), daad, werk, bezigheid. 

APAN, immers; apan tadi geus djangdji, 
gfl hebt mfl immers onlangs beloofd ; kapan 
en mapan, idem. 

APASI (Indr., samenst. van api en si), 



= dek naon en aja naon, wat is er? wat 
wil je? 

APEL I. het Holl. appèl ; in hooger be- 
roep komen, hooger beroep. 

II. (Z.B.), een soort gebak, gemaakt van 
rjjst, zout en gestampte geroosterde pisang 
radja. 

III. Sawo apël, naam van een satco- 
soort, die ronde vrachten geeft. P. 

APËM, naam van een soort gebak van 
gerezen (verzuurd) meel. 

APËNG-APËNGAN, I. drukking in het 
achterlijf bjj aandrang tot ontlasting of 
baring (P.). Zie përëngpëng. 

II. L. van apoeng-apoengan ; zie apoeng. P. 

APËR-APËRAN (Z.-B.), te verg. met nga- 
lêpër (zie këpër), in trillende beweging z^n 
(z. a. b. v. een vliegend miertje). P. 

APËS, van kracht beroofd, machteloos, 
onmachtig; hanteu apës, zonder ophouden; 
apës-apësna, op zjjn zwakst, op zjjn minst; 
ngapës-ngapës, zwak maken, krachteloos 
maken; ngapëskeun, van kracht berooven, 
verzwakken, machteloos maken; nga- 
pëskeun kana sara', de wet Gods van kracht 
berooven; diapëskeun. 

APET, veel van iemand houden, iemand 
overal naloopen of vergezellen (uit genegen- 
heid), iemand aanhangen, innig aan iemand 
verbonden z\)n (een kind aan zjjn moeder, 
een knecht aan zyn meester, enz.), aan- 
hankelijk. 

API, I. zie by apyora en apilain; api-api 
(Mal.), = poera-poera, veinzen. 

II. (Mal.), vuur (zie seuneu);taliapi, vuur- 
touw, lont; kémbang api, vuurwerk ; kareta 
api, vuurwagen, spoorwagen, spoortrein; 
kakaretaapian, spoortreintje (kinderspeel- 
goed). 

APIJOEN (Ar., afijoen), amfloen, opium; 
tangkal apijoen, maankop, slaapbol, pa- 
paver. 

APIJORA (uit api en ora, Bat.-Mal.), = 
apilain; ngapijorakeun, = ngapilainkeun, 
zie apilain. 

APIK, nauwkeurig, nauwlettend, zorg- 
vuldig, accuraat, net, ordeiyk; ook:. zinde- 
lijk (b. v. op 't klaarmaken van spjjs); 
ngapikan, zorgvuldig voor iets z^n, iets 
zorgvuldig doen; diapikan. 

APILAIN (uit api, Mal., en torn), zich 
onkundig van iets houden, ignoreeren, niet 
aanmerken, niet behartigen, onverschillig; 
diapüain, als niet bestaande aanmerken, 
genegeerd worden; ngapilainkeun, zich om 
iemand op iets niet bekommeren, iemand 
of iets negeer en; diapilainkeun, 

APILËNGGAH, zie lënggah. 

APING, g. w.; ngaping, = ngobeng, ter 



28 



APIS— ARAK. 



wederzijde van iemand gaan (om hem te 
beschutten, zijn paard te geleiden, enz.), 
om iemand heen zijn, in z\jn nabijheid 
zijn (b. v. om op hem te letten), een 
gevangene geleiden, een geleide 01 bedek- 
king vormen ter wederzijde van iemand, 
beschermend over iemand waken; diaping. 

APIS, snoer, singel. (Zie ook boentoet.) 

APLAJ, naam van een liaansoort. P. 

APLAL (Ar., afdlal), uitmuntend, het 
beste is; leuwih aplal, beter, uitnemender; 
pangaplalna, het (de) uitmuntendste. 

APOE, toebereide kalk, wandkalk, wit- 
kalk, airih-kalk (vgl. kapoer en gamping) ; 
baioe apoe, een witte harde steen; sendok 
apoe, troffel; meuleum apoe, kalk branden; 
pameukuman apoe, kalkoven; piapoeèun, 
voll. batoe piapoeèun, kalksteen; dibeuleum- 
apoekeun, op elkander gebakken worden 
(b. v. visch). 

APOEJ (O.-S.), = seuneu, vuur; ctffer- 
waarde: drie. P. 

APOEL, == 't meer gebr. ampoel. 

APOEN, een woord om meisjes aan te 
spreken, wier stand is sahandapeun enden, 
d. i. beneden den hoogen adel (het vrou- 
welijk voor asep en mos). 

APOENG ( vgl.poöng), ngbr.; roanoefc opoeng, 
leeuwrik; ngapoeng % in de hoogte gaan 
(z. a. iets dat in de hoogte geworpen wordt, 
of van een pyl), de hoogte-, de lucht 
ingaan, omhoog stijgen (een vogel, een 
vlieger, een ballon, enz.); ook: opspringen 
(b. v. een strik); diapoeng koe damar, met 
een licht (men houdt 't gewoonhjk in de 
hoogte) ergens langs gaan (b. v. zoekende); 
diapoeng-apoeng, (van een kind) 't met 
beide handen omhoog houden en zoo 
laten dansen; topina diapoengapoeng, htf 
zwaaide met z\jn hoed; oepang-apoeng, 
dansen (z. a. een vuurvlieg); apoeng- 
apoengan of poeng-apoengan k., apëng- 
apëngan 1., al op en neer gaan, rijzen en 
dalen, dansen of dobberen (z a. op de 
golven); ngapoengkeun, omhoog laten gaan, 
de lucht laten ingaan, oplaten (inz. een 
vlieger); diapoengkeun. 

APOES, I. voll. awi apoes, naam van 
zekere bamboesoort, = awi têmën. (Vgl. 
singkara.) 

II. = apis, snoer, singel. (Zie ook boentoet.) 

III. = pëlëpës. 

IV. (Z.-B.), een stuk van een pisangtros 
(toeroej), bestaande uit drie hoja. 

APOK, korte schort of rok tot dekking 
der schaamdeelen (nog wel gedragen, 
b. v. door ronggeng'8). Vgl. ampok en 
popok. 

APRAK, voll. hajam aprak, naam van 



een haan met een zeer grooten kam. (Zie 
ook soehoen.) 

APRAK-APRAKAN, zwerven, dolen, zónder 
bepaald doel al maar voortloopen (= teu 
poegoeh noe disëdja), omzwtrven, ronddolen, 
ronddwalen, nomadiseeren. 

APRËL (Z.-B.), naam van een vliegend 
miertje. P. 

APROEK, ngbr.; ngaproek, = njasab,zoo 
maar in 't wilde (spreken), in de war of 
in dwaling zijn, nl. in 't spreken ; lainsësëboe- 
tan ngaproek, er zoo maar niet op los 
praten; oeprah-aproek, ronddolen, rond- 
zwerven (b. v. een misdadiger of banneling) ; 
ook gezegd van een schip op zee, dat zijn 
stuur kwijt is); aproek-aproekan, aanh. 
omzwerven, ronddolen. 

APROK, ofwel amprok (vg\.prok)\.,tëpang 
1., samentreffen, ontmoeten: padprok, met 
elkander samentreffen; ngaprokan, iemand 
gaan ontmoeten, gaan opzoeken; dia- 
prokan. 

ARA (Z.-B.), ooit; teu ara, meest samen- 
getr. tot tara, nooit. (Vgl. ilok.) 

ARAB (Ar.), Arabië; ianah Arob, idem; 
oerang Arab, Arabier. 

AR AD, = eredy een lang sleepnet; ngarad, 
met een arad visschen; diarad. 

ARAQ, ngbr.; ngarag t den grond door» 
eenwerken om de aarde mul te maken 
[men bezigt er een soort eg van bamboe 
toe]; diarag. 

ARAH, ngbr.; ngarah, bedoelen, op 't oog 
hebben, doen om, trachten naar, pogen, 
zoeken te doen (soms met een goede, maar 
veelal met een slechte bedoeling), het 
op iemands verderf toeleggen; ngarah 
kasënangan di aherat, zoeken naar vrede 
in de eeuwigheid; ngarah maehan, zoeken 
(iemand) te dooden; diarah; araheun, te 
of om te wenschen, te begeeren, iets 
waarom men iemand zou begeeren, be- 
geerlijke; arahan, voorwerp op welks 
verderf men het toolegt; pangarah, 
bedoeling, oogmerk, begeerte, wat iemands 
zoeken is, aanslag (op iemands leven); 
pangarahan, voll. djalma pangarahan, 
iemand die slechts eigen voordeel beoogt. 
(Vgl. alap I.) 

AR AH- AR AH, zie maksar. 

ARAJ, rijst die voorloopig I03 gebonden 
is {tatjan dibeungkeut ënja); ngarajkeun, 
pare uitspreiden om te doen drogen. (Vgl. 
daraj.) 

ARAJAO-OEROEJOED, zie oeroejoed. 

ARAK, ngbr.; I. ngarak, = iring-iringan 
k., hëlaran 1., feestelijk rondleiden (inz. 
een bruidspaar of een te besneden kind), 
een optocht houden; ook: optocht, stoet; 



ARAL— AREUJ. 



29 



diarak; koedjang pangarak, een wonder- 
doende koedjang (P.) ; pangarakan , wagen of 
draagstoel om iemand in rond te leiden. 
n. Een bekend geestrijk vocht; arak' 
arakan, een drinkparty houden, vrooiyk 
samen drinken of zuipen, te zamen iemands 
of elkanders gezondheid drinken (onver- 
schillig welk geestrijk vocht men daarby 
gebruikt); pangarakan, arakstokery, 
brandery. 

ARAL (Ar., aradl), 1. toeval, accident, 
toevallige eigenschap; inz. menscheiyko 
zwakte of gebrek; 2. zich opponeeren 
tegen, ontevreden, onvergenoegd, wreve- 
lig, misnoegd; aral koe daradjat batoer, 
misnoegd over den voorspoed van den 
naaste; aral ka papasten sorangan, onte- 
vreden over zyn Jot; ook wel z. v. a. 
handjakal, zie ald.; kadralan, misnoegd- 
heid, murmureering. (Vgl. basaryah.) 

ARAM, rys, gras of derg., gebruikt tot 
stopping van een waterleiding, een flesch, 
enz.; ook: stop; ngaram, iets met gras of 
derg. stoppen; diaram. 

ARAN, I. z. v. a. ngan en tapi, alleenlyk, 
evenwel, echter, slechts. 
II. (Doch zelden) naam; zie ngaran. 
ARANG k., awis 1., zelden, zeldzaam; 
arang-arang, hoogst zelden. (Vgl.tjarang.) 
ARAP'AP-EUREUP'EUP, nabootsing van 
stotteren (vgl. eureup-eureup), bedremmeld 
spreken. 

ARAPAT (Ar.), Arafat, naam van een 
berg naby Mekka. Zie 't meer gebr. Arpah. 
ARA8 (Ar., arasj), troon; inz. Gods troon. 
ARBA (Ar.), meestal uitgesproken rëbo. 
Woensdag. 
ARBEN, het Holl. aardbeien; idem. 
ARDJOENA (Skr., Arjuna), naam van een 
Indische godheid; ngadagoan Ardjoena,o$ 
A. wachten, d. i. wachten in het on- 
eindige. 

ARE, ong. = taneuh angar, slechte, 
schrale grond (geheel of den deele be- 
staande uit taneuh por ang); - by de Bad.: 
alles wat buiten hun gebied gelegen is; 
oerang are heet by hen ieder die niet tot 
hun gemeenschap behoort. 

AREH, ngbr.; ngareh, regeeren, besturen ; 
noe ngareh, die regeert; diareh; kadreh, 
onder 't bestuur zyn. 

ARÉJ, I. = 8ëbël, mi8seiyk, koren; 
ftgarëj, idem. 

II. Ngarëj, = njeksrek en ngaleugeudeut, 
op- of voorttrekken (van een zwerm of 
troep; vgl. aroej); arëj-arëjan, in zwermen 
of troepen op- of voorttrekken. 
AREK, zie rek. 
ARÈNAJ, zie ënaj. 



ARËNQ, houtskool; batoe arêng, steen- 
kool; ki arëng, ebbenhout, ebbeboom; 
arëngan, of wel arëng-arëng, naam van 
een zoetwatervisch; pangarëngan, plaats 
waar men kolen brandt, kolenbrandery. 

ARÉP (vgl. harëp); ngarëp k., ngadjëng 
1., verlangen, hopen, verwachten; diarëp; 
ngarêp-ngarëp, sterk hopen of verlangen 
naar; ngarëp-ngarëp tereh boerit, sterk ver- 
langen naar den avond; diarëp-arëp; arëp- 
arëpeun, te hopen, b. v. modi o ja arëp- 
arëpeunana dina sanggeusna paeh, die 
heeft niets te hopen na den dood; piarëp- 
arëpeun, om op te hopen; lain piarëp arë- 
peun, niet om op te hopen (iets dat men 
niet op goeden grond kan verwachten); 
pangarëp-ngarëp, hoop, verlangen, verwach- 
ting ; - karëp k., kërsa 1., voornemen, begeerte, 
verlangen; ook: zin, beteekenis; karëp 
sorangan, eigen zin, willekeur, eigendun- 
keiyk; bejak karëp, ten einde raad; dikarëp, 
begeerd worden, bedoeld worden; pikarëp, 
ngbr.; mikarëp, iets begeeren, bedoelen, ver- 
langen hebben naar, zyn zinnen zotten op 
(b. v. op een meisje), zeer begeeren, streven 
naar; mikarëp ka aing, ge begeert my tot 
vrouw; mikarëp asoep, begeeren in te gaan; 
mikarëp kana beunghar, begeeren ryk te 
worden; dipikarèp; sakarëp-karëp, al wat 
men verlangt: ook: willekeurig handelen; 
pikarëpeun, verlangen ten aanzien van 
iets toekomstigs; ook: meening, voor" 
nemen, plan; verder: wat de beteekenis of 
zin van iets zal zyn; pakarëpan, begeerte, 
wensch, verlangen, voornemen (veelal in 
een slechten zin), toeleg; ngarëpkeun, iets 
bepaalds begeeren of bedoelon, zich iets 
bepaalds voornemen, streven naar, zich 
geheel toeleggen op; ngarëpkeun ngadji, 
zich er op toeleggen om te leeren lezen; 
ngarëpkeun maripat ka Allah, zich er op 
toeleggen G-od recht te kennen -,dikarëpkeun. 

ARES, het Holl. arrest; idem. 

AREUH, = aroeh en adoeh % ach! areuh- 
areuh, ach! ach! 

AREUJ, slingerplant, kruipplant, klim- 
plant, liane; ook: rank van lianen [niet 
langs den grond loopende ranken heeten 
dahan]; taroem areuj, een klim-taro*m 
[welks bladeren tegen het uitvallen van 
het haar gebezigd worden]; hampëlasanuj, 
een slingerplant niet bladeren als van de 
hampëlas; teur&up areuj, naam van een 
slingerplant die wel als touw gebruikt 
wordt [de bladeren geiyken op die van den 
karet]; ngareuj, zich ergens omheen slinge- 
ren (van een areuj}, kruipen, voortkruipen 
(van een plant); djangkoeng-ngarety, lang 
en mager van persoon, een lange slungel; 



30 



ARGOL— ARTOS 



dijoek miareuj-leuweung, zitten met af- 
hangende beenen (z.a. op een bank); areuj- 
areujan, ranken schieten of hebben, ook 
z.a.v. doornstruiken. 

ARQOL, het Holl. orgel; idem. 

ARI, I. k., doepi 1., aangaande, wat betreft ; 
vb.: ari noe keuna hoeloena dat wat ge- 
troffen werd was zjjn hoofd (zjjn hoofd 
werd getroffen); ook een tegenstelling 
uitdrukkende: maar; vb.: noe sawareh 
tjeurik, ari noe sawareh deux seuri, sommigen 
weenden, maar anderen lachten. (Ygl. demi.) 

IL Als, indien, = lamoen; vb.iarihanteu 
kadoegaeun mah, montong, als hfl niet 
kan, behoeft het niet 

III. Toen, als; vb.: ari beh sërat tiakang, 
toen uw brief in 't gezicht kwam. 

IV. =r 't Mal. sempet, geschikte tyd of 
gelegenheid; ari, teu ari, tjjd of geen tjjd, 
gelegenheid of geen gelegenheid; keur ari, 
den tjjd of de gelegenheid voor iets hebben; 
teu ari, geen geschikten tyd-, geen gelegen- 
heid hebben; teu ari koe milang doewit, 
geen gelegenheid hebben wegens geld- 
tellen (niets anders kunnen doen omdat 
men 't druk heeft met geld teil en); ook 
(nl. teu ari): niet opschieten, geen resul- 
taat hebben, niet tot stand brengen, niets 
van terecht komen. 

ARI-ARI, I. (Skr. hari, = poë, dag), ngbr.; 
satiri-ari (Bad.), elders sasari (zie ald.), 
eiken dag, dagelijks. 

II. Voll. tali ari-ari, navelstreng. 

ARIJA, in geschriften ook arya, titel die 
wegens verdienste geschonken wordt 
aan een papatih of dëmang, voll. arija 
patih, en z. ; djoeragan arjja, manheer de arya. 

ARIP (Ar., arif), kundig, verstandig. 

ARIPIN (Ar., arifin), verstandige. 

ARIRAHA, zie iraha. 

ARI8, — ajëtn, minzaam, vriendelijk, 
zacht; aris nja ngatoangsoel, minzaam ant- 
woorden; teu beunang dibawa aris, zich 
niet door vriendelijkheid laten winnen. 

ARIT, sikkelvormig mes, voornamelijk 
tot grassnyden gebezigd, sikkel, zeis; 
ngarit, sntyden met een sikkel, inz. gras- 
sneden, maaien; noe nagih dititah ngarit, 
sprkw., een maner gras laten snyden (om 
ztfn vordering binnen te kragen), d. w. z. 
hem niet betalen (hem met een kluitje 
in 't riet sturen); diarit; ngaritan, af- 
maaien; diaritan; pangarit of toekang 
ngarit, grassntyder; aritan, verkl. met 
toengtoeng (of toenggoel) djoekoet, wat na het 
sneden van gras op het veld staan blijft; 
verder: afgemaaid veld, en ook: nagras. 

ARO, naam van een vliegensoort die op 
krengen enz. aast, bromvlieg. (Vgl. meurit.) 



AROE-ARA, = oeroe-ara, zie ald. ; kadroe- 
ara, alom bekend geworden. 

AROEB, = aoeb (P.); diaroeb-aroeban, 
steeds beschut worden. 
AROEBIROE (Jav), stoornis. 
AROEH, = adoeh, achl aroeh-aroeh, acht 
achl 

AROEJ (vgl. arëj), ngbr.; ngaroej, veel 
water in den mond kragen of hebben, z.a. 
by 't zien van zuur, watertanden; verder: 
aanhoudend fijn motregenen; ook: een 
langen trein of sleep vormen (b. v. een 
vader of moeder met vele kinderen achter 
zich, een hen met vele kiekens, enz.; aroej- 
aroejan, idem, met versterking. 

AROELA ARILEU, krom-, met bochten 
zjjn, kronkelend z\jn, in bochten vooit- 
loopen (een mensch, een weg, enz.); ook: 
slingeren, z.a.een schip. 

AROEM, geurig, welriekend (van een 
bloem, van olie, van iemand die iets 
welriekends aan zich heeft, enz.). VgL 
roeoem. 

ARON, gekookte en daarop in de zon 
gedroogde ryst. 

AROROET, Soendan. uitspraak van 
arrowroot; het meel noemt men: sago 
aroroet. 

AR08, een soort poleng of geruit goed, 
nl. rood met wit of blauw met wit. 

AROT, 1. van inoem en = leueut, g.w.; 
piaroteun, iets om te drinken; ngarot r 
1. van nginoem, drinken; ook 1. van njaneut, 
ontbeten, en van ngopi, koffiedrinken; 
ngarotan, iemand te drinken geven; 
diarotan. 

ARPAH (Ar.), de berg Arafat, ongev. 6 
uren ten N.-O. van Mekka; ook Arapat. 

ARPOE8, het Holl. harpuis; idem; 
ook = patri. 
AR8IP, het Holl. archief; idem. 
ARTA (Skr.) k., artos 1., schat (maar 
uitsluitend van geld, goud en edelge- 
steenten), geldmiddelen (vgl.harta);ngartos r 
1. van ngadoewit, voor geld koopen ; beunang 
ngartos, voor een som geids gekocht 
hebben. 

ARTI, = 't meer gebr. harti, beteekeuis; 
ngarti k., ngartos 1., verstaan, begrepen; 
pangarti, beteekenis, zin, doorzicht, ver- 
standelijk vermogen, verstand, rede,, 
kennis; mangarti, verstaan; diléber (dibere 
of derg.) mangarti, te verstaan geven, 
doen verstaan; pangartian, verstand, be- 
grip, kennis, vernuft; loba nakër pangar- 
tianana, hty heeft veel kennis, hjj heeft 
veel verstand. 
ARTJA, afgodsbeeld. 
ARTOS, I. 1. van arta, schat (zie ald. 



ARWAH— ASIH. 



31 



ngartos, 1. -van ngadoewit, voor geld 
koop en. 

II. Ngartos, 1. van ngarti (zie arti), ver- 
staan; pangartos, be teekenis ;pangartosan, 
verstand, kennis. 

ARWAH (Ar., meerv. van roeh, geest, ziel), 
zaliger, wijlen ; sidëkah arwah, een ïykfeest 
ten behoeve der afgestorvenen. [Het woord 
wordt veelal rëtoah uitgesproken; zieald.] 

A8A (vgl. rasa) k., raos 1., gevoelen, 
voorsmaak; verder: denken, meenen, naar 
mjjn gevoelen, ik denk, ik vermeen, het 
ligt my bfl; ook: een gevoel hebben alsof, 
als het ware; men zegt ook asana; asa* 
asa, twijfelen, in onzekerheid zjjn; ngasaant 
iets proeven, smaken; diasadn. 

A8ABAH (Ar., atsabah), wat na aftrek 
van de soemoem van een nalatenschap 
overbluft. 

A8AD (Ar.) leeuw, nl. het teeken van dien 
naam in den dierenriem (zelden verstaan). 

A8AH, g. w.; ngasah, (door den smid) 
een stuk gereedschap bewerken, zoodat 
er ón smeden èn slapen by te pas komt; 
in 't alg.: slapen, scherpen; dia sa h; 
ngasahan, iets siypen; diasahan; asahan, 
voll. batoe asahan, siypsteen; ki asahan, 
naam van een boom. 

A8AK, I. rflp, gaar; verder: iets rypeiyk 
doen (b. v. denken); ook : geheel bereid, ten 
einde toe bewerkt (zoodat het nu gereed is) ; 
sing asak nja njasar kana elmoe, beproef 
de leer rypeiyk; koelit asak, gelooid leder; 
ngasak, koken (nl. gaar maken, vgl. pasak, 
hieronder); ngasakan, iets gaar maken, 
koken; ook: (leder) looien; toekang ngasa- 
kan koelit, leerlooier, lederbereidei ; diasa- 
han; ngasakkevn, gaar koken (van iets dat 
op 't vuur staat, maar nog niet goed gaar 
is), gaar stoven ; verder: r\jpen, rjjp maken, 
tot rapheid doen komen (z. a. vruchten en 
derg. door God, of z. a. het koren zyn 
vrucht) ; ook wel : het laatste werk aan iets 
doen ; diasakkeun; kaasakan, (naar 't schijnt 
wegens hoogen ouderdom) uitgebloeid, 
uitgeleefd; -pasak, g. w.;masak,l. koken, 
eten koken, stoven; 2. geld geven aan een 
ronggeng, na den dans; toekang masak, kok, 
kokin; dipasak; masakkeun, iets gaar doen 
worden, koken of stoven tot 't gaar is; 
dipasakkeun; pamasak, het geld dat men 
aan een ronggeng geeft na den dans; 
pamasakan, kookkachel, fornuis. 

II. Asakaneun (Z.B.), = lalablalab; 
zie lalab. 

A8AL (Ar., atsal, vgl. oesoet)^ oorsprong, 
afkomst; ook k., poerwa 1., oorzaak, aan- 
leiding, aanleiden de oorzaak, begin ; verder: 
als maar, mits maar, z. v.a.«topon;-asai- 



asalna, de eerste aanleiding van of tot iets ; 
njarita asal-asalna, vertellen van het begin 
,af; koemaka asalna? hoe was de eerste 
aanleiding? Una asal-asalna, van het eerste 
begin af. (Vgl. teureus.) 

A8ANQ, kieuw, de kieuwen; asangan r 
kieuwen hebben. 

A8AR (Ar., atsar, namiddag), het door 
den Islam voorgeschreven namiddaggebed 
(te half vier uren), voll. salat asar; ook: 
de trjd voor het middaggebed, voll. wak- 
toe asar. 

A8EH, het Holl. hachée; idem. 

ASËL, ngbr.; ngasëlan^ = njëla, zich in 
een engte dringen, zich tusschen iets of 
tusschen twee personen dringen, tusschen 
doen, tusschenin zetten; diaaëlan. 

A8ËM, tamarinde; tangkal asem, de 
tamarindeboom; kapiasëm (P.), witjes 
lachen (hetzy van genoegen ot uit ver- 
legenheid). 

A8EP, titel van santana's (een sport lager 
dan raden); - kasep, schoon (van een 
mannelijk persoon, vgl. geulia); koemasep, 
maar inz. kakasepanan, zich aanstellen 
alsof men een schoon man ware. 

ASEUK, pootstok; ook g. w.; ngaseuk, 
een gat of gaten in den grond maken voor 
planten, stekken en derg., poten; diaseuk 
pare djeung gandroeng, de ryst en gerst 
werden in den grond gelegd; ngaseukkeun* 
in den grond steken; diaseukkeun; aseukan, 
met den pootstok te bewerken veld ; ook 
aseukaneun. 

A8EUPAN, of ook haseupan, een trechter- 
vormig (van boven breed en naar beneden 
in een punt uitloopend) mandje van 
bamboe (om ryst enz. gaar te stoomen); 
birit-aseupan (Buit.), gezegd van een lui- 
aard, die niets liever doet dan neerliggen 
op zjjn zyde of rug [geiyk een aseupan 
meestal op zyn kant ligt]. Vgl. haseup 
en sevpan. 

A8QAR (Ar., atsgar), klein, kleinste; 
hadas asgar, een kleine (geringe) on- 
reinheid. 

A8IH (zie sih), 1. van njadh, liefhebben; 
verder: liefde, genegenheid; noe asih dipoe- 
lang tai (of sëngif), die liefde bewast wordt 
vergolden met drek (of stank), = ons: 
iemand stank geven voor dank; - piasih, 
ngbr.; miasih^ liefhebben \dip%asih;kadsih r 
geliefd, geliefde, begunetigde, gunsteling; 
mikadsih, iemand of iets liefhebben; 
dipikadsih, geliefd worden, by iemand in 
de gunst zyn; - kasih, liefde; kasiking 
Qoesti, de liefde des Heeren; pilih-kasih* 
z. v. a. njadhkasaoerang, den een liefhebben 
boven den ander; hanteu pilih-kasih, geen 



32 



ASIK— ASONG. 



onderscheid tusschen personen maken, 
den persoon niet aannemen; Anggara- 
kasth (O.-S.), een Dinsdag met volle 
maan, geluksdag (P.); kakasih, 1. ge- 
liefde, uitverkorene; kakasih Allah, Gods 
uitverkorene (een der titels vanMoeham- 
mad); dianggo kakasih, iemand tot gunste- 
ling aannemen of hebben ; 2. Lp., djënëngan 
1., ngaran k., naam ; kadsihan, welwillende 
gezindheid, liefde, gunst; ngasihkeun 
maneh, zich by iemand aangenaam of 
bemind maken ; maar ook: zich hy iemand 
indringen; mamakasih, toegeven aan alle 
wenschen van een stervendo; ook: galge- 
maal (P.); - asihan, weldadigheid, gene- 
genheid; minjak asihan, liefdeolie (om 
liefde op te wekken; djampe (of këmat) 
asihan, formulier om liefde op te wekken; 
ngasihanan, maar doorgaans ngadsihanan, 
over iets de djampe asihan uitspreken; 
kinasihan, bemind worden of zyn; taja 
banda (of doenya) kinasihan, niets te lief 
hebben, alles voor iemand over hebben; 
djampe kinasihan, = djampe asihan (zie 
boven); pangasih, = paparin, gift, ge- 
schenk; - pasih, ngbr.; pasihan, 1. van 
pamere, gave, gunstbewijs ;masihan,\. van 
mere, aan iemand iets schenken; dipasihan; 
pasihanan, g. w.: geef (een gave); masih- 
keun, iets aan iemand schenken; dipa- 
sihkeun. 

ASIK, := tjëngëng 1.; zie ald. 

ASIN, zoutachtig, ziltig, gezouten; tjai 
asin, zout water, zeewater; ëndog asin, 
gezouten ei; ngasin, aan ziltige aarde 
likken (van dieren); ngasin-ngasin, spyzen 
in 't zout leggen, inzouten. 

ASISOR, het Holl. assessor; bijzitter (in 
een rechtscollege). 

ASISTEN, voll. toewan asisten, assistent- 
resident. (Ook astisien.) 

ASIWOENG, gezuiverd katoen (kapas 
beunang mëteng), in een soort cocons ver 
deeld om te worden gesponnen ; diasiwoeng, 
de losse katoen in cocons verdeelen (dikte 
een vinger, lengte pl.m. 10 cM.). 

A8KAR, een soort soldaten in Eng.-Indiö, 
laskar. 

A8MA (Ar.), 1. p., = padjënëngan, naam. 

A8MARA, ngbr.; kasmaran (Jav.), ver- 
liefd, verzot; ook = asmarandana. 

A8MARANDANA, naam van een tëmbang- 
wfls, volgens P. samengest. uit asmara 
en dahana. [Men onderscheidt: 1. Asm. 
djëro of lëbët, by welke sommige letter- 
grepen in 't zingen verlengd worden; 2. 
Asm. katern, de gewone wflze van zingen, 
ook Asm. rantjag kaoem geheeten.j 

ASO, maar meestal ngaso 1., = eureun 



sakëdap, een oogenblik rusten, even adem- 
scheppen, uitrusten; ngasokeun palaj, 1. 
van ngeureunan tjape, uitrusten van ver- 
moeienis. 

ASOD (vgl. isëd), ngbr.; ngasod, (van 
iemand die klimt) iets hooger gaan, een 
stootje hooger gaan; ook: iets dat op den 
rug gedragen wordt en afzakt, in de 
hoogte wippen; asod-asodan, met stootjes-, 
kleine sprongen of derg. vooruitgaan; 
sadsodan, één stootje vooruit; ngasod- 
ngasodkeun, iets aanh. een weinig voor- 
uitschuiven; diasod-asodkeun. (Vgl. kosod.) 

ASOEH, ngbr.; ngasoeh k., ngatik 1., een 
kind oppassen, verzorgen, opkweeken, 
opvoeden; van een goed vorst kan worden 
gezegd: ngasoeh rajat, hy verzorgt zyn 
onderdanen ; diasoeh; pangasoeh k., pangatik 
1., oppasser, verzorger of verzorgster van 
kinderen, opvoeder, pedagoog; asoehan, 
voedsterling, pleegkind. 

A80EP (vgl. soep), = dboes k., lëbët 1., 
ingaan, naar binnen gaan, in dienst 
gaan, op 't werk komen; verder: in be- 
grepen zyn (z. a. een getal in een ander), 
behooren tot of by, rekenen voor; ook: aan- 
nemen (b. v. eenhuweiyksaanvraagofeen 
voorstel); voorts: passen (z. a. b. v. een 
ring); teu asoep, niet passen, enz.; ka-loewar- 
asoepna oewang, het uitgeven en ontvangen 
van geld; kadsoep, = kabüang k., kalëbët\. f 
behooren tot of by ; kadsoep batoer, metgezel 
zyn; ngasoepan, by iemand binnengaan, 
dringen in iets, iets ergens in doen sluiten, 
ingaan tot; ook: leveren (b. v- gras of 
eetwaren); diasoepan; ngasoepkeun, doen 
ingaan, binnenbrengen, leiden in, steken 
in (b. v. hot zwaard in de scbeede, de 
hand in den boezem, enz.); diasoepkeun; 
kadsoepan, =r kasoeroepan en katjalikan, 
bezeten, bezeten zyn. 

A80ER, ngbr.; ngasoer en ngasoer-ngasoer, 
opstoken, aanhitsen (inz. tot een recht- 
zaak); diasoer, diasoer -asoer ; ngasoerkeun, 
vooruitschuiven, b. v. een brandhout in 
het vuur, of een lampepit, om de vlam 
aan te wakkeren; het laatste ook: ngasoer- 
keun damar; diasoerkeun. (Vgl. angsoer.) 

A80J, I. (Z.-B.), een hengel met een 
snoer van koperdraad; ngasoj, met een 
nsoj visschen. 

II. Ngasoj, een ruk vooruit doen, z. a. 
iemand die of een dier (bangkong) dat 
zwemt; moj-asoj of asoj-asojan, met horten 
of rukken vooruit zwemmen, zich schui- 
vend , vooruitwerken (inz. een kind dat 
nog niet loopen kan). VgL asod. 

A80NQ, ngbr.; ngasongan, = njodoran, 
iemand iets aangeven; diasongan; nga- 



ASOR— ATENGh 



33 



songkeun, iets (b. v. wëlit) iemand aangeven 
of toesteken, buiten do deur enz. steken 
(b. v. iets dat men in de hand houdt); 
ngasongkeun bobokong, iemand zyn rug 
toehouden of toekeeren; diasongkeun; 
koerban asongan, beweegoffer (Ex. 29:24 
enz.). 

ASOR (Jav.), onder, laag; handap-asor, 
nederig (vgl. rëndah) ; ngasorkeun diri, zich 
vernederen, zich nederig gedragen. 

A8PIRAN, het Holl. aspirant; idem, 
leerling voor. 

ASRAH, = sërah, overgegeven, onder- 
worpen, zich schikken, zich onderwerpen 
(aan den wil van iemand, in den strijd, 
aan een vonnis, enz.), berusten, ïydeiyk, 
gelaten, gedwee ; asrah kana pati, bereid 
te sterven; - pasrah, = asrah; ngasrah- 
keun, of wel masrahkeun k., njanggakeun 1., 
iets aan iemand overgeven, overleveien, 
zich overgeven, zich onderwerpen, zich 
stellen in iemands handen, zich aanbe- 
velen; diasrahkeun; dipasrahkeun. 

A8REK (vgl. asroek), ngbr.; ngasrek, met 
zyn velen iets gaan zoeken in de wildernis 
ika noe bala); diasrek. 

A8RINQ (Jav.), = sering; zie ald. 

ASROEK, maar meestal ngasroek, een 
tuin, wildernis oi bosch ingaan of zyn 
weg daar doorheen nemen; ngasroek leu- 
weung eurih, door een alang-alang-wilder- 
nis dringen; tingalasroek, idem, van velen; 
oesrak-asroek, zyn weg aldoor nemen door 
bosch en wildernis, bosch in bosch uit 
gaan; asroek-asroekan, al maar door bosch 
of wildernis dringen. 

ASROG, = asrong en asong, ngbr.; oesrag- 
asrog, = oesrangrasrong (zie asrong); ngas- 
rogkeun, vooruitbrengen, naar toe bren- 
gen, naby brengen; diasrogkeun. 

ASRONG, ngbr.; oemasrong, uit eigen 
beweging tot iemand (een meerdere, een 
ambtenaar) gaan om hulp of dienst te 
bewezen, verkl. met datang (met 't doel 
om hulp te bewezen) hanteu diala; koedoe 
4aék oemasrong ka padamëlan, ge moet uw 
dienst presenteeren by het werk; oesrang- 
asrong, overal aangaan, overal ingaan, 
zich by iedereen vertoonen, herhaaldelijk 
komen, zich te dikwyis by iemand ver- 
toonen; ngasrongkeun, te voorschyn bren- 
gen, aangeven, enz.; diasrongkeun. 

ASSALAM, voll. assalamoealaekoem (A.r.) f 
vrede zy u! 

A8TA (Skr., basta), = panangan, l.van 
bungeun, hand, arm, maar inz. maat van 
den elleboog tot de vingertoppen; ook 
wel: de lengte van den geheelen arm, 
vrouwenel; eaasta, één (zoodanige) el, enz.; 

SOÏNDANIISOH-HOLL. WOOEDÏNB. 



tanda-asta, 1. van tanda-tangan, hand- 
teekening; diasta, = ditjandak, in de hand 
genomen-, aangenomen-, in ontvangst ge- 
nomen worden; kadsia, aangenomen. 

A8TAGA (Ar.), een uitroep (b. v. als men 
iets vergeten heeft), z. v. a.: hoe is 't 
mogeiyk! of iets dergeiyks. 

ASTAGINA, achthoekig. P. 

A8TANA (Skr., vergadering, audiëntie- 
zaal), = koeboeran k., pasar eans.,kaloewat 
1., padjaraian en makam 1. p., graf; ook: 
begraafplaats, maar in dezen zin beter 
pakoeboeran. 

ASTISTEN, zie asisten, 

A8 W AD (Ar.), zwart; hadjar-astoad, naam 
van den zwarten steen, die zich bevindt 
in een der buitenhoeken van de kabah 
te Mekka. 

ATAEUN (Z.-B.), = etaeun; zie eta. 

ATAH, rauw, onryp, niet gekookt, onge- 
looid; atah keneh tapana, zyn boetedoening 
is zonder effect; moendoef koe atah-ata\ 
onverrichterzake terugkeeren. 

ATAK (Z.-B.), acht duiten; tëloeng-atak 
(ald.), 24 duiten. 

ATAK-ATAK, I. ver, zeer ver; teu njaho 
di atak-atakna, ik weet niet hoe ver wel, 
d. i. heel ver. 

II. Ngatak-ngaiakkeuny iemand iets be- 
taald willen zetten, dreigen met vergel- 
ding, iemand iets zoeken te vergelden; 
diatak-atakkeun. 

ATAL, gele aarde uit kraters, gele kleur- 
stof, geel oker, koningsgeel, operment [in 
vroeger tyd ook gebezigd tot boboreh, 
zie ald.]. 

ATANAPI, = tanapï, zie ald. 

ATA-OETOE, overal vragen, overal ge- 
vraagd hebben; djalma ata-oetoe f iemand 
die niet weet wat hy wil; teu njaho di 
ata-oetoef niet weten hoe het is of behoort, 
van niets weten, van boe noch ba weten. 
(Vgl. eta en itoe.) 

ATAR, (in een gevecht) den tegenstander 
of vyand een slag toebrengen, maar ter- 
stond daarop terugweken enz., dezelfde 
handeling al maar herhalende (den vyand 
niet recht aandurven); ook wel z. v. a. 
getroffen; ngataran, op een afstand van 
iemand of iets biyven (b. v. van iemand 
die boos is), z. v. a. ngadjaoehan; diataran. 

ATAWA (Skr. athawa) k. f oetavoi en 
atanapi 1., of; ook: noch; ëmas atavoa perak, 
goud of zilver; oelah dyoek hareup teuing 
atawa toekang teuing, zit niet te ver naar 
voren noch te ver naar achteren. 

ATËLA8 (Ar., athlas), satyn; men zegt 
ook antëlas. 

ATENG, een adeliyk predicaat, oorspron- 

8 



34 



ATER— ATJIE. 



keiyk Bantamsch, thans nog gebezigd in 
de uitstervende Soendaneesche kolonie 
Djatinagara, onder Meestercornelis. F. 

ATëR, voll. awi atër, naam van zekere 
bamboesoort. 

ATCUU jeuken, kriewelen, jeuking; 
sireum ateul, de kleine roodemier;stretim- 
ateulan, overdr. voor: wel niet mooi, maar 
toch aangenaam voor 't gezicht; taieus 
ateui, een fafeuasoort die jeuking in de 
keel veroorzaakt; ngcdyarktun taieus at&ul, 
ook njëbarkeun taieus ateul, spreekw., verkl. 
met ngalijarkeun kagorengan, kwaad ver* 
breiden. 

ATI» — hate k., manah 1., hart, gemoed, 
het hart; in aanspraak: eh atil o myn 
hartje! ngalap ati, iemands hart winnen 
of trachten te winnen; djantoeng ati, z. v. a.: 
myn hartepit; gëde teuing ati, te hoog 
willen vliegen; ati-ati k. t atos-atos 1., op- 
letten, op zyn hoede zyn; mangka ati-ati, 
wees op uw hoedel let goed op! - piati, 
ngbr.; miati k., mimanah 1., ter harte 
nemen; dipiati; ngatian, moed inspreken, 
bemoedigen, aanzetten, aansporen. 

ATJA (Buit.), = kaka, oudere broeder. 

ATJAH, een uitroep: wei! wel zoo! 

ATJAK, I. g. w.; ngatjdk, nemen, weg- 
nemen, voor zich nemen, afeten, opeten; 
van vogels == matjok (zie patjok), pikken; 
ook: (met de vingers enz.) door elkaar 
doen; diatjak; diatjak-atjak, al maar van af- 
genomen of afgegeten worden, enz.; oetjoek- 
aljak, dit en dat voor zich nemen, dit en 
dat opeten; ngëtjak-ngatjak, van diverse 
spijzen iets nemen, van allerlei boeken 
iets lezen, enz. [wat afgekeurd wordt]; 
aijak-atjakan, = tjoektjëlok, van het een 
op het ander springen, nu aan dit en dan 
aan wat anders bezig zyn, nu hier- dan 
daarvan eten. 

II. (Kad.) z. v. a. pëtjak, probeer! be- 
proef eens! geura atjak-atjak boel kom, 
probeer het maar eens! 

ATJAN, versterkend woordje by ont- 
kennende by woorden; hanteu atjan, teu 
atyan, of tatjan, nog niet; hanteu (Uu) .... 
atjan, zelfs niet (het hoofdwoord moet 
hierby immer verdubbeld worden); vb.: 
teu kadoegaeun dijoék-dijoek atjan, hy kan 
zelfs niet zitten; teu bisaeun ngoelangkeun 
rhnbaa-rimbas atjan, hy kon zelfs geen 
rimbas oplichten. 

ATJAR, i. ingemaakt zuur; ngatfar, in 
het zuur leggen; pangatjaran of wadah 
atjar, zuuratelletje. 

IL Een maat, geiykstaande met een- 
vierde gedeng; sadtjar, ééns deze hoeveel- 
heid. (Vgl. gaijar.) 



ATJE (Z.-B.), een vriendeiyke benaming- 
te. n.) voor jongens van stand, ong. = asep. 

ATJEH, het bekende ryk en zyn hoofd- 
stad op Sumatra ; baioe Aijeh, een zachte 
siypsteen, oliesteen; ramboetan Atjeh, een 
klein soort ramboetan. 

ATJËL-ATJËLAN, (van te velde staande 
ryst) beukah sawareh, d. i. ten deele in 
bloei staan, of wel: de periode waarin de 
vruchtzettiug begint; hetzelfde als tjoel-tjël. 

ATJÊLOK, ngbr.; ngatjëlok, springen, 
huppelen (van een kikvorsen, een vogel* 
enz., met alle pooten te geiyk opgeheven) ; 
atjëlok-atjëlokan, idem, aanhoudend; ook: 
al huppelende voortgaan. 

ATJENG (vgl. tjeng), een vriendeiyke be- 
naming (b.n.) voor kleine jongens uit de 
volksklasse. 

ATJËNG-ATJËNGAN, hard loopen, rennen 
(b. v. een peutjang). 

ATJEP (basa tjadel, d.i. van iemand die- 
krom praat), voor asep; zie ald. 

ATJEUK (6. n.), = lantjeuk, 1. van teteh r 
oudere zuster. 

ATJI, I. het fijne, het beste, het hoofd- 
bestanddeel, de quintessens van iets,, 
fijn (geesteiyk) bestanddeel, fijne (beleefde) 
uitdrukking; ook: resultaat (z. a. v. een 
wetenschappeiyk onderzoek); satëmënna 
djalma teh aja atjina, waariyt in den 
mensch is een geesteiyk bestanddeel; 
atji-atjian, vette-, vruchtbare bestand- 
deelen, bezinksel; ahli atji-atjian, schei- 
kundige (B.) ; - katji, deugdzaam, volkomen ; 
ook: geldig, van kracht; boëh katji, fijn 
lynwaad; hanteu katji. = teu sah, niet 
gelden, niet van kractit; pangatjüm, ziel r 
geest, het menscheiyk hart (flg.); leungit 
pangatjianana, (van een overledene) zyn 
geest is ontvloden. 

II. = teteh, (oudere) zu&ter (door de 
Chineezen gebezigd). 

ATJIN, z. v. a. beuki, lust of behagen [in 
iets scheppen. P. 

ATJIR.I. (vgl. tjoer), ngbr.; ngatjir, met een 
boogje uit een pyp, tuit of derg. loopen 
(b. v. water), in een boog uitstaan, boog- 
vormig uitstaan (z. a. b. v. een staart) ; 
ngalaijir, van planten: boogvormig (in een 
boogje) omhoogstaan. 

II. (Vgl. bëtjir), ngbr.; ngatjir of loempat 
ngatjir, hard loopen, haid wegloopen; 
tingalatjir, idem, van velen; atjir-atjiran 
= loeloempatan, hard heen en weer loopen; 
- koetjar-katjir, verkl. met loempat bari 
kiih, hard wegloopen en te geiyk zyn 
water laten loopen (van angst);, ook: 
vluchten, of eig.: nu vlieden, dan vlieden; 
verder z. v. a.: pikir los ka dyjeu los ka 



ATJLENG— AWEN. 



86 



ditoe, onbestendig, onbeslist in zyn wen- 
schen, iets willen maar voor het tot 
geheele uitvoering gekomen is weer iets 
anders aanvatten. 

ATJLËNG (vgl. tjlëng), springen (van een 
sprinkhaan); tingaratjlèng, idem, van vele; 
atjlëng-atjUngan^ (van een sprinkhaan of 
sprinkhanen) aanh. springen. 

ATJO, ngbr.; ngatjo, onsamenhangen de 
taal spreken, wartaal spreken, doorslaan, 
yien, razen, raaskallen ; atjo-atjoatij idem, 
aanhoudend; ook: gebazel. 

ATJOENQ, I. naam van een bloem met 
een onaan gen amen geur. 

II. Ngatjoeng, onderstboven stdan, op zyn 
hoofd staan, 't opgericht zyn van wat 
gewooniyk naar beneden gericht is (b.v. 
de penis); soekoe ngatjoeng ka loehoer, met 
de voeten naar boven; ngatjoengkeun, om- 
hoogheffen (b.v. de handen), opsteken, 
omhoogsteken, met het beneden- of uit- 
einde naar boven gericht zyn; diatjoeng- 
keun. 

AT JONG (vgl. tjong), de met de binnen- 
zijden tot elkander gebrachte handen eer- 
biedig ter hoogte van den mond of aan 
de lippen brengen, by het groeten of het 
spreken tot een meerdere; atjong-atjongan, 
idem, maar herhaaldelijk; tingaratjong, 
= atjong, maar van velen. 

ATJRIG-ATJRIGAN, (van een klein voor- 
werp, b. v. een dwerghert) huppelen, 
springen. 

ATMA (Skr. atma), poëtisch voor njawa, 
ziel, gemoed, innerlijk. 

ATOEH, een uitroep: o! ochl toch! mocht 
toch! atoeh, saêl och, dat is goed! atoeh, 
soekoer (eig.: o, dank!), we], dat doet mtf 
genoegen! ka dijeu atoeh ^kom toch hier! 

ATOER (vgl. hatoer), g. w ; atoer-atoer, 
ong. = beberes, ordenen, regelen; ngatoer, 
regelen, opstellen (b.v. een leger), opzetten, 
ordenen (van spyzen, = ons: de tafel 
aanrichten); diatoer; atoeran, regel, voor- 
schrift, regeling, regelmaat, ordening, orga- 
nisatie, inrichting; ook: opgaaf; atoeraning 
Jang Agoeng, de door God gegeven orde- 
ning; sadtoeran, overeenstemming in de 
opgaven enz.; ngatoeranan, 1. 1. van ngon- 
dang, noodigen, uitnoodigen, by zich 
vragen; 2. aanbieden; 8. (een meerdere) 
in iets tegengaan (ong. = mepelingan); 
ngatoerkeun, regelen, in orde zetten , gereed 
zetten, ordenen; ook: aanbieden; diatoer- 
keun; -jpfafoer,een zeggen (tot een meerdere); 
miatoer, en ook wel maioer, zeggen, spreken 
(tot een meerdere); dipiatoer; pamatoer, 
bet spreken, mededeeling; - kat oer, (in 
adressen) aan; katoeran, 1. van bageja, voll. 



katoeran soemping, welkom! wees welkom! 
ngatoerankeun, iemand welkom heeten, 
verwelkomen; dikatoerankeun. 

ATOH k., goemira 1., in ztyn schik 
z\jn, biyde zvjn,biy geestig; kadtohan, schik, 
biyheid, vreugde, 

AT0S-AT08, 1. van aH-ati; zie ati. 

ATROK, ngbr.; oetrak*atrok, ar oedar-idèr, 
rondloopen; atrok-atrokan, by den weg 
loopen (pagawean noe moesapir), zwerven, 
ronddwalen, in ballingschap ronddolen. 

AWAD, voorgeven, voorwenden, veinzen; 
awad-awadan, al maar voorwendsels 
zoeken; ngawadkeun, iets voorwenden 
of voorgeven; diawadkeun. 

AWAHAN, = 't betere aweuhan; zieald. 

AWAHING, = bawaning; zie bawa. 

AWAK, = badan k., salira 1., lichaam ;- 
men gebruikt dit woord ook als reflexief 
voornw., = diri (zie Spraakk. § 16$, 8«) 
en als pers. en bezitt. vnw. 2de pers., 
= oerang (zie Spraakk. § 152, 6); haseum 
awak zegt men van iemand aan wiens ïyf 
kleedingstukken spoedig verkleuren; 
pangawak, bestaan, existeeren; pan ga- 
wakan, lichaam; pangawakansabeulahjeen. 
half lichaam zyn, d. i. geen man (vrouw) 
hebben. 

AWAL (Ar., het tegenovergest. van ahir), 
begin, het begin, eerste, beginsel ; ti awal, 
van het begin-, van de wording af; ti 
awal nèpi ka ahir, van 't begin tot 't einde; 
awal-awalna agama, de beginselen van 
den godsdienst. 

AW AM, = bodo, onwetend, onverstandig. 

AWANG-AWANG, onderlucht, atmosfeer, 
dampkring; hibër di aicang-awang, vliegen 
in den dampkring (of zooals wy zeggen : 
in de lucht); ngawang-ngawang, naar of 
in den dampkring (de lucht) zweven. 

AWA8, = tègës, klaar, duideiyk, goed 
zichtbaar; als werkw. : goed onderschelden, 
nauwlettend toezien; masing awas nja 
ningali, zie nauwlettend toe; ngawas- 
ngawas, nauwlettend gadeslaan; ngaxoas- 
keun, 1. verhelderen (b.v. het uitzicht); 
2. iets aandachtig beschouwen, goed op- 
nemen, nauwkeurig op iemand of iets acht 
geven; diawaskeun; - kautas, gelijken op 
iets maar het niet werkeiyk zyn, als het 
ware, alsof, even alsof. 

AWATAWAT, uitgestrekt en kaal (van 
een veld of landstreek); tëgal si awat-awat, 
een gewyde landstreek. P. 

AWE (Z.-B.), ook sadwe, twee duiten, « 
djëtor. 

AWtH (Jav.), = merê (zie 6«r«), gevta. 

AWËN =s g*«p*j, «ie ald.; nguwën, met 
de hand wenken; diawén. 



36 



AWER— BA. 



AWÉR (vgl. aber), ngbr. ; ngawër, inhouden 
(z.a. een paard), water minder hard doen 
stroomen; teu beunang diawèr-axoër, = teu 
beunang dipëngkêk, niet in te houden. 

AWET, duurzaam ztfn, duren of duren 
kunnen, goed bleven, blijvend, onverganke- 
lijk; barang anoe awet, duurzame goederen. 

AWEUHAN, weerklank, weergalm, echo. 

AWEWE (vgl. ewe) k., istri 1., vrouw (in 't 
algem.); ook: van de vrouwelijke kunne, 
vrouwelijk; anak awewe, vrouwelijk kind, 
dochter; boedak awewe, meisje; awewe 
koering, een vrouw uit den minderen stand; 
biwir-aweiceëun, een mond als een vrouw 
hebben, d.i. babbelachtig ztfn. 

AWI, algm. benaming der bamboesoorten, 
bamboe. (Vgl. haoer.) 

AWIR, ngbr.; ngawir, afhangen, ergens 
uithangen (de tong uit den mond, een 
zakdoek uit den zak, enz.); ngawirkeun, 
iets ergens af of uit doen hangen; 
diawirkeun. 

AWI8, I., ook awisan, voor, bestemd 
voor, met het oog op. (VgL tjawis.) 

II. L. van arang en van mahal, zelden, 
zeldzaam, duur; awis-awis, hoogst zelden. 

AWIT, 1. van mimiti en van asal, begin, 
aanvang, eerste; ook: eerste inzet; verder: 
beginnen, aanvangen ; ook wel : aanleiding; 
anoe djadi awit, wat 't begin is, die de 
eerste is, wat de aanleiding is; awitna, 
de eerste, het begin, eerst; dina awitna, 
in 't begin, in den aanvang ;noengawitan, 
de eerste of eersteling ztfn; - kawit, eerste, 
beginner, voorzitter; pawitan, z. v. a. modal, 
zie ald. (Vgl. wiwüan.) 

AWOEN, maar meestal awoen-awoen, 
morgennevel, mist, heiigheid ; verder: walm 
(boven een plaats die door de zon bestraald 
wordt), wasem, damp (uit 't water of van 
een veld opstijgend); ook z.v.a.: damp- 
kring, de wolken, maar alleen in katjëloêk 
ka awoen-awoen, beroemd tot in wolken. 

AWOENTAH, verkl. met pikiran hanteu 
Utëp, ong. = motah, ongeregeld, onrustig, 
Teel beweging makende; ook; kieskeurig' 



AWOER, het strooien, enz.; ook g.w.; 
ngawoer en ngawoer-ngawoer, strooien, uit- 
strooien; diawoer; diawoer-diawoer; awoer- 
awoeran, al maar strooien; ook: onbe- 
dacht strooien, uitstorten of uitgieten; 
oelah awoer- awoeran, bisi moedal, je moet 
het er niet zoo maar instorten, het mocht 
eens over den rand gaan; mawoer t ver- 
spreid, verstrooid, uiteenliggen; adjoer- 
mawoer, in stukken verspreid liggen (b. v. 
een verbrijzeld lichaam); ngawoer an, be- 
strooien; diawoeran, bestrooid worden; 
mastakana diawoeran koe taneuh ti pipir 
boemi, haar hoofd bestrooide zrj met aarde 
(stof) van de ztfde van het huis; ngawoer- 
keun, iets strooien of uitstrooien, te 
grabbel gooien; diawoerkeun\kadwoerkeun, 
uitgestrooid. 

AWOET-AWOET, onordelijk, in wanorde, 
wanordelijk, gekreukt, verkreukeld ; awoet- 
awoeian, in dezen toestand verkeeren; 
ngawoet-ngawoet, in wanorde brengen, ver- 
kreukelen, verfrommelen; diawoet-awoet, 
in wanorde gebracht worden (b. v. het 
hart door den duivel); ngoewoetngawoet, 
alles door elkaar gooien; dioewoet-awoet. 

AWON, 1. van goreng t leeltfk, slecht, boos, 
gemeen, laag; het woord dient ook om 
een spreken tot een meerdere in te leiden, 
en bet. dan z.v.a.: ik mag niet nalaten 
(ong. = salah), b.v. awon teu naroa, ik 
mag niet nalaten (ik wensen) te vragen; 
awon teu ngoeninga, ik mag niet nalaten 
(ik wensch) u mede te deelen; awon /ianfeu 
kapioendjoek, het zou verkeerd zrjn het 
u niet te zeggen; ngawonkeun, 1. van 
ngagorengkeun, kwaad spreken van iemand, 
bekladden, belasteren; diawonkeun; ngawon- 
ngawon, 1. van ngagogoreng, lasteren; 
diawon-awon; miawon t 1. van migoreng, 
lasteren; dipiawon, 

AWOR, verkl. met pada peupeus doewa- 
nana, beide breken (b. v. twee dingen die 
men tegen elkander slaat); ook: zich 
onder elkander mengen (b. v. stemmen, 
awor sorana), onder elkander gemengd. 



B. 



BA, I. zeventiende letter vanhetSoend. 
alphabet. 

II. Een voorvoegsel dat, vóór telwoorden 
(termen van de schaal en algemeene) ge- 
voegd, aan deze de beteekenis geeft van 
een onbepaald, maar groot aantal der 



hoeveelheden, met welker benaming het 
verbonden is (zie poeloeh^ratoes^loba, enz.); 
het wordt ook in denzelfden zin verbon- 
den met goenoeng; verder heelt het, vóór 
sommige stammen gevoegd, daarvan af- 
geleide woorden gevormd [deze laatste 



BAAL— BABAR. 



37 



formatie schijnt afgeloopen]. Vgl. mang 
en inz. Spraakk.§ 33, 14 a en b. 

BAAL, ongevoelig voor ptfn (van eenig 
lichaamsdeel), ongevoelig, dof. [Zoo laat 
men iemand die besneden zal worden, 
eerst een poos in koud water, liefst in 
een rivier of sloot staan, om de amputatie 
minder ptfniyk te doen ztfn.] Vgl. nirisan 
bfl tiris. 

BAAN, g. w., samentr. van bawadn; 
dibadn, samentr. van dibawadn; zie bawa. 

BAB (Ar., eigenl. deur), hoofdstuk, af- 
deeling, punt van bespreking of behande- 
ling, over, handelende over, aangaande. 

BAB AD, I. in 't alg.: geschiedverhaal; 
in 't byz.: kroniek der oude of vroegere 
geschiedenis, geschiedboek; ook wel voor: 
sage. 

II. = pantar en tanding, geUjke, weder- 
gade, evenknie. 

III. Ngababad, gras en derg. met een 
gobang, pëdang of stok af- of wegslaan, 
weghakken, gladmaaien, afmaaien; dibabad; 
babadan, wat op gezegde wjjze gladge- 
maaid of afgemaaid is; babadan patjing, 
een plek waar patjing op stond, welke nu 
afgeslagen is. 

BABADONG, zie badong II. 

BABAH, I. titel, gegeven aan alle manne- 
lijke Chineezen, zoowel aan kinderen als 
volwassenen. 

II. Doorgebroken, doch alleen overdr.: 
bdbah manak, z. v. a. geschokt; ngababah, 
doorgraven van den wand van een huis 
(om in te breken), inbreken; dibabah; 
babahan, de weg waardoor een inbreker 
binnengekomen is, het gat van den in- 
breker. 

III. Stinkende adem, voll. baoe babah, 
= baoe soengoet k., baoe baham en baoe 
bëkah 1. 

IV. Dik, siymerig (van dahdir, leugeut 
enz.). P. 

V. Woonplaats (waarsch. dial. voor 
bawahan, zie bawah). P. 

BABAHAK, op roof uitgaan, rooven 
(meestal met bebegal). 

BABAÏ, ongeboren kind, vrucht in den 
moederschoot. 

BABAJ, I. ngbr.; kababajan, zich bedoen, 
zich bedaan hebben. 

II. Ngababaj (Z.-B.), = ngabintrang ; zie 
bintrang. P. 

BABAJAN (Z.-B.), ngbr.; dibabajankeun, 
ong. = ditoeroenkeun, overgeleverd worden 
of ztfn. 

BABAJON, zie bajoe. 

BABAK, I. rauwe-, open of ontvelde huid 
(b. v. van den rug van een paard door 



het tuig, of van de billen door het paard- 
reden), blik (vgl. birit); teu boesik-babak, 
geen letsel hebben bekomen. 

n. Stuk, melodie (op een muziekinstru- 
ment); sababak, één stuk, één melodie. 

BABAKAN, I. (waarsch. van babak L), een 
nieuwe vestiging op een tot dusver onbe- 
woonde plek (hetzy één huis of meer); 
verder: gehucht, kolonie; mabakan en 
ngababakan, een woning bouwen op een 
tot dusver onbewoonde plek, zich in een 
onbewoond oord vestigen, een nieuwe 
vestiging of nieuw gehucht aanleggen, 
een kolonie stichten. 

II. (Z.-B.), = papagan ; zie papag II. 

BABAKAOER, naam van een grooten, 
schadelijken duizendpoot. 

BABALAK (Z.-B.), naam van een zee- 
visch. 

BABALOEK, tegenstribbelen (inz. van 
een buffel, die geen pasangan op den nek 
wil hebben). 

BABANDOEL, bal, appel (z. a. op een 
vaandel); verder: lood, loodje, z.a. vooreen 
sipatan (peungbeurat), schietlood, paslood; 
ook: bezwaar (hetzjj steen ofwatook)dat 
men doet opwegen tegen een vracht, die 
aan ééne zijde van een draagstok moet 
gedragen worden; dibdbandoelan, van een 
babandoel (stukje lood enz) voorzien 
worden. 

BABANEH (&. p.\ = aneh-aneh, aardig, 
vreemd, zeldzaam. P. 

BABANQ, wegloopen, zich naar elders 
begeven en niet wederkeeren (b. v. iemand 
die straf gehad heeft). 

BABANGKAK, plaag, verschikker, schrik- 
aanjager (b. v. iemand die zich in den 
avond begeeft naar de woning z\jner ver- 
stooten vrouw, om andere mannen op 
een afstand te houden). 

BABANJON, zie banjoe. 

BABANTJIK, = golodog, opstap, dorpel. 

BABANTJOEL, zie bantjoel. 

BABANTJONG, een verheven koepelvor- 
mig gebouwtje op de aloen-aloen, waarin 
wel vergadering wordt gehouden, van 
waar soms bevelen gegeven en waar wel 
betalingen gedaan worden, enz.; ook 
sitinggil. 

BABAR 1., = mëdal, baren, bevallen, 
bevalling, verlossing, bevallen z^jn, verlost 
ztfn, ter wereld komen, geboren worden 
of ztfn, en in 't algem.: uitkomen, voor 
den dag komen, aan 't licht komen; 
ook: ontknooping; soms = djëmbar (zie 
ald.); babar lajar, de zeilen ontrollen; 
bdbar pisan, = sapisan (zie pisan); 
dibabar, uit (den mond) gelaten worden, 



BABARANTING— BADAK. 



uitgesproken worden (van een woord); 
mabaran, (by het nettenknoopen) niet 
meer meerderen (njeuweu) en nu aan 
het verlengen gaan; dibabaran, gezegd 
van een net dat men knoopt; ngababarkeun, 
iets ronduit te kennen geven, uitbrengen 
(b. v. een geheim); dibabarkeun. 

BABARANTING, zie bemting. 

BABARI, = gampang k., gampil 1., licht, 
gemakkelijk; babarian, gemakkelijk tot 
iets komen, licht iets worden; babarian 
panas-ati, licht toornig worden, driftig van 
aard. 

BABA8AH, 1. k., patëlësan 1., badkleed 
(verkl. met samping paranti mandi; 2. 
staatsiekleed, staatsiekleeren, z. v. a. 
solman-, ngababasahan, iemand in pracht- 
gewaad kleeden; dibabasahan. 

BABASAN, zie basa, 

BABAT, maag van een herkauwend diei, 
pens. 

BABATEN, zie bati. 

BABET.I. zie babit; mabetan, voorwerpen 
door elkaar doen of schudden, zoodat ze 
rammelen of op andere wjjze klank geven. 

IL Oude vrijster. 

BABI (Jav. en Mal.), = bagong; zie ald. 

BABIL (Ar.), Babel, Babyion. (Zie Baboel) 

BABIT k., babet 1., iets of iemand (b. v. 
een persoon met wien men vechtende is) 
op zjj de slingeren of wegslingeren; ooe&atf- 
babit, iets heen en weer of naar rechts en 
links slaan; moebat-mabit, met iets om 
zich heen slaan, iets (b.v. een zwaard) 
rechts en links zwaaien; ook: druk in 
de weer zijn (b.v. met het maken van 
toebereidselen); diboebat-babit, heen en 
weer gezwaaid worden; ngababitkeun, 
iemand of iets op zijde slingeren of weg- 
slingeren; dibabitkeun. 

BABLAS (vgl. bi as en gëblas), ngbr.; 
dibablaskeun, ong. =r digëblaskeun, open 
en rond uitgesproken worden. 

BABOE (Jav., voedster, en ook: moeder); 
titel van Eva (Baboe Hawa, d. i. dus: moeder 
Eva); in 't algem. = pangasoeh, vrouwe- 
lijke bediende, voornamelijk ter oppassing 
van kinderen; ngababoekeun, een kind bfl 
een min of voedster doen, aan de zorg 
van een andere vrouw toevertrouwen, een 
kind uitbesteden; dibaboekeun. 

BABOEK, er maar in 't wild op in houwen; 
maboek, neerslaan; ook: neerkomen op 
(van de gevolgen); in Kad. z.v.a. mëntoer 
en ngabaledog, werpen; ngababoeh, iets 
wegslaan ; dibaboek; kababoek, weggeslagen ; 
boebak-baboek, om zich heen slaan ;moebak- 
maboék, — moebat-mabit, met iets om zich 
heen slaan; diboebak-baboek, (met een 



wapen) gezwaaid worden; ngababoekan, 
wegslaan, z. a. b. v. vliegen; dibaboêkan, 

BABOEL (Ar.), Babel, Babyion, voll. 
nagara Baboel (Zie Babil.) 

BABOET, I. het uittrekken of uitrukken 
van gras of planten, inz. van bibit of 
rjjstpl anten ter verplanting; ngababoetan, 
uit den grond trekken (van vele planten 
enz.); dibaboetan. 

II. (Eig. Jav., sprei van een matras), 
alleen in kaaoer baboet, vorstelijke leger- 
stede. 

B ABON, I. verkl. met hajam tatfan bëger, 
een jong kippetje. (Zie ook gatrik.) 

II. Een groote eundan (bos rijst), loon 
voor 't helpen snijdender rjjst; ngababon, 
babon's maken. 

BABROEH (Perz., eig. babr.), naam van 
een leeuwachtig dier. 

BADA (Ar.), 1. = mantas, na, naafloop, 
kort na afloop, kort na; sabada, terstond 
na; sabada toewang ', terstond na den 
maaltijd. - 2. z. v. a. teu toeloes, niet door- 
gaan, afspringen, niet plaats hebben; bada 
bae, 't hoeft niet, houd het voor gezien, 
houd het voor gedaan; ngabadakeun, niet 
door laten gaan, staken,opheffen(b.v.een 
bepaling), herroepen, voor gezien houden; 
dibadakeun, van iemand aflaten (hem 
niet doen wat men hem had wiJlen aan- 
doen), enz. 

BADAQ, = kasar % iuw, grof ; keusik badag, 
(fijn) grind; hama noe badag, grove (d. i. 
hier grootere) landplagen (b. v. ratten en 
wilde zwanen); ati badag, een grof-, ruw-, 
onbeschaafd mensen; diri badag, onze 
uitwendige mensen (vgl. lëmboet); basa 
badag, grove, d.i. onbeleefde taal; ngomong 
badag, grof-, onbeleefd spreken. 

BADAQAL-BOEDOEGOEL, verkl. met 
eukeur goendoel teu make totopong, d. i. het 
kale hoofd met geen hoofddoek gedekt 
hebben; ook: haveloos. 

BADAJA, hofdanseres, hofdanseresson. 

BADAK, rhinoceros; tjeuli badak, rhino- 
cerosoor; ook: naam der cactussoort die 
voor de cochenilleteelt # gebezigd wordt; 
tjaoe badak, een pisangsoort die een zeer 
dikken stam krijgt; tjangkoedoe badak, een 
wilde tjangkoedoe, die echter geen verfstof 
oplevert; tareptep badak, een onkruid, 
weinig verschillend van tareptep hajam 
(vgl. tareptep); hampëroe badak, rhinoce- 
rosgal; ook: naam van een plant welks 
wortel een sterk purgeerend vermogen 
heeft (vgl. lëmah);sëntak-badakeun,al&een. 
rhinoceros-schreeuw (krachtig maar kort), 
sprkw. voor: een zeker werk krachtig 
aanvatten, maar na een oogenblik weder 



BADAL— BADIS. 



39 



«taken; babadak, een trechtervormige korf, 
die met steenen wordt gevuld en dient 
tot afdamming enz. van een rivier; ook: 
kisting; pangbadakan, verblijfplaats van 
neushoorns (P.). 

BADAL (Ar.), plaatsvervanger, gemach- 
tigde. (Vgl. wadal.\ 

BADAMI (vgl. Mal. damai), beraadslagen, 
raadplegen, bespreken; babadamian, met 
elkander raadplegen; ngabadamian, met 
iemand afspreken; dibadamian; ngabada- 
mikeun, raadplegen over; dibadamikeun. 
<Vgl. pasini en rëmpoeg.) 

BADAN (Ar.), = awak k., salira 1., 
lichaam, ljjf; badan, njawa, sija iéh koedoe 
prihatin! o myn lichaam, mjjn ziel, je 
moet nu maar treuren! badjoe badan, 
onderkleed ; djakat badan, boeten of boete 
voor een bedreven kwaad, ook kiparat 
badan genoemd. 

BADAR, I. (Ar., Badr), naam van een 
plaatsje tusschen Mekka en Medina, waar 
in 623 de eerste strijd plaats vond tusschen 
de Moslims onder Moehammad en de 
Mekkaners onder Aboe Soflan; pabadar 
of prang pabadar, z. v. a. prang sabil, de 
heilige oorlog. 

II. Een groenachtig zwarte steen. 

III. Een jonge kantjra of karper. 
BADARAT (vgl. darat), 1. k., njatjat 1., 

te voet gaan, voll. leumpang badarat; 
sërdadoe noe badarat, voetvolk ; 2. badaratna, 
mondelinge boodschap, aan een schrifte- 
lijke tot aanvulling toegevoegd; mondeling 
bevel, aan den overbrenger van een 
schrifceiyken last gegeven. 

BADAWANG, een pop ter grootte en van 
de gedaante van een mensen. (Vgl. bëbëgig.) 

BADE, I. raden, gissen, voorzeggen; 
djoeroe bade, iemand die den uitslag van 
iets kan voorspellen; ngabade, raden naar, 
voorzeggen; dibade, geraden worden naar, 
voorzegd worden; kabade, geraden, voor- 
zegd; ook: opgelost (z. a. een vraagstuk); 
babadean, elkander raadsels opgeven; 
ngabadean, iemand een raadsel opgeven; 
verder: ondervragen, overhooren, do les 
laten opzeggen; dibadean. 

II. = sëmoe, voorkomen; bade adocan, 
er strijdvaardig uitzien; njolong bade, = 
maling roepa, anders z\jn dan het uiterlijk 
zou doen verwachten; ook uitroep, z. v. a. 
teu njana! dat had ik niet gedacht! made, 
1. gelijken op; made gambar, gelijken op 
of er uitzien als een (geteekend, geschilderd 
of gephotographeerd) beeld; 2. zich ge- 
lijkstellen met; tjetjendet made kjjara, de 
tjetjendet (een kleine plant) stelt zich ge- 
lijk met den kyara (een groote en zeer 



hooge boom), sprkw., gezegd van ©en 
gering mensch, die zich met den voor- 
naamste meet; hoenjoer madean goenoeng, 
de mierenhoop meet zich met een berg, 
een sprkw. van geltfke beteekenis als 
het voorgaande. 

III. L. van bakal, zullen; en tevens 1. 
van bariB, piktun, enz. : voor, om te ; bade ka, 
voor, bestemd voor. 

BADÉG, I. ngbr.; ngabadëg, buitengewoon 
veel (zijn). 

II. (Indr.), weerspannig, tegenstrevend, 
koppig. 

BADEGA, knecht, meid, dienstknecht* 
dienstmaagd; ngabadega, dienstknecht of 
dienstmaagd z\jn. (Vgl. abdi, boedjang en 
imah.) 

BADEJ08, ngbr.; ngabadejos, van iets of 
iemand heengaan, wegloopen; ook: van 
afzien (b. v. van een vrijer), afstand doen 
van; verder: doorloopen, zonder zich te 
bekreunen om iemand die roept; dibade- 
joskeun, iets of iemand laten voor wat 
hy (het) is. 

BADËL, verstokt-, verhard in 't kwade. 

BADENDEN, ngbr.; ngabadëndën, zich 
opstuwen (van water), op een hoop 
staan; ook: gesloten, dicht (van bedgor- 
dijnen). 

BADENG (Bant.), = soegan, misschien, 
misschien wel. P. 

BADEUR, in 't algem. = lojor, astrant, 
onverbiedelrjk; inz. gebruikt van iemand 
die gedurig terugkomt, hoewel men hem 
het huis verboden heeft; ook z. v. a. 
kasijeun, vrees. 

BADI, ook badi-badi, eenstootwapenmet 
recht, puntig, eensnrjdend lemmer en 
schuins omhoog gaand handvat [oorspron- 
kelijk Sumatraansch en weinig in gebruik 
geweest, P.J; kabadi, geslagen met een 
ziekte of ramp (door een geest, om een 
beleediging hem aangedaan, b.v. door 
hem op 't hoofd te stooteu met een paal 
dien men in den grond zette). 

BADIGOEL, = tanggihgoel, lomp, log, 
plomp (b. v. z. a. een rhinoceros); ook: 
plomp en kaal; overdr.: langzaam in zjjn 
bewegingen, droomerig. 

BADIGOENG, ong. = bëdëgong, hoog. 
moedig; ook: ongemanierd, astrant ;ajeuna 
moal badigoeng, ik zal mrj nu niet hoog- 
moedig aanstellen. 

BADINGDANG, zie boentjis II. 

BADIS, = toeten, pitoewin en ënja, in 
werkelijkheid, ten volle, volkomen, echt, 
zuiver, door en door, geheel; koeritjakati 
badis, een echte kerel uit het volk; kara» 
man badis, een echte muiter. 



40 



BADJAG— BAGAL. 



BADJAG, = badjo, zeeroover, zeeschui- 
mer; ngabadjag, zeeroof plegen. 

BADJEQ, ngbr.; ngabadjeg, een mensen 
of dier (b. v. een dollen buffel) de hiel- 
spier doorsnijden of doorhakken; ngabadje- 
gan, idem, van meer dan één dier; dibadjeg; 
dibadjegan; babadjeg, de hielspierof Achil-* 
lespees (en wel tot in de dy toe). 

BADJËNDIT, het Holl. bajonet; idem. 

BADJI (Kad.), opvulsel (b. v. een stukje 
hout ter opvulling by 't inslaan van een 
te dunne keg [anders gezegd paseukpantjir). 

BADJIQOER, koffie met suiker en tji-pati 
of kokoswater, na de vermenging nog eens 
goed doorgekookt (inz. gebruikt door 
lieden die 's nachts waken moeten, b. v. 
by een doode). 

BADJINQ, de gewone eekhoorn.(Vgl. kekes.) 

BADJIR (vgl. hapa) onvruchtbaar (van 
menschen en dieren); van menschen k., 
gaboeg L; madjir, na den eersten keer geen 
jongen meer kragen (b. v. een visch, die 
niet in haar element-, die in verkeerd 
water is), onvruchtbaar geworden. 

BAOJO, = badjag, zeeroover, zeeschuimer; 
ngabadjo, zeeroof plegen, kapen (op zee). 

BADJOE (Mal., uit Perz.) k., raksoekan 1., 
baadje, buis, kamizool; beuheung badjoe, 
hals-, kraag van een baadje; leungeun 
badjoe, mouw; hees make badjoe, slapen 
met het baadje aan (wat pamali heet, 
matak ngimpi hibër); ngegelan badjoe, op 
zyn baadje kauwen (heet eveneens pamali, 
matak potong hoentoe)' } pibadjoeëun, stof voor 
een baadje; ngabadjoe, een baadje aanheb- 
ben; overdr : ingeworteld (inz. van deugd 
of ondeugd, kwade of goede gewoonten); 
dibadjoe, een baadje aantrekken of aan- 
hebben; ngabadjoean, een ander een baadje 
aantrekken; dibadjoean. 

BADJONQ, ngbr.; ngabaajong, by een 
groote party koopen (inz. om weer te 
verkoopen), inkoopen, in het groot koopen, 
voorraad inslaan; toekang ngabadjong, 
koopman in 't groot; dibadjong, in 't 
groot verkocht worden. 

B ADODOJ, achteraanslenteren (z. a. b. v. 
een volgeling die telkens stilstaat). P. 

BADODON, een soort luik die in groote 
rivieren uitgezet wordt om visch te vangen. 

BADOED, z. v. a. toekang ngabodor, een 
potsenmaker (by anghloeng en dogdog). 

BADOEQ, ngbr.; ngabadoeg, (van een 
dier) met den kop of de hoorns zijwaarts 
stooten; (van menschen) iemand met den 
arm of de elleboog aanstooten, tegen iets 
stooten; dibadoeg. 

BADOEJ, voll. nagara Badoej, naam van 
een verdwenen plaats in het Zuiden van 



Bantam ; Tji-Badoej, naam van een riviertje 
waaraan genoemde plaats gelegen was; 
oerang Badoej, de Badoej's, meer algemeen 
oerang Kanekes, oerang Karang enz. ge- 
noemd, naar de dessa's, thans door hen 
bewoond. [Zie Dr. Jul. Jacobs en J. J. 
Meyer, „De Badoej's", 1891. Verder: C. M. 
Pleyte, „Art ja Domas", Tijdschrift voor 
Ind. T.-, L.- en Vk., deel LI, en „Badoejsche 
Geesteskinderen", Tydschrift voor Ind. 
T.-, L.- en Vk. deel LIV.] 

BADOEJOET, naam van een areuj (klim- 
plant) als de waloeh. 

BADOEWI, zie Badwi. 

BADOQ, ngbr.; ngabadog, straatroof 
plegen, wegnemen, rooven; dibadog. (Vgl. 
bêdag.) 

BADONQ, I. naam van een bamboezen 
mand (soort fuik) om visch te vangen. 

II. (Z.-B.), sluitplaat van een uit metalen 
schalmen bestaanden gordel (vgl. bënten), 
elders babadong geheeten. P. 

III. Zéker rugversiersel 'by wajang- 
helden. B. 

BADORI, naam van een plant met wit- 
achtige bladeren [de vruchten bevatten 
een soort katoen]. 

BADOT, bok, geitebok; babado ton, naam 
van een sterkriekend onkruid met ondiepe 
wortels. 

BADRA (Kw.), poëtisch voor mëndoeng, 
regenwolk, donkere wolk, donkere lucht. 

BADWI, of wel Badoewi( Ar.), woestyn be- 
woner, Bedouin, deBedouinen; ook scheld- 
naam, wel gegeven door de Moh. Bantam- 
mere aan de nog heidensche Badoej's. 

BAE, slechts, maar; ook: voortdurend, 
steeds; dimanah-manah bae, er steeds over 
denken; madjoe bae, steeds voortgaan ;- in 
de spreektaal zegt men ook wae. [De plaats 
is immer achter het woord of den zin, 
waarby het als bepaling gevoegd is.] 

BAETOELLAH (Ar.), huis Gods. 

BAEU, z.v. a. hijap, hajoh en geuraprak, 
kom opl ga je gangl sla toe! 

BAEUD, donker-, stuursch-, zuur-,norsch- , 
stroef kyken; baeudan, van aard zóó 
kyken, een stuursch uiteriyk hebben, 
nurkscb zyn; boewad-baeud, asmh, of telkens 
een zuur gezicht zetten; ngdboeudan, 
iemand zuur of norsch aankyken; 
dibaeudan. 

BAQA, ngbr.; tarang-baga, de schaam- 
heuvel. (Vgl. poeroes.) 

BAQAD (Z.-B.), een zeevisch die, naar- 
mate hy grooter wordt, mangapas en 
galang-tjangkek heet. 

BAGAL, I. de basis, grondslag of onder- 
grond van iets, de bonkwortel van de 



BAGANTI— BAGINDA. 



41 



pisang, de basis of grondvesten van een 
berg, de harde basis van een zweer, de 
onderlaag of onderste lagen van een 
toempoek pare of rystbossenhoop, enz. 
(te verg. met dasar, soekoe en dapoe- 
ran); in Indr. ook: het vlezig gedeelte 
van een paardestaart; ngabagal, een 
harden knobbel vormen (b.v. een wordende 
zweer, teuas di djëro, hard van binnen); 
bagalan, een bagal hebben, een bonk- 
wortel hebben, enz.; ngabagalan, een onder- 
grond leggen voor. 

II. (Ar.), = 't meer gebr. bigal, muilezel, 
muildier. 

III. (Indr.), ledige maiskolf. (Vgl. hapa.) 
BAQANTI (vgl. ganti), om en om, om de 

beurt, elkander vervangen; saban poë 
baganti, eiken dag wisselden ze elkander 
af (of kwamen er anderen, b. v. versche 
troepen). 

BAQAWAN (Skr. bhagawan), titel van 
voorname en heilige personen, alteen nog 
in djampe's en pantoen'a in gebruik, P.); 
ngabagawan, zich uit de wereldsche zaken 
terugtrekken. 

BAGBAQAN, I. verkl. met boeboehan y 
iemands deel, lot, bepaalde taak. 

II. Verkl. met djalan en hal % weg, middel, 
zaak. 

III. Bruggetje* vlondertje (iets breeder 
dan tjoekang). 

IV. De dwarslatten welke den vloer 
dragen van een op neuten of korte posten 
staand huis. P. 

BAQBRAQ, trippelend loopen (van een 
paard). 

BAQBRAQ BIGBRIG, zie bigbrig. 

BAQDJA (Skr. bhagya), lot, deel (zelfs 
van leed, maar in den regel 't tegenover- 
gest. van tjüaka, dus) geluk, voorspoed; 
verder: gelukkig, voorspoedig; djalma 
bagdja, een voorspoedig-, een gelukkig 
mensen; sabagdja, één in geluk, hetzelfde 
geluk deelachtig; ngabagdjakeun, gelukkig 
maken; dibagdjakeun; kabagdjadn, geluk. 

BAGE, I. = bagija, hetzrj; bage daek 
bage hanteu, hetztf ge wilt of niet. 

II. Samentr. van boy e ja, welkom. P. 

III. (Jav.), aandeel; zie bagi. 
BAQËDOEG, het stampen van kapas om 

deze soepel te maken voor men er kanteh 
van spint, echter alleen toegepast tot het 
weven van kasang. P. 

BAGËDOER, alleen in hideung bagëdoer, 
vuil zwart. 

BAQÈDOR, het merg of de pit van een 
plant, inz. van de pisang. 

BAQËQÉQ, z.v.a. handjakal, spijt ge- 
voelen. 



BAGËGËL, ngbr.; ngabagëgël, inwendig 
een zwaar gevoel hebben (door kommer 
ergens over), zich bezwaard gevoelen. 

BAQEJA (Skr. bhagya, geluk, heil) k., 
katoeran of katoeran soemping (zie atoer) 
1, welkom I wees welkom! ngabagejakeun, 
iemand „welkom" toeroepen, iemand ver- 
wel komen; dibagejakeun. 

BAGËL, = bantat, (van gebak) niet gaar, 
niet doorbakken; (van het hart) ontdaan 
zyn, ontstemd zrjn ; ngabagël, ong. = nga- 
bata, hard worden (b.v. van den onder- 
grond). 

BAQEN (Indr.), = ingkeun, laat het 
geschieden! het zy zoo ! (Zie ook bagenora.} 

BAGÉNAH (vgl. gënah), z. v. a. gënah- 
gënah, zich aangenaam gevoelen, genoegen 
smaken. 

BAGENDA, hetzelfde als baginda. 

BAGËNENG, ngbr.; ngabagëneng, verkl. 
met ngadjantëng, zie djaniëng. P. 

BAGENORA (Indr.), verst. van bagen, z. v. a. 
ingkeun bae, laat het zoo maar zijn! laat 
het maar geschieden! 

BAGEUR, goedhartig, goedig, volgzaam, 
handelbaar, tam, lijdzaam, braaf, deugd- 
zaam, eerlijk, oprecht; teu bageur, z. v. a. 
koerang adjar, onopgevoed, ondeugend, 
ongemanierd; lain bageur, niet zacht! niet 
zuinig! 't is geen kleinigheid! kabageuran, 
braafheid, deugdzaamheid, enz. 

BAGI, het deelen; ook g.w.; bagi tiloe, 
deel het in drieën; ngabagi, deelen, ver- 
deelen; ngabagi ka, deelen aan of onder; 
dibagi; ngabagian, ©nder diverse personen 
ver deelen ;dïbagian;dibageanan,~dibag ton; 
kabagian of kabagean, een deel van iets 
bekomen, van iets medekrygen, bedeeld 
worden of raken, mede in iets deelen, 
deel hebben aan; ook: beschikbaar zrjn of 
overbleven voor; ngabagikeun, iets deelen 
of verdeelen, uitdeelen, deelen onder; 
bagikeun ka batoer, verdeel (b.v. die heining 
ter vernieuwing) onder elkander; dibagi- 
keun; bagian, deel, aandeel; babagian, idem, 
b. v. van een erfenis. (Vgl. doeoem.) 

BAQIJA, = boh en dadija (alleen voor- 
komende in herhaalden vorm) : bagija .... 
bagija . . . ., hetzrj .... hetzrj . . . ., noch .... 

noch ; bagija kaoela disoesoekêr, bagija 

kaoela dililipoer, hetzrj ik verdrukt-,hetzy ik 
vertroost word; bagija ti maraneh, bagija 
ti noe sedjen, noch van u,noch van anderen. 
(Vgl. tjat) 

BAGILIR, elkander afwisselen, elkande r 
afwisselende of opvolgende (vgl. gttir); 
bagilir-gilir, idem, met verst. 

BAGINDA, of ook wel bagmda (Mal.), 
een titel voor uitlandsche personen van 



42 



BAGOEG—BAJA. 



vorstelijke afkomst, met name titel der 
kalifen. 

BAGOEG, maar meestal ngabagoeg, ong. 
= nagog (zie tagog), gereed staan (b. v. 
-o&patjara of een draagstoel), gereed staan 
om er uit te kiezen, gereed zitten, zitten 
of staan wachten. 

BAQOL, een lat of stuk bamboe, tot 
•stevigheid ergens langs gebonden (b.v. 
langs den zwakken boom van een kar). 

BAQONQ, varken, zwjjn; anak bagong, big. 

BAH (O.S.), drie. (Zie Moe.) 

BAHA, verkl. met teu noeroet en moeng- 
pang (maar sterker), zich verzetten, niet 
willen volgen of gehoorzamen, ongehoor- 
zaam, in opstand komen of ztyn , zich niet 
willen onderwerpen; baha dititah koe aing, 
gy zjjt onwillig door mj) gezonden te 
worden; baha ka Allah, ongehoorzaam aan 
<Jod; hanteu baha, zich niet. verzetten; 
si baha, een die zich verzet, ongehoorzame; 
ngabahadn ka, opstaan tegen, weerstaan, 
rebelleeren; dibahadn; kabahadn, ongehoor- 
zaamheid, opstand, rebellie. (Vgl. bahoela.) 

BAHAJOE (Cher.), = bareto, onlangs. P. 

BAH AM, 1. van soengoet, mond; baoebaham, 
= baoe bèkah, 1. van baoe soengoet en babah, 
een stinkende adem. 

BAHAN, iets voor of tot iets (b.v. mate- 
rialen tot het bouwen van een huis), grond- 
stof, bouwstof, materiaal; verder: wat 
men behoeft (b.v. voor kleeding); ook: gave, 
gaven (b.v. de gaven of talenten, door 
Ood den mensen gegeven); bahankamanah, 
stof om overdacht te worden; manawi (aja) 
bahan katampa, misschien ben ik voor u 
aannemelijke (bruikbare) stof; mahanan 
of ngabahanan, iemand iets geven, mede- 
geven, van het noodige voorzien, bij- 
stellen, toevertrouwen, ter beschikking 
van iemand stellen, iemand uitrusten; 
mahanan balad, iemand een leger ter 
beschikking stellen; bahanan pajoeng, geef 
hem een pajoeng mede; dïbahanan boedak, 
iemand een bediende ter beschikking 
stellen; ngabahankeun, iets aan iemand 
medegeven (b.v een brief van aanbeveling); 
dibahankeun; pamahanan, wat men aan 
iemand medegeeffc (b.v. aan een ver- 
trekkende, aan een zoon of dochter die in 
't huweljjk treedt en heengaat, enz.), 
dat waarmede men iemand uitrust of 
voorziet. 

BAHAR, I. voll. akar bahar, een zeeplant 
(zwart), waarvan o. a. armbanden gemaakt 
worden, geulang bahar geheeten, welke 
als middel tegen rheumatiek vooral door 
visschers algemeen gedragen worden. P. 

II. (Z.-B.), naam van een zeevisch. 



BAHA9, I. verspreid, in menigte ergens 
verspreid liggen. 

II. (Band.), = sarang II. 

BAHBRAL, g. w. (grof): maak open! leg 
open! (de naad van een kleed, een huis, 
omheining, bosch, saxoah, enz. ;ngabahbral, 
openmaken, openleggen, opendoen, ont- 
ginnen; dibahbral. 

BAHE, omstorten, uitgestort, uitgestoit 
raken; het geldt eigenlek den inhoud van 
het voorwerp, maar wordt ook wel van 
het voorwerp zelf gebezigd, in den zin 
van: omvallen, omkantelen, nl. als er iets 
in is, en die inhoud wordt uitgestort (vgl. 
tamplok); bahe teuing saoer, zich te veel 
hebben laten ontvallen; ngabahekeun, iets 
omstorten, uitstorten, den inhoud van 
iets uitstorten; tjai dibaJiekeun Una 
djahas, het water uit de teil werd uit- 
gestort; kabahean, lfld. vorm: vocht van 
iets dat omvalt of uitgestort wordt over 
zich krijgen of gekregen hebben. 

BAHEULA (een oude afl. van heula), 
in den ouden tijd, oudttfds, lang geleden, 
in 't grys verleden (vgl. koena en bareto); 
alam baheula en djaman baheula, de oude 
t\)d; ti babaheula, van voor langen t\jd, 
van oude tijden af. 

BAHEUM, ngbr.; maheum of ngabaheum, 
iets in den mond steken of laten rollen 
(b. v. een koffieboon of rystkorrels) en 
die vervolgens al zuigende doorslikken; 
maheuman, idem,herh. of aanh.; dibaheum; 
dibaheuman. 

BAHJA, := 't meer gebr. baja; zie ald. 

BAHLA, ongeluk, onheil, ramp; ngabahla- 
keun, onheil brongen over; kabahladn, door 
een onheil getroffen. 

BAHOE, 1. (Skr., arm), het bovenste gedeel- 
te van den bovenarm, onder den schouder; 
kilat bahoe, een ring of versiersel, dat om 
de bahoe gedragen wordt, armgesmijde (vgl. 
geulang); - 2. de schacht van een spies, 
hetzelfde als gagang toembak;- babahoe, lid 
van het dessa-bestuur. 

BAHOELA, woderspannig, wederstreven, 
zich verzetten, halsstarrig; djalma noe 
bahoela, een wederspannig mensen ; bahoela 
kana kawasa, zich verzetten tegen het 
gezag. 

BAITA L-MOEKDA8 (Ar., lott. de heilige 
woning), de Arabische (Mohammedaan- 
sche) naam van Jerusalem. 

BAITOE'L-MAL (Ar.), staatskas, [Op 
Java wel toegepast op moskeegoederen 
of ook op geadministreerde goederen van 
minderjarigen.] 

BAJ, korte vorm van gëbaj; zie ald. 

BAJA (Skr. bhaya), gevaar, onraad 



BAJABAH— BAKA. 



43 



onheil, ramp; kala-baja, tijd van gevaar, 
gevaarvol oogenblik ; djaga-baja, lijfwacht ; 
masang baja t een aanslag tegen iemand 
«meden, een aanslag op iemand maken, 
iemand lagen leggen ; dipasang-baja, gezegd 
van iemand tegen wien een aanslag ge- 
smeed wordt; pibajaeun, een ramp of tot een 
ramp zullen zijn; kabajadn, door een ramp 
getroffen. 

BAJABAH, ngbr.; ngabajabah, den grond 
<<hetzij den bodem of een mat) bedekken 
(z. a. een plas bloed), over den grond 
stroomen (van bloed); gëtih ngotjor nga- 
bajabah, het bloed stroomde, den grond 
bedekkende. 

BAJAH, I. long, de longen; belang bajah, 
bonte longen hebben, verkl. met gorvng 
hate, slecht van gemoed, een slechten 
aard-, een slecht karakter hebben. 

IL Ngabajahkeun, == ngoengkoélan, nieer 
zijn dan, te boven gaan, overtreffen, een 
ander te boven gaan of in de schaduw 
stellen (b.v. in schoonheid); kabajahkeun, 
in de schaduw gesteld, overtroffen. 

BAJAK, op een vlakken grond of op een 
vlak veld verspreid (maar toch b^een) 
zitten of liggen (van vele menschen, 
dieren of voorwerpen); majak enngabajak, 
hetzelfde (maar bepaaldelijk als werkw.): 
zitten (b. v. eenige ëmban's rondom een 
prinses), verspreid gelegerd zrjn (van 
eenige of vele menschen), verspreid liggen 
of legeren (van dieren), verspreid liggen 
(van slapenden, lijken, enz.), gekampeerd 
zrjn (van een leger); majakkeun, doen 
legeren, doen weiden, b.v. van vele dieren. 

BAJAKA (Z.-B.), voll. soepa bajaka, het- 
zelfde als kakaboe. 

BAJANGAN, wild, woest of dol (van een 
dier dat door een kogel of een wapen 
getroffen is); banteng bajangan, een aange- 
schoten of verwonde banteng, die ten 
gevolge daarvan woest is geworden. 

BAJAN6KANG, draderig, vezelig, stokke- 
rig, houtig; met vezels, stokjes of derg. 
vermengd (van vruchten of vleesch, 
thee, enz.). 

BAJAR, het betalen; ook g. w.; panon 
bajar panon, een spreekwijs, = ons; oog 
om oog, tand om tand; majar, = naoer, be- 
kostigen, betalen; ook : betaald zetten, ver- 
gelden; dibajar > bekostigd-, betaald worden 
of zrjn, vergolden worden; kina dibajar 
Aiwa, smaad wordt (is) vergolden met 
smaad; kabajar, betaald, voldaan, ver- 
golden; majaran, op iets aibetalen, een 
^leel van een schuld voldoen; dibajar an; 
ngabajarkeun, gebruiken tot betaling, 
betalen met; dibajarkeun; bajaran, bo- 



taling, bezoldiging, vergelding; pamajar, 
het betalen, betaling. 

BAJAWAK, een soort reuzensalamander, 
leguaan. 

BAJÉM, de Inlandsen© spinazie. 

BAJEUNGJANG, innerlijk benauwd, on- 
rustig. 

BAJI (Kad.), een vriendelijke benaming 
(6. n.) voor meisjes, hetzelfde als otong 
voor jongens, z. v. a. liefje, schatje. 

BAJOE, verkl. met soekma en kakoewatan, 
kracht, levenskracht, sterkte; mëpët bajoe, 
den adem inhouden; soep bajoe ka koeroe- 
ngan (bezweringsformulier tegen het zich 
vergapen van kleine kinderen), z.v. a.„ ga, 
levenskracht, weer naar binnen I" (P.); 
babajon, hetzelfde als bajoe; mamajoe k., 
mamadjëng L, aansterken van de bajoe, 
aan de beterhand zijn, herstellende (recon- 
valescent) zijn; ajeuna eukeur mamajoe, 
hij (zij) is nu herstellende (aansterkende); 
ngabajoean, iemand verzorgen, onder- 
houden, in iemands behoeften voorzien; 
dibajoean. 

BAJOEBOED, = këmpring; zie ald. 

BAJOEHJOEH, zwaarlijvig, corpulent. 

BAJOER, ngbr.; koetoe bajoer, een zeer 
kleine luis, waarmede vaak personen, die 
zich aan zinnelijke uitspatting overgeven, 
in hun schaamdeelen geplaagd zijn. 
[Het insect hecht zich zóó vast, dat het 
moeilijk kan verwijderd worden, en ver- 
spreidt zich ook naar andere behaarde 
lichaamsdeelen, zelfs naar de oogen.] 

BAJONDAH, naam vau een grassoort. 

BAJONG (Z.-B.), een bontjel van de 
grootste soort. 

BAJONGBONG, I. naam van een duizend- 
poot van ongoveer een voet lengie met 
een schubbige lichtbruine huid; ook ge- 
noemd babakaoer tëgal [de beet is ver- 
giftig]. 

II. Naam van een rietsoort als de kaso, 
maar in sloten, moerassen enz. [geschikt 
voor dak- en andere bedekking]. 

III. Het begin van een vlechtwerk (z. a. 
van pandan of bamboe). B. 

BAK, I. het Holl. bak; de bak of vloer 
van een wagen; verder benaming die, in 
navolging van ons, gegeven wordt aan 
allerlei holle voorwerpen, waarvoor de 
Soendaneezen geen eigen naam hebben. 
II. (Z.-B.), = pek; zie ald. P. (Vgl. bëk.) 
BAKA (Ar. baqa), voortbestaan, onver- 
gankelijk, eeuwig ; ook : tweede der twintig 
eigenschappen, door de Mohamm. Theo- 
logie aan Allah toegekend en verkl. met 
langgëng, eeuwig; nagri baka, de eeuwige 
stad, de hemel. (Vgl. kadim en pana.) 



44 



BAKAKAK— BAKTI. 



BAKAKAK, naam van een schaap, kip 
of ander klein dier, dat na geslacht en 
gereinigd te ztfn, opengespreid en in ztfn 
geheel aan het vuur gebraden is; ngaba- 
kakak, een dier alzoo bereiden; dibakakak. 

BAKAL k., bode 1. (te vergel. met bahan), 
iets zullen worden, tot iets zullen zjjn of 
dienen, materiaal, bouwstof, grondstof; 
bakal keneh (meerv. barakal keneh), van 
een kind of kinderen: nog wat worden 
moeten, nog opvoeding noodig hebben 
(vgl. pi); aja bakal moesoeh, er Is iemand 
die (mtfn) vfland zjjn zal; bakal garwa, de 
echtgenoote (van iemand) zullen worden; 
verder hulpw. voor den toek. tyd by de 
werkwoorden: zullen; bakalan, = bakal % 
maar bepaalder; pibakaleun radja, vorst 
zullen worden; babakalan, met elkander 
verloofd zjjn; ook: verloofde, aanstaande 
(man of vrouw). 

BAKAT, I. aangeboren-, ingeschapen 
aard, aangeboren neiging, instinct, natuur- 
lijke gesteldheid, natuur, wezen, van 
nature; bakat Allah, de Goddelijke natuur; 
bakat manoesa, de menschelyke natuur; 
ti bakatna, van nature, van aard ; noeroet- 
keun bakatna, zjjn natuur enz. volgen. 

II. (Z.-B.), deining (van de zee). 

BAKATAK, naam van een wilde sirih- 
soort. (Vgl. tjambaj.) 

BAKATOEL, een armenkost, uit gebroken 
r\)stkorrels en fijne zemelen bestaande; 
deeg, daarvan vervaardigd, wordt veel in 
den vorm van kleine broodjes, in bladeren 
gewikkeld, in de heete asch gaar ge- 
smoord, en deze heeten dan païs bakatoel. 

BAKBRAK, = 't meer gebr. barakbak. 

BAKÉNAK (Mal., van kenak), boeleeren. 

BAKËTOET, verkl. met goreng patoet, 
leeiyk, een leeltfk gezicht hebben, leel\jk 
van voorkomen; ook: een leeiyk gezicht 
zetten. 

BAKÉTRAK, ngbr.; ngabakëtrak, voll. 
toekoer (of teuas) ngabakëtrak, hard en 
droog, hard als tfzer. 

BAKI, het Holl. bakje; blad, theeblad, 
presenteerblad. 

BAKIJAK, = tjoetjoek-moelang, achter- 
steek; op 't land ook = taroempah. 

BAKIJOAN (waarsch. Chin.), Ohineesche 
inkt. P. 

BAKI8AR, het jong van een hajam en 
een tjangeligar. 

BAKO, I. (Port., tabaco), tabak; sagëblog 
bako, = sakodi bako, een hoeveelheid 
stukken gekerfde tabak van 20 lempeng'a. 

II. Naam van de rhizophoren of wortel- 
boomen (mangrove) aan de stranden van 
Java; babakoan, idem. 



BAKOE, vast of bepaald werk, beroep of 
bezigheid; verder: voor iets geschikt of be- 
stemd z^n, wat iemand „vast" of eigenljjkis ; 
ook: eigenlek, naar recht, 't is eigenujk, 
't moet eigeniyk; tjatjah bakoe, vaste inge- 
zetene, die huis en hof heeft (vgl. këmpring); 
noe bakoe toenggoe, vaste bewaker; bakoe 
pitjeuneun, in zichzelf of uit zyn aard 
verwerpelijk; bakoena, naar recht, eigenlijk, 
enz.; babakoe, eigenujk, bepaaldelijk, voor- 
namelijk; verder: iemands vaste bestem- 
ming, roeping, enz.; ook: uit zyn aard, uit 
beginsel; voorts: grondstof, stof ter ver- 
werking, enz.; ngabakoekeun, bestemmen 
tot, bepaaldelijk doen dienen tot, stellen 
tot; dibakoekeun. 

BAKOEKOEL, I. jonge (nog niet tot volle 
ontwikkeling gekomen) komkommer; ook : 
oen vruchtknop van een komkommer 
(B.); volgens P. ook wel augurk. 

II. = kandoel, traag, lui \nahasyamana 
bakoekoel teuingl wat ben je toch lui! 

BAKOEL, een mand als een saïd, maar 
grooter, en doorgaans zonder soko of voet. 

BAKOENQ, naam van een lelie met 
groote witte bloemen ; hoewi bakoeng, naam 
van een aardvrucht; daoen bakoeng, in Kad. 
naam van alle cactusachtige planten. 

BAKOETÉT, ngbr.; ngabakoetët, =zngaba- 
rogod, iemand binden (b.v. handen en 
voeten) ; van voorwerpen : stevig inpakken, 
emballeeren; dibakoeiët. 

BAKOE WAT (een oude afl. van koewat 
of wel een Mal. afl. van dat woord), verkl. 
met hanteu narima eleh, aan zijn meening 
of derg. vasthouden. 

BAKOL, alleen in koas bakol, naam van 
een katjang -soort. 

BAK8A, dans, uitgevoerd door eenige 
mannen, voorzien van schilden, speren 
en derg., een soort van krygdans; ook: 
dien dans uitvoeren. 

BAKTA, iets meer nemen of opgeven 
dan strikt noodig is, om straks niet te 
kort te komen. 

BAKTI (Skr. bhakti, onderdanigheid) k., 
baktos 1., vereering, hulde, dienst (jegens 
meerderen, overheden en ook jegens God, 
zoowel van het dienen met het hart als van 
uiteriyk dienstbetoon); ook: aanbieden; 
verder: wat men (een meerdere) aanbiedt, 
vereert of geeft; sëmbah bakti k., sëmbah 
baktos 1., in onderschriften van brieven, 
z. v. a. : met betuiging van onderdanigheid, 
met beleefde groete, met hoogachting, 
of derg.; babakti, geschenk (bestaande uit 
meerdere dingen) aan een meerdere ; hoekoem 
babakti, wetten van den eeredienst (gods- 
dienst); ngabakti, aanbieden, vereeren, eer 



BAKTOS— BALAKATJOMBRANG. 



45 



of hulde bewezen, offeren, dienen (hetzij 
menschen of God); dibakti; ngabaktikeun, 
iets (aan een meerdere) aanbieden, ver- 
eeren, ten offer brengen; dibaktikeun; 
pangabakti of pangbakH, wat men aan een 
meerdere aanbiedt of vereert, gave, ge- 
schenk, huldeblijk, offer (ook aan God); 
verder: het dienen, dienst; migawe panga- 
bakti, (God) dienen. 

BAKTOS, zie bakti. 

BA LA, I. met gras of onkruid begroeid, 
woest liggen; verder: wildernis, onkruid; 
bala imah, overhoop liggen in huis; noe 
bala, wildernis. 

II. (Skr.), = balad, krijgsvolk, leger; 
wadya-bala, legerscharen, legermacht; 
sawadya-bala, de geheele krygsmacht, al 
de legerscharen. 

III. In eenige verouderde uitdrukkingen 
z.v.a. ëmboeng, niet willen; b.v. bala ka- 
hirasan, r= ëmboeng dihiras, niet willen 
bevolen-.niet willen gezonden worden; bala 
dipikaheman, niet willen bemind worden. 

BALABAH, = berehan, milddadig, lief- 
dadig, mededeelzaam, goedgeefsch; vol- 
gens B. ook wel: verkwistend; kabala- 
bahan, mededeelzaamheid, milddadigheid. 

BALABAR, een pagër (heining, afsluiting) 
gemaakt van bamboetwjjgen, welke men 
met loof en al daartoe bezigt (zie ook 
kawat); ngabalabaran, iets (b.v. een weg) 
met zulk een heining afsluiten of af zetten; 
dibalabaran, 

BALABOEH (het Mal. berlaboeh), ten 
anker gaan, ankeren, voor anker liggen. 
(Vgl. laboeh.) 

BALABOER, verspreid, zwerven (in dézen 
zin, dat hier en daar of by dezen en dien 
een stuk is, b. v. boeken) ; ngabalaboerkeun, 
onder verschillende personen verdeelen of 
verspreiden; dibalaboerkeun. 

BALAD (vgl. bala II), volk, veel volk, inz. 
krijgsvolk, leger, heerschaar ; soms gebruikt 
van één krijgsman, als tot een balad be- 
hoorende, geiyk men ook andere woorden, 
die een collectief meervoud beteekenen 
(b.v. oemaf), van één persoon gebruiken 
kan; sabaladna, zjjn (het) geheele leger; 
toadya-balad, legermacht, legerscharen; 
sawadya-balad, de geheele krijgsmacht, al 
de legerscharen. 

BALADAH, ngbr.; ngabaladah, toebereid- 
Bels maken tot eenig werk, met iets aan- 
vangen (b. v. met het maken van een 
sawah, het bouwen van een huis, het 
schreven van een verhaal); ngabaladahan, 
idem. 

BALADEWA, voll. pare baladewa, naam 
van een witte, behaarde rjjstsoort. 



BALADO, voll. simeui balado, naam van 
een kleinen sprinkhaan. 

BALAGADAMA (O.S.), de hel; bij de 
Bad. de louteringsplaats der zielen vóór 
de hereeniging met Batara Toenggal. P. 

BALAGANDJOER, een fanfare op ang- 
kloeng of gamelan, by de opening van een 
feest, 't arriveeren van gasten of van den 
optocht, enz.; ook de wijs, die dan met 
volle kracht op genoemde instrumenten 
gespeeld wordt. 

BALAGANTRANG, onvruchtbaar (van een 
vrouw, wegens het niet hebben der 
stonden). 

BALAGBAG, naam van zekere tëmbang- 
w^s; ngabalagbag, iemand (b. v. een mis- 
dadiger) de armen laten uitv ademen, langs 
de geheele lengte der armen een bamboe- 
stok leggen en aan dezen de armen stevig 
vastbinden, om weerstand te beletten; 
dibalagbag. 

BALAGËNDIR, I. een haast volwassen 
luis, grooter dan koewar. 

II. (Z.B.), = gëgëndir. P. 

BALAGONDJANG, ngbr.; babalagondja- 
ngan, verkl. met njoba-njoba teu saënjana, 
een poging wagen, maar niet in vollen 
ernst, z. v. a. ons: „eenvischje(by iemand) 
uitwerpen." 

BALAHAM-BELEHEM, = kalamas-kele- 
mes, bedeesd zien, bedeesd lachen. 

BALAHI, ramp, onheil; ook: door een 
onheil getroffen; pibalahiëun, een dreigend 
onheil; ook: door een onheil getroffen 
zullen worden; verder: wee! 

BALAT, = balahi; pibalaiëun, = pibala- 
hiëun, zie balahi. 

BALAJ, muurtje, muur of pad, gemaakt 
van iiviersteenen (batoe), plaveisel (vgl. 
tembok); ngabalaj, een muur of pad van 
riviersteenen maken, bestraten, plaveien; 
dibalaj. 

BALAKA, verkl. met sagëblasna, geheel 
en al, ten eenenmale; ook: onbewimpeld; 
wakija-baldka, z. v. a. ngomong sagëblasna, 
onbewimpeld-, onomwonden (open, rond) 
spreken. 

BALAKATEPE (Bant.), dak van eurih of 
rietgras. P. 

BALAKATIKTRIK, verkl. met beuteung 
moetiktrik, zy n buikje rond eten. [Een versje, 
dat wel van lèbe% die een feest voorzitten 
en dan zichzelven niet altijd vergeten, 
gebezigd wordt, luidt: balakatiktrikbalaka- 
tjombrang, beuteung moetiktrik bërkat meu- 
nang, d. 1. buikje rond, buikje vol, het 
buikje dik en nog wat mee naar huis.] 

BALAKATJOMBRANG, verkl. met beuteung 
moetiktrik bërkat meunang, zjjn buikje rond 



46 



BALAKATOEPAT— BALE. 



eten en nog een deel van den maaltyd 
mee naar huis krtygen. 

BALAKATOEPAT, naam van een hoofd- 
doek-stof. 

BALAKETJRAKAN, lekker eten en drin- 
ken met vrienden of gasten en zien 
onderwijl vermaken, brassen (soms den 
geheelen nacht door, maar: hanieu make 
tanggapan, d. i. zonder eigenlek gezegde 
vermakelijkheden, z. a. muziek en derg.); 
ook: een braspartjj. (Vgl. etjrak-etjrakan.) 

BALAKOETAK, stormhoed, helm (ge- 
maakt van leder enz.; dibalakoetak, een 
helm ophebben, gehelmd. 

BALANAK, naam van een soort visch, 
die zich liefst ophoudt in de mondingen 
der rivieren. 

BALANDJA, geld om inkoopen te doen, 
om van te leven, om de kosten ergens van 
te bestreden, enz.; verder: inkoopen doen; 
ook: uitgave; ka loewar baland ja, een uit- 
gave of uitgaven doen, de kosten dragen; 
babalandja^ een en ander inkoopen (z. a. 
op de markt), boodschappen doen ; nga- 
balandja&n, iemand voorzien van geld om 
van te leven of om inkoopen te doen; 
ngabalandjadn ka pamadjikan, zjjn vrouw 
van huishoudgeld voorzien; ngabalandjadn 
sorangan, zichzelven bezoldigen of onder- 
houden; dibalandja&nf'ngabalandjakeun, = 
meulikeun, (geld) gebruiken of besteden 
tot het doen van inkoopen, gebruiken om 
er voor te koopen; ngabalandjakeun diri, 
zichzelven ten koste geven, d. i. overgeven 
voor; dibalandjakeun, uitgegeven worden 
aan; dibalandjakeun kana djalan aherat, 
ten koste gegeven worden voor den weg 
naar het eeuwige leven. 

BALANDONGAN, loods, overdekte berg- 
plaats, overdekte doorloop, overdekt ge- 
bouw dat opgericht is tot 't houden van 
een feest enz., houten gebouw, taber- 
nakel. 

BALANQ, g. w.: werp ! dibalang, geworpen 
worden; zie ook bengaal; ngdbalangan, 
iemand ergens mede werpen; dibalangan; 
ngabalangkeun, iets werpen, wegwerpen, 
afslingeren, wegslingeren; dibalangkeun. 
(Vgl. aloeng, baledog, enz.) 

BALANQAH (vgl. langah), onnadenkend, 
onachtzaam, zorgeloos, onnadenkend 
voortleven. 

BALANQKO, I. met ruiten, geruit (van 
sarongs). 

II. (Het Holl. blanko), beschrtfvings- 
biljet; ook Wel aanslagbiljet ; dibalangkoan, 
iemand een beschrtfvingsbiljet uitreiken. 

BALANQSAK, van alles ontbloot, nood- 
druftig, berooid, ellendig, rampzalig, jam- 



merlijk; kabalangsak, ellendig z$jn, in 
ellende verkeeren ; kabalangsakan, armoede, 
nooddruftigheid, ellende. 

BALANGBIJ AR, hetzelfde als barangsijar, 
zie sijar. 

BALANTAR, een bamboe waarop de- 
oesoek wangkilas met het beneden einde 
steunen. 

BALANTARA, een lange djangèt of leeren 
riem, waaraan twee lajakfs of strikken 
zjjn bevestigd, en die men in bosscnen 
spant om herten te vangen. 

BALANTJK, handel, inz. kleinhandel, ne- 
gotie; ook: venten; kai (ioekang of dagangy 
balantik, langs de huizen trekkend koop- 
man, handelaar, venter, rondtrekkend 
koopman, marskramer; oewang dipake 
balantik> van het geld dreef hy negotie ; 
babalantikf kleinhandel dry ven, met nego- 
tie gaan, venten, rond ven ten. (Vgl. dagang.y 

BAL AP, wedloop, wedren, om 't hardst 
iets doen (b. v. loopen); babalapan, met elk 
ander om 't hardst loopen, roeien, draven, 
zeilen enz., met elkander een wedstrijd 
houden ; pabalap, om 't hardst (b. v. vliegen) ; 
pangbalapan, plaats waar men een wed- 
loop of derg. houdt, loopbaan, renbaan, enz. 

BAL AR, naam van een zee visch. 

BALA8, I. een ziekelijke woekering in 
de huid, die soms de grootte bereikt van 
een duiven ei, uitwas ; babalasan, naam van 
een hama of schadelijkheid in de rjjst. 

II. Ben voorz.: vanwege onophoudelijk, 
wegens aanhoudend, vanwege voortdu- 
rend;b. v.: balas tjeurik, wegens aanhoudend 
weenen; balas hibër poelang-anting, van- 
wege aanh. heen en weer vliegen ; roeksak 
balas langlajeuseun, omkomen wegens 
aanh. gebrekHjden. 

BALASIMPANQAN, = soempang>simpang f 
zie simpang II. 

BALATA-BOLOTO, verkl. met digawe teu 
poegoeh aioeran, verlegen z\jn hoe te doen 
of waarheen zich te wenden. 

BALATAK, wanordelijk liggen, in wan- 
orde liggen, hier een stak en daar een 
stuk, verspreid liggen; pabalatak, idem. 

BALATJAT-BËLÉTJËT, =r loewas-lejos, 
stil heengaan zonder iets te zeggen; 
ook ~ koedjat-këdjat, (van een vlieger in 
de lucht) gedurig een sprong op zflde 
nemen. 

BALAWANAN (b. p.), = ngalawan en 
baha. P. 

BALA-WIRI, hetzelfde als wara-wiri f 
komen en gaan, er komen en er gaan, 
er kwamen en er gingen. 

BALE, 1. een bamboezen rustbank; - 
2. een soort voorhuis of vestibule van 



BALEBAT— BALIJEUR. 



47 



aanzienlijke Inlandsche huizen, om gasten 
te ontvangen (paranti narima sentak) enz. 
[hetzjj Tan bamboe of van andere mate- 
rialen]; ook in 't algemeen: hulpgebouw; 
ka bala ka bale, naar de wildernis en 
naar rjjke lui's voorhuis, sprw.: a. zich 
evengoed in 't een als in 't ander thuis 
gevoelen, d. i. tact hebben om met men- 
schen om te gaan, van alle markten thuis 
zgn; b. = euweuh ngamaroena, d. i. kijeu 
bisa kitoe bisa, van alles verstand hebben, 
allerlei kunnen; - 8. (Z.-B.), de dessa- 
moskee, waarin ook de vreemdelingen 
gehuisvest worden; - 4. toenggoe bale (Z.-B.), 
naam van een zeevisch; - babalean t l.een 
kleine bamboezen rustbank; - 2.eentjjde- 
Hjke bale, tjjdeltfk voorhuis. 

BALEBAT, het aanbreken van don dag, 
het krieken van den dageraad, als het 
morgenlicht begint te schemeren; ook: 
het morgenrood. 

BALËDEH, zyn baadje geheel openlaten 
hangen. P. 

BALEDOQ, g. w.; maledog of ngabaledog, 
= nimboelan, met iets werpen, gooien, 
smeten; ngabaledog setan, den duivel (met 
steentjes) werpen [te Mina naby Mekka, 
zijnde een der onderdeelen van de bede- 
vaart]; dibaledog; kabaledog, geraakt (door 
een die smeet, maar op iets auders doelde) ; 
babaledogan, spelende met het een of ander 
werpen, gegooi; sapamaledog, één steen- 
worp ver; maledogan, naar iemand of iets 
werpen; dibaledogan; maledogkeun, iets of 
met iets werpen; dibaledogkeun. 

BALEQ (Ar. balig), tot verstand gekomen, 
zelfbewust, voor zichzeiven -verantwoor- 
delijk; verder: de huwbare leeftyd (tus- 
schen het 9<*« en het 15<** jaar), huwbaar, 
meerderjarig [alles volgens de Moh.wet]; 
ook verkl. met geus hajang ka awewe, en 
met bëger, begeerte hebben tot de andere 
kunne; akil-baleg (vgl. akil), tot verstand 
gekomen, enz. 

BALEQBREQ, vorm waarin het ingedikte 
fcatccwtgr-sap gegoten wordt, om het daarin 
te laten stollen tot gandoe. P. 

BALÉQËR, gaaf, ongeschonden (b. v. een 
stuk hout). 

BALEJOR, hooren maar doen alsof men 
niet hoort en heengaan. (Vgl. lejor II.) 

BALELOL, verkl. met letahna asa ditarik 
ka djëro, zwaar ter tong, moeieiyk-, on- 
duidelijk-, slecht verstaanbaar spreken 
[wegens een gebrek aan de spraak- 
organen]. Vgl. pego» 

BALËM, de lippen samendrukkenofsttff 
gesloten houden, niet willen spreken, zich 
verbeten, zich met moeite inhouden, 



zwtfgen; ngabalëmkeun, styf gesloten doen 
zyn (b. v. den muil van een dier); dibalAm- 
keun; balëman, = kandang, hok (P.). 

BALEN (Jav., van bali), = batik, keer, 
maal; dirangket saratoes balen, honderd 
keeren gegeeseld worden, d.i. honderd 
geeselslagen ontvangen. [Het gewone 
woord hiervoor is kali.] 

BALENG, ontwaken, zich van iemand» 
afwenden, iemand myden. 

BALÉNTJAR, zio btf bëntjar. 

BALERONQ (Mal.), gehoorzaal. 

BALË8, vergelding; ook g. w.; male 8 , 
vergelden, wreken; ngarah malës, wraak- 
zuchtig; ngabalës, vergelden ; ngabalës saoer % 
iets ergens op antwoorden ; dibalës ; malësan» 
en ngabalësan, iemand vergelden jn^oèatësan 
saoer, iets ergens op ze.' gen (antwoorden); 
dibalësan ; maU&keun en ngabalëskeun, z. v. a. 
malikkeun, iets op iemand verhalen of 
doen wederkeeren, wreken; malëskeun 
toiwirang, aangedane schande wreken; 
dibalëskeun; - babalës, vergelding; babalêsna 
kasoesahan, vergelding voor gedane moeite;. 
balësan, vergelding, wraak (die ondervon- 
den wordt); pamalës, het vergelden, ver- 
gelding (die aangedaan wordt); poë pa-ma- 
lësan, dag der vergelding. 

BALË8AT, werkw. tusschenw. voor ïo«n- 
pat; balësat loempat, het op een loopen 
zetten. 

BALEUM, L = beuleum; zie ald. P. 

II. Baleuman, goot, greppel by een huis,, 
tot afvoer van spoel- en regenwater. P. 

BALQADABA (uit Ar. bagal en dabat),. 
muilezel, muildier. 

BALHOEM (Ar.), de Moh. naam van den 
bekenden Bileam. 

BALI, I. k., santen 1., de moederkoek, . 
nageboorte. 

II. VoM.poelo Bali, het eiland Bali; djëroek 
Bali, een groot soort djëroek ; katapa Bali, 
naam van een kokossoort. 

BALIDA (Z.-B.), naam van een zee- en 
riviervisch. 

BALIDÉG, zware verkoudheid (salesma), 
met hoofdpijn, hitte van de huid, enz. 

BALtGO, naam van een klimplant met 
een groote, groene, ronde vrucht (een, 
soort pompoen) waarvan men tangkoeweh 
maakt. 

BALklEUR, het zich atkeeren van iemand; 
ngabalijcur, zich wenden, zich af keeren 
van iemand, van iemand of iets niet. 
willen weten, iemand niet willen kennen; 
ngabalyeur hana kajaktian, zich van de< 
waarheid af keeren; ngabalijeurkeun, iets- 
(b. v. den blik) ergens van afwenden;, 
dibalveurkeun. (Vgl. lijeus.) 



48 



BALIJOENG— BALIWET. 



BALIJOENG, de Inlandsche byi of dissel. 
<Vgl. rimbas en kampak.) 

BALIK k., moeZtA 1., omkeeren, terug- 
keeren, naar huis gaan; ook g. w.; verder 
(doch alleen 't kasar- woord): 1. keer, 
maal (b. v. loopen om iets binnen te 
halen), gang, omgang; toedjoeh balik, zeven 
omgangen; - 2. andere zyde, keerzyde; di 
balik, op de keerzijde, aan de achterzijde, 
achter; di balik panto, achter de deur; - 
3. verandoren van zin of gedachte, voll. 
balik pikir; - 4. maar, daarentegen, 
integendeel, b. v. teu waièk miheuladn 
noembak, balik maneh ka kami geura 
pek noembak, ik heb geen aard om eerst 
te steken, maar steek gy naar my ; ajeuna 
celah katoengkoel ngamanahan noe geus 
wapat, balik salira pribadi nja ngamanah 
koema pilampaheun oerang, denk nu niet 
te veel aan den ontslapene, maar bedenk 
liever wat ons te doen staat; balikan, 

1. keer, maal, gang; sareboe balikan, duizend 
keer (b. v. den Koran gelezen hebben); 

2. maar, daarentegen, integendeel; balik- 
balik, balikanan, omgekeerd (in de rede), 
daarentegen, integendeel; - sabalikna k., 
sawangsoelna 1., omgekeerd (in de rede), 
daarentegen, maar; bangbalikan, 1. contra- 
formulier om djampe'8 en andere be- 
zwerings-formulieren krachteloos te ma- 
ken, z. v. a. panoelak en panjinglar 
(P.); 2. z. v. a. hartina, beteekenis, inz. 
van een sindir; sindir bangbalikan, ver- 
bloemde uitdrukking; - 8. ong. = soe- 
soewalan (zie soewal), vier- of zesregelige 
versjes, waarvan de eerste helft bestaat 
uit verbloemde uitdrukkingen, terwyi de 
tweede helft (eusina of hartina) de be- 
teekenis geeft (zie aoewalll.); - malik, zich 
wenden, keeren, zich omkeeren, zich weer 
naar iemand toekeeren, zich weer om- 
keeren (gaan liggen als te voren); ook: 
terugspringen, z. a. van een gespannen boog 
(vgl. nangkoeb by tangkoeb en nanja by 
tanja); dibalik, omgekeerd worden; ook: 
het omgekeerde doen van hetgeen moet 
of van hetgeen een ander doet; tibalik, 
omkantelen, ondersteboven, omgekeerd, 
verkeerd ; ook verkeerd van gemoed (tibalik 
pikir)-, doch men treft het woord ook aan 
in een goeden zin, b. v. moegi masingna 
tibalik hate, moge hy (ten goede) veranderd 
worden; tibalik Utah, zie leiah; babalik, 
van gedrag veranderen (hetzy ten goede 
of ten kwade), reactie, terugwerking, ge- 
volg, uitwerksel, vergelding; babalikpikir 
(verkl. met asal goreng djadi hade), ten 
goede veranderen; boelak-balik en boelang- 
balik, door elkander, alles ondersteboven; 



ook: heen en weer loopen, uit en in gaan, 
onrustig; verder: goed overwegen; moelak- 
malik, om en om wentelen, zich om en 
om keeren, alles ondersteboven keeren, 
(aarde) aanh. omwerken; moelak-malik 
pikir, verschillende opkomende gedachten 
overwegen; diboelak-balik of diboelang- 
balik, om en om gekeerd worden, (van 
den grond) terdege omgewerkt worden, 
(van een elmoe of leer) grondig bekeken 
worden ; malikan en ngabalikan, omkeerend 
zich tot iemand of iets wenden, terug- 
keeren tot of om iets dat men heeft achter- 
gelaten of vergeten; dibalikan; malikkeun 
en ngabalikkeun, iets omkeeren, onderst- 
boven keeren, terug doen gaan, terug- 
zenden, wedergeven, vergelden ; malikkeun 
omong, terug3preken, tegenspreken; dibalik- 
keun, omgekeerd worden, teruggezonden 
worden, enz. 

BALIKAT (Z.B.), = walikat. 

BALILAHAN (verb. van bale, = tëpas, 
hier woning, en lahan, grond), alleen in 
montong ingkah balilahan, d. i. montong 
pindah ka ënggon sedjen, ge behoeft niet 
naar elders te gaan, ge behoeft niet heen 
te gaan. 

BALILIHAN, voll. njëri balilihan, moeite 
moeten doen by het slikken, het op en 
neer gaan van den strot (z. a. by het 
snikken), pyn in de keel van het snik- 
kend schreien ; tjeurik balilihan, in stilte 
snikkend schreien. (Vgl. ëlah-ëlih.) 

BALILOEH, verkl. met euweuh kanjaho, 
onverstandig, dom (erger dan bodo). 

BALING, het Holl. balein; idem; tëtëkën 
baling, een slap rottingstokje (wandel- 
stokje). 

BALINGBING, naam van een vruchtboom 
en van zyn veelkan tige vrucht; tangkal 
balingbing, de boom. 

BALINGËR, ngbr.; kabalingër = kabodoan, 
overtroffen (van een schrandere door een 
die nog slimmer is), verschalkt worden 
of zyn; pintër kabalingër, monjetkapalingan 
djagong, sprkw., dat bet.: een slim mensch, 
wien door een nog slimmer mensch een 
vlieg is afgevangen; ong. = ons: „de be- 
drieger bedrogen". 

BALINTJOENG (Kad.), hetzelfde als patjoel 
bango, een houweel om steenachtigen grond 
los te werken, pikhouweel. 

BALITOENG, I. liquidatie; verder: met 
elkander afrekenen, verrekenen; balitoe* 
ngan djeung, afrekenen met; ngabalitoeng, 
verrekenen, afrekenen. (Vgl. itoeng.) 

II. Het eiland Billiton. 

BALIWÉT, niet ronduit (b. v. een voorstel 
a annemen, een bekentenis afleggen, enz.). 



BALKETIL— BANASPATI. 



49 



BALKETIL, verb. van brëkiti; zie ald. P. 

BALOAK BALOEK, zie paloak-paloëk. P. 

BALO BALO, 1. gedroogde gezouten 

bandëng (zie bandëng I.) - 2. (Z.-B.), naam 

van een melodie voor angkloeng, topeng, 

gamelan of zang. BjJ zang is het refrein: 

Moending disabrangkeun, Koeda 

[dipeuntaskeun, 
Ka pasar ka Pandeglan,Adoehakang, 
[balo-balol 
De buffels worden overgevaren, 

[De paarden worden overgezet, 
Naar de markt naar Pandeglan, 

[Och broeder, balo-balo! 

BALOBORAN (vgl. bobor), = gëtihan, bloe- 
den (van versche wonden), met bloed be- 
morst. 

BALOEBOER, I. afdeeling, algemeene 
benaming voor b$j elkander behoorende 
districten ; boekoe baloeboer, het afdeelings- 
boek, soort journaal ot register, waarin 
dingen betreffende de cultuur en andere 
belangrijke aangelegenheden worden aan- 
geteekend, en dat eens in de maand den 
regent wordt voorgelegd, bjj wien de aan- 
teekeningen worden overgebracht in het 
regentsboek, dat denzelfden naam draagt. 

II. Voll. kateup baloeboer, verkl. met 
hateup-wëliteun, een dak ter bedekking 
met wëlit, ten einde daaronder de geoogste 
ryst voorloopig te kunnen bergen. 

BALOEK (Z.-B.), een vrouw die in de 
dessa rondgaat om seureuh, bako enz. 
te verkoopen (zie ook ëndoel); ngabaloek, 
gezegd bedrijf uitoefenen. 

BALOEKANQ, een manggar waaraan 
geen vruchten meer zitten. 

BALOEK AR, = boekti, in vervulling treden, 
vervulling (b. v. van een droom); ook = 
-antoekna en kadjadjadianana, daartoe 
komen, het moet daartoe komen, gevolg, 
inz. een slecht gevolg hebben ; pibaloekareu- 
nana, wat de vervulling of wat de be- 
teekenis (van een droom of derg.) zal z}jn; 
ook: wat het gevolg (ergens van) zal 
wezen; eta impian naon pibaloekareunana'i 
wat zou die droom te beteekenen hebben? 
ngabaloekarkeun, de uitlegging (van een 
droom enz.) zoeken of geven. 

BALOENQ, de dikke of mergb eenderen, 
bonk, bonken; ook in 't algem. = toelang, 
been, beenderen; ngahoeroen baloeng, zitten 
met de armen geslagen om de opgetrokken 
beenen [beeld van iemand die droefgeestig 
of radeloos is; het wordt wel pamali 
genoemd], werkeloos nederzitten, de han- 
den in den schoot leggen; marëboetkeun 
baloeng tanpa eusi, vechten om een been 
waar niets in- of aanzit, sprkw. voor: strjj- 

SOINDANKESCH-HOLL. WOORBENB. 



den om niets; tikël baloeng, naam vaneen 
plant; babaloeng t de dikke beenderen; 
toelang-babaloeng, dunne en dikke beende- 
ren; rëmoek babaloengna, zfln beenderen 
zfln verbrijzeld. 

BALOENGBANG, gegraven kuil of kuilen 
(b. v. langs een pagër of omheining); ook . 
wel= parigiy sloot, gracht; ngabaloengbang, 
een kuil of kuilen-, sloot of slooten graven ; 
dibaloengbang. 

BALOENGBOENQ, ngbr.; ngabaloengboeng, 
schoon, d.i. zonder gras, geboomte en 
derg. (b. v. een weg); dibaloengboeng, schoon 
gemaakt worden of ztyn. 

BALOENTA8, = 't meer gebr. baroentas. 

BALOER, g.w.; maloer, insmeren (ergens 
mede); dibaloer, zich het lichaam met iets 
insmeren; ngababoeran, een ander het 
lichaam insmeren ; dibaloeran minjak, met 
olie ingesmeerd-, ingewreven of gezalfd 
worden; ngabaloerkeun, olie enz. op het 
lichaam smeren, uitsmeren; dïbaloerkeun. 

BALOEWAS, met vrees, schrik of ont- 
zetting bevangen worden of z}jn, ontzet, 
verschrikt; ook: schrik; matak baloewas, 
oorzaak van schrik; kataradjang baloewas, 
van schrik bevangen; kabaloewasan, schrik, 
ontzetting. 

BALOEWÉNG, door of met iemand of iets 
zóó ingenomen z\jn, dat men aan niets 
anders denkt. 

BALOK, het Holl. balk; idem. 

BALON, L, voll. per balon> oen soort van 
ry tuigje, karretje (om in te rflden). 

II. Pëlok balon, een slechts uit twee 
kleuren bestaand potewgr-patroon (b. v, wit 
en rood, groen en paars, enz.). P- 

BALONG (Band. enz., ookIndr.), = fto$laJi, 
vtfver (van middelmatige grootte, vgl. 
empang); in 't Tjiandj.: moerassig. 

BALONG BENTOR, zie bentor. 

BALONGKENG, ngbr.; babalongkengan, 
hevig braken, doodbraken. 

BALONGKOTAN, verkl. met beh boektina 
en badis, werkeljjk, wezenlek, in de 
werkelijkheid; gëdah balongkotan t glas en 
niets anders; djoerig balongkotan, een 
werkelijk bestaande djoerig, d. i. een 
mensch. 

BAMBANG (Jav.), titel van een zoon of 
leerling van een priester of kluizenaar. 

BAMI (Ghin.), zeker Ohineesch gerecht. 

BAN, het Holl. band; idem, = pita; ook 
band in ruimer zin, b. v. bretel. 

BANA8PATI (Skr. wanaspati, heer des 
wouds), vrouwelijke boschgeesten, die 
naar het volksgeloof boven in de boomen 
huizen en zich met spinnen (nganteh) 
onledig houden. 

4 



50 



BANAWASA— BANDJOE. 



BANAWAftA (Jav., samengest. uit bana 
en waBa), woud; alas banawasa, = leuioeung 
simagonggong, een groot bosch met veel 
wild gedierte. 

BANDA, I. (Skr. bhanda, kapitaal) k., 
kagoengan 1., goed, goederen, bezitting, 
eigendom (zie ook bawa); radja-banda, 
goederen, bezittingen, schat; artabanda, 
geld en goed, goederen, schatten; baban* 
da&n, = bobogadn, goederen, bezittingen; 
saradja-bandana, sabanda-bandana en saba- 
bandadnana, al iemands goederen of bezit- 
tingen; babanda, banda hebben of ver- 
gaderen; pibanda, aan 't aardsche goed 
verkleefd, geldgierig; oelah pibanda, wees 
niet geldgierig; noe pibanda, of djalma 
pibanda, iemand die aan de aardsche goede- 
ren verkleefd is, schraper, vrek, gierigaard 
(vgl. doedoenya); mibanda, wederrechtelijk 
bezitten of in bezit houden; dipibanda; 
kapibanda koe noe soegih, in bezit komen 
van een ryke; mooi kapibanda, ik zal haar 
(het) wel niet kragen. 

II. (Skr. bandha, binding, band), touw enz» 
waarmede iemand gebonden is (mot de han- 
den op den rug), band, banden ; ngaladnan 
banda batoer, den naaste van ztyn banden 
bevrijden; ngabanda, binden, knevelen; 
dibanda ; ngabandadn, iemand of iets binden 
of knevelen; tjangkeng dibandadn koe saboek, 
de lendenen werden gebonden met een 
gordel; kabanda, gebonden; - babandan, ge- 
bondene, gevangene (ook z. a. in den kryg). 

BANDALEUT, ngbr*; ngabandaleut, achter 
elkander optrekken. F. 

BANDANQ, ngbr.; I. tali bandang, koord 
hetwelk door koningen in den strijd 
om den hals of over de borst geslingerd 
gedragen wordt, vangsnoer [symbool om 
aan te duiden dat men zyn vyanden 
overwinnen en binden wil]; ngabandang 
vereenigt in zich meunangkeun en mawa, 
gevangen nemen en wegvoeren; kabandang, 
= kabojong, gevangen weggevoerd. 

II. Ngabandang, = ngabandëng; zie 
bandéng II. 

BANDAR, I. (Perz.), zeehaven, koopstad, 
handelsplaats, handelswyk (aan de haven). 
Zie ook 8abandar. 

II. Ryk, vermogend (van iemand die zyn 
rijkdom gebruikt). 

BANDA WA (Z.-B.), naam van een kleine 
ketyeup of krab. 

BANDE (Z.-B.), = paseban, zie seba. P. 

BANDEL, I. (Z.-B.), lok vogel. 

IL Ongevoelig voor vuistslagen. P. 

BANDÉNG, L naam van een visch, die 
in zoet water gekweekt wordt en er uitziet 
als een karper. 



II. Ngabandëng, sterker dan mëntfrong, 
(staande) zien op, schouwen op, aan- 
schouwen, staren op, staan te kyken; ook: 
starende kyken, z.a. een kunstoog. (Vgl. 
panding.) 

BANDERA (Port., bandeira), vlag, banier; 
narik bandera, de vlag hij ach en ; nangtoeng» 
keun bandera, banieren planten. 
BANDËRINQ, == 't meer gebr. bandring. 
BANDIL, I. een vorkachtige bamboestok; 
zie tjagak. 
II. Zaakwaarnemer, zaakgelastigde. 
BANDINQ, weerga, geiyke; ngabanding r 
plaatsen naast, vergelyken (= nimbang); 
ook: naast of by iets of iemand zyn 
(=r njanding), by «iemand gereed staan, 
z. v. a. aja di gigireunana; ari koering 
ngabanding ti kadjaoehan, ik ben uit de 
verte by u, houd uit de verte op u het 
oog; dibanding koe, er naast plaatsen; 
oetjing dibanding koe lilin, hjj zette de 
kaarsen naast de kat; ngabanding-banding f 
vergeleken ; ngabandingan, nevensplaatsen f 
met iets of iemand vergelyken (vgl. nandi- 
ngan by tanding) ; kabandingan, verkl. met 
kadeukeutan, naby zich hebben [en wel een 
geest of afgestorvene, die van hem by wien 
hy zich voegt iets hebben wil ; wordt dat 
verlangen niet spoedig voldaan, dan ver- 
valt die mensch in ziekte, zoo niet erger] ; 
kasdkitna kabandingan koe karoehoen,hajang 
wadjit, zyn ziekte bestaat hierin, dat hy 
vergezeld wordt door een voorvader, die 
lekkemyen van hem hebben wil; ngaban- 
dingkeun, iets of iemand plaatsen by, 
zetten naast, nevens elkander plaatsen 
(b. v. om er uit te kiezen), vergelyken ; ook : 
voordragen (van twee of meer personen, 
om er een van te benoemen); dibanding- 
keun; bandingan, geiyke, wedergade, even- 
knie; hanteu aja bandinganana, daarmede 
is niets te vergelyken; babandingan, = 
bandingan. 

BANDJAR (Jav.), rfl, gelid (vgl. djadjar); 
lagoe babandjaran (Z.-B.), naam van een 
zangwys. 

BANDJAT, 1. van handjat, uit het water 
komen, uit het water stygen of klimmen. 
BANDJIR (Jav. en Mal.), = tjaah, hoog 
water, watervloed; in 't Soend. inz. van 
het met kracht en in massa afstroomen 
van water uit hooger gelegen streken, 
waardoor het water in een rivier soms 
plotseling aanmerkeUjk stygt; kabandjiran Y 
eig. door een bandjir overvallen of weg- 
geslagen, overdr. van een krygsmacht, 
die door een ^andere (sterkere) wordt over- 
vallen en als overstroomd. (VgL bandjoer. ) 
BANDJOE (Kad.), = bondjor; zie ald. 



BANDJOER— BANGEN. 



51 



BANDJOER, g. w.; ngdbandjoer, gieten 
op of over (b. v. water op de handen), 
begieten; ook: ingieten; dibandjoer. 

BANDOENG, de hoofdstad van de Pre- 
anger- Regentschappen ; gobang Bandoeng, 
zeker soort van gobang; bale Bandoeng, 
ss paseban, zie seba; ngabandoeng, naast 
iets anders of naast elkander liggen of 
zfln (vgl. banding); ngabandoengan, iets 
te zamen doen (b. v. den Koran lezen, 
waarbij elk een boek heeft, de een voor- 
leest, en de ander tot zQn leering nakijkt) ; 
bandoengan, een groote schouw of veer- 
pont, bestaande uit naast elkander ge- 
plaatste prauwen, waarover een brug is 
gelegd, tot het overzetten van rijtui- 
gen, eni. 

BANDRANQAN, 1. staatsiepiek ; 2. naam 
van de oepatjara die de staatsiepieken 
dragen {oepatjara bandrangan). 

BANDREK, een verwarmende drank, ge- 
maakt van gekookt water, suiker en 
kruiderijen. 

BANDRINQ, slinger, behoorende tot het 
krygstuig; ngabandring, uit een slinger 
werpen; silih-bandring, elkander uit slin- 
gers werpen; dibandringkeun, uitgeslingerd 
of weggeslingerd worden. 

BANE, s= pedah, dewijl, naardien; ook 
wel = wantoe-wantoe en païngan, zie ald. 
(waarsch. samentr. van 't Jav. bawanne, 
= bawaning); bane njadh oemat nabi, uit 
liefde tot de volgelingen van den profeet. 
BENEDJA, presenteerblad (niet van 
metaal, zie talëm). 
BANEN, I. naam van een kleine tonggeret 
II. Een groot wild zwyn. 
BANG, I. korte vorm van abang, rood; 
dawoek bang, een schimmel met roode 
vlekken. 

II. Het Holl. bank; bankinstelling, 
spaarbank; kantor bang, idem; dikana- 
bangkeun, (geld) in de bank brengen. 

BANGAWAN, een groote rivier, die in 
zee uitloopt; bangawan Ênil, de Nijl; ba- 
ngawan agoeng, een groote stroom. 

BANGBA, ong. = bara I., gloeien (van 
ijzer enz.). P. 

BANGBAJANG, ngbr.; ngdbangbajang, 
verkl. met ngagëbaj pandjang, zie gëbaj.T. 
BANGBALIKAN, zie balik. 
BANGBALOEH, (van een dier) losbreken 
en met dat waaraan het vastgemaakt 
was op den loop gaan; ngabangbaloehan, 
een dier op den loop jagen met een of 
ander voorwerp aan zijn hals gebonden, 
dat hem onder het gaan om de pooten 
slingert; ook: een paard temmen of leeren 
trekken, door het voor een balk te span- 



nen; in 'talg.: een mensch of dier iets 
om den hals binden; dibangbaloehan. 

BANGBAN, naam van een zwakke riet- 
soort, waarvan men hoeden en manden- 
werk maakt; katjanir-bangban, in ver- 
legenheid-, in het nauw-, in nood geraken. 
BANQBANQ, voll. awak bangbang, blank 
van huid, met een ietwat donkere rood- 
achtige tint; ook (nl. bangbang, maar dan 
eig. Jav.): zekere ziekte van de rtfstplant 
[roode of gele punten aan de bladeren]. 

BANGBANGAN, I. splinternieuw, onge- 
bruikt, ongerept ; wah,ijeumahikëttehmasih 
keneh bangbangan, kijk, deze hoofddoek is 
nog ongbruikt; leuweung bangbangan, 
(verkl. met leuweung anoe tara kasorang), 
maagdelijk woud, ongerept bosch ;moending 
bangbangan, een (nog) ongetemde buffel. 
II. (Z.-B.), naam van een zeevisch. 
BANGBARA, een groote zwarte hommel 
of by [die gaten maakt in hout en bamboe, 
en zich daarin ophoudt]; elmoe bangbara, de 
leer van de 6ang6aro, sprkw. voor: in huis 
stil maar buitenshuis spraakzaam zijn; 
of ook: in huis niets hebben (teu njeungeut 
damar-damar atjan), maar buiten den 
grooten heer uithangen (gigindingan); 
ngabangbara, doen als de bangbara (zoo- 
even verklaard); hideung ngabangbara, 
glanzeud zwart, gitzwart. 

BANGBAROENG, dorpel, drempel (vgl. 
baroeng); dijoek dina bangbaroeng, zitten 
op deu dorpel (wat men pamali noemt). 
BANGBARONQAN, zie barong. 
BANGBAT, ngbr.; ngabangbatkeun, = 
ngabangbërangkeun (zie bangbërang); di- 
bangbatkeun. 
BANG-BÉNG, zie béng. 
BANGBËRANG, ngbr.; ngabangbërangkeun, 
zich verstrooien, afleiding zoeken, de ge- 
dachten verzetten, zorg of pijn trachten 
te verdreven door verstrooiing of aflei- 
ding; ook: iemand afleiding geven, enz.; 
dibangbërangkeun. (Vgl. bëbërah.) 

BANQBËRENG, de ong. f gestemde snaar 
van de katjapi, terwijl bangbëreng anak 
de ong. a gestemde snaar van dit instru- 
ment is. P. 

BANGBOENG, naam van een groote tor, 
de klapperboom tor. 
BANGBRANG, hetzelfde als bangbërang. 
BANGEN (het tegenoverg. van bengsal), 
deugdelijk tot iets, bekwaam of gelukkig 
in iets (b. v. in het hengelen, ngoeseup, 
zoodat men immer vangt, of z. a. een 
kat in 't rattenvangen, zoodat de sprong 
nooit mis is); in 't alg.: altjjd raken, 
altijd vangen; bangenan, = meunangan 
(zie beunang), bekwaam, handig, gelukkig 



52 



BANGËT— BANGOEN. 



in iets [als een hoedanigheid of eigen- 
schap]; ook; voorspoedig. 

BANQÉT (vgl. angit k., sangët 1., bijzonder, 
erg, hevig, sterk, fel, buitengemeen; 
varder: zwaar (b. v. tabak), sterk (b. v. 
thee); bako bangët, zware tabak; bangët 
ngahormat, iemand by zonder eeren; bangët 
dilarang, sterk verboden zjjn; bangët 
soesahna, 't buitengemeen moeilijk hebben ; 
ngabangètkeun, in hevige mate doen aan- 
wezig zfln; kabangëtan, felheid, hevig- 
heid, enz. 

BANGGA (Skr. bhangga, breuk, storing), 

1. (te verg. met baha) zich verzetten, 
weerspannig, ongehoorzaam, zich niet 
willen onderwerpen; radja bangga, een 
weerspannig of rebelleerend vorst; - 2. 
zwaar of moeiiyk te doen, loodzwaar 
wegen ; pagawean bangga, zware of moeite- 
volle arbeid; - dibanggakeun, iets moeilijk-, 
bezwaarlijk maken. 

BANGGALA, Bengalen; ëmbe Banggala, 
een Bengaalsche bok; djoekoet Banggala* 
Bengaalsch gras (zie ook maléla) ; poetër 
Banggala, zie joetoen, 

BANGKA, 1. = 't meer gebr. bangkar, - 

2. toewa bangka, een scheldwoord jegens 
oude lieden (verkl. met kolot teu njaho di 
prijoga, of kolot teu njaho di oeroesan), 
z. v. a. oude domkop! jou oude domkop! 

BANGKAJ, ngbr.; sawan bangkaj, een 
stuip. (Zie sawan.) 

BANGKALA, ong. = samangsa en tijap- 
tijap, zoo wanneer, telkens als. 

BANGKALWARAH, = 't meer gebr. bang- 
kawarah. 

BANGKANANG (Z.-B.), een jonge banteng. 

BANGKANQ, de steel van het sirihblad; 
in Kad. in 't alg. = gagang, steel. 

BANGKAR, alleen in paeh bangkar, verkl. 
met paeh euweuh noe njaho), op onbekende 
w^jze om het leven gekomen; ook wordt 
zoo genoemd de dood van zelfmoordenaars; 
(van dieren) hun eigen of een natuurleken 
dood sterven, sterven door verstikking 
[van zulke dieren mag volgens de Moh. 
wet het vleesch niet gegeten worden], 

BANGKARAK, afgesneden of afgescheurd 
stuk, snippers (papier); verder: een ge- 
scheiden vrouw of weduwe; ook: opge- 
bruikt (van een paard enz.). 

BANGKA WARAH (samengest. uit bangka 
en warah), zeer ondeugend, volstrekt 
onwillig om te gehoorzamen of goed te 
doen, euvelmoedig, boos, slecht; djalma 
noe bangkawarah, een euvelmoedig mensch. 

BANGKE, = boegang, ltyk, kreng ; këmbang 
bangke, = këmbang boegang, zie boegang. 

BANGKËLOENG, sirihtakje. 



BANGKÉNAL, = 't meer gebr. bëdang; 
zie ald. 

BANGKËNANG, I. (Z.-B.), = bangkanang, 

II. Niet iraar te krijgen (van hoewi of 
aampeu). P. 

BANGKEOTAN (Buit.), gezegd van zeer 
bejaarde menschen: haast een bangke, 
(doode) zyn, den dood naby zyn. 

BANGKÉROET, = tjamëroet, den mond 
dichtknepen, de lippen vast opeenhouden 
(van iemand die boos is), stug. 

BANGKEUNANG (Z.-B.). = bangkanang. 

BANGKEUWANG, naam van een soort 
krab. P. (Niet algemeen.) 

BANGKIT, = bisa, kunnen, kundig, schran- 
der, helder van verstand, verstand hebben 
van; pintër djeung bangkit, wys en ver- 
standig (of schrander); teu bangkit nga- 
ragadji, geen verstand hebben van zagen ; 
binangkit, kundig, verstandig, wys, schran- 
der, geestig; kabangkit, kunde; kabangkitan 
en kabinangkitan, schranderheid, verstan- 
digheid, geestigheid. 

BANGKOE, het Holl. bank; zitbank, 
slaapbank, sofa, divan, canapé, schaaf bank. 

B ANGKOEWANG, voll. hoewi bangkoewang, 
= hoewi hiris, een witte ronde aard- 
vrucht, die rauw gegeten wordt en zoet 
van smaak is. 

BANGKOL, een plank boven een raam 
of deuropening. 

BANGKONG [karadak; wordt door de 
Chineezen niet gegeten], naam van den 
gewonen kikvorsen; batoe bangkong, een 
ruwe steen; batoek bangkong, korte hoest, 
kinkhoest; kahjjeuman bangkong, bescha- 
duwd zyn als een bangkong (nl. door wat 
aan een ander behoort), overdr. voor: 
mooi weer spelen met eens anders goed; 
ngaboentoet-bangkong, gestaart als de kik- 
vorsen, sprkw. voor: niets hebben, dood- 
arm zijn. 

BANGKROENG, verkl. met këroeng ka 
loehosr, naar boven omgebogen ('t tegen- 
overg. van tjokrom). P. 

BANGLOE8, juist van pas zyn of komen 
(b. v. een stuk hout, dat juist is zoo- 
als men noodig had), een hoeveelheid 
die beantwoordt aan de behoefte, iets 
ontvangen zooals men het begeerde, zyn 
wensch vervuld zien, er voldoening van 
hebben, goed gelukken; poë noe bangloes, 
een welgelegen dag. 

BANGO, naam van een vogel, tot de orde 
der steltloopers behoorende, kraanvogel 
[men onderscheidt bango boetak en bango 
sair; zie deze woorden]; paijoel bango, 
pikhouweel (zie balintjoeng). 

BANGOEN, = dëdëg, voorkomen, vorm, 



BANGOES— BANTAT. 



53 



uitwendige gedaante, lichaamsbouw, leest, 
fatsoen, sty], bouw, bouworde; mangoen, 
opstellen, schreven, vervaardigen (een 
verhaal of opstel); noe mangoen tjarijos, 
de schrijver van het verhaal; noe mangoen 
goerit, de schrijver van het gedicht; nga- 
bangoen, stichten, bouwen, tot stand bren- 
gen, aanleggen (z. a. een tuin) ; ngabangoen 
deui, herstellen, wederoprichten, weer in 
de wandeling brengen; dibangoen deui, 
weer opgericht worden, weer in de wande- 
ling gebracht worden (b. v. verouderde 
uitdrukkingen); dibangoenkeun bilik, tot 
muur opgestapeld (opgebouwd) worden; - 
bangoenan, stel (nl. muziekinstrumenten); 
sabangoenan, één stel. (Vgl. wangoen.) 

BANGOES, (van een dier) snuit, snoet, 
bek, muil; ook van den mensch, maar 
dan k. p. (vgl. soengoet); bangoes sya, een 
scheldw., z. v. a. jou bekl jou leeiykerd! 
dibabangoes, van iemand tegen wien her- 
haaldelijk „bangoes s\ja" gezegd wordt. 

BANQOR, stout, ondeugend, ongehoor- 
zaam; boedak bangor, deugniet, bengel; 
bangor sjjal jou deugniet! jou bengel! 
kabangoran, stoutheid, ondeugendheid, 
ongehoorzaamheid. 

BANGREUNG, ong. = bingbang, onrustig 
van gemoed (z. a. iemand die op reis moet); 
ngabangreung, verbouwereerd staan kijken. 

BANQ8A (vgl. basa), familie, geslacht, 
natie, volk; ook: soort; sabangsa, van één 
familie, van één volk, van dezelfde soort; 
dibangsakeun reudjeung, geschaard of ge- 
rangschikt worden onder. (Vgl. oemat) 

BANG8AL, r\jstkorrel (van het stroo, 
maar nog in den bolster); ngabangsalkeun, 
bangsal maken (door de korrels van het 
stroo af te stroopen of dat te treden met 
de voeten); dibangsalkeun. 

BANG8AR k., koeris 1., de pokziekte; 
indoeng bangsar, een pok van buiten ge- 
wonen omvang (vgl. aloes); ngabangsaran, 
inenten (vgl. tjatjar II.); dibangsaran. 

BANG8AT, schelm, dief, boosdoener, 
schurk, inbreker, boef, gespuis (vgl. 
barangkot) ngabangsat, een boosdoener 
zjjn, zich als een boosdoener gedragen. 

BANGSEJOT, hetzelfde als bangsat. P. 

BANG8INQ, een soort fluit ot klarinet, 
waarop men aan het eene uiteinde blaast. 

BANG80EL, dial. voor wangsoel; zie ald. 

BANI8RAIL (Ar.), ss anafapoetoe Israil, 
de kinderen Israels. 

BANJAT, =r 't meer gebr. bandjat. 

BANJO, = banjoe, water; sibanjo, zich de 
handen wasschen ; ook wel sibanjo leungeun; 
njibanjoan, een ander (inz. een kind) de 
handen wasschen disibanjoan nqdbanïoan 



dampal, de voeten met water begieten 
[gewoon gebruik in het Soemedangsche, 
door de bruid, bjj ontvangst van haar 
bruidegom aan de voorgaandery hunner 
woning]; dibanjoan dampal. 

BANJOE (Jav.), water, = tjai (zie ook 
banjo); pamyak banjoe, naam van een 
djampe, dienende om het water te scheuren; 
babanjon, een vloeistof om de tanden zwart 
te maken [een voornaam bestanddeel is 
de schil van de dalima, die in gegist 
klapperwater opgelost wordt]; sibanjoe, 
zich de handen wasschen; ngabanjoe, den 
Christeiyken doop toedienen; dibanjoe, 
gedoopt worden, voll. dibanjoe Sarani, den 
Christeiyken doop ontvangen ; ngabanjoean, 
iemand of meerdere personen doopen; 
dibanjoean; pabanjoe of pangbanjoe, de 
Christelijke doop. 

BANJOEMA8, I. naam van een heester 
welken men veel tot pagër of heg gebruikt. 

II. (Jav.) gouddraad; sindjang herang 
dibanjoemas, een glimmende sarong, met 
gouddraad doorweven. 

BANJOL k., goejon 1., schertsen, stoeien, 
ravotten; ook: scherts, boert; ngdbanjol, 
schertsen, gekscheren, boerten, voor de 
grap doen of zeggen; babanjolan, met 
elkander schertsen; ngabanjolan, met 
iemand schertsen, met iemand een loopje 
nemen; dibanjolan. 

BANOESAN, = bangke,l$k, kreng; dibanoe- 
san, een doode verzorgen. P. 

BANTA (Kad.), een klein rustbed, soort 
veldbed. 

BANTAH, ngbr. ; ngabantah, tegenstreven, 
tegenspreken; bantahan, tegenstrevig, 
tegenstribbelend (b. v. een zieke, die 
niet geholpen wil worden), koppig. 

BANTAJ, ngbr; ngabantaj, in rtfen-, in 
orde optrekken of oprukken; bantajan, 
1. guirlande of draperie van gekleurd katoen 
of derg., ter versiering der plaats waar het 
bruidspaar zit; - 2. stamhouder (zelden). 

BANTAL, 1. van anggël, hoofdkussen, 
peluw; bdbantal, klein kussen, zitkussen, 
zachte zitting. (Vgl. goeling.) 

BANTAR, ondiep maar snelstroomend 
water tusschen twee lewoi'B of dieptent 
stroomversnelling, sterk verval in een 
rivier; ook babaniar. (V gl. paroeng.) 

BANT ARP A8, het Holl. waterpas; idem ; 
ngabantarpasj iets waterpassen; dïbantar- 
pas. (Vgl. rata.) 

BANTAT, niet gaar willen worden, hard 
blyven (b. v. pisang die men bakt, of 
aardappels die men kookt), niet gaar van 
binnen (ook van gebak, enz.) ; verder: hard 
zyn (b. v. van den buik; barantat keneh 



54 



BANTEN— BAOE. 



beuteungna, hunne buiken waren nog hard. 
(Vgl. bagèl en ngangën bij angën.) 

BANTELOR (Z.-B.), z. y. a. bëdégong. P. 

BANTÉN (Jav. zondebok, slachtoffer), 
naam van de (nu vervallen) vroegere 
hoofdplaats van het vorstendom Bantam 
en van dat vorstendom zelve; thans naam 
van de Westelijkste residentie van Java. 

BANTENQ, wilde stier (vgl. lèmboe)\tjaoe 
banieng, naam van een pisangsoort; sakoe- 
roe-koer oma lëmboe, sarëgeng-règengna ban- 
teng, sprkw., verkl. met: sakoerang-koe- 
rangna oge moal koerang-koerang tcuing, 
d. w. z.: een menak, al is hij nog zoo arm en 
naakt, is toch altijd meer dan een tjatjah. 

BANTÉR, driftig, volijverig, vurig ;bawa- 
ning banier tapana, wegens zijn volijverige 
boetedoening. (Vgl. icantër.) 

BANTINQ, alleen in bata banting ( Kad.), 
hardgebakken steen (die men tegen elkaar 
kan laten klinken zonder dat ze breken; 
zie bata I.); ngabanting t iets of iemand 
ergens tegen aan smijten of smakken; 
(van een waschman) het waschgoed tegen 
een steen slaan (om het schoon te kragen) ; 
dibanting, gesmeten-, geslagen worden ; ook : 
van zich afslaan (b. v. iemands hand), 
terugslaan; kabanttng, neergesmeten, neer 
te smeten; teu kabanting, niet neer kun- 
nen smijten (b. v. wegens de zwaarte van 't 
voorwerp); babanting, aanh. of gedurig 
(iets ergens tegen) slaan ofsmakken(b.v. 
het hoofd); tibanting, neerstorten, tegen 
den grond storten, neersmakken; silih- 
banting, elkander tegen den grond smijten; 
babaranting, her- en derwaats slingeren, 
langs den weg slingeren (van de eene zijde 
naar de andere); boentang -banting, zich 
aanh. tegen den grond werpen; ook: 
stampen (van een schip); diboentang-banting, 
al maar tegen den grond gesmakt worden, 
heen en weer geworpen of onophoudelijk 
neergeworpen worden (b. v. door de golven); 
ngabantingkeun, iets of zichzelven tegen 
den grond werpen, het huisraad stuk 
werpen, enz. ; dibantingkeun; kabantingkeun, 
ergens op geworpen of gesmakt raken, 
neergesmakt zijn geraakt. 

BANTJANQ, I. een deel ergens van ver- 
liezen, kwijtraken, afnemen of ontnemen 
(b. v. door den dood, door dieistal, door ver- 
bruik, door verkoop, enz.), inbrokkelen; 
ngabantfang 1. van ngddjoewal, van de 
hand doen, verkoopen; rek dibantjang,het 
zal verkocht worden. 

II. (Eig. Jav.), twee of meer te gelijk 
(vangen, koopen, enz.), zie pakewoeh 

BA NT JET, naam van een kleine kik- 
vorsen soort. 



BANTJCUJ, bloode, (inz. in gezelschap) 
stil voor zich zitten kijken en (althans 
schijnbaar) van niemand notitie nemen 
(te verg. met ngadaweung, zie daweung). 

BANTJI, verkl. met lalaki noe njaroewa* 
keun maneh djeung awewe, man die zich 
het voorkomen geeft van vrouw te zijn, 
zich als vrouw voordoet. 

BANTJOEL, het schieten met moentjang- 
noten; ook: de noot enz. waarmede men 
speelt; babantjoel, met moentjang-u o ten 
schieten (zeker spel, inz. van jongens). 

BANTJOENOER, = bënijoet, buil (aan het 
hoofd, ten gevolge van stooten), met een 
buil of builen; hoeloena kabeh bantjoenoer, 
zijn hoofd was vol builen. • 

BANTOE, g. w.; boenta-bantoe, hand- 
langersdiensten verrichten; mantoe of 
ngabantoe, medehelpen; dibantoe] manioean 
of ngabantoean, iemand medehelpen, bij- 
staan; dibantoean; - minantoe k., mantoe l., 
schoonzoon, schoondochter (eig. mede- 
helper, vgl. pamadjikan by padjik); dipoe- 
loeng minantoe (of mantoe), tot schoonzoon 
(of schoondochter) aannemen ; minantoean, 
tot schoonzoon of schoondochter nemen 
of hebben ; pangbantoe, medewerker, mede- 
helper, handlanger; ook: hulptroepen. 

BANTOEN, I. het touw van een heurap 
of werpnet. 

II. G.w.; ngabantoen s. (van zichzelf tot 
een meerdere), mawa k., njandak 1., mede- 
brengen, met zich dragen; dibantoen; 
kabantoen, medegebracht; ook: te dragen. 

BANTOET, dor, schraal, verdroogd (van 
planten en vruchten, b.v. riJstplanten, 
als ze gedurig droog staan, of djagongkol- 
ven, als ze te veel hitte hebben gehad; ook 
zoo als païsan wordt, als die gedurig uit 
het vuur wordt genomen). Verg. bantat. 

BANTOL, ngbr.; ngabantol, = ngahareu- 
pan, Yóór iets zitten; dibantol, vóór zich 
hebben; ngababantol, al maar vóór iets 
zitten; dibabantol koe damar, al maar een 
licht vóór zich hebben. 

BAO, het vijfde geslacht in teruggaande 
orde, volgende op boejoet: oudo vergroot- 
vader, oudovergrootmoeder. 

BAOE, I. rieken, stinken; ook: geur, reuk, 
stank (vgl. babah, batjin, bijoek, hapeuk, 
pahang, pèngar, pësing, sëngak, téngi enz.) ; 
djoekoet baoe, naam van een grassoort die 
sterk riekt; baoe seungit, aangename geur; 
peutjang baoe, onder de Bad. veelal voor si- 
goeng, bunsing; babaoean (coll. meerv.), geu- 
ren, reuken, onaangename- maar ook wel 
aangename geuren, reukwerk; babaoean 
sawarga, hemelsche geuren. 

II. Een vlaktemaat van 500 vlerk. Rijnl* 



BAOED— BARAHA. 



55 



roeden (= 7.096 vierk. M.); sabaoe, één 
roede (bouw), enz. (Vgl. toembak II.) 

BAOED, ngbr.; ngabaoed, zich met een 
zwart gezicht van iemand afwenden, niet 
willen antwoorden en uit toorn een boos 
gezicht zetten; kabaoed, medegevoerd wor- 
den ot ztfn, medegesleept, in 't ongeluk 
gestort; kabaoed koe napsoe, medegevoerd 
door de lusten; kabaoed koe woedjoek, mede- 
gesleept door vleierij; tjeurik kabaoed, vaet 
den hoop medeweenen. (Vgl. baeud.) 

BAOENG, I. ngbr.; ngdbaoeng, janken, 
huilen (van een hond of een adjag); 
babaoeng, aanh. tjanken of huilen, hard 
kermen, gehuil; bangbaoengeun, z. v. a. 
sings\jeuneun, zie syeun. 

II. (Buit.), naam van een riviervisch, 
geiykend op de Iele, maar veel grooter. 

BAOER, = tjampoer, maar op zichzelf 
ngbr.; tfampoer-baoer, ondereengemengd, 
vermengd; babaoeran, mengsel, mengeling, 
gemengde drank, enz.; maoer, dooréén 
(hanteu ngawoengkoel, niet op zichzelf, niet 
gescheiden), b. v. een oud ei, waarvan de 
dooier door het wit heen loopt; adjoer- 
tnaotr, verbrijzeld, ondereengemengd; pa- 
baoer, dooréén, ondereen, gemengd, ver- 
mengd ; sok pabaoer, omgang met elkander 
hebben; ngabaoeran, iets mengen in, ver- 
mengen; ook: bijleggen (b.v. geld doen by 
dat van een ander, die tekort komt); dagang 
dibaoeran djoelig, onder handel kwade 
bedoelingen mengen; baoeran, mengsel; 
ngabaoerkeun, dingen vermengen, onder- 
een- of dooreendoen, iets toevoegen aan of 
mengen onder; dibaoerkeun. 

BAOK, = boeloe, baardharen, lichaams- 
haren ; baokan, = boeloean, van baok voor- 
zien z\jn. 

BAPA k. f rama 1., vader (vgl. pa); indoeng- 
bapa k., iboe-rama 1., vader en moeder, de 
ouders; bapa desa, indoeng lëmboer, overdr. 
voor dajeuh, hoofdstad; ngakoe bapa en 
moeloeng bapa, iemand tot vader aan- 
nemen of als vader beschouwen, iemand 
opnemon en als vader erkennen; sabapa, 
van één vader zyn; pibapaeun, iemands 
vader zullen worden of zrjn, ten vader 
zullen wezen; mibapa, iemand (die het 
niet is) rader noemen; dipibapa. 

BAPANQ, I. metalen plaat, geiyk door 
oppassers enz. op de borst gedragen wordt. 
(Vgl. pëlat.) 

II. = limoês, naam van een slechte 
manggah-soort. 

III. Imah bapang, een huis met een 
soehoenan over ztfn geheele lange ztyde 
en met een driehoekig gevelstuk (ampig). 
Vgl. lüimasan. 



IV. hgabapang (Z.-B.), van een weeg- 
schaal: in evenwicht ztfn; y&n een koletfer: 
horizontaal staan ; ngabapangkeun, in even- 
wicht brengen; ook: iemand met de 
armen uitgebreid doen staan, de polsen 
vastgebonden aan een kruis; dibapangkeun. 

BAPÊM (Z.B.), het HoU. wapen, =5 
bapang I. 

BAB, werkw. tusschenw. voor: uitsprei- 
den, uiteenleggen. (Vgl. bér.) 

BABA, I. heete asch, gloeiende kool of 
kolen. 

II. Bar a-bar a, verkl. met oentoengkeneh, 
nog van geluk te spreken hebben, 't is 
al veel! 't is al well oerang bara-bara 
hiroepl 't is al wel dat w{j er 't leven 
afgebracht hebben! (Vgl. oejoebara en 
pilangbara.) 

BABABAJ (vgl. braj), lichtflikkering (b. v. 
het door de lucht schieten van een tai-ben- 
tang of verschietende ster), uitstraling van 
licht, met name van het morgenlicht, gloren; 
barabaj padjar, de dageraad; geus barabaj 
waktoe padjar = geus soéboeh, de morgen- 
stond is aangebroken; verder: vloeien, 
uitvloeien van vocht (b.v. water of bloed); 
ngabarabaj, hetzelfde; tingbarabaj, flikkeren, 
glimmen, van vele dingen (b. v. van 
ketenen). 

BABABAT, = saliwat, een oogwenk, een 
moment (vgl. kolebat); ook: na eenoogen 
blik ; marabat, een moment slechts duren, 
snel overdreven (van een regenbui). 

BABABE = soesah, moeite; ngabarahe- 
keun, = njoesahkeun, iemand moeite aan 
doen; dibarabekeun. 

BABADAL, wersw. tusschenw. voor 
losgaan, uit elkander gaan, uit elkander 
doen (b. v. de gëloeng). P. 

BABADJA (Skr. wajra), poëtisch voor 
pakarang, wapen; tëloeh baradja, verkL 
met teu tahan neuleu getik, d. i. geen 
bloed kunnen zien, naar worden bty het 
zien van bloed, en verder: onmachtig om 
te stryden, door het zien van een wapen 
met bovennatuurlijk vermogen. 

BABAQADJOEL (Z.-B.), aanvoerder of 
woordvoerder van klagers uit een dessa; 
ook: iemand die zyn dessagenooten op- 
hitst om klachten by de overheid in te 
brengen. 

BARAGAGAH BEREGEGCH, z. v. a. sëêë- 
goetanan, zie sigoet. P. 

BABAH, siym met bloed vermengd, bloe- 
derige fluimen, of ook alleen bloed zooals 
met hoesten loskomt en opgegeven wordt ; 
ook: bloed opgeven; kasakit barak, idem 

BARAHA, ngbr.; sabaraka, vragend bflw[ 
van hoeveelheid: hoeveel? hoevel#n? 



56 



BARAHALA— BARANGKOT. 



sabaraha lilana? hoelang? Ook in stellige 
zinnen, b. v. nadjan sabaraha lawasna, al 
duurt het nog zoo lang; eveneens in ont- 
kennende zinnen, b. v. hanteu sabaraha, 
van weinig beteekenis, de moeite niet 
waard, weinig, luttel; hanteu sabaraha 
moeljana djeung hanteu sabaraha ngeunahna, 
de heerlijkheid en het genot ervan z|jn 
niet van beteekenis; hamo sabaraha rejana, 
het zal geenszins lang duren; - sababaraha, 
eenige, menig, vele, zeer vele, talrijke; 
sababaraha taoen, vele jaren; sababaraha 
kali, vele malen; sabaraha-baraha, = 
sababaraha. 

BARAHALA, I. coll. benaming voor alle 
soorten van dieren, nl. land» en zeedieren 
(vogels en insecten uitgesloten), inz. voor 
de grootere land- en zeedieren; ook wel 
van levende wezens (b.v. vanat'Zoewem's); 
goenoeng barahala, berg waarop zulke 
wezens huizen. (Vgl. sato) 

II. = bërhala; zie ald. 

BARAHAN, = 't meer gebr. berehan. 

BARAJ (Z.-B), = 't betere bajar. 

BARAJA k. ( warga of koela-warga 1., 
wargi en pangampih Lp., wëdët k.p., bloed- 
verwant, familie; in de taalkunde (maar 
alleen k.- woord): synoniem (als nl. de be- 
teekenis eenigszins verschilt, vgl. doeloer); 
sanak-baraja k., sanak-warga, kadang-warga 
en kadang-koelawarga 1., sanak-wargi of 
kadang-wargi 1. p., nabestaande, verwant, 
maagschap, vrienden en betrekkingen; 
babarajadn djeung, met iemand in familie- 
of ook wel in vriendschapsrelatie treden, 
zich vermaagschappen met; mïbaraja, 
iemand als bloedverwant aannemen, als 
bloedverwant beschouwen; dipibaraja. 

BARAK (vgl. bajak), ngbr.; ngabarak, 
verspreid liggen (b v. beenderen), legeren, 
gelegerd z\Jn (van menschen en dieren), 
bivakkeeren. 

BARAKAL, zie bakal. 

BARAKATAK, ngbr.; ngabarakatak f schate- 
ren van lachen; ook: iets uitschateren ; 
babarakatakan, aanh. schateren van lachen. 

BARAKBAK, doch meestal marakbak, 
gloeien, glimmen, stralen, schitteren (van 
vuur), smeulen, glinsteren (van iets dat 
wit is, of van iets dat blinkt, b. v. ztfde 
of metaal, in de zonnestralen), van licht 
stralen, licht zfln (b. v. een plek door de 
tegenwoordigheid van een nimf, of een 
landschap waarop de maan helder schijnt); 
inz.: in het zonlicht schitteren; verder: 
iemand tegenblinken; ook: opdoemen. 

BARALAK, ss barangbang t verdord afge- 
vallen blad van een kokos of anderen 
palmboom; verder: (van een paard) vier 



witte voeten hebben; ngabaralak, (van 
een paard) zjjn staart stjjf en recht uit- 
strekken (zoodat die op een baralak 
gelukt). 

BARALANG, een «itroep, wel gebezigd 
als b. v. een tijger in het struikgewas 
voorb^sluipt, maar slechts zfln schim 
wordt gezien. 

BARAMAEN, = 't meer gebr. bërmaen. 

BARAN, =: mal&oen, = sapoeloeh joeta, 
tien millioen. 

BARANA (Skr. èbharana, sieraden, tooi- 
sel), goederen, schatten, rykdom; radja* 
barana, schat, schatten; doenya-barana, 
wereldsche goederen, schatten of rijkdom. 

BARANAH, veel ztJn, in ruime mate voor- 
handen zjjn; baranahan, vruchtbaar, zich 
sterk vermenigvuldigen (van menschen 
en dieren gebezigd); van boomen en plan- 
ten: veel loten of takken kragen. 

BARANANG, 1. schenen, glinsteren (van 
vele lichten) ; - 2. wemelen (van menschen, 
landdieren en visschen); ook: vol, vol 
zitten (van sëbe op een sadji, van pokken 
die uitgekomen zyn, enz.). 

BARANDAL, oproermaker, opstandeling, 
muiter; ngabarandal, oproer maken tegen, 
opstaan tegen, muitert) plegen. 

BARANDJANG (Z.-B.), een soort fuik, om 
visch (inz. paraj) te vangen. 

BARANG, I. voorwerp, goed, goederen ; 
loba barang-barangna, hjj heeft vele goede- 
ren; saroepaning barang noe aloes-aloes, 
allerlei fraaie voorwerpen; babarangan 9 
= loemajan, of wel barang in een verklein- 
den zin; ari kèrsa babarangan, z. v. a.: 
zoo u 't voor lief wil nemen. 

II. Ten tyde dat, toen, met dat. [In de 
Garoetsche geschriften vaak verkeerdelijk 
barëng geschreven.] 

III. Voorvoegsel tot vorming van een 
klasse van werkwoorden. [Het wordt ge- 
plaatst vóór den stam en vormt daar- 
mede één woord, zoodat men het als 
onafscheidelijk te beschouwen heeft. De 
aldus gevormde woorden duiden een wer- 
king aan in algemeenen zin, maar die 
niet overgaat op een voorwerp, b. v. 
baranghakan, eten; barangbeuli, koopen ; 
barangtejang, zoeken. Zie verder Spraakk. 
§60.] 

BARANGAS, maar doorgaans barangasan, 
driftig van aard,opbruischend,kittelachtig, 
lichtgeraakt. 

BARANQBANG, = baralak; zie ald. 

BARANGKOT, alleen in barangkot bangsat 9 
verkl. met noe geuspoegoehpangbangsatna, 
d. i. een echte of doortrapte schelm, aarts- 
deugniet, spitsboei; ngabarangkot, zich als 



BARANGSAJ— BARI. 



57 



een booswicht gedragen (rooven, moor- 
den, enz.). 

BARANGSAJ, pluisje, vlokje, nop ;pating- 
barangsaj, in vlokken uiteen- of neder- 
vallen. 

BARANG8ANG, I. = baringsang, zie ald. 
(P.); kabarangsang, het benauwd hebben 
(inz. ten gevolge van de hitte). 

II. Opwekkend middel (aphrodiciacum). P. 

BARANi (Mal.), = wam; zie ald. 

BARANING (6. p.), = datang ka, in die 
mate dat. P. 

BARANJAJ, ong. = boerinjaj, glinsteren, 
flikkeren. 

BARAT (Bant.), = koeion, West; baraiêun 
(Bant.), = koeloneun, ten Westen van ;'t vol- 
gende ook in de Preanger: angin barat, 
eig. Westewind, maar gebezigd in debet, 
van : hevige wind, windvlaag, stormwind, 
storm ; oesoem barat of oesoem babaratan, 
de regentijd. 

BARATA (Kw.), verkl. met angin, wind. 

BARATAPA, hetzelfde als bërtapa en tapa, 
boete doen. 

BARBARI (uit het Ar.), Barbarjje; oerang 
Barbari, iemand uit Barbarije, de Berbers. 

BAR-BËR, zie bër. 

BAREBEDAN, zich met onnutte dingen 
bezighouden, zijn tyd of kracht aan onnutte 
zaken verspillen; baroeboedanbarébedan, 
keuvelen over koetjes en kalfjes. P. 

BARED, zich schrammen, geschramd; 
ook: krab of schram op de huid. 

BAREGBEG, ver uit elkander, uiteen, 
verspreid, z. a. b. v. de wortelstok van 
de djahe of gember. B. 

BARËK, I. ngbr. (vgl. parëk); nee pang- 
barëk, poetra pangbarëk of noepangbarëkna, 
de dichtstbijzijnde, d. i. eerstgeborene, 
meostgeliefde. (Zie ook barëp.) 

II. Z.v.a. ambrëg, van velen gezegd: in 
iets springen of vallen (b. v. in een gat). 

BARËLIH, om en om, om de andere, by 
afwisseling (b.v. nu een groote dan een 
kleine); babarëlihan, idem. 

BARÊMPAG (oude afl. van rëmpag), 1. van 
barëmpoeg; zie ald. 

BARËMPOEG (oude afl. van rëmpoeg) k., 
barëmpag 1., met elkander raadplegen. 

BARËNG k., sarëng 1., samen, te zamen, 
met elkander, te geiyk, te geltfker tjjd; 
koedoe barëng hiroep barëng paeh, ge moet 
samen leven en samen sterven (d. i. b|j 
elkander bljjven); barëngan, met; baba- 
rëngan, met elkander, gezamenlijk; mare- 
ngan, te geiyk met iets (anders) plaats 
hebben, zich paren aan, medewerken, 
samenwerken; ngabarëngan, tegelijk doen 
met, beiden (allen) te geljjk (iets) doen, 



zich bij iemand voegen, zich iemand be- 
stellen, iemand vergezellen; dibarëngan 
ditjandak lëbah hoeloena, te geiyk greep 
h\j hem by den kop; kabarëngan, juist 
terzelfder tjjd; ngabarëngkeun, samen doen 
zijn, bijeenvoegen, vergezeld doen gaan 
van; dibarëngkeun. (Vgl. djeung, reudjeung, 
baroeng en parëng.) 

BARËNGOET, (van het gelaat) gefronst. 

BARENO (Z.-B.), naam van een boom- 
soort. P. 

BARËNTIK, zie bëntik. 

BARËP, ngbr.; pangbarëpna, de oudste 
van iemands kinderen [hier en daar als 
1. van tjikal gebruikt]; ook = loeloegoe, 
eerste, voorste, meeste, voornaamste (Vgl. 
barëk.) 

BARERA, I. een stuk van het Inlandsen 
weeftoestel, nl. de lade, waarmede na 
eiken inslag het weefsel aangedrukt (aan- 
geklopt) wordt. 

II. Naam van een plant, voll. ki barera. 

III. Kdbareradn, hetzelfde als kabare- 
rangan, zie berang. 

BARERANG, zie berang. 

BARE8, == sareh; zie ald. 

BARÈSIH, = 't meer gebr. bërësih. 

BARETO, onlangs, vroeger, weleer, eer- 
tijds, te voren [in den regel een minder 
verwijderd tijdstip aanduidende dan 
baheula]; mangsabareto, hetzelfde ;ti bareio, 
van vroeger af, reeds lang; ti baretona 9 
sedert lang, van voor langen tyd; ti baba- 
retona, sedert lang, van over zeer langen 
tfld. (Vgl. tadi.) 

BAREUBEU, naam van een woudboom, 
voll. tangkal bareubeu. 

BAREUH, gezwollen, opgezet, ontstoken, 
zweren; verder: zwelling, verz wering, ont- 
steking, gezwel; noe bareuh, de verzwering, 
het gezwel; babareuhan, opgezette-, ge- 
zwollen-, ontstoken plekken ; njjfar batoek 
piiïareuheun (waarsch. foutief voor pibara- 
heuri), zijn best doen om een bloedhoest te 
kragen, sprkw. voor: zjjn ongeluk door een 
onvoorzichtige handeling nog vergrooten. 

BAREUHEUDEUN, verbouwereerd, geen 
keuze kunnen doen. B. 

BARI, I. een voegwoord, dat dient om 
twee geiyktjjdige werkingen te verbinden: 
en, terwyi, onder; het kan met het vol- 
gend werkw. vaak vertaald worden door 
ons tegenw. deelwoord ; mikir bari leum- 
pang, denken en loopen, denkende loopen, 
denken onder 't loopen; ngadjaicab bari 
seuri, antwoorden en lachen, lachen ter- 
wijl men antwoordt, of lachende antwoor- 
den (zie Spraakk. § 800); barina, hetzelfde. 

II. Oud, stjjf, koud (van spijzen die lang 



58 



BARIBIN-BAROENG. 



gestaan hebben), zuur worden, verzuurd, 
gegist, bedorven, goor, b. v. lahang die 
een dag of langer oud is; tjai dart, water 
dat lang in een karaf of derg. gestaan 
heeft, water dat duf ruikt. 

BARIBIN, = gandeng, luidruchtig, rumoe- 
rig, leven maken; verder: gedruisch, ru- 
moer; kabaribinan, van rumoer of ge- 
druisch last hebben; hoedang kabaribinan, 
van gedruisch wakker worden. 

BARIDËQ, = 't meer gebr. balidég. 

BARMEUK, alleen in barjjeukmn (vgl. 
ryak), draaien voor de oogen, draaierig 
(z. a. iemand die veel vreemde dingen ziet), 
in bet. ong. = bingoeng. 

BARIMBIT (Z.B.), (van t^gers) in menigte 
zich ergens ophouden; oesoem barimbit, de 
tyd dat zich in zekere streek veel tygers 
ophouden. 

BARING, toekomstig, in de toekomst, 
te eeniger tyd; oepamana baring pama- 
djikan moot, als te eeniger tyd de vrouw 
komt te sterven; di baring, of dibaringna, 
in het vervolg, in de toekomst, later. 
(Vgl. barang II en baringsoekpagi.) 

BARINGBIT, hetzelfde als barimbit. 

BARINGSANG, benauwd, benauwend (van 
warmte, hetzy in huis of buiten, b. v. als 
de atmosfeer ngalékèb is). 

BARINGSOEKPAGI samengest. uit baring, 
isoék en 't Mal. pagi en verkl. met isoek- 
sore), te avond of morgen, te eeniger tyd, 
naderhand; meestal voorafgegaan door 
soegan of lamoen, terwyi dan de bet. is: 
misschien zal te avond of morgen, mis- 
schien zal naderhand, zoo mettertyd, 
indien later, naderhand als; soegan baring- 
soekpagi koela bagdja, misschien heb ik 
te avond of morgen geluk; lamoen parëng 
baringsoekpagi oetoen djadi radja, als gy 
te avond of morgen koning wordt. 

BARI8, 1. ïyn, streep, ry (b.v. knoopen), ge- 
lid, slagorde; ook: krygs volk, legerschaar, 
leger; verder: op een ry staan (b.v. knoopen), 
in orde geschaard staan of marcheerer, 
in 't gelid staan, in slagorde staan, opge- 
steld zyn (z. a. militairen); baris koeda, 
ruitery (vgl. toempak) ; boentoei baris, achter- 
hoede; tatabaris, in slagorde scharen (van 
krygsvolk), een leger slagvaardig maken, 
in slagorde geschaard staan, zich ten 
stryde rusten; nata {natakeun of masang) 
baris, in slagorde stellen; ngadëg (of 
ngadëgkeun) baris, een leger vormen of 
strydvaardig maken; diadjar baris, ezer- 
ceeren; ngabaris, in een ry of in orde 
geschaard staan of zitten; barisan, krygs- 
volk, troep soldaten, bende, legerschaar, 
garnizoen; mërënahkeunbarisan, ergens een 



garnizoen leggen ;pangbarisan, legerplaats, 
legerkamp, oorlogstooneel (vgl. pasang- 
grahan); benieng pangbarisan, een sterkte 
die tot legerplaats dient. 

II. = adjang, eukeur, enz. k. t bade 1., 
voor, om te, tot, zullen dienen tot; baris 
pakarang, tot een wapen; oewang baris 
majar, geld tot betaling. 

IJl. (Z.-B.), aanduiding van een onbe- 
paald meerv., b. v. baris oepas, oppassers. 
BARLEN, Beriynsch zilver. 
BAROB (b.p.), = kokod, hand. P. 
BAROBAH (oude afl. van robah), van 
plaats veranderen, in beweging zyn (van 
het hart, van wege vrees); ook: niet meer 
wel met elkander; hanteu keuna barobah^ 
onveranderiyk; barobah ati, een verkeerde 
gezindheid toonen; ook z. v.a. baroebah, 
kommer, in moeite zyn; amatehlangkoeng 
barobah, ik ben zeer bekommerd. 

BAROE, I., oud dubbeltje van 10 duiten, 
d.i. 8 of S*4 cent; iiloe baroe % 25 cents; 
verder benaming van het 26 centsstuk, 
kwartje (ook tatalen genoemd); sabaroe, 
één baroe, enz.; laoek sabaroeëun, vooreen 
baroe vleesch. 

II. (Mal.), = anjar, nieuw, versch ; spe- 
ciaal: nieuwe tuin, nieuwe ontginning; 
ngabaroe, ontginnen (inz. van een koffie- 
of theetuin) jpa&aroe, Nieuwjaar, de Nieuw- 
jaarsdag. 

BAROEBAH.1. van soesak, moeite, kommer, 
zorg; verder: bekommerd, in moeite zyn; 
antënar hanteu baroebah, de ambtenaren 
hadden geen moeite; ngabaroebahkeun, 1. 
van njoesahkeun, iemand moeite aandoen, 
hinderen, bemoeiiyken; dibaroebahkeun. 

BAROEBOEDAN BAREBEDAN, zie bare- 
bedan. 

BAROEBOETAN (vgl. boeboef), aan flarden; 
ook = boeboetoeian, versleten ding; saba- 
roeboetan, geheel aan flarden. P. 

BAROEJOENGAN (P.-R.), de knievormige 
verbinding tusschen uitlegger en uitleggers- 
boom van een vlerkprauw. P. 

BAROEK, tusschenw., ong. = teunjana: 
wat! hoel wat zeg je! wat praat je van! 
of derg; baroek oewang ! wat praat je 
van geld! 

BAROENG (vgl. barëng), te geiyk (komen) 
maar van verschillende of liever van 
tegenovergestelde kanten; ook: aan twee 
sarongs werken (om en om), voor twee 
lastgevers of patroons werken (om de 
beurt); bangbaroeng, dorpel, drempel; nga- 
baroeng, te geiyk (spreken, met anderen, 
d. i. zich in hun spreken mengen of daar- 
tegen ingaan), te geiyk spelen (van ge- 
ïyksoortige instrumenten); dibaroeng koe 



BAROENGBOENG— -BASEUH. 



5& 



iatabeuhan, (terwyi men juichte) viel de 
muziek in, sloot zich daarby aan, stemde 
daarmee in. 

BAROENGBOENG, 1. de as van een 
MoUtjer of molentje; 2. het stukje ryst- 
stroo dat men by het sneden der rtjst 
onder de vruchttrosjes laat; 3. het hand- 
vatje van de etem; 4. verlengstuk van 
de soempit. 

BAROENGOET, == barëngoet. P. 
BAROENQ8INANQ,ngbr.;n^a6aroen^stnany, 
verkl. met reja pepentadnana, dwingen nu 
om dit dan om dat, dwingerig, dreinen, 
malen ergens om ; in t algemeen z. v. a. 
ngaroedjitkeun, iemand last veroorzaken, 
moeite aandoen, het iemand lastig maken. 

BAROENTAK (vgl. barantak), uitéén zyn, 
gescheiden zyn, met elkander overhoop 
liggen , tweedracht, z. v. a. saroesoet; verder 
z. v. a. roeksak, ten onder gaan, onder- 
gang (b. v. van iemand wiens middelen 
geheel zyn uitgeput), een toestand van 
ellende, van armoede; ook: verval, in verval; 
djadi baroentak, in onmin met elkander 
geraken, ten onder gaan; tëmahna djadi 
baroentak nagara, in 't eind gaat de stad 
onder; matak (of mawa) baroentak, veroor- 
zaken dat men met elkander in onmin 
geraakt of overhoop komt te liggen, 
ondergang veroorzaken; ngabaroentdkkeun, 
verwarring of tweedracht stichten. 

BAROENTAS, naam van een plant die 
veel tot omheining gebezigd wordt. 

BAROEROETEUN, het onaangenaam ge- 
voel van iemand die ontwaakt maar niet 
uitgeslapen is. 

BAROES, plaatsnaam, Baros (op N.-Su- 
matra); kapoer Baroes, kamfer. 

BAROE80EH, (by kinderen) zweertjes op 
de tong, spruw, rood aan kin en hals 
(z. a. van kinderen die erg kwalen), 
branderig, vurig; ook: beslagen (van 
de tong). 

BAROETAH, hetzelfde als waroetah, zie 
ald.; maroetah, nieuw opbouwen, her- 
bouwen; dibaroetah. 

BAROETJOET, met diepe rimpels, met 
voren, ploegen hebben, geploegd (van 
't gelaat). 

BAROEWANQ, vergift uithet planten- of 
delfstoffenryk; overdr.: tot een vergif zyn 
(b. v. een slecht mensen); ngabaroewang, 
met vergift vermengen of bestryken, ver- 
gift ingeven, vergiftigen; dibaroewang. 

BAROGOD, touw, band, keten, boei (waar- 
mede iemand gebonden is); ngabarogod, 
iemand binden, zóó dat de armen styf 
tegen het lichaam zitten; dibarogod: kaba- 
rogod. (Vgl. banda II en bobontot by bontot) 



BARONG, I. een mensen, die zich als 
een tijger, draak (naga) of ander dier 
vermomd heeft; verder: vermomming, 
masker; barongan, babarongan en bang- 
barongan, idem. 

II. Ong. = bangka, gloeien (van kolen 
of sintels). P. 

BA8, het Holl. baas; timmerbaas; toekang 
bas, = toekang kai, timmerman. 

BA8A, I. (Skr. bhasa), taal; ook: een 
zeggen; ari basana k$eui hun zeggen is 
aldus (zy spreken aldus); hanteubasa, het 
is geen taal, men zegt zoo niet; djoeroe basa, 
taalman, tolk; oempak basa, rangwoord, 
gezegd van woorden welker gebruik door 
stand en rang worden geregeld (nl. hooge 
en lage woorden, in dit Woordenboek 
aangeduid door lëmës, kasar, enz.); babasan, 
manier van spreken, spreekwys, spreek- 
woordeiyk gezegde, kernachtige uitdruk- 
king, spreuk, zinspreuk (vgl. paribasa); 
ngabasadn, noemen; dibasadn, genoemd 
worden; ngabasakeun, = njéboeikeun, iets 
uitspreken, onder woorden brengen, aan- 
spreken als, noemen; dibasakeun bapa, als 
vader aangesproken worden; dibasakeun 
roekoen, inzettingen genoemd zyn; taja 
basakeuneunana, niet uit te spreken, on- 
uitsprekelijk. 

II. Toen, tydens, ten tyde dat; keur basa 
of keur basana, idem. (Vgl. mangsa.) 

BA8ADJAN, verkl. met midang hanteu, 
kotor hanteu, d. i. middelmatig, de middel- 
maat (inz. in de kleeding) bewaren; ook: 
het schikt nog al. 

BA8AH (het Turksche bassa), pacha, 
generaal, krygsbevelhebber. 

BA8ANGKAL (vgl. sangkal), eigenzinnig* 
weerbarstig, tegenstrevend, weerspannig, 
ongehoorzaam, ondeugend, halsstarrig. 

BA8AR (Ar., batsar, ziende zyn), de 
twaalfde der twintig eigenschappen, 
door de Mohamm. Theologie aan Allah 
toegekend en verkl. met ningali, hanteu 
koe sotja), alziende. 

BA8ARIJAH (Ar., basjaryat, menscheiyk- 
heid), gewoon menscheiyk gebrek; verder: 
ontevreden , misnoegd, onvergenoegd ; ook : 
morren; aralbasarjfah, idem, met verst. 
(Vgl. ar al.) 

BA8EUH, vochtig, nat; ook: versch(b.v. 
vleesch of koorn); gandoem baseuh, versch 
(nog groen) koorn; ngabaseuhan, nat maken, 
bevochtigen, doorvochtigen; dibaseuhan; 
kabaseuhan, nat iaken, nat geraakt; baba- 
seuh, badgarong (vgl. babasak); ngababa- 
seuhan, iemand (b. v. een kind dat besneden 
wordt) de oude kleeren uit- en de nieuwe 
aantrekken ; dibabaseuhan. 



60 



BASI— BATJAK. 



BA8I, een platte schaal of schotel ; basi 
toetoep, dekschaal. 

BA8IJAR, = pasjjar (Port. passear, wan- 
delen, toeren), wandelen, een wandeling 
maken, een toertje maken te voet, per 
rytuig, enz. 

BA8IRAN (Ar. batsiran, vgl. basar), de 
negentiende der twintig eigenschappen, 
door de Moh. Theologie aan Allah toe- 
gekend en verkl. met anoe ningali), de 
Ziende, de Alziende. 

BA8ISIR, het strand, zeestrand. [Men 
zegt en schrift ook pasisir.] 

BASIWAH, achterlaten, nalaten. (Vgl. 
siwah.) 

BA8KAT, een onderiyfje (tadah kesang) 
behoorende tot de vrouwenkleeding [over 
elkander geslagen of op de zijden met 
bandjes vastgemaakt]; ook: korset. 

BA8MI (Skr. bhasmï, eig. tot asch ver- 
gaan), g. w.; ngabasmi, uitroeien, verdelgen, 
vernietigen; basmi ati maneh noe takaboer, 
verdelg uw hoo vaardig hart, d.i. doe weg 
de hoo vaardigheid van uw hart; dibasmi; 
kabasmi, vernietigd, verdelgd. 

BA80E (vgl. 't Jav. asoe, hond), 1. een 
legendarisch gedrocht in de gestalte van 
een wilden ever met hondskop, behept 
met boedoeg of schurft, en dat Nji Seri, 
het rystgewas, belaagde (P.);-2. boedoeg 
basof, zekere huiduitslag die het geheele 
lichaam bedekt. 

BAT, z. v. a. tëroes, zich uitstrekken in 
rechte richting (vgl. kêbat en ëmbat); boet- 
bat, (van wegen) zich uitstrekken of loopen 
naar allerlei richting. 

BATA, I. gebakken steen, straat- of 
metselsteen (vgl. batoe); ngabata, styf 
worden, hard worden, versteven, ver- 
steenen, verharden; ook: verstompt (van 
verstand of hart) ; ngabatadn, 1. met bata 
bevloeren; 2. = meuleum bata, steen èn 
bakken; dibatadn, met steenen bevloerd 
worden. 

II. V 6 oo baoe of vierkante roede (= toem- 
bak); sabata, één bata, per bata. 

BATAL (Ar., bathal), zonder waarde, 
nietig, ydel, niet geldig, van onwaarde 
(het gebed, een echt verbintenis, enz.); 
verder: breken, gebroken (b.v. de vasten); 
ook: veredeld, niet doorgaan (b. v. een 
hadjaf); ngabatalkeun, ydel doen zyn, ver- 
oorzaken dat een handeling niet geldig 
is; dibataUceun. 

BATAN, = manan, meer (minder) dan; 

ti batan en alah batan, idem (zie Spraakk. 

f 110 c); anoe batan kyeu, nieteling (vgl. 

kpcu). 

BATANQ, alleen in koeroeng batang, een 



langwerpig vierkante kooi of hok, in den 
vorm van een pasar an; babatang, een dood 
mensen of dier, ïyk (van een mensch), 
kreng (van dieren); dioeroegan koe babatang, 
iets met ïyken overdekken;pamatanflr(Z.-B.), 
heuvelrug. 

BATARA (Skr. bhattara, heidensche 
godheid, god, goden), 1. van God, b. t. 
Pangeran, Allah maraneh, nja Bataraning 
sakabeh batara, de Heer, uw God, is een 
God der goden; Batara wisesa, dealmach» 
tige God; - 2. van een heidensche god- 
heid, b. v. batara Doerga, de god Doerga; 
batara-batara, goden; - 8. soms van een 
vorst, b. v. njanggakeun sërat ka batara 
Madajin, hy gaf den brief over aan den 
vorst van Medié. 

BATARI, het vrouwelijk van batara: 
godin, godinnen. 
BATAWI, voll. nagari Batavoi, Batavia. 
BATËK, I. ngbr.; matëk, een zwaard of 
derg. wapen uit de scheede trekken ;pëdang 
beunang matëk, een uitgetrokken zwaard; 
dibatëk; - batëkan, stuk (b. v. touw). 
II. (Kad.), rekbaar, elastisch. 
BATI (Skr., loon), wat men ergens op of 
by wint, winst, voordeel (zie ook seueul); 
babaten, winst zoeken of bejagen met of 
van ; ngabatian, op winst zetten of uit- 
zetten, trachten van iets winst te krjjgen ; 
dibatian; ngababatenkeun, van iets winst 
trachten te behalen, ook b. v. van toe- 
vertrouwd goed; dibabatenkeun. 

BATIK, uit de hand geschilderd (gebatikt) 
iy nwaad ; ook : het zoo beschilderen van iy n- 
waad; samping batik, een sarong van ge- 
batikt lynwaad; ngabatik, lynwaad uit de 
hand beschilderen; dibatik. 

BATIN (Ar., bathin) k., batos 1., het in- 
wendige, inneriyke, verborgene; verder: het 
binnenste, het gemoed; ook: de onzicht- 
bare wereld (het tegenoverg. van lahir), 
het wezenlijke leven; di batin en di djëro 
batin, in het binnenste, in het gemoed; 
lahirbatin, uit- en inwendig, tyd en 
eeuwigheid, voor eeuwig; ti lahir népi ka 
batin, voor immer en altyd. 

BATINQ, alleen in bating teuing, z. v. a. : 
het baat niet. [Naar het schynt een ver- 
bastering van batin, dat nog wel eens zóó 
uitgesproken wordt.] 
BATI8, het Holl. batist; idem. 
BATJA, = 't meer gebr. watja, g. w.: 
lees 1 babatjadn, zoo maar wat lezen, doen 
alsof men leest, het lezen nadoen. 

BATJAK, ngbr.; babatjak, gereed gezet, 
gereed staan (van spyzen, zóó als op den 
disch); babatjakan, (van vele personen) 
een maaltyd te zamen houden. 



BATJANG— BA WA. 



61 



BATJANG, I. = limoes, naam van een 
slechte manggah-aooit (Vgl. bapang II.) 

II. (Djamp.), = pitapak; zie tapak. 

BATJATJAH, ontbreken aan ; teu batjatjah, 
niet aan ontbreken, compleet, volkomen. 

BATJEJO, maar veelal ngabatjejo, praten 
in 't honderd, praten zonder zin (z. a. b. v. 
een tjijoeng of bejo, die men praten leert); 
verder: praten zonder verstand. 

BATJËM, ngbr.j ngabatjëm, (visch of 
vleesch) onder de pekel zetten, (kleeren 
of stoffen) onder water zetten; dibatjëm. 

BATJIN, stinken; baoe batjin, stank; 
bfjoekbatjin, kwade dampen. 

BATJOK, I. ngbr.; ngabatjok, = ngadek, 
hakken (met een mes of derg.). 

II. (Z.-B.), = sorok II., en ook: drinknap 
(kroes) van awi kasap [door de palmtap- 
pers in de binnenlanden in stede van drink- 
glazen gebruikt, P.]. 

BATJOKAK, = djapakan, een vuile-, los- 
zinnige of wel beleedigende taal voeren; 
ngabatjokak, zich grievend of beleedigend 
tegen iemand uitlaten. 

BATJOT, k. p. van soengoet en biwir, 
mond, bek, smoel, lip, snater; sok reja 
batjot, = sok reja omong, veel praats heb- 
hen, zyn snater roeren; hamboer batjot 
moerah tjongtjot, sprkw. voor: twistziek, 
maar goedgeefsch; tamplok-batjoteun, lett. 
omkantelen als de mond (met uitstorting 
van den geheelen inhoud), een sprkw. 
voor: zyn geld of goed verspillen of ver- 
kwisten, zoo maar uitstorten, weggeven 
aan wie maar vraagt (zie ook batok); 
moerah babaijot, verkwistend, spilziek; 
ngabatjot, 1. k. p. van ngomong, snateren; 
2. (gezegd van een soeroetoe of sigaar) zoo 
goed als opgerookt zyn. 

BATOE, steen (uit de natuur, vgl. 
bata)-, ook gebruikt van fraaie steenen, 
halfedelgesteenten (echte edelgesteenten 
heeten iniën); hoeroe batoe, een Goeroe-soort; 
djamboe batoe, een djamboe-soort (ook 
djamboe bidji genoemd); tjaoe batoe, een 
pisangsoort ; simeut batoe, een soort sprink- 
haan; poejoeh batoe, een soort van patrijs?; 
goela batoe, klontje, klontjes; hoedjan batoe, 
iiagel, ook hoedjan boewah genoemd; tjai 
batoe, y s ; goerat batoe, merk in steen, overdr. 
voor: een woord of belofte dat of die 
zeker is, een zaak die stellig geschieden 
zal (vgl. tjai), zyn woord houden; oelam 
batoe f verol. ultdr. voor warangan, en dit 
een speling op piwarangan (P); toekang 
batoe, steenhouwer [nl. iemand die tatapakan 
enz. maakt]; ngabatoe, tot steen worden, 
steennard geworden, hard als steen. (Vgl. 
sipat I. en timbang II.) 



BATOCK k., gohgoj 1., hoesten, hoest; 
babatoekan, gemaakt hoesten; ngabatoék- 
keun, doen hoesten, ophoesten, uithoesten; 
ngabatoekkeun gëtih, bloed ophoesten; 
dibatoekkeun. 

BATOENQ (Z -B.), = bitoeng. 

BATOER, I. die er by is of staat, die er 
by behoort (van menschen en voorwerpen 
die by elkaar zyn of behooren), de andere 
(z.a. van een paar of span), die iets mede- 
doet of in iets deelt, naaste, medemensch, 
en zoo verder: k., rentj&ng 1., genoot, met- 
gezel, kameraad, makker, collega, vennoot ; 
ook: bediende; verder z. v. a. elkander, b. v. 
pada ngomong djeung batoerna, zy spraken 
tot elkander; batoerna sare, zyn slaap- 
kameraad ; pibatoereun, die iets zal mede- 
doen, genoot of bediende zal zyn, of 
derg.; pibatoereun agoes moelih, om u ge- 
zelschap te houden op den terugweg; 
babatoeran, genoten van elkander zyn, 
omgang hebben met elkander, elkander 
gezelschap houden, te zamen, met elkan- 
der; ngabatoeran, zich by iemand voegen, 
kameraadschap met iemand sluiten, zich 
tot iemand gezellen ; dibatoeran, aan iemand 
tot makker of makkers medegeven. 

II. Volgens P. plint, rollaag; binatoer, 
op een rollaag staande, van een plint 
voorzien zyn. 

BATOEWAH, z. v.a. kamatihan, buiten- 
gewone kracht, buitengemeen vermogen; 
teu njaho sija ka batoewah aingt ken je 
myn buitengemeen vermogen niet? beda- 
keun batoewahna, onderscheid hun ver- 
mogen. 

BATOK, klapperdop of dop van een 
kokosnoot [gebruikt tot nap om uit te 
drinken, of met een steel eraan tot scheppen 
enz., terwijl er verder allerlei voorwerpen 
voor huiseiyk gebruik van worden ver- 
vaardigd]; ook naam van een maat: één gan- 
tang heeft 20 batok; sabatok, één zoodanige 
maat, enz.; koeja batok, een klein soort 
koeja; tamplok-batokeun, wordt wel eens 
gezegd in plaats van tamplok-batjoteun, 
zie batjot\ babatok k., hoofdschedel, herse- 
pan; ook: afgeslagen hoofd (vgl. tangkorek). 

BAT08, 1. van batin; zie ald. 

BAWA k., bantoen s., tjandak 1., g. w.: 
neem medel neem met u! breng! ook 
(doch dit geldt slechts van bawa): het 
mee- of by zich dragen, wat men draagt 
of medebrengt; verder: oorzaak van, van- 
wege, door; banda bawa, rechtsterm ter 
aanduiding van de ten huweiyk mede- 
gebrachte goederen (P.); bawana 120 
marijëm, met zich voerende 120 kanonnen; 
kitoe bawana ti waktoe dikandoeng, hy 



62 



BAWAH— BEBKL. 



bracht dit mede uit den moederschoot 
(d.i. hj) werd alzóó geboren); bawaning, 
bawaning koe, bawaning Una, hoe bawaning, 
Una bawaning, koe bawaning Una, uit oor- 
zaak van, vanwege, door; bawaeun, iets 
om te dragen, te brengen of mee te voeren ; 
barangbawa, medenemec, medevoeren, 
dragen, brengen ; mawa k., ngagoeboeg k. p , 
ngabanioen s., njandak 1., met zich voeren, 
brengen, wegbrengen, heenvoeren ; verder 
(maar alleen mawa): in betrekken, mede- 
sleepen in (inz.in 't ongeluk), laten deelen 
in; ook: mede, met, in, oorzaak z}jn van, 
leiden tot; mawa maneh, zichzelven mede- 
voeren, d. i. eigenzinnig ztfn; ook wel: 
zich op den voorgrond stellen; maotmawa 
iman, sterven met (d. i. in) 't geloof; paeh 
mawa dosa, sterven met (d. i. zonder 
bevrtfd te zjjn van) zonden, in de zonde 
sterven; sangoe mawa kakoewatan, derjjst 
geeft (veroorzaakt) kracht; mawa moekti, 
leiden tot (veroorzaken) rijkdom; dibawa; 
kabawa, medegebracht, medegegevoerd; 
ook: ver voerbaar, draagbaar, te dragen; 
sakabawana, zooveel als men maar eenigs- 
zins dragen kan, zooveel mogeiyk; -pama- 
wa, gevolg, uitwerksel ; -përbawa (Skr. pra- 
bhawa, superioriteit), aard, toestand, 
neiging, kracht, beteekenis, uitwerksel (vgl. 
kasijat); bdbawadn, wat iemand te dragen 
heeft of draagt, wat medegevoerd zal wor- 
den, dracht, vracht, last; tjai babawadnana, 
het water dat hfl medebracht; mawa* 
mawa of mamawa k., njatjandak 1., overal 
medevoeren, medesleepen, met iets rond- 
sjouwen; ook: iemand in een zaak betrek- 
ken; sok mawa-mawa maneh, zich op den 
voorgrond plaatsen; dibawa-bawa, dibaba* 
wa; mawadn (in het spreken soms samen- 
getrokken tot madn), iemand iets brengen, 
aanbrengen, aandragen, aanvoeren; diba- 
wadn (dibadn); mawakeun, iets naar iemand 
of ergens heen dragen; dibawakeun, iets 
naar iemand toe- of heenzenden, iets 
ergens heen- of inzenden; kabawdkeun, 
medegevoerd worden; ook: geheel met iets 
vervuld of ingenomen (zoodat men zich 
alleen daarom bekommert); kabawakeun 
koe pangandika, geheel door het woord (of 
door yver van het woord) worden mede- 
gesleept. 

BAWAH, en di bawah, = handapeun en 
di handapeun, onder, nl. onder de macht, 
onder 't gebied of derg.; di bawah tangan, 
onder de hand, d.i. onder de macht; di 
bawah parentah, onder de heerschappij, 
onder 't gebied; di bawahna, in de onder- 
hoorigheid ; dibawahkeun, gebracht worden 
of zfln onder, onderworpen worden of 



geworden ; - bawahan, wat men onder zich 
heeft, onderhoorigheid; koendang bawahan f 
z. v. a. kapihapean, in bewaring hebben (P.). 

BAWAK, het hout waarin het jjzer van 
den patjoel is gevat, anders gezegd : doran 
patjoél. 

BA WAL, naam van een zeevisch. 

BA WANG, ui, uien; djangkrik bawang, een 
gele krekel ; koelit bawang, uieschil ; sakoelit- 
bawang of ngoelit-bawang, lichtgeraakt* 
spoedig driftig worden \ngageutah bawang, 
hetzelfde; babawangan, naam van een 
grassoort, op 't loof van uien gelijkend. 

BAWANING, zie bawa. 

BAWAT, alleen in pajoeng bawat, een 
zonnescherm met franjes aan de punten, 
geiyk men nog b\) de Chineesche huwelijken 
ziet gebruiken, staatsie-zonnescherm. 

BAWEL, verkl. met nanja deux nanja 
deui, al maar blyven vragen: ook: al maar 
praten, maar doorpraten. 

BAWON, benaming van het aandeel, dat 
zy die ryst helpen snvjden van den oogst 
ontvangen. 

BÉ, tusschenwerpsel om afkeuring uit 
te drukken, = ons: bah! (Vgl. bo.) 

BEBAS, 1. geheel weg-, geheel op zjjn, 
niet meer zjjn, weggevaagd (b. r. een leger 
dat in de pan gehakt is) ; - 2. k., loenas B. f 
impas 1., afbetaald, aangezuiverd (van een 
schuld); in Kad. ook: vry gesproken. 

BËBËD, toegevouwen of toegeslagen 
oepih (bloemscheede van de djambe); ook 
wat daarin verpakt is; ngabëbëd, iets 
pakken in oepih; dibëbëd. 

BëBëGIG, pop in de gedaante en ter 
grootte van een mensen, dienst doende 
bfl optochten of als vogelverschrikker. 
(Vgl. badawang.) 

BËBËK, g. w. ; mëbëk en ngabëbëk, stampen, 
fijn of fijner stampen, of stooten (vgl. 
ngagoegoeran bff goegöer); ook: vergruizen; 
dibëbëk. 

BEBEK, I. = mëri, de gewone eend. 

II. Scheuren; tibébek, gescheurd raken 
of geraakt, opscheuren, ingescheurd; 
mebekkeun, in tweeën spleten of scheuren, 
met kracht open- of losscheuren; dibebek- 
keun, gescheurd-, afgescheurd-, op- of 
ingescheurd, in tweeën gescheurd worden 
of z^n. 

III. Hulptelw. om planken te tellen, 
stuks; papan sabebek, één plank, enz. 

BEBEKA, ngbr.; ngabebekakeun, ■= nga- 
bangbèrangkeun; zie bangbërang. 

BÉBËKIS, verkl. met ambëk-ambëkan, het 
benauwd hebben (b. v. iemand die in den 
rook staat), dreigen te stikken. 

BËBËL, k. p. van sirit, het mannelijk lid. 



BEBELOEK- BEBODO. 



63 



BËBËLOEK, eea larve, behoorende tot 
de hama of schadelijkheden in het ryst- 
gewas [larven van hoorders; zy boren 
gangen in den padistengel en tasten den 
bloems tengel aan, waardoor de bloemaar 
of pluim voos biyft, B.]j in Kad. ook een 
der woorden om 't mislukken van het 
rystgewas aan te duiden. 

BÈBËNAH of ngabëbënah, een vertrek 
opruimen en in gereedheid brengen (b. v. 
om er te logeeren), een kamer inrichten, 
een slaapplaats of bed in orde maken of 
opmaken, het bod maken; beunang nga- 
bëbënah, in orde gebracht (van een ver- 
trek), opgemaakt (van het bed); nga- 
bëbënahan, een bepaald vertrek of bepaalde 
slaapplaats in orde brengen of inrichten, 
het bed spreiden; bëbënahan ênggon, maak 
de slaapplaats in orde, spreid het bed; 
dibëbënahan. 

BEBENDJO, ngbr.; ngabebendjokeun, een 
kind stilmaken of stilhouden, stillen; ook: 
pogingen aanwenden dat iemand zich over 
iets onaangenaams heenzet; bebendjokeun, 
houd (het) stil, sus het; dibebendjokeun ; 
kabebendjokeun, afgeleid zyn. 

BEBENE, zie bene. 

BËBÉNQ, I. geiyk van grootte of dikte of 
wel van beiden, op alle punten geiyk van 
omvang; soekoe bëbëng, de vorm der pooten 
van een dier (rund b.v., zonder buiging, 
verdunning enz., overal geiyk). Vgl. 
bëngbëng. 

II. Kabëbëng, niet tot braken-, tot afgaan-, 
tot baren kunnen komen. 

BÉBËNJON, = babanjolan, railleeren. P. 

BËBËNTËR, = tjotjopet; zie ald. P. 

BËBËNTINQ, = beubeur en = bëbëngkoeng, 
zie ald.; dibëbënting. 

BËBËNTJE, = ptptko, het mannetje van 
de poejoeh, wachtel, kwartel; bëbëntjerame 
disada, alamatna dek aja anoe maling, de 
bëbëntje's lieten zich druk hooren, als 
voorteeken dat er dieven zouden komen. 

BËBËR, I. een band, gordelband, windsel 
of verband ergens om; ook: sjerp; verder: 
sluitlaken waarmede de buik eener kraam- 
vrouw styf omwikkeld wordt; mëbër, een 
band, winsel enz. ergens omdoen (tot be- 
vestiging, tot stevigheid, voor de warmte, 
enz.); dibëbër; mëbëran, omwinden, om- 
woelen; dibëbëran. (Vgl. beubeur.) 

II. Slik (niet algemeen, maar ook nog 
voorkomend in den plaatsnaam Tjibeber). 

BEBER, uitgespreid of ontrold zyn, ont- 
plooid; meber, uitspreiden, uitgespreid (b. v. 
een doek), geheschen of uitgespannen 
(b. v. een zeil); overd.: zich uitspreiden, 
d. i. „het breed laten hangen" ;djangdjang 



mtber, met uitgespreide vleugels; dibéber, 
ontrold-, uitgespreid worden; ook : geopend- f 
opengelegd worden (b. v. een brief), uit- 
gespannen of geheschen worden (van een 
zeil); meberkeun en ngabeberkeun, iets 
uitspreiden, ontrollen, ontplooien; ook: 
breedmaken; meberkeun akal, het verstand 
ontplooien, ontwikkelen; ngabeber-beber- 
keun maneh, zich breedmaken, meer 
toonen dan men is; dibeberkeun. 

BËBËR AH, g. w.; ngabëbërah, iemand 
verstrooien of opfleuren; ngabëbérahkeun, 
^= ngabangbërangkeun, iemand genoegen 
aandoen (b. v. door hem by vrienden en 
kennissen rond te leiden of hem op andere 
wyze genot te verschaffen), iemand aflei- 
ding of verstrooiing bezorgen; dibëbërah- 
keun; pangbëbërah, middel tot verstrooiing. 

BËBÉRÉMDJES, verkl. met ngaginding 
teu matak pantës, op ongepaste wyze 
pronken, ong. = ons: „een vlag op een 
modderschuit." 

BEBERETEAN, naam van een doorn" 
struif met zoete bessen, wilde framboos. 
[Men vindt ze hier en daar op een bergtop.] 

BËBÈRO, = sangeuk, ik wil niet ; kabëbëro, 
het niet- willen. 

BËBËROED, een houten cylinder of soort 
kleine bëdoeg, aan de eene zyde met onge- 
looid leder overspannen, hetwelk in 't mid- 
den een pees heeft, die met geutah is be- 
streken. [Men trekt deze knopend tusschen 
de vingers door, djëmbel, waardoor het vel 
gaat trillen en het toestel een gebrul 
laat hooren, dat het gebrul van een 
tyger nabootst. Dient vooral om wilde 
zwtfnen uit het gewas te houden.] B. 

BËBËROEK (Ygl.broek), — toebroek; zie ald. 

BËBËROET, naam van een duifvogel. 

BËBË8 (vgl. bës), het ergens ingaan; 
bëbës ka soeklakna ka sikloekna, verkl. met 
dihantëm ditejangan ka mam-manu, overal 
heen- of ingaan om iemand of iets te zoeken; 
mëbës, ingaan, zich ergens in verbergen 
(vgl. moeboes)', kabëbës, (van personen of 
zaken) er in gegaan zyn, er binnen gegaan 
z^n, ze afgeloopen hebben; mSbëskeun of 
ngabëbëskeun, iets doen in, stoppen in, 
verbergen in; dibëbëskeun. 

BËBÈSARAN, voll. tangkal bëbësaran, 
naam van een soort moerbeiboompje 
[voor de teelt van zydewormen gebezigd]. 

BEBET (Jav.), soort, slag van (mensen b.v.). 

BËBËTEK, versierd hekwerk; saoeng 
bëbëtek, loofhut; ngabèbëtek, met bëbëtek ver- 
sieren; ook wel eens voor „groenmaken"; 
dïbëbëtek. 

BÉBODO (Indr.), = ngabobodo (zie bodoU 
bedriegen. 



64 



BEDA-BEDJE. 



BEDA (Skr. bheda, verdeeling, scheiding) 
k., bentën 1., (van elkander of van iets) 
verschillen, verschillend, onderscheiden; 
ook: onderscheid; beda Allah tadla 
djeung sakabeh anoe anjar, God de aller- 
hoogste is onderscheiden van al het ge- 
schapene; beda-beda, onderling verschil- 
lend; ngabedakeun, verschil maken of 
onderscheiden tusschen; ook: doen ver- 
schillen; dibedakeun; ngabebeda, aanh. 
onderscheiden; dibebeda. 

BËDAQ, ngbr.; ngabëdag, 1. van ngoedag, 
achtervolgen, nazetten, najagen; dibëdag; 
kabëdag, 1. van kaoedag en kaboeroe, achter- 
haald, ingehaald; teu kabëdag, niet achter- 
haald; verder: niet afgekregen (b.v. zeker 
werk, otiidat 't donker werd of om een 
andere reden); ook: er niet toe gekomen 
z\)n; - bëbëdag (Indr.), als koeli dienen; 
samping bëbëdag, verkl. met samping noe 
dipake sapopoë, daagsche sarong ; - bëdagan 
(Indr.), = koelian, koeli-loon. 

BËDAH, barsten, scheuren, breken (de 
huid, leder, een net, enz.), doorbreken 
(b.v. een dyk), bezwyken (b.v. een stad of 
een leger, ten gevolge van een aanval); ook: 
een nieuwe sawah enz. aanleggen; lahan 
bëdaheun, te ontginnen land, braakland; 
ngabëdah, scheuren, verscheuren (b. v. een 
stuk katoen, waarvan men kleeren maken 
wil), doorbreken, openbreken, vermeesteren 
(b. v. een stad), uitdreven, vrijlaten, heen- 
voeren ; verder : uitbreken, uitvallen, een uit- 
val doen (b.v. uit een vesting); ook : een nieu- 
we sawah enz. maken, ontginnen; ngabëiah 
badjoe (of pibadjoeëun), katoen enz. scheuren 
voor een baadje, knippen, sneden (een te 
maken kleedingstuk); ook (een kleeding- 
stuk) maken; dibëdah; bëdahan, snit, fat- 
soen (inz. van een baadje); bëbëdahan 
sawah, meerdere sawah's aanleggen; nga- 
bëdahkeun, een scheur ergens in maken, 
scheuren, afscheuren; verder: iets door- 
breken (b.v. een dyk), openmaken (b.v. 
een vtfver, zoodat men het water laat 
uitloopen), doen barsten, doen vaneen- 
springen; dibëdahkeun; - pangbëdah, de 
macht of den toeleg hebben om iemand 
tot iets te voeren, heen te dry ven of te 
vervoeren. 

BëDAJA, = 't meer gebr. badaja. 

BËDAK, of wel wëdak, welriekend poeder 
van rystmeel met rozenwater enz. (dienende 
tot stuifpoeder ofblanketsel);di&&tafc,zich 
met bëdak poeieren; ngabëdak, een ander 
met bëdak poeieren. 

BÉDANQ, eigenzinnig, koppig. 

BÉDAS, sterk (van kracht of geluid), spier- 
krachtig; verder: met kracht, forsch (b.v, 



roepen of trekken); ngabëdasan, in kracht 
toenemen, aansterken; ook: iemand sterker 
maken, voor iemand zyn, iemand bestaan, 
voorthelpen, zich iemand ter zyde stellen, 
iemand by vallen; dibëdasan;ngabëdaskeun, 
sterk maken, versterken, sterker of luider 
doen zyn; dibëdaskeun; kdbëdasan, sterkte, 
macht, kracht. 

BËDËGËL (Buit.), klein (kort) maar 
groot van omvang (inz. van personen 
die kort, maar breed en dik zyn). 

BËDËQOEL, ongedekt; bëbëdëgoelan, zon- 
der hoofddoek en baadje rondloopen. 

BËDÈGOENG, = 't meer gebr. bëdëgong. 

BËDÉGONQ, ook bëdëgoeng of badigoeng, 
grof, lomp, vlegelachtig; verder z. v. a. 
langgoek, ydele hoogmoed, verwaand, 
trotsch, aanmatigend; ook: uit hoogmoed 
en verwaandheid weigeren of onwillig zyn 
om te volgen of te gehoorzamen, terwyi 
men dat in woorden en handelingen laat 
uitkomen. (Vgl. bëlëngong.) 

BÉDEL, ngbr.; mëdel en ngdbëdel, 1. een 
visch schoonmaken; 2. een mensen of 
dier den buik opensneden ;dibëdel;mëdelan 
of ngabëdelan, = mëdel, maar van meer 
dan één object; dibëdelan. (Vgl. toedal.) 

BËDIL, geweer; ngëm,bangbëdü, als de 
bloem van het geweer, een verbl. uitdr. 
voor obat, kruit, en zoodoende een 
speling op tobat, excuus vragen (P.); 
ngabëdil, schieten, op iemand of iets 
schieten; dibëdil\-bëbëdil, schieten zonder 
bepaald doel, herhaaldelijk schieten; ook 
k., boeboedjëng 1., uit schieten (jagen) gaan; 
kabëdil, by ongeluk door een schot ge- 
troffen; ngabëdilan, aanh. schieten op, be- 
schieten; dibëdilan. 

BEDJA (Skr. wedya, te weten) la.,wartos 
1., bericht, tyding; aja bedja, er is (was) 
een bericht; pibedjaeun, wat men te be- 
richten heeft; bebedja, berichten, kennis- 
geven, komen zeggen; ngabedjadn, aan 
iemand berichten ; dibedjadn ; ngabedjakeun, 
iets berichten, een tyding brengen, aankon- 
digen; dibedjakeun. 

BÈDJAD, uiteenspringen, in stukken 
springen (b. v. een schedel), barsten (b. v. 
een schip dat stoot), uit elkander ge- 
sprongen; overdr. van iemand die vroeg 
oud of verzwakt is, inz. ten gevolge van 
ontuchtig leven (vgl. rerempo);bëbëdjadan, 
de stukken of brokken van iets dat op 
de wyze van bëdjad uiteengesprongen is; 
bëbëdjadan kapal, wrakhout, dry vend hout; 
ngabëdjadkeun, uiteen doen springen, doen 
verbrijzelen; dibëdjadkeun. 

BEDJE, ngbr.; bedja bedje, een bericht 
uit de tweede hand. 



BEDJER— BEH. 



65 



BEDJER, = djedjer, z. v. a. dj a dj ar, op 
een ry liggen, uitéénliggen. (Zie ook 
bejas.) 

BEDJO, naam van een bruinachtige 
kleur, en wel de kleur van de sawo- 
vrucht. 

BËDJOQ, oud en versleten. P. 

BËOO (vgl. bada), z. v. a. hanteu toeloes, 
niet doorgaan; ngabëdokeun, iets niet doen 
doorgaan, afzeggen (b. v. een verloving); 
dibëdokeun. 

BËDOED, ngbr.; ngabëdoed, z.v.a. baeud; 
zie ald. P. 

BËOOEG, de groote trom (zoo iets als 
een Turkscne trom), waarop men aan 
moskee en langgar de gebedstijden aan- 
kondigt (gebedstrom), en waarop men 
slaat of roffelt in het middernachtelijk 
uur in de Mohammed, vastenmaand, als- 
ook by brand en andeie onheilen, ter 
waarschuwing van het publiek; nabeuh 
bëdoeg, op de bëdoeg slaan; djaoehkabëdoeg, 
d.i. djaoeh ka dajeuh {of kanagara),8^rk.w . 
gezegd van iemand die niet weet hoe het 
hoort; ngabédoeg, slechts tot tëngange 
(12 uren), dus >£ dag arbeiden ; kabédoegan, 
door de magrib-bëdoeg overvallen worden, 
zoodat men uit moet scheiden met het- 
geen waarmede men bezig is, daar later 
te arbieden pamali heet (P.). Vgl. dawoeh 
en doelag. 

BEDOEL, = bagong, zwtfn; oraj bedoel, 
naam van een zwarte, vergiftige slang. 

BËDOQ, kapmes, door lieden uit het volk 
op weg en onder den arbeid in een scheede 
aan een riem om de middel gedragen; 
ngaboeboej bëdog, sprkw.: een ft&fogr in heete 
asch leggen, d. i. van iets te veel werk 
maken, het goede bederven; ngabëdog, 
ong. = ngababad en ngarëngis, opruimen, 
wegruimen (met de bëdog) wat op een stuk 
grond staat (boomen, gras enz.), om ruimte 
te maken ; dibëdog. 

BEDOQ, een verstopten neus hebben 
(ten gevolge van verkoudheid of andere 
oorzaken); ook: het spreken van zoo 
iemand, door den neus spreken. (Vgl. 
bindëng.) 

BËDOL, g. w.; ngabëdol, aan iets hard 
trekken of rukken, met kracht uittrekken, 
uitrukken, ontrukken; dibëdol. 

BEDONG, de windsels waarin men een 
pasgeboren kind kleedt, zóó dat ook de 
armen en been en daarin gewonden worden; 
ngabëdong, een kind in de bedong doen, 
bakeren ; dibëdong ; ngabêdongan, inbakeren ; 
dibèdongan. 

BEDOR, = paksi, de Ijzeren spits van 
een pyi. 

SOBNOANISSCH-HOLL. WOORDXNB. 



BEGAL, straatroover, moordenaar; goeha 
begal, spelonk der moordenaars; ngabegal r 
straatroof plegen, op weg rooven; dibegat, 
op weg (b. v. in een bosch) overvallen 
worden door roovers; bebegal, al maar op 
roof uitgaan; kabegal = kapëgat, verhin- 
derd worden voort te gaan. (Vgl. badjag 
en babahak.) 

BÈGANG, = koeroe, mager, afgemagerd; 
aki-aki bëgang, een afgemagerd oud man; 
ngabëgangan, vermageren; beuki ngdbëga- 
ngan, by toeneming vermageren; kasakit 
ngabëgangan, tering. 

BËGBËG, verkl. met gëde beuheung, een 
dikken hals hebben; overdr.: een brok in 
de keel hebben; ook: een bezwaard gevoel 
hebben (Una soesah ngarasa beur at dina 
dada). 

BËGBRËG, = boegbroeg; ngabëgbrèg, or> 
een hoop liggen, een hoop of stapel vormen;, 
ngabëgbrëgan, op of in iets bijeenbrengen, 
samen pakken of opstapelen; ook: een 
barricade vormen; dibègbrëgan; ngabëgbrëg- 
keun, allerlei dingen in één plaats samen- 
pak k en ; dibëgbrëgkeun. 

BËGER, in 't alg.: lustig, dartel (van 
een vogel of ander jong dier, of ook van 
een jong mensch), jolig (b. v. feestvieren- 
den); verder: naar iets verlangen of haken; 
masing bëger kana djalan kahadean, heb 
verlangen (of haak) naar den weg der 
deugd; in 't bflz.: begeerte hebben tot 
het andere geslacht, weelderig, hittig, 
geil; bëbëgcr, idem. 

BEGOD, ngbr.; ngabegod, bleven zitten 
of liggen, zich niet van een plaats ver- 
wyderen; inz.: tji'jing ka ronggeng atavoa 
ka dajang, al maar in 't hoerenhuis biy ven, 
aan de hoeren verslaafd z{jn. 

BËGOE, = 't meer gebr. bagong. 

BËGOG, een hondennaam; si bëgog, een 
scheidw.: hondl jou hondl kokolot bëgog, 
een kokolot die z\jn werk niet verstaat. 

BEH, I. zichtbaar worden, te zien of in 
't gozicht komen, zichtbaar z$jn; ook 
tusschenw.: zie; beh manggih tjai, zie, ze 
kwamen aan een water; boeh'beh, 't her- 
haalde van beh: hier en daar in 't gezicht 
komen ; geus beh, reeds zichtbaar, reeds 
aanwezig zjjn; tatjan beh, nog niet zicht- 
baar, nog niet aanwezig; koemaha behna, 
zooals het uitvalt of gaan z&\;behnamah, 
het bl\jkt; behna mah bënër tjëk paribasa, 
het blijkt dat het spreekwoord geiyk heeft, 
dat zegt .... 

II. Korte vorm van tibeh, zflde, kant; 
beh Wetan, aan de Oostzode, in het 
Oosten; in Kad. ook: beh dy'eu, tot nu 
toe; beh-beh ffeu, in dit jaargetijde. 

5 



66 



BEJA— BEKSEK. 



BEJA, 'belasting of accijns op artikelen 
van verbruik, impost, tol \pabejan, tolhuis. 
(Vgl. tjoeke.) 

BE JAK k., seëp 1., op, op zy n, verteerd, ver- 
bruikt; verder : verstreken (van den tyd), ten 
einde; ook: ten volle, ten eenenmale ; bejak 
karëp, ten einde raad; bejak nja idjid, ten 
eenenmale verafschuwen; bejak-bejak nja 
përtjaja, ten volle vertrouwen; bebejakan, 
ten einde toe, met alle macht, in de volste 
mate, alle moeite doen, alle kracht of de laat- 
ste kracht inspannen; mejakkeun enngabe- 
jakkeun, opmaken, geheel verbruiken, ge- 
heel aanwenden, tot het einde doen komen; 
mejakkeun ianaga, al zyn krachten in- 
spannen, uit alle macht; mejak-mejakkeun, 
= mejakkeun, maar met verst.; dibe- 
jakkeun. 

BËJAR, = bjar en braj, zie ald.; bëjar 
beurang, het aanbreken van den dag. 

BEJAR, droog (b. v. gekookte rtfst, die 
eenige uren gestaan heef t), los, mul, korre- 
lig, kruimelig; overdr.: helder, open, vrien- 
delijk, opgewekt, minzaam, opgeruimd, 
spraakzaam (vgl. bjar); hanteu bejar, treu- 
rig, neerslachtig, droefgeestig; bejar deui, 
weer ophelderen, weer vriendelijk zyn, 
weer in opgewekte stemming verkeeren; 
ngabejarkeun boedi, het gemoed opwekken, 
het gemoed verkwikken; taja kabejaran, 
droefgeestig, neerslachtig, treurig. 

BEJA8, ontbolsterde ryst; njoö bejas, spe- 
len met ryst (wat pamali heet); beuritning- 
gang bejas, de muis valt in de ryst, sprkw. 
voor: 1. onverwachts een geluk deelachtig 
worden; 2. met zoodanig geluk kwistig 
omgaan; katambang bejas, = kaoentoen ti- 
poeng (zie tipoeng); dibedjer-bejaskeun of 
didjedjer-bejaskeun (eig. de rystkorreltjes 
naast elkander leggen), opgehelderd wor- 
den, nauwkeurig uiteengezet worden; 
pdbejasan, de plaats waar de ryst zich 
bevindt, opslagplaats van de ryst. 

BËJE, zacht, week, b. v. het vleesch 
van vruchten, een doorregende grond, enz. 

BEJETEK, z. v. a. bëje teuing, zeer zacht, 
zeer week, te week. 

BËJË TOEK, = koejoemoet, met stof be- 
dekt, onder het stof liggen. 

BEJO, een andere naam voor de tjijoeng 
(zie aldaar). 

BËK, werkw. tusschenw. voor: hakken, 
houwen (vgl. habëk)\ boeküëk, links en 
rechts hakken of houwen. 

BEK, het Holl. wyk; in 't Bataviasche: 
wtjkmeester. 

BËKAH, voll. baoe bëkah, 1. van baoe babah, 
enz., stinkende adem. (Vgl. babah III.) 

BEKE, bamboe met korte geledingen 



(awi pondok roeioasan); ook: een mensch 
met korte armen en beenen. 

BËKEH, van elkander af, geopend, van- 
één (van twee dingen, die in den gewonen 
toestand aaneensluiten) ; ngabëkehkeun, van 
elkander doen, vanééndoen (door rechts 
en links op z\)de te schuiven); dibëkeh- 
keun. 

BÈKEK, = pëndek en pondok awak, kort 
van lichaamsbouw; badjoe bëkek, kort 
baadje. 

BËKEKEK, ngbr.; ngabëkekek, openliggen; 
ook : openleggen (b. v. een kip die geroost zal 
worden); ngabëkekekkeun, openleggen, van- 
ééndoen; dibëkekekkeun. 

BËKËL k., sangoe 1., leeftocht, inz. voor 
op reis, teerkost; ook: reisgeld; mëkël, leef- 
tocht op reis medenemen,medenemen wat 
men op reis zal behoeven, zich van reis- 
geld enz. voorzien of daarvan voorzien zyn ; 
bëbëkëlan, 1. zich van leeftocht enz. voor- 
zien ; 2. leeftocht, toerkost, reisgeld : mêkëlan 
en ngabëkëlan, tot leeftocht enz. mede- 
nemen; ook: iemand van leeftocht voor- 
zien; dibëkëlan. 

BËKËM, ngbr.; ngabëkëm, iemands mond 
sluiten (inz. door hem de hand ervoor 
te houden); dibëkëm, zich de hand voor 
den mond houden; ngabëkëman f iemand 
den mond sluiten; dibëkëman; dibëkëm' 
keun, de hand waarin men een wind 
gelaten heeft een ander voor den mond 
houden. 

BEKER, naam van een gevlekten vogel 
met lange pooten, die zich veel in sawah'a 
ophoudt, watersnip of waterhoen. 

BËKIK, ngbr.; ngabëkik, zonder rond te 
zien of zich op te houden met gebogen 
hoofd doorloopen. 

BËKOEK, = bëngoek, een kromme neus; 
ngabëkoek = ngabëngoek, een paard dwingen 
zyn kop omlaag te houden, door het een 
breidel aan te leggen en dien over den 
nek te bevestigen; dibëkoek. 

BËKOK, I. = poewak, veest, wind; 
ngabëkok, tegen iemand een veest 
laten. P. 

II. Het Holl. bekocht, maar zóó ngbr.; 
ngabëkok, iemand een koopje geven, hem 
beetnemen, om den tuin leiden, bedotten; 
dibëkok; kabëkok, bekocht met iets, beet- 
genomen, bedrogen, bedot. 

BEKOM (Band), een klapperdop met 
tint en handvat. (Zie tikoek.) 

BEKONQ (Band.), = bekom. 

BÈK8ËK (samenst. van bök en sëk), er ferm 
en met effect op in hakken of houwen, 
alles om zich heen neerhouwen. (Zie 
boeksëk.) 



BELA— BELENGGOE. 



67 



BELA, tor zflde staan, steunen, helpen, 
iemat ds lot vry willig met hem deelen; 
ook: het slachten van een dier te gelijk 
met de besnijdenis van een kind ; boemela, 
iemand ter ztyde staan, in iemands lot 
vrijwillig deelen; ngabeladn, iemand ter 
zjjde staan, bestaan, iemand vergezellen 
in zjjn leed, deelnemen aan iemands 
vreugd of smart (ngabeladn boengah, ngabe- 
ladn tjeurik); verder: iemand navolgen (d. i. 
doen als hij doet of deed, noeroet lampah)\ 
ook: zich getroosten; dibeladn, voor iets 
(dit of dat) overhebben, zich ter wille 
ergens van iets getroosten; dibeladn hese- 
tjape, er de moeite voor overhebben; 
dibeladn ka loewar getik, er ztyn bloed 
vo<n* overhebben. 

BËLABOER, strooien, uitstrooien, rond- 
strooien, te grabbel gooien voor wie het 
nemen wil, prijsgeven aan het publiek 
(vgl. boer); ngabëlaboerkeun, = ngawoer- 
keuny iets strooien, uitstrooien, enz.; 
dibëlaboerkeun. 

BËLAH, ngbr.; pabëlah, = ioekang meun- 
tasfaun, veerman. 

BËLAK, ngbr.; bëbëlakeun, = rorombeheun, 
kloven of barsten hebben in de zool van 
den voet. 

BELANG, witte vlekken op een anders ge- 
kleurden achtergrond, bont, gevlekt. (Vgl. 
toëlang.) 

BËLAP (Z.-B.), naam van een zee- 
visch 

BËLA8, = 't meer gebr. wëlas. 

BËLÈDAG, knallen (van een geweer of 
ander klein vuurwapen); idem van een 
zweep; bêbëlëdagan, aanh. knallen. 

BËLËDËG, ngbr.; ngabëlëdëg, uitgolven, 
omhoogstygen (van rook). 

BËLËDEG, klanknab. van een helder 
knallend geluid, knallen (b. v. van een 
donderslag). 

BELEDIG, ngbr.; ngdbëlëdig, nazetten; 
dibëlëdig. 

BËLËDJOG, ngbr.; kabëlëdjog, met Iets 
bedrogen zjjn (b.v. doordien men het te 
duur kocht, of zich slechte waar voor 
goede in de handen liet stoppen). 

BÈLËDOEQ, klanknab. van een zwaar, dof 
of bulderend geluid ; ook : een kokosnoot 
waaruit men het water verwijderd-, of 
een kalebas (waloeh) waaruit men de 
pitten weggedaan heeft, met këtan vullen 
en deze zoo gaar laten koken; pating- 
bëlëdoeg, dof knallen (b.v. vuur), dof knal- 
lend of met doffe slagen uiteenspringen 
(van vele dingen en verspreid). 

BËLËDOG, klanknb. van klappen of 
knallen, klappen als van een zweep, knal- 



len als van afgestoken pëpëtasan of voet- 
zoekers; ngabëlëdog, klappen (van een 
zweep enz.); bëbëlëdogan, l.herh. klappen of 
knallen; 2. (Indr.), vuurwerk, voetzoeker; 
tingbëlödog, klappen van vele zweepen 
(verspreid). 

BËLËGËOËG, een of ander voorwerp 
dat het uitzicht belemmert (b. v. een berg, 
regen die verhindert de lucht te zien, een 
schip dat den horizont voor het oog be- 
dekt, enz); ngabëlëgëdëg, aldus het uitzicht 
belemmeren; ook van rook: den damp- 
kring vervullen. 

BËLËGOEG, verkl. met teu njahodiadab- 
adaban, niet weten hoe het hoort, hoe men 
zich heeft te gedragen, onbeschaafd. 

BËLEH, oogen of oogleden (gesloten door 
ziektestof als anderszins) openen; verder: 
een wond openen (door de wondlippen 
vanéén te doen, b. v. ter reiniging); ngabë- 
lehkeun, de oogleden of wondlippen van 
elkander doen; dibëlehkeun. 

BELEK, roode (zeere) oogen hebben, 
loopende oogen met roode randen hebben, 
teere (min of meer ontstoken) oogen 
hebben; voll. belek panon. 

BELEKF, = djëg en njëples, geleken, 
geleken op; hese-beleke, het zeer moeilijk 
of zwaar hebben; ook: vele bezwaren 
maken. 

BËLËKEK, naam van een soort snip. 

BËLËKÈ8ËK, daagsche kleeding; dibëlë- 
kësëkkeun, verkl. met dipake oenggal poë, 
eiken dag gedragen worden. 

BELEKETEPE (Kad.), 1. een van klapper- 
blad (palapah) gevlochten vruchtenmandje; 
2. een mat van palapah, om een feestloods 
rondom tot op ong. 1 M. hoogte af te sluiten 
tegen het binnenspatten van regenwater, 
van het dak vloeiende. 

BËLËKOK, naam van een vogel, een kleine 
reiger, met bruin gekleurde veeren (bangsa 
koentoel). 

BËLËKONQ (Z.-B.), indrukken hebben, 
sporen vertoonen. 

BËLEL (vgl. lel), de tong even uitsteken 
b\j 't proeven van iets onaangenaams. P. 

BËLËMAN (Indr.), een vuurtje tot ver- 
warming of tot verdoving van mus- 
kieten. (Vgl. beuleum.) 

BËLËNDONG, (Soem.), = benggol, het 
2Va centsstuk. 

BËLËNOGOE (Tamil wilangu), Ijzeren 
halsband of kluister, aan de handen of 
aan de handen en voeten bevestigd, 
halsboeien; ook in 't algemeen: boei, 
boeien; ngabëlënggoe, iemand een kluister 
aanleggen, in de boeien slaan, krom- 
sluiten; dibèlënggoe. 



68 



BELENGKOK— BELOET. 



BÉLÉNGKOK, ngbr.; kabëlëngkok, z.v.a. 
kaper go, betrapt, gesnapt. 

BÉLËNGOER, kaal, zonder gras enz. 
(van een berg); tjoekoep bëlëngoer, eerst 
welvarend (tjoekoep), nu arm (kaal, bélë- 
ngoer); ook: het z{Jne weggegeven hebben 
en ten gevolge daarvan zelf gebrek 
hjden, oelah sok tjoekoep bëlëngoer, geef 
niet zooveel weg dat ge zelf arm wordt. 

BËLËNGONQ, ong. = bëdëgong, onge- 
manierd, onbeschoft, brutaal. 

BELENING (vgl. lening en lenang), zeer 
schoon (een erf, een tuin, enz.). 

BËLËNJËNG, = tëlëndjëng, er snel van 
door gaan, snel wegloopen, zich uit de 
voeten maken. 

BËLËNOE, ong. — boerajoet, een dikken 
buik hebben; si bëlënoe, een scheld w. : dik- 
buik. 

BËLËNONQ, hard (z. a. van het voor- 
hoofd of de borsten eene maagd); verder 
al wat den vorm heeft van een bal (b. v. 
de bal op een vlaggestok), balvormig. 

BËLÈNTOEK, naam van een groot soort 
bangkong, die tegen den avond een dof, 
zwaar geluid doet hooren (een groote 
pad de?). 

BËLËNTONQ, ngbr.; bëbëlëntongan (Kad.), 
van een vrucht (b. v.) een nangka): aan 
de ééne zjjde rijp, aan de andere zflde 
nog niet. 

BËLËSAT, werkw. tusschenw. voor: met 
kracht los- of omhoogspringen; ook voor: 
't afschieten en wegvliegen van een pjjl; 
verder voor: op den loop-, aan den haal 
gaan; mëlësat, (ontjjdig) afgaan, afvliegen 
(de bjjl van den steel b.v.), wegrennen; 
gantjang ki Oemar Maja mëlësat sapërti 
angin, spoedig rende O. M. weg als de 
wind. (Vgl. pësat.) 

BËLËSÈK, in den grond zakken ; tibëlësëk, 
idem 

BËLËSOER, = b$oer, werkw. tusschenw. 
voor: wegrennen, wegvliegen; kiToerbala 
bëlësoer loempat, T. rende weg. 

BËLËT, stompzinnig, voll. bëlèt hate; 
kabëlët, aandrang tot ontlasting kragen 
of hebben; ah, hajang njising, kabëlët l 
kom, ik zal me even verwijderen, ik heb 
aandrang (P.); kabëlëlan, stompzinnigheid. 

BËLËTE8, = bëlëtoes, maar een helderder 
klank gevende. 

BËLËTJËN (Kad.), een klein vlammetje, 
om b. v. iets even b\j te lichten. 

BËLËTOEK, = 't meer gebr. bëlëwoek. 

BËLËTOE8, klanknab. van openbarsten, 
openspringen; ngabëlëtoes, barsten, open- 
barsten, uiteenbarsten, met geweld los- 
springen. 



BËLËTOK, klanknab. van ontploffen, 
knallen, knappen (van vuur enz.); ngabëlë- 
tok, een knal of knap geven; tingbëlëtok, 
knallen, knappen (van vele dingen en 
verspreid). 

BËLËWËK, ngbr.; tibëlëwëk, in de modder 
zakken. 

BËLËWËR, het waaien van den wind, 
het geuren van reuk of stank; ngabëlëwër, 
waaien, geuren. 

BËLËWOEK, morsig, smerig, vuil, onrein 
(van de huid, de kleeding, geldstukken, 
enz.); verder: wanordelijk, slordig, onorde- 
ïyk (ook van het gemoed). 

BËLI, zie bli. 

BËLIK, = poendoeng en dëlit, boos van 
aard, nijdig. 

BËLING, scherf, diggel, scherven (van 
glas, verglaasd aardewerk, enz.); barang 
bëling of sipat bëling, verglaasd aardewerk, 
porcelein, met name borden en derg. [een 
onderdeel van sipat beultuh-pëljah, breek- 
bare waar]. Vgl. talawengkar. 

BËLIS, verbast. van lblis, de Duivel. 

BËLO, jong paard, veulen [nl. een jong 
paard op zichzelf beschouwd; in verhouding 
tot de ouden heet het anak]. Vgl. kepel L 

BËLOEK, I. = bloek. 

II. Van 't tófmoangr-zingen, = tarik, met 
sterke of krachtige stem, maar met stooten 
(niet leupas, z. a. mëloeng), verkl. met 
bëdas dipegeg. 

III. Koekoek-bëloek, 1. naam van de koekoek 
pandjang of lange kalebas; 2. naam van 
een nacht-roofvogel, grooter dan hingkik. 
(Vgl. boeweuk, onz.) 

BËLOELOEK (Z.-B.), = biroeloek. P. . 

BËLOENG, alleen in tjiktjik-bëloeng,ong. := 
itjikiboeng, beurtelings met de holle en 
met de vlakke hand in het water slaan 
(als tijdverdrijf MJ 't baden), waardoor een 
eigenaardig plompgeluid ontstaat en waar- 
by de kinderen zingen: Tjiktjik-bëloeng, 
bëlëndoeng, sora noe nipoeng di kampoeng, 
djangdjang odeng, nja panganten. P. 

BËLOET, aal, paling ; parëboetbëloet, naar 
palingen grabbelen in de modder (een 
jongensvermaak); tjoeljoekbëloet, paling- 
graat; oveidr. voor: gevlochten rand, z. a. 
aan een mat; ook: trens of lis aan een 
knoopsgat; njoetjoekbëloet, een mat van 
een gevlochten rand voorzien, een trens 
aan iets maken; ditjoetjoek-bëloet; myoeni 
bëloet, sprkw., = ons: zoo glad als een 
aal; bëloet sisit saba darat, een verbloemde 
sprkw. om raraj en eigenlijk kapiraraj 
aan te duiden {bëloet darat = oraj);mëloet f 
uitkruipen (als een aal), uit een opening 
komen kruipen; ook van menschen. 



BELOJ— BENER. 



69 



BÈLOJ, I. een armoedig-, ziekelijk voor- 
komen hebben ; ook: langzaam, talmend. 

II. Ngabëloj, stollen (van vet), dik wor- 
den (z. a. kokend vruchtensap). 

BËLOK, I. — djëblog, sip, modderig; 
bëlokan, = djëblogan, bemodderd; bëbëlokan, 
1. modderkorst, bloedkorst, etterkorst; 
bëbëlokan napok, met modderkorsten enz. 
bedekt; 2. in siykofmodderrondbaggeren. 

II. Het Holl. blok (nl. houten blok om 
de voeten in te sluiten); dibëlok, in het blok 
gezet of gesloten worden; pangbëlokan, 
blok, stok. 

BELOT, omweg, om ztyn, langer weg dan 
een andere die naar hetzelfde doel voert; 
dibelotkeun, overdr. van een verhaal: het 
langs een omweg naar het doel leiden. 
(Vgl. btulit) 

BEMA, I. (Jav.), zich moeilijk maken, 
verstoord z\jn. 

II. Zie krama. 

BÉMBÈM, een vrucht als de kaweni, maar 
zuur van smaak; tangkalbëmbètn, de boom 
[hy behoort tot de mcmjrflraA-soorten]. 

BËN ANG, garen van Europeesch fabrikaat, 
hetzy van katoen, zjjde of andere stof, 
naai garen. (Vgl. kanieh en bola.) 

BÈNDARA (Jav., Skr. bhdnddgdra), = 
djoeragan, heer, meester, meesteres; bën- 
dara di dalam doenya, meesteres in de 
wereld [titel door een minnaar wel aan 
z\)n geliefde gegeven]. 

BENDE, bekken (een soort gong) om iets 
rond te klinken, vendutie aan te kondigen, 
en voor andere derg. doeleinden; nabeuh 
bende, het bekken slaan, alarm slaan, enz.; 
toekang bende, bekkenslager, omroeper; 
ngabènde, het bekken slaan, omklinken, 
enz.; ngabëndekeun, by bekkenslag bekend- 
maken; dibëndekeun. 

BËNDËLEH, ngbr.; ngdbënbëleh, vooruit- 
steken (van een grooten buik). 

BËNDENQ, verkl. met ng andoen g hate 
en door ngewa, het land hebben, een hekel 
aan iemand of iets hebben; ook: oneenig 
z\Jn. 

BENDI (Tamil wandi, Telugusch bandi), 
tilbury, sjees. 

BËNDJIL, = bëndjoel, hobbel tje, kluitje; 
barëndjil, met hobbel tjes of ongelijkheden. 

BËNDJOEL (vgl. bëndjil), hobbel, kluit, 
knobbel, bonk, klomp; verder: hobbelig, 
met hobbels, knobbels, bonken of kluiten; 
barëndjoel, hobbels enz., met kluiten (aarde); 
mëndjoel, een weinig op- of uitgezet (b. v. 
de buik van een zwangere of de borsten 
van een jong meisje). Vgl. pëndjoel. 

BÊNDJOET, =s 't meer gebr. bëntjoet. 

BENDJOL, hetzelfde als bondjol. P. 



BËNDO, den hoofddoek dragen op de 
wijze der Javanen, vast om het hoofd 
gesloten [de deftigste manier van hoofd- 
doekdragen] ; tali bëndo, de tot band ge- 
draaide slippen, die bij bëndo onder de 
ëndol worden vastgeknoopt \ngabëndo, zich 
den hoofddoek als gezegd is mj bëndo 
opzetten; dibëndo; ngabëndoan, een ander 
zóó den hoofddoek opzetten; dibëndoan. 
(Vgl. pinti.) 

BÈNDOE, 1. van ambëk, toornig, toorn; 
bëbëndoe, toorn, gramschap, ongenade; 
tadah bëbëndoe, den toom onderscheppen, 
d. i. iemand verzoeken zfln toorn op te 
schorten; bëbëndon (voor bëbëndoean), gram- 
schap, ongenade; ngabëndoean of ngabëndon, 
op iemand toornen, iemand ztyn ongenade 
doen gevoelen, iemand straffen ;dibëndoean 
en dibëndon, in ongenade vallen, iemands 
toorn ondervinden; kabëndoe en kabëndon, 
onder iemands toorn liggen, in ongenade 
zyn gevallen, door iemands toorn of onge- 
nade getroffen worden of z}jn. 

BËNDOEL, ngbr.; ngabëndoel, een kleine 
ronde verhevenheid vormen; bëbëndoel, 
kleine ronde verhevenheid, knop; hetzelfde 
als pëpëntoel, zie pëntoel. 

BËNOOENQ, g. w.; ngabëndoeng, afdam- 
men, afsluiten, tot een dam zyn, een 
afscheiding voor- of een üek over iets 
vormen; dibëndoeng, afgedamd worden; 
mëndoeng, hangen over (inz. regenwolken, 
b. v. over een berg), zich samenpakken 
(van wolken), zwart van wolken, bewolkt, 
dreigend (van den regen of ook van iemands 
toorn), betrokken (van de lucht), over- 
spannen, overschaduwen (van een zeil of 
doek), de zon verduisteren (z. a. b. v. een 
in de lucht zwevende adelaar); ngabëndoe- 
ng an, in het stroomen tegenhouden, op- 
stuwen; ook = mëndëtan (zie pëndët), 
afsluiten; dibëndoengan; bëndoengan, dam, 
waterkeering, waterstuw, sluis; overdr.: 
een dam (slot) voor den mond. 

BËNDOL (vgl. ëndol), knoedel of knoop 
in het haar op het achterhoofd ; mëndol 
of ngabëndol, zulk een knoedel vormen, als 
een k oedel gezien worden. 

BËNDON, zie bëndoe. 

BËNOOT, de grootste (nl. by knollen, 
z. a. boled enz.). B. 

BENE, ngbr.; hebene, of ook wel kabene t 
vrijster, verloofde; bebenean, een vrijster 
of verloofde hebben. (Vgl. beureuh.) 

BËNËR k., Wrës 1., recht, gerechtig, recht- 
vaardig, waar, goed, juist; verder- recht z^jn, 
recht hebben, waar ztjjn, zonder feilen, 
het is juist; - brj samenst., z. a. de vol- 
gende, alloen 't kasar-woord :fcaJapaMn*v 



70 



BENG—BENGrKAfl. 



een kokossoort; nangka bënër,aennangka- 
«oort; - bënërna of bënërna mah k., lërësna 
of lèrësna mak 1„ het ware is, de waarheid is, 
in waarheid; ook: maar(tegenst.voegw.); 
tjëpëtbênër, werkzaam, vlijtig, accuraat; 
sabënërna k., salërësna 1., de geheele waar- 
heid, in waarheid, in oprechtheid; nga- 
damël bënër, iemand rechtvaardigen; dida- 
mël bënër; mënër, recht op af(gaan, draven, 
enz., b. v. een pyi of een schip); tjëpêt- 
mènër, aanh. of met volharding rechtuit- 
gaan; mêmënër, (een schip) sturen; nga- 
bèbënër diri sorangan, aanh. zichzelf recht- 
vaardigen; dibëbëner, terecht gewezen 
worden; mënêran, op iets of iemand recht 
af(gaan, dry ven, enz.), op *t rechte punt 
afgaan, raken of treffen, den rechten tyd 
treffen, juist geschieden of vallen op (een 
zekeren tyd), waarvoor ook keur mënëran; 
ngabènëran, rechtspreken, richten, oor- 
deelen (hetzy veroordeelend of in 't geiyk 
stellenc); dibënëran; mënërkeun, op den 
rechten weg leiden, recht naar iets heen- 
leiden, iets recht uitstrekken of in rechten 
stand oprichten; ngabënërkeun, recht of 
goed maken, herstellen, op den rechten 
weg of recht naar iets heenleiden, op of 
naar iets richten, in het gelijk stellen, 
rechtvaardigen, voor recht-, waar of on- 
schuldig verklaren: ngabënërkeun maneh, 
zich rechtvaardigen, dibènërkeun ;lëbinëran, 
toestand van recht, recht sverhoudng, het 
recht, rechleriyke uitspraak, een recht- 
vaardige uitspraak, oordeel; njyar bëbë- 
nëran, recht zoeken; njoehoenkeun bëbënëran 
adil, een rechterlijke uitspraak verzoeken; 
pabënëraw, op de hoogte van of tegenover 
(iets) gelegen (b. v. van een huis) ; kabënëran, 
rechtheid, gerechtigheid, goedheid, braaf- 
heid, deugd; ook: juist of toevallig treffen, 
plaats hebben of gebeuren, juist van pas, 
gelukkigerwijze, by geval, toevallig; teu 
kabënëran, niet goed-, niet recht zyn, niet 
aan de vereischten voldoen, niet zyn zooals 
het behoort, geen pas geven, onredelijk, 
onnoozel; ook: het niet getroffen hebben 
met iemand of iets ; taja noe kabënëran, 
niemand voldeed aan de vereischten; 
pamënër, z. v. a. pamantês, zie pantës. 

BËNG, werk. tusschenw. voor: weg- 
vliegen, de vlucht nemen, zich uit de 
voeten maken; ook voor: gooien \kamana 
bëngna? waarheen zrjn ze gevloden? béng- 
bëng maiedog tehl gooi er maar flink op los ! 
bang-bëng en boeng-bëng, naar alle kanten 
vliegen, uiteenspatten, enz.; përdjoerit 
bomg-bëng, de krijgslieden vlogen uiteen. 

BËNGANQ, I. naam van een woudboom» 
voll. M béngang. 



II. Slrjmvloed uit de pisbuis (hetzfj by 
mannen, hetzy by vrouwen), druiper [by 
verdere ontwikkeling ontstaat sampar en 
daaruit radjasinga als uiterste gevolg]; 
kasakit bëngang, idem; bëngangeun, aan 
bëngang ïyden. 

BËNG AS-BÉNG 18, zie bëngis. 

BENQBAR (vgl. pengpar), ngbr.; dibeng- 
barkeun, verkl. met disina rtjimpang Una 
djalan anoe lëmpëng, op zrjde doen gaan 
(een paard, een gedachte, enz.). 

BENGBAT, ngbr.; sabengbatan, z. v. a. 
sakeudeung, een kort ty ds verloop; kabeng- 
bat, z. v. a. kagoda, in verzoeking gevallen ; 
bengbatan, = gembavgan, ongedurig (B.). 

BËNGBËNG (vgl. bêbëng), gelykmatig 
(b. v. van dikte, of van beweging, z. a. by 
't loopen); verder: op één hoogte blyven 
(z. a. water dat niet wegvloeit); ook : gedurig 
eenzelfde geluid geven (z. a. een geweer 
by het schieten). 

BENGBRENQ, g. w. ; ngabengbreng, = nga- 
djadjar, zich in orde , op een ry scharen, 
in ordo geschaard staan; ngabengbrengkeun t 
in orde scharen, op een ry plaatsen ; dibeng- 
brengkeun. 

BËNGEH, = tjalangap, den mond open- 
doen of openhouden. 

BÉNGEN, of ook bëngin (Indr.), voorheen, 
eertyds. (Vgl. tadi en bareto.) 

BËNGËP, verkl met bareuh beungeut, 
opzwellen-, opgezwollen van 't gelaat, een 
dik gezicht hebben (ten gevolge van een 
slag of stoot). 

BÈNGGANG, = maar ook wel gebruikt 
als 1. van anggang, verwyderd, op eenigen 
afstand. 

BËNGGOEL, buil, bult, dikke knop, 
knokkel; bèbënggoel, bult (b. v. van een 
kameel); ngabënggoel, een bult zyn of vor- 
men, oen groote ronde verhevenheid 
vormen. 

BENGGOL, het 2^9 centsstuk; verder: 
deze waarde; sabevggol, één benggol, enz. 
[Zóó in 't Tjiandj. en Band.; zie echter 
bëlëndong, deblo, dibloeng en gëmblong.] 

BËNGIN, = béngen. 

BËNGIS, stuursch, norsch, een slecht 
humeur hebben, ruw, hard (van inborst), 
gruwzaam; oelat bëngis, een norsch uiter- 
ïyk hobben; bëngas-bèngis, telkens bëngis 
zyn; ngdbëngisan, tegen iemand norsch 
zyn, iemand norsch bejegenen ;dibëngisan. 

BENGKAH, scheiden, van elkander gaan 
(b. v. broeders of vrienden ten gevolge 
van een twist), gescheiden (door verdeeld- 
heid); ngabëngkahkeun, vanóénscheiden, 
uiteen doen gaan, scheuring maken tus- 
schen; dibëngkahkeun; pabëngkah, verdeeld 



BENGKANG— BENTANG. 



71 



van gevoelen, tweedrachtig; pabëngkahan, 
scheuring, verdeeldheid, tweespalt; kabëng- 
kahan, het verdeeld ztfn, verdeeldheid. 

BËNGKANQ, alleen in nangkarak béng- 
kang, op den rug liggen, met opgetrokken 
beenen; ngabëbëngkang, idem. 

BENGKEL, L het Holl. winkel; werk- 
plaats, inz. timmer mans werk plaats van 
den Waterstaat. 

II. Naam van den derden bloemsteel 
van den kawoeng, voll. leungeun bengkel, een 
der topstelen van den kawoeng. 

BËNGKËR, I. hoepel, band om een wiel, 
velg; verder: bamboezen hoepel waar- 
binnen pasgeplukte koffie gedroogd wordt 
(vgl. wëngkër); ngabëngkër, een hoepel of 
band om iets maken ; ook : krammen (z. a. 
met yzerdraad); dibèngkêr. 

II. Opperste, voornaamste, eerste onder 
geleken ; pangbëngkër, idem. (Vgl. wëngkër 
en wëngkoe.) P. 

BÈNGKOENG, gekromd (z. a. de rug van 
een oud mensen), een hoogen rug hebben, 
gebocheld; ook: krom, een bocht hebben 
naar boven (b. v. een pamikoél of dakplaat); 
bëngkoeng ngarijoeng bongkok ngaronjok, 
sprkw., verkl. met kajang ngarijoeng 
moengpoeloeng, alles bijeenkomen; ook: 
allen hetzelfde doen; bëbëngkoeng, laüge 
breede doek, door vrouwen na hare be- 
valling om den buik gedragen, sluitlaken, 
sluitverband ; dibëbëngkoeng, een sluitlaken 
omdoen of dragen ; ngabëngkoengkeun, krom 
maken, verkrommen ; dibëngkoengkeun- 
(V gl. bingkëng.) 

BENGKOK, krom; lakoe (of lampah)bengkok, 
op verkeerde wegen gaan, zich aan ver- 
keerde handelingen schuldig maken; béng- 
kokaëmbah, z. v. a. gindipikir y van gezindheid 
of stemming veranderen; bangsa bengkok, 
een krom volk, menschen met een ver- 
keerde gezindheid; milampah bengkok, ver- 
keerd handelen, onrecht doen; btngkok ka 
goesti, jegens den vorst verkeerd of ver- 
draaid handelen; mengkok, omgaan, een 
bocht vormen, een bocht of hoek in een 
weg of in een rivier (vgl. malengkok); 
bebevgkok, kromhout (van een wiel, door 
debëngkër bijeengehouden); ngabengkokkeun, 
krom maken, verdraaien, iemands woor- 
den verdraaien; ngabengkok-bengkokkeun 
omongan, aanh. iemands woorden ver- 
draaien; dibengkokkeun. 

BÉNGKONQ, maar meestal ngabëngkong, 
onafgebroken (in gebogen houding) zitten 
iets te doen; ook wel: zitten, neerzitten 
(in algemeenen zin). 

BENQKONG, persoon die de besnijdenis 
voltrekt (toekang njoenatan). 



BENGO, gebogen, met krommingen, niet 
recht; verder: een scheeve mond, een 
scheeven mond hebben; ook: scheef, z.a. 
schrift. 

BËNGOEK, = bëkoek, een kromme neus 
(z.a. van eentaoefcémas(goudvisch)ofvan 
een arend), arendsneus; ook = boewah koas, 
naam der vrucht van de koas; ngabëngoek, 
of ngabëkoek, een paard dwingen zjjn kop 
omlaag te houden, door het een breidel 
aan te leggen en dien over z\)n nek te 
bevestigen; dibëngoek. 

BÉNGONG, = hoökeun, met open mond 
verwonderd of versteld staan kyken, 
verbaasd zien of staren, versteld staan. 

BENGRA8, — tërang, helder, klaar, on- 
bewolkt, glinsterig, blinkend, schitterend 
(het zonlicht, een witte muur, enz.). 

BENGSAL (het tegenoverg. van bangen), 
niet slagen, missen, misraken (b. v. een 
schot), ongelukkig in iets zjtfn, niet voor- 
spoedig, onbekwaam, ongeschikt; geus 
poenah balang-bengsalna, aan alle moeite 
en ellende is een einde gekomen. 

BÈNING (eig. Jav.), z. v. a. herang, helder, 
klaar, zuiver; bodas bëning, zuiver wit; 
tjai bëning, helder water; ali noe bëning, 
een rein hart; dipoendoet ati noe bëning, 
iemands geheele hart, d. i. zjjn geheele 
toewijding vragen. 

BËNJE, (van een kloedingstuk) met 
gaten (veroorzaakt door slijtage), rafelig; 
oelah make samping ijeu, geus barënje, trek 
deze sarong niet aan, er z\jn gaten in. P. 

BÈNJENG, I. ngbr.; ngabënjeng, zacht aan 
iets trekken (b. v. aan iemands mouw); 
dibënjeng; ngabënjengan t herh. aan iets 
trekken; dibënjengan. 

II. Naam van een plant, van wier wortel 
(beuti) men een soort kleine kaarsjes 
maakt, welke door arme lieden gebrand 
worden [op den Goenoeng Gede, wellicht 
ook elders; de aanslag van den walm, 
vergaderd door een kopje omgekeerd boven 
zulke brandende pitten te houden, gebruikt 
men wel om inkt te maken]. 

BËNJE8, ngbr.; mëwjes, zwy gen, zich stil- 
houden (uit verlegenheid of beschaamd- 
heid, omdat men het onderspit heeft 
moeten delven), zwijgend de plaat poetsen 
ten gevolge eener ondergane vernedering; 
kabënjes, in zoodanigen toestand gebracht 
of geraakt ztyn. 

BËNTAK, ngbr.; ngabëntak, = njëntak, 
iemand hard toespreken, toesnauwen; 
dibëntak; ngabëniak-béntak, zeer heet ztfn 
(b. v. van een dag in den drogen moesson). 

BENTANG, ster, de sterren; ook: orde- 
of ridderteeken (doch in dezen zin meestal 



72 



BENTAR— BERA. 



bintang); tai-bentang, vallende of ver- 
schietende ster; batoe bentang, een ster 
van diamanten. 

BENTAR, een slag van den bliksem, een 
slag van een koletjer of molentje, een schamp 
van een vallenden boom ofderg.;ook:een 
stoot van een buffel of ander gehoornd 
dier; dibentar, door zoo iets geslagen of ge- 
stooten worden; kabentar, een slag, schamp 
of stoot gekregen hebben ; pabentar, z. v. a. 
paddoe en pasal&a, oneenig onder elkander, 
verschil hebben, voil. pabentar pikir. 
(Vgl. bintih.) 

BENTARA, bekend; ngabentarakeun, be- 
kendmaken ; dibentarakeun. 

BÈNTA8, g. w.; ngabëntas, een heining 
doorslaan om een doorgang te maken; 
dibêntas. 

BËNTËLI, voll. soepa bëntëli, naam van 
een soort paddestoel. 

BËNTËLING, ngbr.; ngabëntëling, om- 
buigen (b. v. de vingers), doorbuigen; 
ngabëntëlingkeun, iets ombuigen of door- 
buigen; dibëntëlingkeun. 

BËNTEN, een metalen buikgordel, ketting 
van metalen platen; ook: gouden of zil- 
veren plaat, vóór op den buikgordel (door 
vrouwen, maar ook wel door mannen ge- 
dragen, vgl. pending); dibënten, zichzelven-, 
dibëntman, een ander een bënten aan- of 
omdoen. 

BENTËN, 1. van beda t verschil, onder- 
scheid. 

BENTENQ (eig. een schans of fort in den 
vorm van een ster, maar nu van alge- 
meener beteekenis), fortificatie, schans, 
sterkte; mibenteng, iemand (b. v. God) voor 
ve3ting houden; ngabentengan, met een 
benteng of bententfa omgeven ; dibentengan. 

BENTE8, duideiyk , fraai-, vloeiend spre- 
ken of lezen, zich net en juist uitdrukken, 
welbespraakt, welsprekend. 

BËNTET, k. p. van seubeuh, zat, zat 
ztyn. 

BËNTIK, zich buigen, gebogen (tegen de 
natuur in),ingebogen (van den elleboog en de 
vingerknokkels, zóó dat ze naar binnen door- 
buigen); ook: gekruld, omgebogen, van de 
oogharen [een en ander wordt een schoon- 
heid geacht by het vrouweiyk geslacht]; 
▼erder: uitweken, kromtrekken (b. v. een 
iakop of belegstuk, zóó dat de uiteinden 
naar buiten wyken) ; barëntik en bararëntik, 
omgekruld (van de oogharen, vgl.tjëntik); 
volgens P. ook: glinsteren, schitteren. 

BËNTIL, puistjes, zweertjes (inz.aanhet 
oor)? sirit-bëntileun, = miringkil (zie piring- 
kil), krinkelen. 

BËNTJAH, ngbr.; ngabëntjah, doorbrengen, 



verkwisten, doordraaien; noe ngabëntjah, 
doord raaier. 

BENTJANQ, ngbr.; pabentjang, oneenig. 
(Niet algemeen.) 

BËNTJAR, uiteenspringen, uiteenbarsten, 
spiyten (b. v. een deur of een gevallen 
kokosnoot), uiteengaan, zich verspreiden; 
mëntjar, uiteen, verstrooid; pabëntjar, = 
paboentjar, aan gruis vallen, van elkander 
gaan, uiteengaan, zich verdeelen of ver- 
spreiden; bëbëntjaran, stuk of stukken van 
iets dat zich verdeelde; pabalëntjar, ver- 
spreid-, verstrooid zfln, in de verstrooiing 
zijn; ngabalëntjarkeun, verstrooien; dipa- 
balëntjarkeun, verstrooid worden. 

BËNTJI (Mal., bintji), toornig, toorn. 

BËNTJLANG-BËNTJLOENG, zie bëntjloeng. 

BËNTJLOENQ, ergens heengaan ofkomen, 
en wel uit eigen beweging; bëbëntjloengan, 
nu hier dein daarheen gaan; bëntjkmg- 
bëntjloeng, (van een verhaal of getuige- 
nis) niet uit één stuk zfln, verward. 

BËNTJLOK, ngbr.; bëbêntjlokan, by plek- 
ken of gedeelten (gewied, schoon gemaakt, 
rapend, enz.). 

BËNTJOENQ, ■= bëntjloeng; bëbëntjoengan, 
hetzelfde als bëbëntjloengan, zie bëntjloeng- 

BËNTJOET (ook wel bëndjoet), buil, builen 
(aan het hoofd, inz ten gevolge van stooten); 
mëntjoet, boven het omringende een weinig 
uitsteken, ongeluk, niet vlak, met ver- 
hevenheden. (Vgl. pëntjoet en bantjoenoer.) 

BËNTJOJ, naam van een vrucht, nage- 
noeg = menteng, maar rood van binnen; 
tangkal bëntjoj, naam van den boom. 

BËNTOER, g. w.; mëntoer, werpen (b. v. 
met een steeD), = maledog (zie baledog); 
dibëntoer; bëbëntoeran, spelende met een 
of ander werpen; mëntoer an of ngabëntoeran, 
iemand of iets ergens mede werpen; 
dibëntoeran. 

BEN TOL, een blaasje, rood plekje, zweerte, 
muggebeet {oeroet reungit) of derg. op de 
huid. 

BËNTONQ (Z.-B.), naam van een zee- 
visch. 

BËNTREK (Bant.), = betjek; zie ald. P. 

BËR, werkw. tusBchenw. voor: opvliegen, 
wegvliegen, nader uitgedrukt door hibër; 
bar-bër, telkens een wegvliegen, na elkan- 
der wegvliegen; boer-bêr, idem. 

BER, werkw. tusschenw. voor meber: 
uitbreiden, uitspannen (b. v. een zeil), 
laten waaien (van een vlag, enz.). 

BËRA, I. onbebouwd of braak liggen, 
inz. van een sawah; sawah bëra, een braaklig- 
gende sawah; ngabëbëra, een nieuwe sawah 
aanleggen, op een stuk grond, dat nog 
niet door water besproeid wordt; dibëbëra. 



BERAG— BERENGOS. 



73 



II. Veel, in groote hoeveelheid voor- 
handen. 

BERAQ, hartstochtelijk bij) of opgewon- 
den (b. v. over een onverwacht geluk), 
uitbreken in jubel; in Indr. -= boengah, 
bUjde; beragan, licht iets breken, iemand 
die veel of licht iets breekt, lichtbreeksch, 
breek-al. 

BERAK, mest (vgl. gëmoek); ngaberak, 
bemesten; diberak; pangberakan, mest* 
vaalt. 

BERANG, z. v. a. napsoe en ambëk, drift; 
habarerangan, verkl. met kabawa ambëk, 
in een ruzie of standje betrokken raken 
of geraakt z$jn. 

BËRBOEOI, zie boedi. 

BÉRDJAMAAH, zie djamadh. 

BERE, het H 11. breien; idem; ook: ge- 
breid; verder: gebreide doek, halsdoek; 
barera bëre, breinaald; ngabëre, breien. 

BERE, g. w.: geefl barangbere, geven; 
mere k., maparin, ngaleler en masihan 1., 
iets geven; dibere; merean, aan iemand 
geven, iemand iets aangeven; diberean; 
pamere % gave, gift, geschenk. 

BËRËBË8, ngbr.; mërëbës en ngabërëbës, 
opborrelen, borrelende uitsfo'pelen (b. v. 
water uit een dam). Zie ook mili I. 

BÈRÈBËT, het aanvangen met iets dat 
snel in zjjn werk gaat; ook werkw 
tusschenw. voor: op den loop gaan, aan 
den haal gaan; idem voor: aan 't knippen 
gaan, enz. ; mërëbët, snel op elkander laten 
volgen (slagen, worpen, enz.). 

BEREBET, z. v. a. gëbjar en boerinjaj, 
licht uitstralen, blinken. P. 

BÉRED, mooi gekleed langs den weg 
gaan, vooral van iemand die trouwlustig 
is (inz. van een jong persoon); ngabëred, 
idem. maar van een bejaard persoon. 

BÉRËDËQ (vgl. boeroedoeg en sëlëmpëk), 
ngbr.; ngabërëdëg, iemand onverhoeds over- 
vallen; dibërëdëg; kabërëdëg, onverhoeds 
overvallen worden of z}jn; kabërëdëg ka- 
roeksakan, door verderf of verwoesting 
worden overvallen. 

BËRËQ, gezwind, vlug van de hand gaan ; 
ook = habën; ngabërëg, nazetten, najagen, 
iemand op de hielen zitten (ong. = ngoe- 
dag t zie oedag) ; dibërëg, in 't nauw gebracht 
worden, op de hielen gezeten worden. (Vgl. 
gësël en wërëg.) 

BËREQ (vgl. berag), opgeruimd, vroolrjk. 

BëRëGËDëQ, ngbr.; ngabërëgëdëg y sterker 
dan ngabërëg, nazetten, op de hielen zitten; 
éibërëgëdëg; kabërëgëdég, op de hielen ge- 
zeten worden. P. 

BËRËQIQ, ngbr.; patingbërëgig, (van velen) 
een keel opzetten. 



BËRËQO, sluier gelijk de vrouwelijke 
hadji's dragen en die haar gelaat bedekt. 
(Vgl. tëlëkoeng.) 

BEREHAN, (het tegenoverg. van koret), 
mild, goedgeefsch, vrtfgevig, milddadig, 
liefdadig. (Vgl. barahan.) 

BÈRËK, k. p. van bisa, kunnen; kabërëk, 
= kabëtjoes, k. p. van kabisa, kunde. 

BËREK, blaren, bulken, schreeuwend 
huilen. P. 

BEREK (Bant.), drukte-, leven maken. P. 

BËRËKAH, = 't meer gebr. en betere 
bërkah. 

BËRËKAT, = 't meer gebr. bërkat; mërë- 
kat, een bërkat meedragen. 

BËRËKBËK, ngbr.: ngabërëkbëk, z. v. a. 
eungap, het benauwd kragen of hebben, 
stikken van benauwdheid. 

BEREKEKEH, ngbr.; ngaberekekeh, zitten 
met opgetrokken en wtfd van één gescheiden 
beenen. 

BERELE, geblaat; ngaberele, blaten. 

BERELENQ, met iets gekleurds schuins 
omwonden zvjn; dibereleng, met zoo iets 
schuins omwonden worden. 

BER-ELENQ, nab. van 't geroffel eener 
trom (tamboer). 

BÉRËLONQ, gestreept. (Vgl. bereleng.) P. 

BËRÈM, I. tjipeujeum, welke men heeft 
laten koken en dik worden. (Zie peujeum.) 
, tl. Dibërëm, geblinddoekt worden of ztfn. 

BËRËMIKMERAH (Kad.), naam van een 
fijn kruipplantje met rooden stengel. [Het 
aftreksel der blaadjes wordt gedronken 
tegen dysenterie, om welke reden het 
plantje ook daoen iadjam heet.] 

BERENDEL, ngbr.; ngaberendel, = nara- 
pang, iets met edelgesteenten of derg. be- 
zetten, doch zóó dat deze op een rty staan 
[geltfk knoopen op een jas]; diberendel. 

BËRËNG, naam van een klein en Yoor 
planten schadelijk insect, bladluis (meestal 
in lagen op elkaar zittende); ngabërëngan, 
(van insecten) over iets of iemand zoemen 
(P) Vgl. breng. 

BERENQ of bereng-bereng, = djore-djore, 
zie djore. P. 

BËRËNGBËNG, = bërëbët, aan den haal 
gaan; mërëngbëng, idem. 

BERENGENGENG, nab. van 't geluid van 
de tarompet of trompet. 

BËRËNGGIL, alleen in patingbërënggil, als 
knopjes of knoopjes ergens op zitten of 
liggen. 

BËRËNGKË8 (vgl. borongkos), ngbr.; 
bëbërëngkëa, (op een feest of onder de voor- 
bereiding tot een feest) allerlei inpakken 
en mede naar huis nemen. 

BËRËNQ08, een krijgshaftig voorkomen 



74 



BERENJIT— BESAN. 



hebben (met snor of baard); bëbërëngos, 
idem; sakoer noe bëbërëngos, allen die een 
krygahaftig voorkomen hebben; ngoesap- 
ngoesap bëbërëngos, den knevel uitstiyken, 
krijgshaftig doende. 

BERENJIT, een zeer klein vischje, glas- 
zwemmertje; boedak sagëde bërënjiU een 
kleine jongen, een klein meisje, dreumes. 

BÉRËNOEK I. (Z.-B.), oon groote kondjen; 
= kandjoet. 

II. (Z.-B.), naam van een heester die 
veel tot heining urn dessa's wordt ge. Jan t. 

III. (Z.-B.) f naam van een zang- en 
gamëlan-wi^s, ook bërënoek-moendoer ge- 
heeten. 

BERES, in orde, ordelijk, geordend, ge- 
regeld, net; meres, maar beter beberes, 
opredderen, opruimen, ordenen, schikkin- 
gen maken (b. v. om te verhuizen), zich 
reis vaardig maken; ngaberes, zich in een 
ry scharen, zich op een ry plaatsen; 
meresan, 1. van njisiran, het haar uit- 
kammen en opmaken; diberesan;ngaberes~ 
keun, in orde brengen of schikken, op 
regel brengen, ordenen; ngabereskeun balad, 
het leger strijdvaardig maken ; diberes- 
keun; pameres, 1. van sisir, haarkam* 
kabereson, ordeiykheid. 

BËRË8ËL, ngbr.; ngabërësëlkeun, uit- 
drukken (z. a. een zweer); dibèrësëlkeun. 

BÉRËSIH, rein, zuiver, onbesmet, schoon ; 
ook = bejak t geheel op, geheel verteerd, 
geheel verbrand, weg ztfn, vergaan zyn 
(b. v. gras); üëbërësih, reinigen, schoon- 
maken (in 't algemeen, zonder bepaald 
voorwerp); ook : schoonmaak ; mërësihan en 
ngabërësihan, iets schoonmaken, reinigen; 
mërësihan diri, zich reinigen (b. v. voor 
eenige godsdienstige handeling); dibërësi- 
han, gereinigd worden; mërësihktun en 
ngabërësihkeun, rem doen zrjn, rein maken, 
uitzuiveren; ngabërësihkeun maneh, zich 
schoonpraten, zichzelven rechtvaardigen; 
dibërësxhkeun; kabërësihan, reinheid. (Vgl. 
bërseka.) 

BËRËSIN, niezen. 

BËRÈWIT (verkl. met hese en roegi), 
moeiiyk, ingewikkeld. 

BËRGANDA, voll njatoe bërganda, woeker 
nemen, van woeker leven. 

BËRHALA, ook brahala en barahala, 
afgod, afgoden; pibërhala, = 't meergebr. 
pxbrahala; zie brahala, 

BERI, een soort gong (maar zonder 
knop), die met andere muziekinstrumenten 
geslagen wordtby feesteiyke gelegenheden. 

BËRIK, g. w.; ngabërik, iemand by het werk 
aanzetten, najagen, nazetten (vgl. abrik); 
dibérik, 1. nagezet worden, = disoesoet; ^.na- 



gegaan-, onderzocht worden; dibérik hidji» 
hidji, één voor één nagegaan of onderzocht 
worden; ngabëbërik, aanh. najagen, nazet- 
ten, verjagen, voortdreven, vervolgen; 
dibëbërik. 

BERIL, de beril, een edelgesteente van 
zeegroene kleur. 

BËRKAH (Ar.) k., djijad 1., zegen, voor- 
spoed; verder: bevestigend antwoord op een 
vraag of ook wel een on ge vraagde verkla- 
ring, in den zin van : ja wel, ja gelukkig, het 
is goed, het is wel, ik ben welvarend, hy 
(z\j) is welvarend, enz. enz., voll. bèrkah 
djoeragan [wat eigeniyk zeggen wil, dat 
de goede toestand aan den invloed of de 
voorbede van den meerdere wordt toege- 
schreven]; bèrkah iman } zegen des'geloofs ; 
nêda bèrkah djoeragan t ik vraag mvjnheers 
zegen; ngabërkahan, iemand zegenen; 
dibërkahan; kabërkahan, 1. gezegend zyn; 
2. zegen, zegening. 

BËRKAT, met bërkah hetzelfde Arab. 
woord, doch bepaaldeiyk voor: spys, 
lekkerny enz., in één woord alles wat 
men van dezen aard van een feest mede- 
draagt naar huis; bêrkateun, iets dat 
bërkat zyn zal, als bërkat naar huis zal of 
mag meegedragen worden. 

BËRLUAN, het Holl. briljant; geslepen 
diamant, voll. intën bërlijan. 

BËRMAEN (eig. Mal.), bedelen. (Vgl. 
djaloek.) 

BËROD, naam van zekeren riviervisch 
zonder schubben. 

BËROEK, een groote batok of klapperdop, 
met een betrekkelyk klein gat, voor- 
namelyk dienende om ryst te scheppen 
en to meten. 

BÈROEL, = 't meer gebr. broei. 

BEROK, gevangenis (vgl. boeï); oepas 
berok, rakker; ngaberok, in de gevangenis 
sluiten; diberok; dika-berokkeun, naar (in) 
de gevangenis gebracht worden; pangbe- 
rokan, gevaugenis. 

BËRSEKA (de seka), rein, zuiver, zindeiyk 
(van het lichaam, de kleeding, enz.). 

BËRSIH, = 't meer gebr. bërësih. 

BËRTAPA, hetzelfde als tapa, boete doen. 

BËS, werkw. tusschenw. voor: ingaan, 
insteken (vgl. boes); bës teuleum, onder 
water duiken; bës tandoeran pare, plant 
er ryst op (in); boes-bës, = bës, maar van 
vele mensenen of dingen. 

BESAN, benaming over en weer van 
twee vaders of moeders, van wie de 
zoon van den (de) een met de dochter 
van den (de) ander gehuwd is, medeschoon- 
vader, enz.; bebesanan, (van twee vaders 
of moeders) in zoodanige betrekking tot 



BESEK-BETOK. 



75 



elkander staan of komen, door een huwe- 
lijk als *t zooeven genoemde. (Vgl. warang.) 

BËSEK, ngbr.; kabëseJtdn, zich verslikken, 
hoesten ten gevolge van verslikken. 

BÈSÈM, dampig, vochtig (beter baseuh); 
verdt>r: niet goed wit (b. v. brood), niet 
bruin, d. i. verbrand (van gebakken visch); 
sotloeh bësëm oge ari diasoer-asoer hoeroeng, 
ook nat brandhout, als men'tmaarvooiuit- 
schuift, gaat wel branden, sprkw. voor: 
zelfs een geduldig menscb, als men hem op- 
hitst, wordt ten laatste boos. 

BESER, dikwijls of ieder oogenblik 
aandtang hebben tot urineeren. 

BÈSÉSÉT, nab. van het schurend geluid 
bij het insteken of uithalen van een 
voorwerp dat een klemmend omhulsel 
heeft P. 

BËSET, g. w.; ngabëset en ngabèsetan, = 
njisit, de huid afstroopen of aftrekken 
met de hand; dibëset; dibësetan. (Vgl. sèbet.) 

BESLAG, het Holl. beslag, d. i. beslag- 
legging; idem ; dibëslag, gezegd van iemand 
op wiens bezittingen beslag gelegd is of 
wordt. 

BESOEK (Indr.), = isoek, morgen \besotk 
iki (aid.), morgenochtend. 

BËSOT, ngbr.; ngabësot, zuiveren, loute- 
ren (van koper, zilver of goud) door bij 
het gesmolten metaal sëndawa of salpeter 
te mengen, of het gesmolten metaal in 
water te storten [eerstgenoemde manier 
heet ngabësot koe seuneu, de andere nga- 
bësot koe tjai]; verder: smeden, bearbeiden 
van ijzer (het in 't vuur doen, uitsmeden, 
dan te zamen voegen, enz.), dooreenwer- 
ken; ook: rietsuiker of zout door koking 
witmakeu, door er bij 't schuimen eiwit 
onder te mengen; dibësot. 

BÉT (vgl. wët) t tusschenw. van verras- 
sing, verbazing of afkeuring, inz. over 
iets dat men niet verwacht had; veelal 
te vertalen met: ziel bët. aja bangke, ziel 
er was een kreng; bët, ënja pisan, ziel 
het was zoo; bët, parohoëun mawa parabot, 
ziel zij hadden vergeten gereedschap mede 
te nemen. 

BET, werkw. tusschenw. voor heb ont- 
vangen van een bericht; ana betmeunang 
tjarijos* toen hij de tijding vernam. 

BËT AH, ergens op zijn gemak wezen, 
op rust zijn, naar zijn genoegen ergens 
«yn, zich „thuis" gevoelen; ook: aanstaan; 
manggih bëtah, op cfln gemak komen; 
bejak bëtah, ergens geen genoegen meer 
hebben; kabëtah, het gaarne ergens zijn, 
het zich op zijn gemak of op zijn plaats 
voelen; pangabëtah, dat waardoor men 
bëtah wordt of is. 



BETAH (waareen, een samentr. van bek 
en tah), een uitroep, z. a. bij het vinden 
van een makker die zich verstopt had; 
z. v. a. kip, ik heb je! - dibetahkeun, 
= digëbahkeun, verjaagd worden, wegge- 
jaaed worden. 

BETAN, = 't meer gebr. batan. 

BETE, barsten, gebarsten (een vrucht, 
een wand, enz.); ngabëtekeun, iets met de 
hand of met een werktuig spouwen; 
dibëtekeun. 

BËTËK, ngbr.; bëbêtëk, een kleedingstuk 
of derg., dat men niet meer voor zijn 
eigenlijk doel gebruikt, maar bezigt voor 
dweil, voetveeg of zoo iets; pabëtëkan* 
idem; pantës djadi pabëtëkan di pawon, 
dat (die) is goed voor dweil in de keuken. 

BETET, een andere naam voor de ekek; 
zie ald. 

BËTJÉK, = betjek; zie ald. 

BETJEK, nat, vochtig, week, modderig, 
slijkerig, dras (van den weg of in t alge- 
meen van den grond; minder erg dan 
djëblog; vgl. bëtjëk) ; ënggon betjek, een week e, 
modderige plaats; - btbetjek, een kleine 
sawah op een moerassigen bodem (oeroet 
sitoe of oeroet soesoekan, d. i. waar voorheen 
een plas of een beek was)- ngabebetjek, 
een sawah-bed, te klein voor beploeging, 
met den patjoel omwerken; dibtbetjek. 

BËTJ1R, maar meestal ngabëtjir, op den 
loop gaan, zich wegspoeden, hard heen- 
loopen, op de vlucht gaan (van een of 
meer personen), vluchten; boefjar-bétjir, 
hard hierheen en daarheen loopen. (Vgl. 
bëtjis.) 

BËTJI8, maar doorgaans ngabëtjis, = 
bëtjir en ngabëtjir (zie ald.); boetjas-bëtjis^ 
= boeijar-bètjir, zie bëtjir. 

BËTJOES, k. p. van bisa, kundig, be 
dreven, doortrapt; teu bëtjoes, k. p. van few 
bind, niet kunnen; kabëtjoes, kunde, knap- 
heid; taja kabëtjoes, geen kunde hebben 
niets weten, niets kunnen. 

BËTJRE (het Mal. bertjeral, scheiden), 
z.v. a. ka loevoar, van afgaan (b. v. van 
een erfenis); teu aja bètjrena, er gaat (ging) 
niets af, d.i. hij (zij) krijgt of kreeg alles. 

BËTOES, scheuren, barsten (b. v. een 
te stijf gevuld kussen, bij drukking); 
teu bètoes, niet uitbrengen, niet uitkomen 
(van een geheim), geheim houden, verber- 
gen; moal bètoes, niet zullen verklappen of 
verraden; ngabëtoes, een geheim vertellen 
of verraden; kabëioes, uitlekken, uitgelekt 
(een geheim). 

. BËTOK, naam van een zoetwatervisch; 

sisik-bëtok (Kad.) f naam van een kruip- 

: plant met fijne blaadjes, van welke blaad- 



76 



BETOT-- BEULAH. 



jes een aftreksel als thee gedronken wordt 
tegen dysenterie. 

BËTOT, g. w.; ngabëtot, aan iets hard 
trekken of nikken, naar voren of naar 
zich toe trekken, aftrekken (b. v. een tak 
van een boom); ook: uittrekken, uitrukken 
(b.v. de vlerken van een vogel); dïbëtot; 
mëmëtot, gedurig of aanh. aan iets trekken 
(b. v. een kind aan moeders sarong); nga- 
bëtotariy aanh. aan iets trekken; ook: 
meerdere dingen uittrekken; dibëtotan. 

BËTRAK BËTROEK, speelgoed van kinde- 
ren (potjes, pannetjes en derg.), kleine 
zaken, dingen van weinig waarde; ook: 
het laatste en minste van een verhuis- 
boel, resten van huisraad, rommelzoo. 

BËTRIK, ngbr.; ngabëtrik, springen of 
terugspringen (van iets dat gespannen is); 
dibëtrik, laten springen of terugspringen. 

BEUBEU, gezegd van een vrucht die 
btjna rijp is. 

BEUBEUHEUL, zie beuheul. 

BCUBEUR (vgl. bëbër), buikband, doek of 
band om de middel, of om den buik in 
te wikkelen; meubeur (Soekap. enz.), het 
bundels gewfls omwinden met een agël- 
strookje van de scheringdraden voor 
Jcasang'a, vóór het verven, opdat de om- 
woelde draden geen kleur aannemen (P.); 
dibeubeur, zich een buikband omdoen, zich 
gorden ; ngabeubeuran, een ander een doek 
of gordel om de middel binden; dibeubeuran; 
ngabeubeurkeun, éen doek om de middel 
of om den buik wikkelen; dibeubeurkeun. 

BEUBEUREUH, zie beureuh. 

BEUBEUT, g.w.: sla! sla er op los! geef 
een slag! geef een pak slagen! meubmten 
ngabeubeut, met kracht slaan, ranselen; 
dibeubeut; tibeubeut tegen den grond slaan, 
ploffen of vallen, nederploffen; voll. tibeu- 
beut kana taneuh; ngabeubeutan, aanh. 
slaan of ranselen, (een paard) aflakkeren; 
dibeubeutan; ngabeubeutkeun, iets tegen den 
grond smakken of smeten; dibeubeutkeun. 

BEUEUJ, == bëje; zie ald. P. 

BEUEU8, vochtig, klam; verder: door- 
sijpelen, lek. 

BEUHEUL, ngbr.; kabeuheulan, = kaboe- 
hoelan en kabeureujan, iets in de keel 
hebben zitten; kabeuheulan koe toelang 
hajam, een kippebesnije in de keel hebben 
zitten; kabeuï>euheulan, idem; ook wel: 
aan verstopping ltyden, niet kunnen afgaan, 
of wel: met moeite afgaan. 

BEUHEULA (Bad.), = baheula. 

BEUHEUNG k., tënggëk 1., nek, hals; ook 
(doch alleen 't kasar- woord): kraag van 
een kleedlngstuk; lëlégok beuheung, de 
halskuil. 



BEUHNQAR, = 't meer gebr. beunghar. 

BEUKAH, zich uitzetten, uitdien, zwellen 
(b. v. een bloemknop), gisten, rijzen (van ge- 
deesemd meel), opengaan of open zfln (van 
een bloem. vg\.mëkar);reuneuh'beukah t di6 
periode in den groei der rjjst, als de eene 
halm reeds aren geschoten heeft, maar de 
andere nog niet; ngabeukahkeun, iets (b.v. 
zijn buik) zich doen uitzetten, zich op- 
blazen. 

BEUKA8, afgaan (inz. van een geweer), 
springen (b.v. een in bocht gezette bamboe); 
mëlëngkoeng beukas njalahan, gespannen 
— afgaan — misschieten, een fig. uit- 
drukking voor: zich inspannen om iets 
te zeggen, en als men 't uitbrengt, zeggen 
wat verkeerd of voor den hoorder be- 
leedigend is; ook gezegd van iemand, die 
de goede verwachtingen welke men van 
hem koesterde teleurstelt; meukasan en 
ngabeukasan, afschieten, afvuren (inz. een 
geweer); dibeukasan; ngabeukaskeun, doen 
afgaan, afvuren; dibeukaskeun. 

BEUKI, 1. = tambah en mingkin, toenemen, 
meer worden, meer; beuki loba 1 meer in 
getal, in getal toenemen; beuki katjida, 
erger, verergeren ; beuki kolot beuki bangor, 
hoe ouder hoe ondeugender (van een kind). 

II. K., sëdëp 1., graag op iets z^jn, lusten, 
gaarne lusten, veel houden van, met 
graagte (eten), verzot z\jn op; kabeuki k., 
kasëdëp en kasantëp 1., dat wat iemand 
graag lust, wat iemands lieiste eten is; 
van een dier (alleen 't k.-woord): dat 
waarop het graag is; - ook in algemeener 
zin, dat waarvan iemand houdt, waarin 
hrj zijn genoegen vindt, b.v.: moal rek 
nampik moeaoeh, wantoening përang kabeuki t 
ik wys geen vijand af, want de krjjg is 
myn lust en leven. 

BEULAH, zich spleten, in tweeën splijten, 
scheuren (ook van de lucht), gespleten; 
verder: spiytsel, kloof, spleet, bres; ook: 
helft; sabeulah, een helft, de eene helft, zijde, 
kant; sabeulah si Wetan, Oostzode; laoeh 
sabeulah, alg. naam van visschen als schol 
en derg. (vgl. leledah); goela sabeulah, (van 
een erf) aan ééne zijde, en wel de voor- 
zyde, rechtgemaakt; goela- sabeulahkeun ka 
djalan gède, maak het (erjD recht langs 
den grooten weg; doewa beulah, (de) twee 
helften; meulah, klooven, klieven, spiyteü, 
doörklooven; ngabaulah, idem; lir gëlap 
ngabeulah boemi, als een onweer dat de 
aarde klooft; dibeulah; meulahan, klooven 
van moer dan één ding; dibeulahan; beu- 
beulahan, stuk dat van iets gesrieten of 
afgekloofd is; ngabeulahkeun, iets klieven, 
openbreken (b.v. een kist); dibeulahkeun 



BEULEUGEUNDJEUR— BEUNGBEUNG. 



BEULEUGEUNDJEUR, maar meeatal sa- 
beuleugeundjeur, halfnaakt, of zoo goed 
als halfnaakt. 

BEULEUM, g.w.; meuleum, in het vuur 
doen, in of op het vuur branden (ook b. v. 
doepa of wierook), braden of bakken, 
inz. brood, pannen, of steenen bakken; 
meuleum maneh, zich verbranden (door 
in het vuur te gaan); teu mats teu 
meuleum, sprkw. voor : geen part of deel 
hebben aan de zaak (waarvan men be- 
schuldigd of waarvoor men gestraft wordt) ; 
'dibeuleum; kabeuleum, mede verbrand (ge- 
raakt); beuleumeun, wat te branden of te 
braden is, wat in *t vuur verbrand moet 
worden; beuleuman, wat gebrand is, b.v. 
beuleuman apoe, gebrande kalk; beubeu- 
leuman, allerlei braden of bakken; sipat 
beubeuleuman, allerlei gebakken voor- 
werpen; pameuleuman, oven. 

BEULI, g.w.; barangbeuli, koopen (zonder 
bepaald voorwerp), inkoopen doen (z. a. 
op de pasar); meuli k., ngagaleuh 1., iets 
koopen, verwerven, winnen; jasa meuli 
ati, iemands hart winnen of trachten te 
winnen; djoewal-beuli of djoewal-meuli, 
koophandel of koopmanschap dryven, 
handelen, verhandelen; soerat djoewal-beuli, 
koopbrief; boela-beuli, al maar koopen, nu 
dit dan dat koopen; moela-meuli, idem; 
dibeulij gekocht worden; kabeuli, gekocht; 
djalma kabeuli, slaaf; kabeuli-beuli, voor 
iets gewonnen (b. v. voor een plan); 
beulieun, wat te koop is, wat men koopen 
kan; beulian % wat men gekocht heeft; 
boedak beulian, of boedak beunang meuli, 
slaaf, slavin; beubeulian, koopen in 't 
algemeen, inkoopen doen; pameuli, koop- 
prijs (nl. de prfls die ergens voor betaald 
wordt, vgl. ladang); ook = patoekon f 
koopprijs voor een meisje; meulikeun, iets 
(inz. geld) gebruiken om er wat voor te 
koopen, besteden of uitgeven aan, span- 
deeren; dibeulikeun; mangmeulikeun, voor 
een ander iets koopen; dipangmtulikeun. 

BEULiT, g.w.; meulit, zich om iets win- 
den of strengelen (b. v. een slang om het 
been), omheen geslagen of gewonden zijn ; 
boelat-beulit, herhaalde malen om iets heen 
zitten; dibeulit ; kabeulit, omwonden (van 
iets waarom zich iets anders gewonden 
heeft); sabeulit (Z.-B.), = soesoewalan, zie 
soewal\ pabeulit, inééngroeien (van takken), 
samenviechten, in elkaar zitten, in de war 
of door elkander zitten; beulitan, 1. van 
saboek, buikband, gordel; dxbeulitan, 1. van 
disaboek, zich gorden, zich den gordel om- 
doen, omgord zijn; meulitkeun, iets ergens 
omwinden; dibeulitkeun. 



BEUNANQ k., kenging 1., verkregen, ge- 
grepen, in zijn macht of bezit krijgen of 
gekregen hebben; verder: vrucht, uit- 
werksel of gevolg ergens van; beunang 
djinah, vrucht van hoerery-, ook (nl. 
beunang): kunnen, vermogen (nL van 
het object); beunang diwoeroek, kunnen 
onderwezen worden, vatbaar zijn voor 
onderricht; oelah beunang ditjaram, wees 
niet zoo dat gy kunt verboden worden, 
d. i. laat u niet verbieden, laat u niet 
verhinderen; - vóór een actief werkw. 
staande kan men beunang te zamen 
daarmede vertalen door een lijdend deel- 
woord, b. v.: beunang meuli, gekocht; 
beunang noelis, geschreven; - sabeunang- 
beunang, zooveel (het) kan, zooveel moge» 
lijk: - meunang k., kenging 1., mogen; teu 
meunang, niet mogen; teu meunang hanteu, 
volstrekt moeten; verder (nl. meunang): 
verkrijgen, in bezit kragen, winnen, 
overwinnen, zegevieren; ook: kunnen 
(nl. van het subject); voorts duidt het 
soms 't resultaat aan van de handeling, 
door het volgende werkw. aangeduid, 
samen daarmede te vertalen met een 
lijdend deelw., b. v.: geus meunang soe- 
soetji, geheiligd; meunang tiloe poetra ti 
seh Djalidin, zij kreeg diie kinderen bij 
seh Dj.; - wijders: dut en, gedurende, b.v.: 
meunang taoen, een jaar duren, een jaar 
(nog) leven; meunang boelan, een maand 
duren, een maand (nog) leven; meunang 
tiloe boelan teu bisaeunleumpang, gedurende 
drie maanden kon hy niet gaan; sameunang- 
meunang, zooveel (men) kan, zooveel moge- 
lijk; meunangan, vermogen, vermogen tot 
iets, in of tot iets bekwaam zfln of deugen, 
in iets gelukkig of voorspoedig zijn, in< 
iets nooit falen of ibissen (vgl. bangen, 
bengsal en poer tut); silih-beunangan, aan 
weerszoden raken of treffen, van weers- 
kanten winnen (zoodat de kansen gelijk 
biy ven), op elkander voordeel behalen; beu- 
beunangan, verkrijgen, opdoen; verder : wat 
men van iets verkrijgt, inkomst, opbrengst, 
product, resultaat (ook z. a. van nadenken) ; 
nahaon beubeunangan? wat hebt ge ver- 
kregen? wat is uw resultaat? meunang- 
keun, iemand of iets krjjgen, in zijn macht 
krijgen, vangen, bemachtigen, vermeeste- 
ren, overwinnen; dimfunangkeun, doen 
of laten winnen; dtbeunangkeun, bemach- 
tigd worden of zijn, enz.; oerang beunang- 
keun, laten we (hem) bemachtigen. 

BEUNEUR, vol en goed (b. v. rystkorrels),. 
goed gevuld (van aar of korrel), het tegen - 
overg. van hapa. 

BEUNGBEUNQ, bezweringsterm, welke 



78 



BEUNGBEURAT— BEUREUJ. 



kinderen, zich op de borst kloppend, of 
ook elkaar op het hoofd trommelend, uit- 
roepen na het spelen van oetjing-oetjingan 
of monjet-monjetan, om te voorkomen dat 
de spelers in het voorgestelde dier zouden 
veranderen; ook eenv. uitroep, z. v. a.: 
't spel is uit! afgeloopent 

BEUNQBEURAT, zie beurat. 

BEUNGEUT, = raraj k., pameunteu ]., 
gelaat, aangezicht; kandël koslit beungeut, 
schaamteloos; njyeun handel beungeutna, 
een schaamteloos gezicht zetten; ipis 
koelit beungeut, "= eradn, zich lichtschamen; 
nanggeuj beungeut, zitten met het hoofd 
in de hand; ngabeungeutan, waarvoor ook 
mere tingal, 't aangezicht toekeeren of 
toonen, gezegd van een zieke, die gunstig 
reageerde op een geneesmiddel, maar daar- 
na weer zieker werd; sïbeungeut k.,sipeunfeu 
(Tjiandj. enz.; ditamas, Soem.) 1., zich 
het gelaat wasschen; njibeungeutan, een 
ander (b. v. een kind) het gezicht 
wasschen; disibeungeutan; njibeungeutkeun, 
iets (b. v. een smeersel) van iemands ge- 
zicht afwasschen ; disibeungeutkeun; - kapi- 
beungeut, verkl. met kadeuleu boe beu- 
ngeutna, bestendig iemand vóór zich 
hebben. 

BEUNGHAR, = soegih, ryk, vermogend, 
rtjk zijn; ngabeungharkeun, rijk maken; 
dibeungharkeun; kabeungharan, rykdom, 
vermogen ; ngadji beunghar of ngadji ka- 
beungharan, leeren rijk worden, met zijn 
rijkdom leeren omgaan, in rijkdom leven ; 
beubeungharanan, den r$jke uithangen. 

BEUNQKAK, = boenghak, opgezet (van 
den buik), opgeblazen; inz. echter: stygen, 
rtJzen, zwellen (van een rivier), gezwollen. 

BEUNQKAT, ngbr.; meungkat of nga- 
beungkat, afsluiten (b. v. een vtfver); 
dibeungkat. 

BEUNQKEUT, wat samengebonden is, 
bundel; inz.: bos, garf, bussel; ook g. w.; 
sabeungkeut, één bundel, één bos, enz.; 
meungkeut, tot een bos of schoof samenbin- 
den; verder: omwinden, binden, toebinden; 
dibeungkeut'j meungkeu'an, bundels of 
bossen maken, in bossen binden; dibeung- 
keutan; beungkeutan, bundel, bos, schoof, 
garf; meungkeutkeun, samenbinden; di- 
beungkeutkeun. 

BEUNJEUR, wat in gebroken of ver- 
brijzelden toestand verkeert, maar niet 
geheel f\jn is (dus geen boeboek), grof 
gruis; inz. gebioken rijst en derg.; bisoel 
beunjeur, kleine maar pijnlijke zweren; 
dibeunjeur, tot beunjeur gemaakt worden 
of z^n. 

BEUNJINQ, naam van een vygeboompje; 



beunjing meulit kana kai, verbl. uitdr. 
voor darangdan (een speling op dangdan, 
zie ald. (P.) 

BEUNT A, de oogen open hebben, 't ge- 
zicht hebben, kunnen zien; lolong beunta, 
blind, maar de oogleden open hebben 
(vgl. mërëm); ngabeuntakeun, de oogen 
goed opendoen of openhouden, iemand de 
oogen openen, ziende maken; mata beun- 
takeun kana djalan kahadean, houd de 
oogen open naar den weg der deugd, d.i.: 
zorg er voor dien goed te onderscheiden; 
dibeuntakeun. 

BEUNTEUR, naam van een klein zoet- 
waterviscbje. 

BEUNTJEUH, = djangkrik, een krekel. 

BEUNTJING, zie bitis. 

BEURANG k., sijang 1. (het tegenoverg. 
van peuting), daglicht, dag, by dag, over 
dag (vgl. poë) ; braj beurang, het aanbreken 
van den dag, licht worden, dag worden, 
de dag breekt aan; beurang pisan, klaar- 
lichte dag; indoeng beurang, vroedvrouw, 
baker; ti beurang, h$d&g;beurang-beurang 
of pabeubeurang, ver op den dag; kabeu- 
rangan, te ver op den dag (opstaan, op 
het werk komen, enz.), te laat opstaan, 
te lang slapen; hees kabeurangan, een 
gat in den dag slapen. 

BEURAT k., abot 1. (het tegenoverg. van 
enteng en hampang), zwaar, zwaar zyn, 
het zwaar hebben, bezwaard zijn; kabeurat, 
wat het iemand zwaar maakt, dat waar- 
aan men in dit leven gehecht is, waarvan 
men bezwaarlijk scheiden kan; ngabeura- 
tan, iemand of iets bezwaren; dibeuratan, 
bezwaard worden of zyn met \kabeuratan, 
1. z. v. a. karipoehan, bezwaar hebben, be- 
zwaard zijn, belast; 2. 1. van ngising, 
mitjeun, enz., een groote behoefte doen 
(vgl. kahampangan b^J hampang); - beung- 
beuraU wat zwaar maakt, bezwaar (van 
welken aard ook), gewicht, gewichten, 
blok, steen, ballast, enz.; ngabeungbeura- 
tan, zwaar maken, tot een last-, gewicht 
of zwaarte iets toevoegen, gewicht op iets 
plaatsen, belasten; kabeungbeuratan, be- 
zwaard worden of zijn met; ngabeuratkeun, 
zwaar doen zyn, iets zwaar maken, iemand 
bezwaren; dïbeuratkeun. 

BEUREUH, ngbr.; bene-beureuk, verloofd 
zyn, verloofden zyn, aan elkander ver- 
loofd zyn, verloofden; beubeureuh, of ook 
wel kabeureuh, verloofde, aanstaande, 
vryer (vgl. bebene bij bene); beubeureuhan, 
een aanstaande-, een vrijer hebben. 

BEUREUJ, ngbr.; kabeureujan, ïyd.vorm, 
gezegd van iemand wien iets in de keel 
blgft zitten of steken, iets in de keel 



BEUREUM—BIBIT. 



79 



hebben zitten (b. v. een vischgraat). Vgl. 
kdboehoelan. 

BEUREUM, rood; ook: rood worden, 
kleuren (zie ook ngora); taneuh beureum, 
roode aarde; tiwoe beur eum, een soort suiker- 
riet; pare beureum, roode ryst; patjar beu- 
reum, balsemen; hama beureum, een ziekte 
in de ryst, honingda.uw;tjarijang beureum, 
naam van een plant; bawang beureum, 
roode ui; koneng beureum, en koneng-soort; 
beusi beureum, gloeiend yzer; lagêe këmbang 
beureum (Z -B.), naam van een zangw\js; 
beureum ngëmpoer of beureum tjahajadn, 
hoog rood, vurig; beubeur eum, zie ëndog; 
ngabeureum, roodmaken, roodverven; 
dibeureum; ngabeureuman, rood worden 
(van 't gelaat), een kleur kragen; kabeu- 
reuman, =r palangan (zie alang) ; pangbeu- 
reuman, plaats waar men roodverft of 
op andere wyze roodmaakt. 

BEURIT, muis, rat; tjoekang beurit (ratten- 
brug), een geheele bamboe, die gelegd 
wordt op de soehoenan, om de wèlit van 
boven beter te doen aansluiten; nangka 
beurit, naam van een nangka-sooit; antjal 
beurit, naam van een plant. 

BEUSI, I. yzer; toekang beusi, = pandaj, 
smid; karantjang beusi, yzergaas;ta»-&ei*s», 
tfzervyisel, hamerslag; manoek beusi, naam 
van een zwarten watervogel; ki beusi (Kad.), 
tjzer-houtboom; tjaoebeusi (Z -B.),naam van 
een pisangsoort; saroewa beusina, van het- 
zelfde yzer, d. w. z. gelykstaan (in stand, 
rflkdom, enz.); toenggal sabeusi, uit één 
yzer gesmeed; overdr. voor: aaneenge- 
smeed, geheel één zyn, innig verbonden 
(van echtgenooten en vrienden). 

II. Dial. in Z.-P. nagenoeg overal gebruikt 
in plaats van of naast bisi; zie ald. P. 

BEUT (Z.-B.), = bët. 

BEUTEUNG, I. na, nadat; beuteung dada- 
haran, na het eten (te verg. met manias 
en bada); adi-beutcung k., ipar 1., schoon- 
broeder, schoonzuster (jonger dan de echt- 
genoot, en te verstaan als: doeloer saman- 
tasna kawin, vgl. dahoean); sabeuteung, 
na, terstond nadat, terstond op; ngabeu- 
teungan, na doen zyu, tot het verledene 
doen behooren; ngabeuteungan njoesoe, 
spenen; dibêuteungan (vgl. sapih). 

II. K., lamboet en padaharan 1., gëgëm- 
boeng, k. p., de buik; ook wel: maag; 
eusi beuteung, de ingewanden; njêri 
beuteung, buikpyn hebben; poeh meuteung, 
doodgeboren. 

BEU Tl, knol, bol, knol wortel, bonkwortel, 
bolwortel, bolgewas; beutian, een knol of 
knolwortel hebben, knol- of boldragend. 

BEUTOE (Z.-B.), = bitoe. 



BEUTOENQ (Z.-B.), = bitoeng. 

BEUWEUNQ, = tjapek, %.w.;meuweung, 
fyn kauwen, met de tanden vermalen; 
dibeuweung; mangmeuweungkeun, ten be- 
hoeve van een ander iets kauwen (b.v. 
iets dat men tot diens bespuwing bezigen 
wil); dipangmeuweungkeun. 

BE W ARA, ong. = bedja, bericht; datang 
bewara, er kwam bericht; dibewarakeun, 
bekend gemaakt worden. 

BE WAT, = dënda, boete ;ngabewat, weg- 
rukken (b. v oen kind van den weg, by 
de nadering van een tyger), medevoeren, 
medetroonen (z. a. met een mooi praatje), 
ontvoeren; dïbeioat. (Vgl. iicat.) 

BEWOK, naam van een krekel, ge- 
iy kende op de djangkrik; mewok, ong. = 
tjamejot, afgezonderd zitten in een plaats 
waar veel drukte is (b. v. op een feest). 

BI, korte vorm van bibi en ëmbi, woord 
om vrouwen aan te spreken. 

BIBI k., ëmbi 1., jongere zuster van vader 
of moeder; ook de vrouw van een paman 
of oom, derhalve: tante; verder vt el ge- 
bruikt jegens vrouwen, die eigeniyk geen 
familie zyn [zoo noemen b. v. kinderen 
de mede vrouw nunner moeder vaak aldus]; 
in Z.-B. algemeen tegen vrouwen die men 
niet kent. 

BIBIQANQ, ngbr.; ngabibigang, gemakke- 
ïyk in een stoel of op den grond liggen, 
met de boenen uiteen. 

BIB1KA, rystmeel met klapperwater tot 
deeg gekneed en even op een stuk pisang- 
blad tot een soort brood gebakken; bibika 
tipoeng tarigoe, een verbl. uitdr. voor roti, 
brood, en een spelling op ngarii, verstaan. 

B1BILAK (Z.-B.), naam van een zee- 
visch. 

BIBI8, sprenkelen met water, z. a. b. v. 
de tabakverkoopers doen om de tabak 
vochtig te houden. B. 

BIBISANI, ngbr.; ngabibisani, zie bisa. 

BIBIT, wat tot voortplanting of voort- 
teling dient of bestemd wordt, zaad, zaai- 
ling, zaadplant, of ook wel een tak of 
stek, visch die ter voortplanting dient, 
fokbeest enz., met één woord: alles waar- 
van iets afgeleid wordt of afstamt; ook 
van menschen gebezigd, vgl. binih) ; verder: 
pokst of ; bibit Madain, uit 't geslacht van-, 
of afkomstig uit Medio; doeloer asal sabïbit, 
van één vader en moeder afstammend, 
van dezelfde afkomstig; mibit en ngabibit, 
fokken, telen, aankweeken, aanfokken; 
mibit sato, vee fokken ;-bibitan (Indr.), leg- 
kip; pabibitan, een dier dat by zonder ge" 
schikt is voor de voortplanting; in Z.-B # 
= pamaajikan, huisvrouw ; lahanpabibitan, 



80 



BIBRIH— BIJOER. 



zaailand (b. v. langs een pag&r, daar waar 
de grond het vetste is). 

BIBRIH, naam van een zoetwatervisch. 

BIDAH Ar. (verkl. met anoe hanteu 
moepakat djeung sara"), keiterjj, kettersch; 
djalma bidah, een kettersch mensen, 
ketter. 

BIDAK, 1. van boedak (maar zelden), 
knecht, slaaf. 

BIDAL (Tjiandj. en omstreken), vinger- 
hoed. (Vgl. antok.) 

BIDANI (Kad.), naam van een vrucht- 
boom, voll. iangkal bidani [de viucht, 
boewah bidani, wordt gebakken gegeten 
tegen wormen in de ingewanden]. 

BIDARA, voll. iangkal bidara, lotusboom 
(vgl. laoet); koeweh bidara, gebak in den 
vorm van een krakeling. 

BIDJAKSANA (Skr., wicaksana), schran- 
der, bedreven, bekwaam. 

BIDJAL, een lichte huidaandoening, ver- 
oorzaakt b. v. door een insect. 

BIDJIL, = ka loewar k., wëdal of mëdal, 
boetjal en mjjoa 1., naar buiten gaan of 
komon, uitkomen, te voorschijn treden; 
ook (maar alleen 't kasar- woord): opgaan 
(van zon, maan of sterren) ; dina ènggon 
bidjil panonpoë, ter plaatse waar de zon 
opkomt (vgl. soeroep); midjil, gaan uit, 
naar buiten gaan of komen; ook naam 
van een tëmbang-wtys; bidjilan, uitkomen, 
uitlaten, uitvlooien; vandaar: voortbreng- 
sel van; bibidjilan, voortkomen, uit voort- 
gekomen zrjn ; bidjil-bidjilan, na elkander 
uit- of opkomen (z. a. de sterren); nga- 
bidjilan, uit zich doen gaan; kabidjilun 
panon-poë, zegt men van iemand over 
wien (b. v. op reis) de zon opgaat; nga- 
bidjükeun, naar buiten doen, uit doen 
komen, te voorschijn brengen of doen 
komen, voortbrengen, opbrengst geven, 
vrucht dragen; taneuh ngabidjükeun hasil, 
de grond geeft opbrengst, draagt vjucht; 
dibidjilkeun; pangbidjüan panon-poë, de 
plaats waar de zon opkomt, de opgang 
der zon, het Oosten. 

BIDOERI, naam van een roodachtigen 
steen met spelende strepen, behoorende 
tot de halfedelgesteenten, een soort agaat. 

BIG AL (Ar.), muilezel. (Ook bagol) 

BIQBRIQ, ngbr.; ngabigbrig, op eendrafje 
loopen (van een mensen); bagbrag-bigbrig, 
huppelende loopen (op zrjn plaats blijvende), 
huppelende springen, trappelen; ook: pro- 
beeren te dansen, maar het niet kunnen. 

BIGEUG, ngbr.; ngabtgeug, beteuterd, 
niet weten wat te zullen zeggen. 

BIHARI (naar het schijnt een oude afl. 
van Aart), = baheula, eertijds, voorheen 



(zelden gebruikt); nagri Hindoestan geus 
soegih tjara bihari, Hindostan was weer 
welvarend als eertydsj baheula-bihari, in 
den ouden tjjd, eertyds. 

BIHBOEL, een bosschage van kleine 
boomen, in een uitstekende bocht van 
een rivieroever. B. 

BIHEUNG (verkl. met boa enpalangsyang), 
wellicht, mogelijk, mogelijk wel, het zou 
kunnen zjjn; gew. versterkt met den 
nadruksw. teuing, terwijl de bet dan is: 
licht mogelijk; hanteu isoek, biheung teuing 
sore, gebeurt het 's morgens niet, dan 
licht mogeljjjk 's avonds; biheung teuing 
aja, biheung euweuh, licht mogelijk is (zijn) 
er, maar mogelijk ook niet. 

BIÏT (Bad.), = eutik, weinig; sabiït, een 
weinig, niet veel. 

BIJANG, moeder (zelden, 't meest in 
aanspraak); adoeh byjangt een uitroep: ach 
moeder I ach! helaas! (vgl. byoeng); poen 
bjjang, s. van poen indoeng, mijn moeder; 
bjjang-b$angan, al maar om moeder roepen, 
weeklagen, jammeren. 

BIJAR, of wel bjar, het eerste uitstralen 
van het morgenrood, gloren (van het 
morgenlicht), licht worden, dag worden, 
stralen, uitstralen (van licht). Vgl. braj. 

BIJAS, ngbr.; kabyas (Tomo), = palid, 
met den stroom mededrjjven, door den 
stroom medegevoerd. (Tgl. tambyas.) 
BIJASA (Skr. abhyasa, oefening, gewoonte, 
vgl. $asa), gewoon, gewend, gewoon zijn, 
gewoonte; adat-bya&a, gewoonte ; byasana, 
gewoonlijk; ngabjjasakeun, iemand aan 
iets gewennen; ngabyasakeun maneh, zich 
aan iets gewennen, zich aanwennen; 
dibyjasakeun. 

BUEK (Indr.), = bëje; zie ald. 

BIJ ÉR, werkw. tusschenw. voor: sprin- 
gen, overspringen; geus bjjër loentjat, reeds 
had hy (het) zyu sprong genomen. (Vgl. 
bijoer.) 

BUEU, = tjikenth, zooeven, pas, een 
oogenblik geleden (vUchter bfl dan tadi). 

BIJOEK, stinken, ntinkend; baoe-byoek, 
stank, stinken; aja soengoet baoebtfoeki 
wat een stinkende mond (adem)l Vgl. 
batjin. 

BIJOEL, naam van een klein roofdier, 
wezeldas. 

BIJOENQ, = byang; 1. gebruikt in den 
uitroep: adoeh bffoengl ach moeder! ach! 
helaas! 2. gebruikt in de samenst. iloe- 
byoeng (lett. moeder naloopen), met anderen 
medeloopen. 

BIJOER, werkw. tusschenw. voor: weg- 
vliegen (van vogels) en voor: wegloopen, 
op de vlucht slaan; bijoer boe lotmpat, hij 



BIJOLA— BINDENG. 



81 



sloeg (zy sloegen) op de vlucht, hy vlood 
<zy vloden) weg. (Vgl. bër, ber en byjër.) 

BIJOLA, het Holl. viool; idem. 

BIKANG, vrouwelijk; te Buit. en elders 
van alle vrouwelijke dieren; te Soem. en 
omstrek n alleen van wijfjes die ge- 
joogd hebben; Westelijk van Tanggeran: 
vrouw [omdat awevoe aldaar op grond van 
ewe als min voegzaam geldt, P.]. Vgl. awewe. 

BIKEUN, g. w. : geef! bikeun hanteu bikeun, 
willen of niet, gy (hy) moet 't geven 
<vgl. daek, soeka, enz.); mikeun k.,maparin 
en ngaleler 1., geven, overgeven, weggeven, 
(tot vrouw) geven, toestaan, afstaan; 
dibïkeun ka andjing, den honden voorge- 
worpen worden; mikeunan, iemand iets 
aangeven, aan iemand iets geven of 
overgeven; dibikeunan. 

BIKO, = ireug, simpel, onnoozel, onver- 
standig, idioot; bikoan, idem. 

BILAHI, = 't meer gebr. balahi, ramp, 
onheil, door een onheil getroffen. 

BILAÏ, hetzelfde als bilahi. 

BIL AL (Ar.), naam van den eersten 
Mohamm. gebedsuitroeper; ook: gebeds- 
uitroeper in 't algemeen (doch zelden 
gebruikt, zie adan). 

BILANQ, g. w.; milang k., ngetang 1., 
tellen, optellen, uittellen; dibilang; kabilang, 
geteld, opgeteld; ook: gerekend tot, be- 
hoorende tot; teu kabilang, 1. niet te tellen, 
ontelbaar; 2. niet gerekend tot, niet be- 
hoorende tot; milangan, iets tellen, op- 
tellen; ook: lezen (maar zelden, zie waija); 
dibilangan, geteld-, gelezen worden; koe 
radja dibilangan, (de brief) werd door den 
koning gelezen; dipangmilangkeun,( iemand) 
toegeteld worden; bilangan, 1. getal; sa&t- 
iangan, naar het getal; 2 onderhoorigheid, 
gebied, ressort, grondgebied; di bilangan 
nagri, in (onder) het gebied der stad; taja 
balanganana, ontelbaar, onberekenbaar. 

BILAO, het Holl. blauw; idem, maar 
inz. blauwsel. 

BILAS, ngbr.; bibilasan, vruchten of iets 
anders na het rystmaal nuttigen tot 
doorspoeling daarvan; ngabilasan, (iets 
dat bereids gewassen is) naspoelen met 
schoon water; dibüasan. P. 

BILATOENQ, I. made, worm (in hjken, 
krengen, vetsptfzen en vruchten (soms 
afschuweiyk groot); bilatoengan, met maden 
of wormen zjjn. (Vgl. meurit.) 

II. In Z.-B. een verbloemde benaming 
voor anakoetjing, jonge kat. [Men mag daar 
nameiyk deze uitdrukking niet bezigen, 
omdat de jongen dan door de moeder — 
naar men meent — gedood worden.] 

BILÈNG, ngbr.; ngabüëng, iemand strak 

SOENDANEESCH-HOLL. WoORDENfe. 



aankyken of in 't gelaat zien; ook (van een 
man) een vrouw fixeeren, een vrouw aan- 
kijken met zinnelijke gedachten; dibilèng. 

BILÊT, = 't betere wilêL 

BILIH, maar doorgaans bok bilih, 1. van 
bok bisi, verst, van bisi, het mocht eens zfln. 

BILIK, mat van gespleten-, glad- of geiyk- 
gemaakte en daarna gevlochten bamboe 
(gebruikt tot wanden voor de woonhuizen 
en andere derg. doeleinden); ook: wand, 
inz. van zóó gevlochten bamboe, maar 
ook wel van andere materialen, zelfs van 
steen; toekang njijeun buik, fttiift-maker. 

BILINTIK (vgl. balantik), ngbr.; bibilintik, 
sparen, verzamelen (inz. om vermogend 
te worden). 

BILI8, I. (Z.-B.), hark. 

II. (Z.-B.), naam van een kleinen zeevisch. 

BILLAHI (Ar.), by GodI 

BILOEK, verkl. met saïlon, mededoen, 
medegaan, doen als, volgen; biloek kana 
pagawean doraka^ mededoen in ongerecbtige 
handelingen; biloek ka kapir, medegaan 
met (doen als) de ongeloovigen, gemeene 
zaak maken met de ongeloovigen. 

B1LOEL, naam v a n een soort vischotter; 
ook: bijnaam van een man die geen vrouw 
met rust laat. B. 

B1LOELOENG (Jav.), alleen in loempat 
tingbüoeloeng, (van een menigte) in ver- 
warring vluchten. 

BIMA, I. (Skr., een der namen van Qiwa), 
alleen in ngabima-paksa, verkl. met maksa* 
keun maneh, zich dwingen. 

II. Naam van een woudboom, voll. 
ki bima. 

BINA (Skr., bhinna), = beda, verschil, 
onderscheid, exceptie, verschillend; moal 
bina, er zal geen verschil-, geen onder- 
scheid zyn, het zal niet verschillen; 
moengkoe bina, idem ; kabina-bina (eig. zeer 
verschillend, nl. van het gewone), erg, 
uitermate, buitengewoon, hevig; soeka 
kabina-bina, uitermate verblijd; tjeurik 
kabina-bina , hevig of bitter weenen; kabina- 
bina teuing, te erg; ngabinakeun, verschil 
maken, een exceptie of onderscheid maken; 
hanteu ngabinakeun djalma, geen onder- 
scheid tusschen menschen maken, d. i. 
niet party dig oordeelen; dibinakeun. 

BINANG, een soort van lans. P. 

BINANGKIT, zie bangkit. 

BINA8A (Mal.), vergaan, verwoest; nga- 
binasakeun, vernielen, verderven, ver- 
woesten; dibinasakeun. (Vgl. roeksak.) 

BINATANG (Mal.), dier, gedierten. (Vgl, 
sato.) 

BINATOER, zie batoer 'II. 

BINDÉNG, door den neus praten; bararin- 

6 



82 



BINEKAS— BIREUK. 



ding, aldus praten in yiende koorts. P. 
(Vgl. bedog en ngiroeng by iroeng.) 

BINÊKA8, = piniër en bisa, knap, kundig, 
handig, bijdehand. 

BINGAH, modern 1. Tan boengah % bigde; 
kabingahan, 1. van kdboengahan t blijdschap. 
BINGBANQ, aan alle zyden ngolowong 
(open, ruim) zoodat men nergens een 
bekend teeken ziet, waarop men kan 
afgaan, in de war zyn, in twijfel zyn, 
tw^ fel moedig, vertwijfelen, radeloos, wan- 
hopig; kabingbangan, in twyfel geraakt, 
tot radeloosheid gebracht; ook: twyfel- 
moedigheid, radeloosheid, wanhoop; nga- 
bingbangkeun, iemand in twyfel brengen, 
in onrust brengen, in de war maken, 
radeloos maken; dibingbangkeun. (Vgl. 
bingoeng.) 
BINQBAR (b.p.), aan één kant afhangen. P. 
BINQBAT, = bengbat. 
BINGBIN, naam van een kleine, wilde 
pisangsoort, waarvan de bladeren o. a. 
voor hateup dienen. P. 

BINQBING, z.v.a. béber; dibingbingkeun, 
uitgespreid worden of zyn (b.v. vleugels). 
BINQBIRANQAN (Z.-B.), een begonia-soort, 
welke men o. a. by de Badoej's vindt. 

BINQKËNQ, gebogen, krom; boengkang- 
bingkèng, met bochten of krommingen 
z^n of loopen; ngabingkëngkeun, krom 
maken, krom buigen, verbuigen; dibing- 
kèngkeun. 

BINGLOE, naam van een boom, voll. 
iangkal bingloe [het hout geiykt op dat 
van den manggoe). 

BINGOENG k., liwoeng 1., verslagen, mis- 
moedig, in verlegenheid zyn, in de war 
zyn, niet weten wat te zullen doen, 
twyfelmoedig, geen middel-, weg of uit- 
komst weten, ten einde raad, radeloos, 
wanhopig (vgl. bingbang); kabingoengan, 
in mismoedigheid-, verlegenheid enz. 
gebracht zyn; ook: mismoedigheid, ver- 
legenheid, verslagenheid, twyfelmoedig- 
heid, iadeloosheid, wanhoop; ngabingoeng- 
keun, iemand bingoeng maken; dibingoeng- 
keun. (Vgl. bëngong.) 

BINI (Mal.), vrouw (van een man), wyQe 
(van een mannetje); noesa Bini, z. v. a. 
Amazonen-eiland, volgens P.:Noesa-Kt>m- 
bangan. 

BINIH, zaad, nl. zaaizaad (vgl. siki en 
bibii), te zaaien of uitgezaaide ryst; ook: 
zaad van dieren en van menschen; verder: 
jonge planten, zaadplanten; ngawoerkeun 
binik t zaad strooien; bibinihan, allerlei 
zaden; pabinihan, zaai- of kweekbed voor 
binih of bibit. 
JMNQES, volL iangkal binoes, naam van 



een gomhoudenden boom; geuiah binoes. 
de gom van dezen boom. 

BINOEWANG, voll. iangkal binoewang 
naam van een boom. 
BINONG, verkl. met pajoeng. P. (Zelden.) 
BINTANG, I. — bintrang, maar platter. P. 
II. (Mal.), ster (vgl. bentang); verder: 
ordeteeken, ridderorde, decoratie ; meunang 
bintang, een decoratie kry gen, gedecoreerd. 
BINTAOS, b,p. voor bontos. P. 
BINTARO, voll. iangkal bintaro, naam 
van een boom wiens sap een sterk ver- 
gift is [men verkrygt het door insnyding]. 
BINTÈNOE, voll. iangkal bintënoe, naam 
van een boom die een slechte houtsoort 
oplevert. 

BINTIH, ngbr.; ngabintih, slaan met de 
vleugels (b. v. van een kip) of met de stekels, 
(z. a. een egel); dibintih ; aüih-bintih, elkander 
zoo slaan; ngabiniihan, herh. zoo slaan; 
dibintihan; pabintih = pabentar, oneenig^ 
in onmin met elkander zyn. 

BINTIT, rood geschreid, gezwollen van 
de oogen (van het weenen),barintit 1 idem r 
bepaald, van beide oogen. (Vgl. tjindoel.) 
BINTJANG, ngbr.; ngabintjang, iets aan 
weerskanten ergens aan vastbinden; ook. 
wel = ngabarogod, iemand binden, kneve- 
len; dibintjang; kabi?Ujang t ong. = kapin- 
tjoet, zie pintjoet, 

BINTJAROENG, naam van een geel 
vogeltje, dat zoogenaamd „koentroelijoer" 
roept, een wielewaal. 

BINTJOERANG, het scheenbeen, scheen* 
de schenen. 
BINTRANG, = ngadëleh, zie dëleh. 
BIRA, g. w.: jaag wegl ngabibira, vrees 
aanjagen, door vreesaanjagmg verdreven,, 
vervolgen; dibtbira. 

-BIRAHI, 1. in de periode zyn dat men 
verliefd kan raken, ook genoemd sëdëng 
birahi; verder: genoegen, genegenheid* 
genoegen hebben in, genegenheid voelen 
voor. - 2. Kennen, weten; ook: geleerd; 
birahi sagala lampah, hy was kundig in 
alle dingen; pangeran Koedoes birahina 
leutoih, de pangeran van Koedoes was 
zeer geleerd 

BIRALOEK (Z.-B.), een soort tygerval, 
waaraan het aas zoodanig bevestigd is,, 
dat, wanneer een tyger er aan rukt, hy. 
met het toestel neerstort in scherpgepunte 
bamboe'8 (boerang). 

BIRAT, (van velen) op den loop gaan,. 

op de vlucht slaan; ngabiratkeun, op de 

vlucht dry ven of jagen; dibiratkeun. 

BfRÉT, knoesterig, kwastig (van hout). 

BIREUK, z. v. a. ieu njaho, niet weten, 

onbekend zyn met; hanteu (of moal) aja- 



JBIREUNGE CJ— BISBOEL. 



noe bireuk, niemand die 't niet weerallen 
weten het ; oelah bireuk, wees niet onwetend, 
u zij niet onbekend; ngabibireuk en nga- 
bireukkeun, in onwetendheid doen ver- 
keeren, in onwetendheid laten. 

BIREUNQEU, = 't meer gebr. bireungeuh. 

BIREUNGEUH, g. w.: zie! ook: het zien; 
mireungtuh s., nendjo k., nwi0aZil.,zien ; kabu 
reungeuh, gezien; mireungeuhan, bezien; 
dibireungeuhkeun koe Allah kana sagala 
rasjjah, dien laat God de geheimenissen zien. 

BIRI-BIRI, de bekende beri-beri-ziekte. 

BIRIBI8, maar meestal biribis-biribis of 
bibiribisan, stofregenen, stofregen, mot- 
regen; miribis, voll. hoedjan miribis, idem 
[een zacht regentje dat het uitgaan niet 
belet, of gelijk men het wel eens noemt 
Uu boentoe djalan], 

BIRIBIT, werkw. tusschenw. voor: hard 
loopen, aan den haal gaan (vgl. bërèbët); 
patingbiribit, (van velen) op den loop gaan. 

BIRIGIDIG, rillen, huiveren, ijzen, grie- 
zelen, rilling van ontzetting of afschuw; 
verder: de huid bewegen (schudden, z. a. 
b. v. een paard), van iets huiveren of 
Ijzen, voor iets vreezen, een afschuw van 
iets hebben; ook: een angstwekkend 
voorkomen hebben of aannemen (sèmoena 
matak gila); ngabirigidig, huiveren, rillen 
(b. v. bij het eten van iets bitters); ook: 
rillen z. a. een bezeten doekoen; verder: 
een angstwekkende houding aannemen, 
iemand (gewild of onwillekeurig) door zijn 
voorkomen of optreden een griezeling op 
het lijf jagen; bibirigidigan, huiveren, 
sidderen, rillen, gruwen, rillingen hebben, 
door zijn houding enz. angst aanjagen. 

BIRIGIGIH, ngbr.; ngabirigigih, daar staan 
in een angstwekkende houding. 

BIRING, greep, handvat. P. 

BIRING BOEROENG, nab. van het geluid 
der tërëbang. 

BIRINTIK, ngbr.; bibirintik, = ngoempoel- 
keun saoetak-saeutik, bij beetjes opsparen, 
wegleggen of aankoopen. 

BIRIT k., imbit 1., bil, de billen, het 
achterste; ook (doch alleen het kasar- 
woord) : bodem, b. v. biritparyoek, de bodem 
van een pot; boewah birit, de bilheuvel; 
nëpak birit, met de hand op zijn achterste 
slaan; ngoesap birit bari indit, z. v. a. 
opstaan en vertrekken, met haast heen- 
gaan; hampang birit, licht van billen (zoo 
zegt men wel van iemand die, geroepen 
wordende, snel opstaat en komt of gaat. 
(Zie ook aseupan.) 

BIROE, blauw, nl. marine blauw, hemels- 
blauw, purperachtig (vgl. langit); ook: 
naam van een plant; bandera biroe, de 



blauwe vlag [die op Java op de kust- 
plaatsen geheBChen wordt als landing ge- 
vaarlijk is]; adoe biroe, gelijk van kleur; 
manoek biroe, een fraaie blauwe vogel op 
de bergen. (Vgl. paoel.) 

BIROEJOENGAN, ook kabiroejoengan, een 
uitroep, z. v. a.: inderdaad! waarlijk! P. 

BIROELOEK (Z.-B.), een jonge kokosnoot, 
ter grootte van een vuist. 

BIROES, een verkoelend smeersel (en 
wel daoen boentiris); asa dipoepoek biroes, 
»t is me of ik met biroes ingesmeerd ben, 
z. v. a.: dadak-sakala senang, plotseling 
opgefrischt; ngabiroes (verkl. met ngala 
anoe tatjan népi kana waktoena), ontijdig 
doen (b. v. djarami of rijststroo wegnemen 
vóór de oogst afgeloopen is, belasting 
vorderen of huur innen vóór de tijd van 
betaling daar is); dibiroes. 

BIROEWANG, beer. 

BIRON (Jav. afl. van biroe, blauw ge- 
vlekt), ngbr.; bata biron (Kad.), niet gaar 
gebakken steen (zie bata I.). 

BI8, = meh, bijkans, bijna; bis-bis, idem, 
met verst.; bis-bisan, er bijna ingeloopen 
zijn, bijna een ongeluk of derg. gekregen 
hebben, op 't punt zijn geweest van. 

BI8A k., tjjasa s., jasa 1., kunnen, ver- 
mogen; verder: knap, kundig, bekwaam, 
ervaren, verstand hebben van, kennen, 
geleerd; boetnisa, zich voordoen als-, zich 
het air geven van een die kundig is; bisadn, 
kunde hebben, bekwaam zijn; bibisadnan, 
zeggen te kunnen, het air aannemen van 
te kunnen wat men in werkelijkheid niet 
kan; kabisa, kunde, bekwaamheid; kabisadn, 
kundigheid, bekwaamheid, bedrevenheid, 
kunst vaardigheid; ngabibisani, een Java- 
nisme (verkl. met njatjampah kana karèp 
batoer), uit de hoogte of minachtend neer- 
zien op, in verwaandheid zeggen dat iets 
zoo niet moet ztfn of dat iemand iets 
niet kan; hanteu ngabibisani, niet uit de 
hoogte afkeuren, geen aanmerking maken 
op, niet euvel duiden, niet veroordeelen; 
ngabisakeun, iemand tot iets bekwaam 
maken, maken dat hij 't zijn kan of doen 
kan; dibisakeun; pangabisa, kundigheid, 
kunde, kennis, bekwaamheid tot iets, 
vaardigheid, kunst. 

BI8AO (Chin.?), zekere aangeleerde 
vaardigheid, waarin de Batavianen, maar 
vooral de Depokkers uitmunten, hierin 
bestaande om door boksen of schermen 
zich te verdedigen in een gevecht of tegen 
een aanval, zelfs van een talrijken vijand. 

BI8A08 (Indr.), maar, slecht*. 
. BISBOEL, naam van een boom (Dios- 
pyros discolor), ook mabolo geheeten. B. 



84 



BISI— BLENG. 



BI8I k., manatoi 1., mogeiyk, het is moge- 
l^k, er (hy, zy, het) mocht (steeds met 
het oog op iets dat te vreezen is en 
daarom soms ook te vertalen met: opdat 
niet); montong ngoempoelkeun eta djoekoet, 
bisi katjaboet tarigoena, ge behoeft het 
onkruid niet te vergaderen, ge mocht eens 
de tarwe mee uittrekken; montong indit 
ajeuna, bisi kahoedjanan, vertrek nu niet, 
opdat ge niet nat wordt van den regen; 
bisi aja noe aboes, er mocht eens iemand 
in huis komen; bok bisi k., bok bilih 1., 
idem, met verst.; njingkiran sakoer bisü 
alle mogelijkheden (mogelijke verkeerde 
gevolgen) ontwaken. 

BI8K0EWIT, het Eng. biscuit, beschuit. 

BISLOEWIT, het HolL besluit; beschik- 
king of besluit der Regeering. 

BISMILLAH (Ar.), in den naam van God! 
[men spreekt deze woorden veel uit by 
het beginnen van eenig werk, vóór het 
eten, enz.]; bismillahirrahmanirrahim, in 
den naam van God den barmhartige, den 
ontfermerl [een term die, uit den Koran 
overgenomen, meestal aan 't begin van 
geschriften gesteld wordt]. 

BI80E, stom (vgl. pireu); ngdbisoe, ver- 
stommen; ook: zich stom houden, niet 
willen spreken; ngabisoekeun, stom maken; 
dibisoekeun. 

BISOEL k., gamboeh 1., puist, zweer, 
gezwel. 

BISORO, naam van een vy geboom, weinig 
verschillende van den kondang, voll. tang- 
kal bisoro. 

BtSTIK, het HolL biefstuk; idem. 

BIT, het Holl. beet; idem, nl. beet- 
wortel. 

BITA, ngbr.; ngabibitadn, iemand naar 
iets begeerig of graag maken; dibibitadn; 
kabita en kabitadn, begeerig (gemaakt of 
geworden) naar, belust zjjn op; matak 
kabita, aanlokkelijk, uitlokkend, begeerig 
makend; dipikabita, begeerd worden. 

BITAN (Z. B.), = batan. 

BITI, zeker spel, waarbty men tracht 
elkander met den dwarsen voet tegen de 
schenen te schoppen of te slaan ; ook wel 
in ernst (b. v. in den stryd); ngabiti, de 
genoemde handeling verrichten; silih-biti, 
elkander met den dwarsen voet tegen de 
schenen slaan. 

BITING (Kad.), = seumat; zie ald. 

BITI8 k., wëntis 1., het onderbeen, de 
onderbeenen; boeloe Wis, het haar van de 
onderbeeoen; njoekoeran boeloe bitis, het 
haar van de onderbeenen afscheren [wat 
pamali is, matak njëri kiïh] ; beuntjing bitis, 
de kuit, de kuiten. 



BITJARA (Mal.), raad; gëdong bitjara, 
raadhuis, stadhuis. 

BITOE, afgaan (van een vuurwapen), 
losbarsten, losspringen, ontspringen, in 
de lucht springen; ook: uitbarsten, uit- 
barsting (van een vulkaan). 

BITOENQ, voll. awi bitoeng, naam van 
een zware bamboesoort, die veel voor 
styien en derg. gebezigd wordt. 

BITOER, ngbr.; kabitoer, bekend geworden 
of geraakt, aan den dag gekomen, uit- 
komen, ontdekt; kabitoer dosana, zjjn zonde 
is aan den dag gekomen. 

BIWIR k., lambëj 1., lambe 1. p., lip, de lip 
pen ; verder (doch alleen het kasar-woord)- 
ooglid; ook: rand van een gat; voorts 1 
de schaamlippen; këmbang biwir, iemand 
over wien ieder spreekt, die op aller lippen 
is; gëde biwir, = gëde omong, veel praats 
hebben; kandël biwir (Z.-B.), naam van 
een zeevisch; ateul biwir, babbelachtig, 
praatziek; rëmpoeg sabiwir, met éénen 
mond; ook: er is maar één roep over; 
miwir, een lip zetten, gaan huilen. 

BJAR, = bijar en braj, licht worden; 
inz. gezegd van het eerste ochtendgloren. 

BJOER, hetzelfde als bjar. 

BLA BLO, zoo maar wegwerpen (b. v. 
de modder by 't omwerken van een 
sawah); ook: fluimen uitspuwen zonder 
er op te letten waar zy nederkomen. P. 
(Vgl. bro.) 

BLAK, nab. van 't geluid van iets dat 
valt: kwak, met een kwak op den 
grond vallen, kwakken; verder werkw. 
tusschenw. voor: zich op den rug werpen 
(nader uitgedrukt door nangkarak: blak 
nangkarak). 

BLAKOETAK, = 't meev gobr. balakoetak. 

BLANQ, ong. = bejak, op, weg (b. v. 
water, regen, duisternis, onkruid, boomen, 
enz.); tjai saaitoe ajeuna geus blang, al het 
water uit den plas is op (weggevloeid, 
uitgedroogd). Vgl. tasblang. 

BLA8 (vgl. bras en gëblas), = tëroest 
doorgaan, doorloopen. 

BLAWE (Indr., samentr. van bëli en 
haweh); niet geven, niet afstaan, niet ge- 
geven worden, niet krygen. 

BLËOOQAN, = bëbëdogan, zie bëlëdog. 

BLÉG, werk. tusschenw. voor: zich met 
haast nederzetten, zich nederwerpen of 
nedervallen (b. v. op een stoel), iets met 
haast nederzetten; bloeg-blëg, rollen of 
nederstorten (b. v. van de golven). 

BLEG, geiyken op. (Zie nambleg.) 

BLÈNG (vgl. breng en blang), werkw. 
tusschenw. voor: alle wegspringen of 
wegvliegen. 



BLES— BOBOTOH. 



85 



BL.É8 (vgl. bres), werk. tusschenw. voor: 
insteken, indoen (b. v. een brief in het 
couvert of de kris in de scheede); ook: 
geraken in, inzakken (b. v. de voet of de 
stok in het slflk). Vgl. amlës. 

BLE8AK (Indr., samentr. van bli en esak), 
zie esak. 

BLI, of ook bëli (Indr.), niet, neen ; blinana 
(ald.), er niet zjjn. 

BLIS, hetzelfde als bêlis. 

BLOEG, =z broeg, werkw. tusschenw. 
voor: neerploffen; bloeg toeroen ti langit, 
neerploften uit de lucht; bloeg laboehkana 
taneuh, h\j plofte neder op de aarde, stortte 
ter aarde; bloeg-bloeg, btfna vallen; dibloeg, 
opgehouden (z. a. een voorwerp op een 
vendutie, als er niet voldoende op ge- 
boden is). 

BLOEG-BLËG, zie blèg. 

BLOEK, nab. van het doffe geluid van een 
vallend lichaam; verder werkw. tusschenw. 
voor: zich cp den buik werpen (nader uit- 
gedrukt door nangkoeban: bloek nangkoe- 
ban) ; ook in 't alg. werkw. tusschenw. voor : 
neervallen, neerstorten (nader uitgedrukt 
door roéboehy tibeubeut enz.: bloek roeboeh, 
bloek tibeubeut), en voor: zich op 't aan- 
gezicht werpen (nader uitgedrukt door 
njoeoeh: bloek njoeoeh). 

BLOES, = boes. 

BLOK, I. werkw. tusschenw. voor: om- 
kantelen (nader uitgedrukt door tamplok). 

II. = bohak en babak, een gat hebben 
(van een muur, in den voet, in 't 
lichaam enz.). 

III. (Indr.), = bëlok. 

BO, maar meestal bo-bo (vaak door naha 
gevolgd), 1. tusschenw. van bevreemding, 
afkeuring of verrassing: ochl wel! wel, 
well maar! - 2. tusschenw. van berisping: 
wat! nou! nou, nou! - ook laat het zich 
wel eens vertalen door zeker! stellig! 
bo ijeu sapadt rasoel ! zeker is dit een ge- 
volg der voorbede van den gezant! 

BOA, ong. = palangsijang, wellicht, 't 
is mogeiyk dat, 't zou kunnen wezen dat, 
waarschijnlijk; boa itoe noe rijabl wellicht 
zfln zy het, daar in het groepje by elkaar! 
boa pidjalaneun waktja, mogelijk is dat een 
goode aanleiding om mjj uit te spreken ; - 
ook soms = kakara, dan alleen, dan eerst, 
b. v. boa njatoengipajahananak-rabifkoedoe 
njijar koelian, dan eerst kan men eten en 
vrouw en kinderen voorzien, als men wat 
verdiend heeft; boa teuing, zeer waar- 
schijnlijk ; moal boa, ~ mooi gagal, het is niet 
onzeker, het kan niet missen. (Vgl. boe.) 

BOB AD (Indr.), liegen, bedriegen ; mbobadi 
(ald.), iemand bedriegen; dibobadi. 



BOBO, I. vermolmen, vermolmd, ver- 
teerd (van hout, bamboe, enz.). 

II. ölapen (van kinderen); ngabobokeun, 
een kind in slaap maken ; dibobokeun. 

BOBOK, g.w.; mobok, inslaan, een gat 
maken in (een voorwerp dat van binnen 
hol is), doorgraven; mobok manggik goro- 
toong, een gat in iets hakkende, in eens 
in een hol komen (waardoor het werk 
belangrijk opschiet), sprkw. voor: onge- 
dacht meeloopen, een meevaller hebben; 
dibobok. (Vgl. bongbok.) 

BOBOKO, naam van een grove van 
bamboe gevlochten korf of mand, rond 
van vorm, ongeveer een voet hoog en een 
voet in middeliyn, voorzien van een soko of 
voet; ook: blikken of koperen voorwerp van 
hetzelfde model; njatoe saboboko reudjeung t 
samen uit één boboko eten. 

BOBOLOKOT, over het geheele lichaam 
met iets bevlekt zrjn (b. v. met slrjk, 
modder of bloed). Vgl. lambokot. 

BOBONGKONG, soort popvorm waarin 
(naar het volksgeloof in Z.-B.) een mensch 
direct na het overlyden overgaat tot 
tyger. P. (Vgl. bobontot bjj bontot.) 

BOBOR, = bêdah, openbreken, door- 
breken, wegstroomen, wegloopen; bóbor 
karahajoean wordt wel gezegd van iemand 
die tot heden voorspoedig was, maar wien 
het geluk ontvlood, tanen van voorepoed; 
ngaboborkeun, = ngabëdahkeun (zie bëdah); 
diboborkeun; boboran sijam, = lëbaran, de 
opening of het einde der vasten, de vasten 
is geëindigd. 

BOBOREH, een geurige gekleurde was, 
die op 't lichaam gesmeerd wordt (hetzy 
van een bruid of bruidegom, hetzij om 
een ziekte weg te nemen); ngaboborehan t 
iemand met boboreh insmeren; diboborehan, 

BOBOROT, = lamborok, geheel met bloed 
bedekt of bevlekt. 

BOBOS, ngbr.; kabobosan, = kalolosan,\. 
van hiloet, een wind laten. 

BOB080, naam van een riviervisch. 

BOBOT, l. 1. van beurat en = abot, 
zwaar; ook wel eens: wegen, overwegen; 
sabobot aing, iemand van mijn zwaarte 
(d. i. iemand als ik); kabobot, opgewogen 
worden door, opwegen tegen; - 2. 1. van 
reuneuh, zwanger; ngabobotkeun, 1. van 
ngarewieukkeun, zwanger zfln van, een 
kind onder het hart dragen; dibobotkeun t 
in zich ontvangen hebben, zwanger zjjn 
van, onder 't hart gedragen worden. 

BOBOTOH, I. verkl. met poerah ngadoe- 
keun, iemand die een kamp of wedstrijd 
leidt, leider naar of van een kamp» 
matador; ngabobotohan, als bobotoh run. 



86 



BODANG— BOEBOEK. 



geeren, een party of partyen in den kamp 
voeren; dibobotohan. 

II. Gehakt, in pisang bladhulzen gekookt 
en daarin voorgediend. P. 

BODANG, naam van een groote mand 
van bamboe, een soort tjarangka. 

BODA8, wit, blank (vgl. ngëplak); ki bodas, 
naam van een woudboom [groote boom, 
witte bast, bladeren van onderen wit, 
niet ngalokop, maar licht te schillen]; 
lame bodas, een tama-soort (M.); koneng 
bodas, een koneng-soort met wi tachtigen 
wortel; bawang boetes, witte Ui; - bobodas, 
het wit van het oog, het wit van het ei; 
ngabodaskeun, witmaken; dibodaskeun. 

BODJAKRAMA, manier, w\jze van doen. 

BODJO 8., pamadjikan k M geureuha 1., 
vrouw (van een man), echtgenoote; boga 
(of gadoeh) bodjo, een vrouw hebben, ge- 
trouwd zyn; rek boga bodjo, gaan 
trouwen; mibodjo, tot vrouw gebruiken; 
maar ook: tot vrouw hebben, getrouwd 
zyn met. 

BODJONQ, I. ook bobodjong, land dat in 
een hoek ligt (by de samenvloeiing van 
twee rivieren); ook: het land liggende in 
een sterke bocht van een rivier, door 
welke bocht dat stuk nagenoeg tot een 
eiland is gemaakt, schiereiland. 

II. Zie by boset. 

BODO, L onwetend, onkundig, dom (vgl. 
bèlët); mangsa bodo, hetzelfde als mangsa 
borong, zie borong; ngabobodo, foppen, 
bedriegen; ngabobodo maneh, zichzelven 
bedriegen; dibobodo; kabobodo, gefopt, be- 
drogen geworden; bobödokeun, g. w.: 
bedrieg hem (of haar); kabodoan, onkunde, 
onwetendheid, domheid. 

II. (Z.B.) een toespijs, inz.btf de Badoej's, 
bestaande uit rottende kleine vischjes f 
welke men na koking onder toevoeging 
van zout in een roewas conserveert en 
vervolgens by de ryst nuttigt, of in 
tjeungtjeum doet om er een boteren smaak 
aan te geven; ngabodo, bodo alzoo be- 
reiden ; - in de Pr. : gezouten visch in de 
aarde begraven (2 of 8 dagen lang), om 
ze te doen stinken; dibodo. 

BODOQOL (Kad.), 't hart van tjaoe batoe, 
dat by gebrek aan ryst en ander voedsel 
wel gegeten wordt. 

BODOL, = dobol (zie ald.), barsten, open- 
breken; verder: een scheur hebben, met 
een gat zyn (b. v. een zak), openstaan 
(van den anus); ook = boedal, uittrekken 
(z. a. een troep); bobodolan, er van door 
gaan, ontvlieden. 

BODOR, snaaksch, grappig; basa bodor f 
kwinkslag; mérak bodor, een snaaksche 



pauw; toekang bodor (of ook eenv. bodor), 
snaak, clown, potsenmaker, pias, nar; 
ngabodor, voor potsenmaker spelen, potsen 
maken. 

BOEBAH, verkeerdelijk aangenomen 
stam van moebah; zie ald. 

BOEBAK BABOEK, zie baboek. 

BOEBAR k., gimbar i., uitgaan (een ver- 
gadering, een school, enz.), uiteengaan, 
uit elkander gaan, elk ztfns weegs gaan, 
scheiden; saboebar, terstond na 't uiteen- 
gaan; boebaran, na elkander heengaan; 
ngaboebarkeun, een vergadering doen uit- 
eengaan; diboebarkeun. 

BOEBAT BABIT, zie babit. 

BOEBOE, naam van een bamboezen voor- 
werp dienende om visch te vangen, soort 
fuik (vgl. djoged II.); naheun boeboe, een 
boeboe uitzetten; naheun boeboe pahareup- 
hareup, de fuiken tegenover elkander uit- 
zetten, overdr, voor: by elkander leenen of 
in de schuld staan. 

BOEBOEH (zelden gebr., zie ripoeh); 
boeboehan, deel, lot, aandeel, gedeelte, af* 
deeling, troep, corps, hoop (inz. van men- 
schen); verder: wat men ontvangt of 
ondervindt in dit leven, 's werelds beloop, 
toeval; ook: gebied, departement, bepaalde 
taak, toegewezen (arbeids)deel, bestem- 
ming; marentak boeboehan menak, heersenen 
is de bestemming (de taak) van den adel; 
saboeboehan, een hoop, een bende, een 
troep, een zwerm; ngaboeboehan, met 
troepen, in zwermen, met zyn velen. 

BOEBOEHARA, = 't meer gebr. boebóe- 
wara. 

BOEBOEJ, ngbr.; moeboej en ngaboeboej, 
in de heete asch leggen, in heete asch 
bakken, poffen; ook: vuur met asch be- 
dekken; verder: iets (b. v. gestolen waar) 
in asch, siyk of derg. verbergen; moeboej 
bedoel manggang oraj, sprkw. voor: zulke 
goede vrienden zyn, dat men elkander 
ook in de moeilijkste omstandigheden 
trouw biyft; diboeboej. <Vgl. pais.) 

BOEBOEK, wormpje (nl. molmworm) in 
bamboe, hout, ryst, enz. [dat het voor- 
werp uitvreet en bederft; men vindt het 
in ergens liggend molm]; ook: mot (z. a. 
in kleeren, vgl. toko); verder: molm (nl. 
de ronde korreltjos stof die de boeboek 
na 't vermolmen achterlaat); ook: gruis, 
kruimels, steengruis, rotsgruis; voorts^ 
molmen, wormstekig worden, vermolmd, 
vergruisd, verbryzeld (b. v. een deur die 
stuk geslagen is, een schip dat gestrand 
is, het lichaam van een mensen dat 
verpletterd is, enz.); boeboek leuHk, van 
geringe beteekenis, een onbeduidend ding; 



BOEBOEL— BOEDI. 



87 



■ngaboeboekkeun, vergruizen, verbrijzelen; 
diboeboekkeun. (Vgl. rémoek.) 

BOEBOEL, wegspoelen, wegstroomen, 
weggespoeld, weggeslagen (van een dam 
of dijk). 

BOEBOELAK, grasveld op de helling 
van een heuvel of berg. 

BOEBOER, brij, pap, inz. rijstebrij, rijste- 
pap; ook: moes; moeboer, brij koken, pap 
maken; diboéboer. 

BOEBOERAK, g. w.; ngaboeboerak, jagen, 
opjagen, wegjagen, verjagen, verdry ven, 
voortdreven, najagen, nazetten, vervolgen, 
rondjagen; dtboeboerak. (Vgl. bërik, abrik, 
enz.) 

BOEBOEROEHOEN, alles aanpakken wat 
men te doen krijgt, zich niet door zijn 
rang of stand laten weerhouden zelf de 
hand aan 't werk te slaan of zelf lichame- 
lrjken arbeid te verrichten. iVgl. borokoh.) 

BOEBOET, het kunstdraaien; toekang 
boeboet, draaier, kunstdraaier; moeboet en 
ngaboeboet, draaien (op een draaibank), 
kunstdraaien ; diboeboet; pangboeboetan, 
draaibank. 

BOEBOEWAJ, naam van een boom als 
de tjaringin; hoë boeboewaj, naam van een 
rotansoort; pare boéboewaj, naam van een 
witte behaarde rjjstsoort. 

BOEBOEWARA, = djadjakah en mang- 
kalan (zie pangkalan), tijdelijk ergens heen 
verhuizen of zich ophouden, om er iets 
te verrichten (b v. naar een buiten ge- 
legen sawah, om te oogsten). Vgl. paboe- 
waran. 

BOEBROEQAN (Kad.), = borong II., een 
werk aannemen (maar met zijn velen). 
Ygh boegbroeg. 

BOEDA (Skr. Buddha, d. i. de Wijze), 
naam van den stichter van het Boed- 
dhisme; verder: Boedist, Boedistisch; ook: 
oude benaming voor Rëbo, Woensdag, 
voll. poë Boeda; ratoe Boeda, Boedistisch 
koning [naam door de Mohammedanen 
gegeven aan den koning vanMadjapahit]; 
djaman boeda, de tijd der onwetendheid 
[toen men Allah niet kende en in afgoderij 
leefde, njëmbah ka kajoe ka batoe]. 

BOEDA-BOEDI, zie boedi. 

BOEDAH, schuim, bobbel (z. a. op kokend 
water); ngaboedah, schuimen, opbruisen; 
ook: schuim op den mond hebben; nga- 
boedahkeun, doen schuimen, opschuimen. 

BOEDAJOET, hangende buik, hangbuik. 
B. (Wel hetzelfde als boerajoet.) 

BOEDAK k., moerangkalih 1., Kind, in het 
algemeen (hetzij knaap of meisje, vgl. 
anak); ook: het nog ongeboren kind (zie 
och ter babaï); verder: knecht, slaaf, slavin 



(zie bij beuli); mangsa boedak, in de jeugd; 
ngaran boedak, kindernaam, voornaam; 
ti boeboedak, = ti leuleulik k., ti boeboerëj 
1., van jongs af, van kindsbeen aan; 
boeboedakeun, (van een volwassene) doen 
als een kind, kinderachtig, jongensachtig; 
kaboedakan, het kind zijn; paboedakan 
(Z.-B.), de minderen. 

BOEDAL k., mifos 1., uittrekken, optrek- 
ken (van vele personen); moedal, over- 
loopen (van toorn), over den rand 
loopen, overkoken, uitbarsten; boeboe- 
dalan, = kakaboeran, ontsnappen, ont- 
vluchten (van velen, b. v. uit de gevange- 
nis of uit den strijd); ook: op de vlucht 
gedrevenen, vluchtelingen, uitgewekenen, 
emigranten ; ngaboedalkeun, (vele personen) 
doen uittrekken, doen uitgaan, doen op- 
trekken, uitdrijven; diboedalkeun. 

BOEDAL-BADIL (vgl. boedal), uit elkander 
spatten, barsten of springen, overal heen- 
spatten; polo boedal-badil, hun hersens 
spatten naar alle kanten; moedal-madü, 
verwoed met zijn zwaard links en rechts 
slaan, de vijanden links en rechts neder- 
houwen. 

BOEDËD, = bèndo; ngaboedëd, ~ ngabëndo; 
zie bëndo. 

BOEDËG (Z.-B.), geknoopte agël voor het 
maken van netten, zeilen, enz. 

BOEDËNG, I. alleen in timah boedëng, 
ongesmolten tin of lood. (Vgl. radjasa) 

II. = torek, doof; soerat boedëng (Kad.)» 
een anoniem schrijven. 

BOEDER (vgl. boender), rond omheen, 
omtrek; ngaboedër, omringen, omgeven; 
diboedêr\ kaboedër, omringd, omgeven. 

BOEDEUG, = bisoe, stom; ngaboedeug, 
zich stom of stil houden, niet spreken. 

BOEDEUR, = boedër, rond omheen, om- 
trek; saboedeur-djagat, als de omtrek der 
aarde. 

BOEDI (Skr. buddhi, verstand, weten- 
schap), gemoed, inborst, gemoedsaard, ka- 
rakter, humeur; ook z.v. a.afcaJ,rede, ver- 
stand; verder: uitzicht, gelaat, voorkomen; 
amis boedi en sareh boedi, zacht van ge- 
moed, vriendelijk, zachtmoedig, minzaam; 
haseum boedi en këtjoet boedi, zuur kijken, 
onvriendelijk, stuursch; hade boedi, een 
goed uiterhjk hebben ; kasilih boedi, van z^n 
verstand beroofd; beureum boedina, zijn 
gelaat zag rood; boeda-boedi, gedurig een 
zuur gezicht zetten (P.); ngowahan boedi, 
zijn gelaat veranderen; boeboedi, een gezicht 
zetten als, er uitzien als; bërboedi (Mal.), 
verstandig; tigaboedi en miboedi, doen als; 
ngaboedi-oetjing, doen als een kat; nga- 
boedian, onvriendelijk jegens iemand zijn. 



88 



BOEDI-DAJA-BOEHOEL. 



BOEDI-DAJA, t. bedrieglijk van gemoed 
(zie daja IL); - 2. naam van een manggah- 
soort; - 3. (Jav.) dat waartoe men al zfln 
best doet, b. v. een onderneming; - 
4. overgangswoord in témbang's, om op 
Kinanti te komen. 

BOED1G, leeiyk, slecht (zoowel van ge- 
drag als van voorkomen). 

BOEDIGAL, te verg. met bëdëgong en 
sombong, verwaten. 

BOEDIMAN (Skr. budhiman), verstandig, 
wys. 

BOEDJAL k., oedël 1., de navel. (Vgl. 
poeseur.) 

BOEDJANQ k, nonoman 1., jongeling, 
jonkman; ma&ih keneh boedjang, nog jonge- 
ling zyn; ook (maar alléén 't kasar-woord) 
algem. benaming voor vaste bedienden, 
vrouwelijke zoowel als manneiyke (vgl. 
badega); baroedjang, jongelingen; djalma 
boedjang, jongeling; boeboedjangan, als 
jongmensch of vrijgezel leven, ongetrouwd 
zyn; boeboedjang, by iemand boedjah g wor- 
den of zijn, iemand dienen; ngaboedjang, 
iemand als boedjang dienen, als bediende 
in huis opgenomen zyn. 

BOEDJANGGA, I. geleerde, wyze, wijs- 
geer, letterkundige, tëmbang- schry ver, 
auteur; ahli boedjangga, idem; boedjang- 
gana, zya (haar) wisheid; ngaboedjangga, 
iets schry ven of beschrijven, als auteur op- 
treden of werkzaam zyn; ngaboedjanggadn, 
idem. 

II. Een andere naam voor oraj santja. 

BOEDJANGGOET, naam van een plantje, 
in het wild groeiende. 

BOEDJËL, kort en dik. B. (Vgl. boegël.) 

BOEDJÊNG, 1. van boeroe, van djoegdjoeg 
en van boro; ngaboedjëng, naar toe gaan, 
op af gaan, jagen op ; diboedjëng; kaboedjëng, 
\. van kaboeroe, achterhaald, ingehaald; 
boeboedjëng, 1. van botboer oe en van bëbëdil, 
jagen; angkat boeboedjëng, op de jacht gaan. 

BOEDJIL, naam van een jaksa of reus. 

BOEDJOEK, = 't meer gebr. woedjoek. 

BOEDJOENA, voll. tjaoe boedjoena, de 
kleinste aan het onderste eind van een 
tros zittende pisangs, die niet tot volle 
ontwikkeling zyn gekomen. B. (Vgl. boetiti.) 

BOEDJOER k , nonowe L, de aars (zie ook 
kapal); ngadjima' boedjotr of mantat boe- 
djoer, sodomie plegen; ook: sodomie. (Vgl. 
doeboer.) 

BOEDOEG, een verspreide uitslag die 
(meestal) uit vuil ontstaat, schurft. 
boeboedoegan, om het kortste strootje 
trekken (ten einde uit te maken wie iets 
hebben zal of aan wie de beurt zal zyn). 

BOEDRA-BIDROE, of ngaboedra-bidroe, ss 



ngaririweuh, het iemand moeiiyk maken, 
iemand last veroorzaken. 

BOEG, werkw. tusschenw. voor: om- 
vallen, omróllen. 

BOEGAG, op de flesch, geruïneerd. P. 

BOEGANG, ïyk, kreng; këmbang boegang f 
naam van een plant welks bloem zeer 
onaangenaam riekt [op een snel op- 
schietenden, groenen, zwartgevlekten 
stengel van y % M. hoog, ontwikkelt zich 
op den top een sneeuwwitte, kelkvormige, 
rechtopstaande bloem, die tegen zons- 
ondergang opengaat]; nangka boegang t 
naam van een nawflrfra-soort; tjikal boegang, 
waarsch. hetzelfde als tjikal pati, ziepati II.; 
ngadjampana-boegang, zyn als een djam- 
pana boegang, de oude naam voof pasar an y 
iy kbaar, met welke ui tdr. men wil zinspelen 
op panasaran, zich onvoldaan of onbe- 
vredigd voelen; ngabotboegang, daar liggen 
als een ïyk of kreng. 

BOEGBAG, ngbr.; ngaboegbag (Z.-B.), een 
bosch ter ontginning openkappen, ont- 
wouden. (Vgl. boekbak.) 

BOEG BÉG, z. v. a. paddoe, tegen elkander 
stooten, bonzen of botsen. 

BOEGBROEG, ngbr ; ngaboegbroeg, zich 
ophoopen, een hoop vormen; ook oveidr., 
b.v. van iemands zonden; ngaboegbroegan, 
= ngoeroegan, op iets ('t een of ander) 
opstapelen, overhoopen met (b. v met 
roentah), bedelven; ook: barricadeeren; 
diboegbroegan; kaboegbroegan, bedolven, be- 
laden; ngaboegbroegkeun, op elkander 
stapelen of hoopen, tot één hoop maken ; 
diboegbroegkeun. 

BOEGÉL, I. = boedjël, kort en dik. B. 

II. (Jav.), stuk brandhout dat niet brandt, 
of uitgedoofd is. 

BOEGIGIG ngbr.; ngaboegigig, zonder 
kleeding of gehavend nederliggen, daar 
neerliggen (z. a. een gewonde tyger, een 
doode buffel, enz.). 

BOEGI8, voll. oerang Boegitt, Boeginees 
koeweh Boegis, een soort klein gebak 

BOËH, wit katoen of linnen, lynwaad 
(vgl. lawon)-, ngawadah-boëh, een sprkw., 
verkl. met pipiloeëun ngomong, zich in 
een gesprek mengen. 

BOEHAHANG, groot, diep (b. v. een scheur 
of wond. (Vgl. boengangatig.) 

BOEHAJA, krokodil; tjaoe boehaja, naam 
van een pisangsoort. 

BOEH BEN, zie beh. 

BOEHOEL, ngbr.; kaboehoelan, lijd. voim, 
gezegd van iemand dien 't eten in de 
keel blijft zitten; in de keel hebber zitten, 
een stuk in de keel hebben. (Vgl. ka- 
beureujan.) 



BOEHOEN-— BOEKTI. 



89 



BOEHOEN, z. v. a. koena en baheula, zie 
ald.; adat boehoen, oude gewoonte. 

BOEÏ, het Hoil. boei; gevangenis; 
paboeën, hetzelfde, maar deftiger. (Vgl. 
berok.) 

BOEJAR, maar meestal boejar-boejar, 
zich verspreiden, uiteengaan; paboejar, 
zich verspreiden, zich verdeelen, uit 
elkander gaan of liggen, verspreid, ver- 
strooid. 

BOEJATAK, bedeiven, bedorven (van 
vleesch of visch), rotten, verrot (zóó dat 
het voorwerp uiteenvalt). 

BOEJËNG, stofferig, vuil. 

BOEJOENG, een steenen watervat met 
wijden mond. (Vgl. gëntong.) 

BOEJOER (Z.-B.), = boerofj. 

BOEJOET, 1. het vierde geslacht in op- 
gaande of neerdalende orde: overgroot- 
vader, overgrootmoeder, achterkleinzoon, 
achterkleindochter; ook: voorgeslacht; 
aki-boejoet, idem; - 2. iets niet mogen 
nuttigen of gebruiken, ten gevolge van 
OLtzegging, hetzij van het voorgeslacht, 
hetzy van zichzelven [het is niet van 
algemeen en aard, gelijk pamali] ; - boeboe- 
joet, k.p. van indoeng, moeder, moer; boe- 
boejoet syja, jouw moer; ngaboejoet, in een 
rij achter elkander loopen; kaboejoetan 
uit den ouden tijd afkomstig, ten gevolge 
van oudheid voor heilig gehouden worden, 
ten opzichte van zekere spijs enz. onder 
het verbod van onthouding liggen; mar$èm 
kabotjoetan, een kanon uit den ouden tijd; 
moesoeh (of satroe) kaboejoetan, erfvijand, 
geslagen vijanfc, doodvijand. 

BOEK, I. het Holl. bok; idem, nl. bok 
van een wagen. 

II. Het Holl. boek; idem, nl. het 20ste 
deel van een riem papier. 

1H. Werkw. tusschenw. voor: houwen, 
hakken, = bëk. 

BOEKA, open zijn, openstaan, open, 
openhebben (b. v. den mond); ook: de 
vasten breken (z. v. a.ngabatalkewn); verder 
g.w.: doe openl moeka, openen, opendoen, 
ontrollen (z. a. een vlag), verklaren, den 
zin doen verstaan, open zijn, openstaan 
(b. v. de deur), losgaan; diboeka; kabotka, 
open geiaakt; ook: aan 't licht gekomen; 
tërboeka of tarboeka (uit het Maj.), open, 
open zijn, openstaan; ook z.v.a. tërang, 
helder, klaar, tot het juiste inzicht van iets 
gekomen zijn; boeboeka, openen (van vele 
voorwerpen; ook: voorafspraak, voorrede, 
inleiding (waarvoor men ook zegt moemoe- 
ka)-, boeboeka tjarita, het uitgeven (in het 
licht geven) van een verhaal ; moekadn en 
ngaboekadn, iets openen, openslaan, op- 



slaan; diboekadn; moekakeun en ngaboeka- 
keun, iets openen, opendoen, een geheim 
uitbrengen, iemand opening of licht ergens 
in geven, (voor) iemand opendoen; koe 
maneh boekakeun lawang, open voor hem 
den ingang; diboekakeun; pamoeka, in akal 
pamoeka, iets om open te doen. 

BOEKARËMEN, een niet navolgens waar- 
dige volksuitspraak van Qoepërnëmen, het 
Ned. Ind. Gouvernement. 

BOEKBAK, g.w.; diboekbak, (alles) om- 
gehouwen worden. 

BOEKBËK, zie bëk. 

BOEKET, het Holl. bouquet; idem. 

BOEKOE, I. gewricht, knokkel, geleding, 
lid, verbinding; njëri boekoe, pijn in de 
gewrichten, inz. rheumatische pijn; boe- 
boekoe, gewrichten ; botkoean, met gewrich- 
ten of geledingen, geledingen hebben (b. v. 
Jijststroo of bamboe); saboekoeboekoena, 
al dè leden of geledingen; overdr.: al wat 
iemand is of heeft. 

IL Het Holl. boek; idem. (Vgl. kitab.) 

BOEKOER, de vaste stof of zelfstandig- 
heid van iets dat met vocht gemengd is 
(b. v. de vaste deelen uit soep); ook naam 
der bloem van de tjikoer; tjikoer saboekoer, 
één tjikoer- vrucht; saoer saboekoer (b. p.) 9 
een enkel wooioje; ngaboekoeran, vaste 
stof doen in vocht; diboekoeran. 

BOEKRAK BAKREK. in slechten staat 
verkeeren, vervallen (van een huis); ook: 
in de war, gedesorganiseerd (van een 
leger, enz.). 

BOEK8ËK (samenst. van boek en sêk) f 
= bëksëk, er flink en met eflect op inhakken 
(b.v. met een zwaard). 

BOEKTI (Skr. bhukti), werkelijkheid 
worden of zijn, in vervulling treden of 
vervuld zijn, de verwezenlijking ergens 
van, vervuld, verwezenlijkt; ook: het 
bewijs ergens van, bewezen; oeninga noe 
taljan boekti, weten wat nog geen aan- 
wezen heeft; saboektina, geheel oveieen- 
komstig de werkelijkheid; moékti, in 
goeden doen zijn, rijk zijn, vermogend; ook 
wel: begaafd, geleerd (B.); soegih-moekti, 
zeer vermogend; kaboekti, openbaar ge- 
worden, aan den dag ge&omen, gebleken, 
bewezen, vervuld ; ook: gedijen; kaboektian, 
verwezenlijkt, bewezen, gebleken, op de 
daad betrapt; kamoektian of kamoekten, 
schat, rijkdom, vermogen; ngaboektikeun, 
verwezenlijken, in vervulling doen treden, 
vervullen, doen geschieden; verder: bewij- 
zen, den inhoud van iets onderzoeken, 
aan den dag brengen, constateeren; 
diboektikeun; kaboektikeun, aan den dag 
gekomen, enz. 



90 



BOEL—BOELOEH. 



BOEL, werk. tusschenw. voor: opstegen, 
naar omhoog gaan (nader uitgedrukt door 
ngëboel, njamboewang, enz.). Ygl. këboel en 
timboel. 

BOEL A-B ALI, alleen in hoedjan angin 
hoela-balt, zwaar weder, een alles ver- 
nielende storm (wind met regen). 

BOELA-BEULI, zie beuli. 

BOÈLAEH, ngbr.; ngaboelaeh, (van speek- 
sel by 't sirihkauwen) over de onderlip 
vloeien; (van schuim in een glas) over 
den rand vloeien. 

BOELAK, ngbr.; ngaboelak, springen, uit- 
springen (van water); ngaboelak omongna, 
veel te vertellen hebben; ngaboelakkeun 
omong, spraak uitstorten; tji-boelakan, 
springader, wel, bronader. 

BOELAK BALIK, zie balik. 

BOELAN k., sa8ih 1., maan, maand; 
tjaang boelan, maanlicht, lichte maan; 
pareum boelan, donkere maan; meunang 
boelan, een maand (of enkele maanden) 
duren, een maand (nog) leven; kalangan 
boelan, kring om de maan; kadatangan 
boelan, = bolon, zie ald.; boelan-boelan, 

1. schjjf om naar te schieten, schietschijf; 

2. (Z.-B.), naam van een zeevisch; boeboe- 
lanan, voorwerp in den vorm van de maan, 
maantje; moelan, in de maneschijn zitten 
of wandelen; moelanan of moelan-moelan, 
eenige maanden, nl. geduurd hebben of 
geleden z$jn. 

BOELANG-BALIK, = boelak-balik. 

BOELANG-BALING, 1. om zich heen slaan, 
rechts en links slaan (b. v. met een zweep 
of zwaard); 2. = balik-mepeh, zich om en 
om wentelen, woelen (z.a. een zieke die 
benauwd is, of een stervende). 

BOELANQ-BENTOR, = boentar-bentor. 

BOELAO, = 't meer gebr. bilao. 

BOELAT-BEULIT, zie beulit. 

BOELE, ngbr.; moending boele, buffel met 
een witte maar roodachtig doorschijnende 
huid [velen zijn boejoet ten aanzien van 
diens vleesch]; boedak boele, albino. 

BOELEN, g.w.; moeien, iets ergens in- 
pakken (b. v. in een zakdoek, en dat voor- 
werp toebinden), ong. = ngagembol; di- 
boelen; kaboelèn, ingebonden, in iets gepakt 
of geraakt zjjn; moelënan of ngdboelènan, 
inbinden f inwikkelen, omwikkelen, om- 
zwachtelen, verbinden (z.a. een wond); 
diboelènan raheutna, ztyn wond werd ver- 
bonden (gezwachteld enz.). 

BOELËNËNQ, rond en glad (z. a. een 
geschoren kinderhoofd of een ei); geus 
boelënëng, (van 't verstand) zich tot één 
zaak bepalen, niet meer van het een op 
het ander springen, ong. = gilig. 



BOELËNQ, ook krënëng, naam van een 
bamboezen mand tot vervoer van visch 
over een grooten afstand. B. 

BOELËNGLËNG, ngbr.; kaboelënglëngan, 
z.v.a. kalëlëban, bitter bedroefd zyn (b.v. 
over den dood van een kind of van zityn 
geliefde). 

BOELEUO, rond, bolvormig; ook: inzfln 
geheel; medja boeleud, een ronde tafel; 
diteureuj-boeleud, in z^n geheel inslikken» 
iets zonder <et vooraf te kauwen door- 
slikken; saboeleudna, in ztyn geheel; boe- 
leudan, in zjjn geheel, in ongeschonden 
toestand, een afgerond geheel, ongedeeld, 
een geheel uitmaken, onvermengd. (Vgl. 
poeloekan.) 

BOELGARI, voll. tanah (of nagara) Boel- 
gari, Bulgarije. 

BOELI-BOELI, een potje of fleschje van 
albast, om er olie in te doen. 

BOELIGIR, naakt, bloot, niets aanhebben, 
ongewapend; ook: verdwenen (van iets 
dat weggenomen is); saboeligirna, zooals 
iets uit zichzelf is (zonder bewerking te 
hebben ondergaan); tingboeligir, naakt, 
bloot (van vele menschen); ngaboeligir, 
naakt zfln, bloot zjjn. 

BOELIKLAK, open (zonder geboomte); 
ngaboeliklak, open en bloot (b.v. een plek 
waar te voren bosch was, maar het 
plantsoen nu is weggekapt of vertrapt); 
verder: onbedekt, geheel zichtbaar; diboe- 
liklakkeun, bloot gemaakt of gelegd worden 
of z\jn. (Vgl. boeloengboeng.) 

BOELINGLOENQ, = lilingloeng, zie ling- 
loeng. 

BOELISTiR, glad, kaal (b.v. een berg); 
(van een paard) geen manen enz. hebben. 

BOELOE k., oelès 1., haar op het lichaam; 
verder (doch alleen 't k.-woord): haar van 
dieren, veer, veeren; ook: ruig (zie ook 
mata); katjang boeloe, naam van een boon- 
soort; talëm boeloe, een soort koeweh; koen 
boeloe, wollen stof; boeloean, harig, behaard, 
ruig, gevederd. 

BOELOEBAB BÉLÉBÉB, hakkelend-, stot- 
terend spreken (b. v. uit angst). 

BOELOEBOES, g.w.; moeloeboes, ingaan, 
indringen, tusschenin dringen, zich onder 
een troep (menschen b. v.) begeven. (Vgl. 
moeboes.) 

BOELOEDËR, het Holl. broeder; idem 
(nl. bruingebakken ketelkoek). 

BOELOEDROE (Port., veludo), fluweel, 
fluweelen. 

BOELOEH, voll. awi boeloeh, naam van 
een bamboesoort als de tamijang, maar iets 
dikker; bentang boeloeh, of ook b. woeloeh, 
het zevengesternte [zelden verstaan]. 



BOELOEKAN— BOENGKA. 



91 



BOELOEKAN, met schimmel, beschim- 
meld, beschimmelen (van eetwaren, klee- 
deren, boeken, enz.); ook: schimmel. 

BOELOENGBOENQ, ngbr.; ngaboeloeng- 
boeng, = ngaboeliklak, open (van een ter- 
rein dat te voren begroeid was, maar 
waarvan het plantsoen weggekapt of 
vertrapt is). Vgl. boeWclak. 

BOELOES, voll. koeja boeloes, naam van 
een groote koeja; kaboeloesan, styf of 
verstyfd van koude. 

BOEMBOE, ook wel boengboe, de ingre- 
diënten ergens van of voor, wat ergens 
in moet (inz. in saus of soep (vgl. kari); 
diboemboean, van boemboe voorzien worden. 

BOEMELA, zie hela. 

BOEMEN BOEMEN, zie boemi. 

BOEMI (8kr. bhünu, de aarde, oord), 1. 
van imah, huis, woning; verder (doch uit- 
sluitend boemi): de aarde; ook: grond, 
land; koelit boemi, de aardkorst; ahliboemi, 
aardbewoner; boemi toedjoeh, de zeven 
aarden; intën boemi, naam van een edel- 
gesteente met donkeren glans; hasil boemi, 
vrucht des lands, opbrengst van den 
grond; - njelaboemi, tusschen twee der 
hoofdwindstreken in; asal boemi, inboor- 
ling, inheemsch; éusi-boemi, dienstmaagd; 
boedak-boemi, idem; saeusi-boemi, het geheele 
gezin; mangkoe-boemi, iflksbestierder (vgl. 
pangkoe); boemen-boemen, 1. van imah-imah, 
op zichzelf of op eigen gelegenheid wonen; 
priboemi, bewoner, bewoners, inboorlingen, 
burgers, inwoners; verder: eigenaar, heer 
van het huis of van het land; menak 
priboemi, de ingeboren- of landadel; kapri- 
boemian, burgerschap. 

BOEMISA, zie bisa. 

BOENAR, voll. awi boenar, naam van 
een kleine bamboesoort, geschikt voor 
omheiningen (= of ong. = de tamijang). 

BOENDËL, ngbr.; ngaboendël, een kinkel 
of knoop in iets vormen, krinkelen; nga- 
boendëlkeun, een knoop leggen (b. v. in het 
«ene eind van een draad). 

BOENDER, I. (eig.Mal. of Jav.), = boeleud, 
rond; këmbang bodas boewah boender, een 
verbl. uitdr. voor djëroek en doelende op 
ngadëroek, treurend nederzitten; boendèran, 
rond bloembed. 

II. Het Holl. boender; borstel, boender; 
ngaboendër, borstelen. 

BOENDJAL, = boeljal, zie ald.; ngaboen- 
djalkeun, uit doen gaan, uitspuwen; 
diboendjaUceun. P. 

BOENEKA, = 't meer gebr. boneka. 

BOENGAH, I. k., bingah 1., bl^de, ver- 
heugd, vrooUJk, verbiyd; toeroet boengah, 
mede verblijd; soeka-boengah, zeer blijde; 



ngaboeboengah, iemand verbidden, tot 
blydschap strekken; diboeboengah; nga- 
boengahkeun, blflde maken, verblijden? 
matak ngaboengahkeun, blijdschap ver- 
oorzaken; diboengahkeun; kaboengahan, 
blijdschap. 

II. = anak, interest van uitgezet geld; 
ngaboengahkeun, geld op interest geven, 
geld op interest zetten; diboengahkeun. 

BOENGANGANG, wtyd open, wjjde opening, 
wijd openstaan; boengangang pintoe langit, 
de hemeldeur staat wyd open; lawang 
goeha geus boengangang, de ingang der grot 
stond wyd open; ook overdr., evenals 
tjopong, voor: verruimd van gemoed. (Vgl. 
boehahang.) 

BOENG AOK, verkl. met ririwa peuting, 
nachtspook, boeman (veelal voorafgegaan 
door loklok). 

BOENGBANG, I. alles op, alles weg, alles 
scüoon, opgeruimd (het erf, de tuin enz.); 
ook: plaats maken voor anderen of iets 
anders, 't veld ruimen (van vijanden enz.); 
boengbang koe sawah, weggeruimd (en 
vervangen) door sawahs. (Zie ook balang- 
bang en timoer.) 

II. Ngaboengbang, een nacht opbleven of 
uitgaan, gepaard met vasten, met het 
doel om een ingeving te krjjgen of om te 
slagen mj een voornemen. 

BOENQB ANGBANGBING (van boengbang I.), 
verkl. met taja naon-naon en geus bejak 
kitoe-kyeu, d.i. : alles weg, alles weggeruimd, 
volkomen weggemaaid, niets meer over 
zyn. 

BOENGBAS, hol, geheel hol (b. v. een 
roewas, tuit of koker), geheel uitgehold 
(b. v. een stuk bamboe); lodong boengbas, 
een holle koker, een hol vat; verder ge- 
bruikt men dit woord van een zieke, wiens 
maag en ingewanden geheel werkeloos 
z\)a, zoodat wat hy opneemt hem onver- 
teerd w«er verlaat (hanteu salin), wiens 
ingewanden dus op een koker gelijken. 

BOENQ-BËNG, zie béng. 

BOENGBOE, = 't betere boembo*. 

BOENGBOELANG, naam van een boom, 
voll. ki boengboelang. (Vgl. peutjang.) 

BOENGBOEN, een roempon die afgesloten 
is met laha. B. , 

BOENGBOEROENGAN, zie boeroeng. 

BOENGHAK, opgezet (z. a. de buik door 
winden), opgeblazen; ook: een hollen klank 
geven (z. a. een opgezette buik als men 
er op klopt). 

BOENQIN (Z.-B.), zandbank of zandplaat 
in een rivier. 

BOENGKA, naam van een slangensoort. 
(Vgl. laoet.) 



92 



BOENGKAJOET— BOENTEL, 



BOENGKAJOET, z. v. a. gëde bcuteung, 
{van een zwangere vrouw of een zwanger 
dier) een grooten buik hebben. 

BOENQKAK, vroolp, bltf; ook: zoet 
fluiten of kweeJen (van vogels, inz. van 
de titiran of poerknetoet). 

BOENGKANG, opgezwollen (z. a. de buik 
van een drenkeling die veel water binnen- 
kreeg); memoer boengkang, een droge, niet 
meer gebruikte put. 

BOENGKANG-BINGKÉNG, zie bingkëng. 

BOENGKAR, = 't meer gebr. bongkar. 

BOENGKAR-BANGKER, zie bongkar. 

BOENGKËM, ngbr.; moengkëm of nga> 
boengkëm, blinddoeken (voll. ngaboengkëm 
raraj); ook: muil banden, den mond sluiten ; 
diboengkèm; piboengkèman, voll. djampe 
ptboengkèman, een djampe dienende om 
iemand te doen verstommen; ngaboengkë- 
man, iemand blinddoeken, enz.; dipiboeng- 
këman, iemand den mond stoppen ; ovei dr. : 
tot zwegen gebracht worden; kapiboeng- 
kèman, verstomd geraakt. 

BOENGKEULEUK, of wel boengkeuleukan, 
— balongkotan. 

BOENGKÜANG, grooter of dikker worden, 
opzwellen. 

BOENQKiL, = gëblëgl.> uitgeperste soeotk 
of soeoek-boek, soort Ujnkoek. 

BOENGKING, alleen in sakoerilingboeng- 
king, geheel omheen, geheel in het rond, 
rond omheen. (Vgl. koeriling.) 

BOENGKOEL, knobbel, dikte, buil, klapoor, 
pestbuil, negenoog; verder: knoest, knob- 
bel, eelterigheid, eeltbult (b. v. op den 
rug van een paard, van 't dragen, enz.), 
uitwas aan een boom (voll. boengkoel kui), 
klomp (b. v. goud); ook wel: gewricht; 
boengkoelan, een knobbel of derg. hebben, 
in klompvorm ztfn (b. v. goud); boeboeng- 
koelan, klomp, klompen (b. v. goud). 

BOENGKOE8, omhulsel (een blad, stuk 
papier of derg.), omslag, kaft, zwachtel; 
in 't algemeen: dat waarin iets gepakt 
of gewikkeld is of wordt; verder: het 
omhulsel met wat er in is, pakje, bundel; 
ook g. w : wikkel in! pak inl boengkoes 
dina djëro hate, wikkel het in uw hart; - 
saboengkoes, één bundel of pakje (geld b.v.); 
moenghoes, in een pakje doen, inpakken, 
emballeeren, inwikkelen (ook b. v. een 
doode); diboengkoes; moengkoe&keun, iets 
(b. v. een kleed) om iets doen, wikkelen 
of hullen om iets; dtboengkoeskeun; boeng- 
koesan, een pakje; boéboengkoe&an^ allerlei 
dingen in pa ken, verpakken ;pamo eng koes, 
dat waarin iets gepakt of gewikkeld is, 
omhulsel, emballage. 

BOENQLON, gedurig van kleur verande- 



ren (b. v. zjjde waarop de zonnestralen 
spelen), rjjk in kleurschakeering, weer. 
schyn. 

BOENQOER, naam vaneenbloemdragen- 
den boom, voll. tangkal boengoer; boengkoel 
boengoer (b. p.), de klopper behoorende bty 
het bekken (P ). 

BOENG80E, de jongste van twee of meer 
kinderen (zie boetjit en ai'*); noe boengsoe 
en boengsoena, de jongste; njyeun poë 
boengsoena, iemand de bons geven ; pangaïs 
boengsoe, op één na de jongste van iemands 
kinderen. 

BOENI, verborgen, verborgen ztfn, niet 
zichtbaar; ook: stil, in de stilte; marëk 
boeni-boeni, in de stilte tot (een meerdere) 
gaan; di noe boeni, in het verborgen, in het 
geheim; boeni ti, verborgen van (vooi); 
saboeni-boeni noe ngising, zoo verborgen als 
iemand die zich van zijn achterlast ont- 
doet, sprkw., verkl. met lampah salah koe- 
doe bae kanjahoan, verkeerde handelingen 
komen stellig aan den dag; - boenian, een 
stille hoer {ten asoep kolëm, d. i. niet inge- 
schreven); diboenian, verborgen worden; 
ngaboenikeun, iets verbergen, voor het oog 
onzichtbaar maken, op een verborgene 
plaats brengen of zetten; diboenikeun. 

BOENIJAGA, voll. djalma boen&aga, een 
persoon (of personen) die zich kortelings 
op een plaats gevestigd heeft (hebben), 
het van elders komen en zich vestigen; 
ngaboenyaga, zich ergens (op een andere 
plaats) nederzetten of vestigen. 

BOENOET, naam van een boom, voll. 
tangkal boenoet [de bladeren dienen tot 
lalab]. 

BOENT ABANTOE, zie bantoe. 

BOENT AL, 1. naam van een visch ; - 2. dat 
b\) een buffel, wat tjolat heet by een paard : 
een witte plek of streep over den kop 
hebben, bles. 

BOENTALA, = het meer gebr. patala 
en z. v. a. lapis, laag; toedjoeh boentala 
boemiy de zeven aarden of aardelagen. 

BOENTANG BANTING, zie banting. 

BOENT AR, het tegeno verg. van pangalap : 
de laagst gelegen kotakan, d. i. het laaget- 
gelegen bed van een saxcah. 

BOENTAR BENTOR, zie bentor. 

BOE NT A 8, ontgonnen (van een hoema), 
doorgegraven (b. v. een berg), afgeloopen 
(van een zaak). 

BOENT ÈK, naam van een vergiftigen 
zoutwatervisch. 

BOENTÈL, bundel, pakje; boeboentëlan, 
bundels; moeniël, zich inwikkelen (b. v. 
in een aeken); ngaboentël, iets inwikkelen ; 
diboentël, gepakt-, gewikkeld worden in ; 



BOE NTBT— BOERAK-B ARIK. 



93 



kaboentël, gewikkeld geraakt in; ook: in een 
strik of derg. verward geraakt; ngaboen- 
tëlan } iets in een bundel samenbinden; 
diboentëlan; boentëlan, bundel, pakje. 

BOENTÉT, inééngedrongen (van lijf of 
gestalte), samengetrokken. 

BOENTIRIS, naam van een heesterachtig 
kruid [waarvan de fijngewreven sappige 
bladeren op wonden en zweren gelegd 
worden]. . 

BOENTJAR, ngbr.; moentjar, zich ver- 
spreiden, uiteenspatten, uiteengaan (inz. 
van lichtstralen); paboentjar, in duizend 
stukken vallen, in gruis vallen, verbrijzeld 
<b. v. een hoofd). 

BOENTJËUK, = molotot, groote oogen 
opzetten, met groote oogen iemand aan- 
keken (z. a. iemand doet die boos is), de 
oogen wijd openhebben (ook van een 
doode); boeryaUboentjèlik (Buit.), de oogen 
opslaan, z. a. een drenkeling wanneer hy 
bijkomt; njolok mata boentjëlik, in open 
oogen steken, overdr. voor: maling ti 
hareup&un, voor iemands oogen stelen; 
moentjëlik, hetzelfde als wilsdaad \boeboen- 
tjëlikan, aanh. of bij herh. groote oogen 
opzetten of de oogen opsperren; ook: de 
oogen laten rollen. 

BOENTJIR, zich uitzetten (b. v. de wan- 
den van een zak door vermeerdering van 
<Jen inhoud, de wanden van een leuit of 
rijstschuur; ook wel van den buik) \pinoeh 
boentjir (of ook eenv. boentjir), tot barstens 
toe vol, een dikken (vollen) buik hebben. 

BOENTJIREUNG (Z.-B.), van den buik: 
buitensporig opgezet. P. 

BOENTJIS, I. het Holl. boontjes ; de Euro- 
peesche-, en wel voornamelijk de prin- 
sessenboonen, voll. katjang boentjis. 

II. Naam van zekere melodie; badingdang 
boentjis, muziek bij boentjis. 

BOENTOE (het tegenoverg. van parat), 
niet doorloopen, doodloopen (van een weg 
of derg.). niet kunnen doorgaan of voort- 
gaan, iets (b. v. handel) ten gevolge van 
eenig beletsel niet kunnen voortzetten, 
versperd (zie ook lakoe, modal en djoedjoel) ; 
ngodok lijang boentoe, de hand steken in 
oen gat dat doodloopt, overdr. voor: ver- 
geefsche moeite doen; njoesoep moentoe,~ 
noeroet madjik, zijn intrek nemen bij een 
ander; ngaboentoekeun, verkl. met mëgat- 
keun maksoed, iemand beletten of ver- 
hinderen zijn voornemen te volbrengen 
of zijn wensen te erlangen; diboentoekeun. 

BOENTOENG, afgekapt, afgeslagen; ook: 
afmissen (b. v. een hand of voet van het 
lichaam), verminkt (van een hand of 
voet); verder: geknot voorwerp, korten dik 



overblijfsel, stomp; lakoe boentoeng, z. v. a. 
teu madjoe, Ijdele-, vergeefsche-, geen nut 
aanbrengende handelingen; koeda boen- 
toeng, een paard met een bolstaart; 
ngaboentoengan> iemand verminken (door 
hem een hand of voet af te houwen); 
diboentoengan saeutik, een stukje (van iets) 
afgekapt z\jn (b. v. van een vin). 

BOEN TOET, staart; ook het einde van 
iets (b. v. van een ploeg); teu aja boen- 
toetna, geen spaart hebben; overdr.: geen 
gevolgen hebben; apis boentoet, staar triem. 

BOEOEK k., ramboet 1., hoofdhaar. 

BOEOET, = badjing, eekhoorn; honje 
boeoet, naam van een plant wier vrucht 
gebezigd wordt om garen rood te verven. 

BOEPATI, = 't meer gebr. bopati. 

BOEPATOS, soms gebruikt als 1. van 
boepati, zie bopati. 

BOEPET, het Holl. buffet, het bekende 
meubelstuk; idem. 

BOER, werkw. tusschenw. voor: weg- 
loopen, op den loop gaan, wegsnellen, 
vluchten. ( Vgl. aboer, kaboer en bër,) 

BOERA, ngbr.; moera, spuwen (inz. het 
vocht van een uitgekauwd geneesmiddel, 
z. a. door een doekoen, op een mensen 
of dier); moeradn, bespuwen (op gezegde 
wijze); ook van een slang: op iemand 
haar gif spuwen; diboeradn; moerakeun, 
vocht van iets dat men uitkauwde uit 
den mond spuwen of spuiten op een 
mensch of dier; ook in 't alg.: iets uit- 
spuwen; diboerakeun. 

BOERAHAJ, blinken, nl. van geel. (Vgl. 
omjang en obroj.) 

BOERAH-BAREH, met bloed bevlekt (de 
armen, het lichaam, onz.), bebloed, in zjjn 
bloed wentelend; diboerah-bareh, met bloed 
besproeid worden. 

BOERAHOL, naam van een boom, dezelfde 
als toeralak; voll. tangkal boerahol. 

BOERAHROH, ngbr.; ngaboerahroh, op zijn 
vier pooten zitten. P. 

BOERA JAK, benaming van alle jonge 
vischjes, aan welke het nog niet duidelijk 
is tot wat soort ze eigenlek behooren. 

BOERAJOET, groot van omvang (inz. 
van den buik eener zwangere); tjaoe 
boerajoet (Z.-B.), naam van een pisang, 
soort; ngaboerajoet, groot van omvang zjjn 
(b. v. een pak dat iemand draagt). 

BOERAK, I. == 't meer gebr. borak. 

II. = roentak en baroentak, in verval 
komen, te gronde gaan (b. v. een stad of 
een land), vernield, geslecht, verdwenen. 

BOERAK-BARIK, vernield, uiteengeslagen, 
vernietigd (b. v. een leger), verwoest, 
een ruine geworden (b. v. een stad door 



94 



BOERAKRAKAN— BOERISAT. 



een aardbeving); ngaboerak-barik, uiteen- 
slaan, uiteendry ven, verstrooien, alles 
overhoopgooien, verwoesten, vernielen, 
uitroeien; diboerak-barik, (Vgl. balik.) 

BOERAKRAKAN, rotten, verrotten, ver- 
teren (hetzij van een deel des lichaams 
dat door een ziekte verwoest wordt, hetzij 
van een doode). 

BOERANQ, sterke bamboezen pen (in 
den grond of om in den grond te steken), 
stekel, voetangel; ngaboerang, prikken, 
steken; diboerang; kaboerang, geprikt, ge- 
stoken geraakt, zich steken; ngaboerangan, 
een puntig voorwerp ergens insteken 
(met de bedoeling dat zeker persoon daarin 
zal trappen of gaan zitten en zich alzoo 
verwonder)); diboerangan. 

BOERANTAK, ngbr.; ngaboerantakkeun, 
verstrooien; diboerantakkeun; paboerantak, 
uiteen, uiteenliggen (b. v. een huis), van 
elkander gescheiden, verspreid, verstrooid, 
dooreen; paboerantak manah, verdeeld-, 
verstrooid van hart; dipaboerantakkeun, 
verspreid-, verstrooid worden. (Vgl. 
baroentak.) 

BOERA8, kedjo die, in een pisangblad 
gepakt, in water gekookt, vervolgens koud 
gemaakt en zóó gegeten wordt. 

BOERAT, 1. van oebar, geneesmiddel, 
medicijnen; ngaboeratan, (een zieke) een 
geneesmiddel of geneesmiddelen toe- 
dienen; diboeratan. 

BOER-BËR, zie bër. 

BOERËJ, 1. van leutik, klein (doch alleen 
van een kind); ook wel: jong, en: aan- 
vallig, aardig, lief; pangboerëjna, de kleinste, 
de jongste; ti botboer ëj, 1. van ti leuleutik, 
van jongs af, van kindsbeen aan. 

BOERËLIH, I. borrelend koken; ook: 
het puntje van een puist; ngaboerëlih, 
opbollen, opborrelen, uitborrelen; ook: 
uitpuilen; verder: schuld bekennen (inz. 
van een misdadiger); boeboerëlihan, 1. aanh. 
borrelen; ook: uitpuilen; 2. ongelijk, hob- 
belig; eta papan boeboerëlihan keneh, die 
plank heeft nog hobbels en bobbels, is 
nog oneffen. 

II. Werkw. tusschenw. voor: in ééns 
doorslikken, inzwelgen (z. a. een slang 
een kikker doet), voll. boerëlih neurevj, of 
ook boeboerëlihan neureujna. P. 

BOERÈMG, geschonden, bedorven, dof, 
beslagen (z. v. a. soerëm), onleesbaar (van 
schrift b. v. door een inktvlak). 

BOERË$^ z. v. a. bejak, zie ald.; baris 
botrëêt hanteu toto, het leger was vernietigd, 
daar het zich niet kon staande houden. 

BOERËT, =s birët, knoesterig, kwastig 
(van hout, zoodat men het niet recht 



kan splijten) ; o verdr. : duister in 't gemoed, 
dof van geest, verbijsterd, geen raad 
weten, benauwd, door zorg of kommer 
beneveld; soekma boerët, benauwd van 
geest, een benauwde geest. (Vgl. roedét t 
roepëk en tjoepët.) 

BOEREUTEU, een embonpoint hebben. 
P. (Vgl. boentjir.) 

BOERI (Bant. en elders) = toekang I., 
achter; ti boeri, van achteren. (Vgl. woeri.) 

BOERIH, de krop van een vogel; van 
men8chen (k.), z. v. a. hate, maag, hart; 
ipis-bwtrih, z. v. a. leutik hate, kleinmoedig. 

BOERIHIL, = boerindil; zie ald. 

BOERIJAL, het opborrelen, het opengaan 
(zie ook boentjëlik); ngaboerijal f opborrelen, 
springen (inz. het water van een fontein), 
ontspringen; ook: uitbarsten; paboerijal 
of tingboerijal, idem, op meer dan één 
plaats (b. v. in een leuwi). 

BOERIK, gevlekt, gemarmerd (b. v. een 
slang of gemarmerd papier). Vgl. rëngge» 

BOERILAK, een blik op iemand werpen 
(hetzij uit liefde of uit haat); boeboerilakan f 
vonken schieten, fonkelen (vandeoogen); 
tingboerilak, ionkeien, schitteren, glinste- 
ren (b. v. de tanden). 

BOERINDIL, kaal (b. v. een kip), vlerk- 
loos, van zijn vlerken beroofd (b. v. een 
vlinder), bladerloos of dun in 't blad 
(van een plant of boom); o verdr.: tot ar- 
moede vervallen zijn, berooid zijn; nga- 
boerindil, tot armoede vervallen zijn,, 
in armoedige omstandigheden geraakt 
zijn. (Vgl. boerihü.) 

BOERINQAS, = 't meer gebr. boeringhas. 

BOERINGHAS, wild, eensklaps opsprin- 
gen, zich plotseling opheffen, verbaasd-, 
verschrikt op of rondom zich zien, er 
verwilderd uitzien; ook wel: helder kijken, 
onbevreesd of dapper uit zijn oogen kijken; 
verder: zeer met iets ingenomen zijn, zich 
met ingenomenheid ergens op toeleggen. 

BOERINGKAL, opspringen, opspatten 
(van water door visch), zich opheffen, in. 
de hoogte gaan (b. v. een poort, die opge- 
nomen wordt). 

BOERINJAJ (vgl. njaj), het flikkeren, 
het glinsteren, een korte flikkering; 
ngaboerinjaj, (een oogenblik) flikkeren 
(z. a. spattend vuur, de bliksem of een 
zwaard); verder: blinken, glinsteren (van 
edelgesteenten), bliksemen; ook: phos* 
phoresceeren (z. a. een tjika-tjika of vuur- 
vlieg); ngaboerinjajkeun, doen flitsen, doen 
bliksemen, doen flikkeren, enz.; pating- 
boerinjqj, idem (van vele voorwerpen en 
verspreid). 

BOERISAT, ngbr.; ngaboerisatkeun, uit- 



BOERIT— BOEROENG. 



95 



eendry ven, verstrooien; paboerisat, = 
paboerantak, uiteengaan, zich verspreiden, 
zich verstrooien; ook: uiteenvliegen (b.v. 
een weggeschopt ding). 

BOERIT, de avondschemering, avondtrjd, 
avond (tusachen sore en peuting); waktoe 
(of wantji) boerit, idem; paboeboerit, tegen 
den avond. (Vgl. barat.) 

BOERKEK (Kad.), = bëlëkek; zie ald. 

BOEROE, zich haasten ; boeroe-boeroe, zich 
zeer haasten, vliegensvlug; moeroe k., nga- 
boedjëng 1., ergens naar toe- of heengaan, 
ergens op afgaan, zich heen haasten; 
moeroe-moeroe, met haast ergens op af- of 
naar toe gaan; ngaboeroe, zich naar toe 
haasten ; ook : nazetten ; diboeroe, gezegd van 
den persoon of de plek waarheen men zich 
spoedt; boeboeroe k., boeboedjëng 1., jagen ; 
ngaboeroe-boeroe, haast maken, zich spoeden ; 
ook: tot haast aanzetten; diboeroe-boeroe; 
diboeroekeun, met haast gebracht worden ; 
kaboeroe k., kaboedjèng en kabëday 1., achter- 
haald, ingehaald, bereikt, overvallen; 
kaboeroe soeboeh, door de morgenscheme- 
ring overvallen ; kaboeroe manten koe oerang 
Djawa, voorkomen zjjn door de Javanen 
(zoodat deze er eerder waren); paboeroe, 
in koeda paboeroe, jagers- of jachtpaard, 
hardlooper, harddraver, renpaard; parahoe 
paboeroe, snelzeiler; paboeroe-boeroe, om het 
hardst (b. v. loopen); - boeroean k.,pala(aran 
1., plek grond waarop een buis staat, erf, 
honk; këmbang boeroean, naam van een 
kind van tusschen 8 en 6 jaar (dat voort- 
durend om het huis speelt); pamoeroean, 
persoon of ding waarheen men zich spoedt 
of wendt, toevlucht; ook: rustplaats, 
drinkplaats van wild gedierte. 

BOEROEBOEL, het komen of aankomen 
van een menigte menschen, toeloop; ook: 
het vertrekken of optrekken van een 
menigte menschen ; moeroeboel en ngaboe- 
roeboel, (van velen) naderen, in aantocht 
z\jn, of ook : vertrekken, optrekken. 

BOEROEBOET, (van vele voorwerpen of 
personen) van een hoogte naar beneden 
storten of rollen); patingboeroeboet, idem, 
en verspreid; moeroeboet, naar beneden 
rollen of vallen (b. v. vruchten), stroomen 
(van regen), vloeien (van tranen); moe- 
roeboet tji-panon, zjjn tranen vloeiden, 
hy stortte tranen; diboeroeboetkeun, in 
grooten getale naar heneden .doen rollen 
(b. v. vruchten uit een boom). Vgl. tjoe- 
roeloek. 

BOEROEDJOEL, een ploeg met houten 
kouter (zonder singkal). 

BOEROEDOEG, ngbr.; ngaboeroedoeg , 
iemand onverhoeds of eensklaps over- 



vallen; diboeroedoeg; kaboeroedoeg, plotse- 
ling door iets overvallen. (Vgl. bèrëdëg.) 

BOEROEDOEL, uitkomen, van velen <b. v. 
vogels uit het struikgewas). 

BOEROE H, een loonknecht of ioonmeid 
(maar tjjdelrjk, niet vast), huurknecht; 
ook: loon; batoer boeroeh, huurknecht, 
huurknechten; batoer abdi boeroeh, mtfn 
huurknechten; boeboeroeh, btf iemand voor 
loon dienen; ook: loonknecht, Ioonmeid, 
huurling, arbeider; boeboeroeh maehan 
djalma, voor loon moorden; toekang boeboe- 
roeh, iemand die voor huur (loon) werkt; 
moeroehan en ngdboeroehan, iemand loon 
(huur) betalen, loon geven, beloonen; 
moeroehan naon? wat loon , wat belooning 
zult gy geven ? diboeroehan, beloond-, betaald 
worden ; boeroehan, loon, dagloon, werkloon, 
huur (nl. van een bediende); ngaboeroeh- 
keun, = ngoelikeun, iets voor loon laten 
doen, bewerken of uitvoeren; ook: aan- 
werven; ngaboeroehkeun matjoel, voor loon 
laten omspitten; diboeroehkeun. (Vg\.badega t 
boedjang, gadjih, gandjaran, koelian, sewa, 
enz.) 

BOEROEJ, larve van een kikvorsen; ook: 
jonge kikvorsen. (Vgl. boejoer en tjebong.) 

BOEROEK, rottig, rotten, verrot (van 
vruchten, zweren, open plekken, enz.); 
verder: versleten, afgedragen, oud, opge- 
bruikt (b. v. kleeren); ook: verlegen, ver- 
ouderd, vergaan, verteerd; lamak boeroek, 
vod, lor, vodden; asa boeroek ad koering y 
't is of mjjn hart vergaat; ngaboeroekan, 
verouden, slijten, verteren. 

BOEROELA, spetten, spatten (van olifr 
of ander vocht bjj hevig koken). P. 

BOEROENDOEL, verkl. met teu badjoe 
teu samping, niets aanhebben, naakt zijn, 
uitgekleed, naakt, uitgeschud; ook: naar- 
loos (boeloe-boeoek geus boeroendoel); verder 
= teu babandadn, niets in de wereld 
hebben, alles kwyt z^jn, doodarm; - (van 
het Arabische letterschrift) ontbloot van 
(zonder) erab of klankteekens, zonder 
klankteekens geschreven ztfn. 

BOEROENQ, 1. onrijp afvallen (van vruch- 
ten, b. v. ten gevolge eener aardbeving), 
niet rtfp worden; verder: niet doorgaan» 
niet geschieden, belet of verhinderd 
worden, verijdeld; - 2. = gelo, zot, dwaas» 
mai, gek; verder: dwaas handelen, gek 
doen; sato boeroeng, een dol dier; ook 
scheldw., z. v. a. dol beest! jou dol dierl 
ëndog boeroeng, bedorven ei, stinkei; - 
teu boeroeng, zeker doorgaan of tot stand 
komen, desniettemin toch kunnen; teu 
boeroeng hiroep, desniettemin (b. v. in 
weerwil van zvjn armoede) toch kunnen 



96 



BOEROENGKOEL— BOETJAR-BETJIR. 



leven; hamo (mo of moal) boeroeng, het 
zal (of kan) niet missen, ongetwijfeld; 
boeboeroengan, iets dat dwaas is, dwaasheid; 
boengboeroengan, 1. teleurgestelde jonge- 
dochter of jongeling, wier (wiens) engage- 
ment verbroken is; 2. koopwaar die-, een 
gekocht voorwerp dat gekat wordt (is); 
paboeboeroeng, voll. doewit paboeboeroeng, 
kleine of grootere schadeloosstelling bij 
het niet doorgaan van een koop en ver- 
koop, het verbreken van een aangegane 
verbintenis, enz.; ngaboeroengan, aan 
iemand iets verijdelen of maken dat iets 
aan iemand niet geschiedt; diboeroengan; 
ngaboeroengkeun, iets veredelen, verhinde- 
ren, het plaats vinden van iets beletten, 
afbestellon, afschreven; diboeroengkeun; 
kaboeroengan, het zot of dwaas zjjn, 
zotheid, dwaasheid. (Vgl. woeroeng en 
gagal.) 

BOEROENGKOEL, alleen in Üngboeroeng- 
koel (Kad.), in brokken verdeeld. (Vgl. 
boengkoel.) 

BOEROENOEK (Z.-B.), naam van een 
zeevisch. 

B0ER0E80ET, = borosot, het uitkomen 
of uitbreken van een kind bty de geboorte, 
't ontvallen aan de zwangere vrouw van 
het kind, ter wereld komen; ook: uitrollen 
(b. v. rflst uit den zak) ; orok sdboeroesoetna, 
een pasgeboren kindje; ngaboeroesoet- 
keun, doen ter wereld komen, doen geboren 
worden. 

BOEROET, zak-, of waterbreuk (hydro- 
cèle); tjaoe boeroet, naam van een pisang- 
soort. 

BOERON (samentr. van boeroean), = 
giras en babang, uit schuwheid, bangheid 
of vrees voor iemand of iets wegloopen 
of hem ontloopen; boeboeron, dieren waarop 
jacht gemaakt wordt, wild. 

BOES, = soep, werkw. tusschenw. voon 
ingaan, indoen, enz. (nader uitgedrukt 
door aboes). 

BOESAK BASIK, zie boe sik. 

BOES-BËS, zie bës. 

BOESIJAT, = mentjëret, een geringe on- 
willekeurige uitvloeiing van drekstof uit 
4en anus (b. v. by buikpijn); kaboes&atan, 
ljjd. vorm, gezegd van iemand wien zoo 
iets overkomt. 

BOESIK, letsel bekomen hebben, gedeerd, 
geschonden (vgl. babak); Uu boesik boeloe 
salambar, geen haartje was gekrenkt; 
verder: ongeordend, verward, ordeloos, 
vuil, b. v. kleeding ('t tegenoverg. van 
midang); ook: verdorven, omgekomen 
(b. v. door het zwaard) ; diboesak-basik, 
geheel verdorven worden, z. v. a. diroeksak. 



BOESIL, — boerihil; zie ald. 

BOESOEK (Mal.), stinKend, verrot (vgl. 
bosok); diboeboesoek wordt gezegd van 
iemand over wien slecht gesproken wordt, 
verguisd worden. 

BOESOENG, waterzucht, het water heb- 
ben, waterzuchtig, inz. buik waterzucht; 
kasakit boesoeng, idem ; noe boesoeng, iemand 
die aan waterzucht ljjdt. 

BOE80ESOET, ong. hetzelfde alsMMfstt ; 
zie ald. P. 

BOET, korte vorm van ëmboet; zie ald. 

BOETA, I. gaaf (van hout, hoorns of derg.). 

Ii. (Skr. bhüta), een fabelachtig wezen: 
reus, titan. 

111. Niet zien, blind, inz. geestelijk blind 
(b. v. niet kunnen leeren, niet kunnen 
lezen), geheel onwetend, stompzinnig; 
toenggoel boeta, z. v. a. euweuh kanjaho, ten 
eenenmale onwetend; leuwih boeta ka Jarig 
Widi, volkomen blind zfln ten opzichte 
van God; ngaboetakeun, iemand verblinden, 
maken dat hy niet ziet; diboetakeun. 
(Vgl. rata, radjin, toeli, moena en djaladara.) 

BOETAK, kaal-, haarloos voor of midden 
op hoofd of kop, gedeeltelijke kaalheid; 
kalah boetak moal kapanggih, z. v. a.: al liep 
htf met z{jn hoofd tegen den muur. hy 
zou het niet vinden; kalah boetak nini 
doekoen, een uitdrukking waarmee men 
iemand bespot, die hulp gezocht heeft, 
bfl een persoon van wien hy wel vooruit 
had kunnen weten, dat die hem niet zou 
kunnen helpen (vgl. kalah); bango boetak, 
een der bango-soorten, kraanvogel [vliegt 
zeer hoog, vandaar zijn kalen kop, zegt 
het volk]. 

BOETATAÏAN (waarsch. samentr. van 
baoe tataïan), in verregaanden staat van 
ontbinding verkeeren. P. 

BOET-BAT, zie bat. 

BOETËK, donker in 't gemoed, niet helder 
van hoofd of hart, stomp van zinnen 

BOETËT, verkl. met tajapikir, gedachte- 
loos zyn. 

BOETIK, ngbr.; ngaboetik, de batok met 
een bëdog afslaan van het vleesch van de 
kokosnoot, een kokosnoot ontbolsteren; 
diboetik. 

BOETIN, ong. = roedin, armoedig, have- 
loos (inz. van iemands kleeding). 

BOETITI, onderste en minste van een 
tros vruchten. (Vgl. seuhang enboedjoena.) 

BOETJAK, klein. P. 

BOETJAL, 1. van bidjil en ka loewar, uit- 
gaan, uit dea dienst of uit zfln werk gaan, 
enz.; ngaboetjalkeun, uit doen gaan, ont- 
slaan; dïboetjalkeun. 

BOETJAR-BËTJIR, zie bëtjir. 



BOETJ AS-BET JIS —BOEWIH. 



97 



BOETJAS BÉTJIS, zie bëtjis. 

BOET JAT, barsten, doorbreken, opengaan, 
stukgaan (b.v. een zweer, wat uitgezet 
of opgeblazen was, iemands buik, enz.); 
ook: uiteenbarsten (b.v. de oogen door 
een schot); ngaboetjatkeun, doen opengaan, 
doen barsten, enz.: diboetjatkeun 

BOETJ È8, of wel ngaboetjës k. (grover 
dan molor), slapen. 

BOETJIT, = boengsoe, laatstgeborene, 
jongste; ook de laatste speler btf bantjoel. 
(Vgl. ijikal) 

BOETJITRÉK, een dikken, volgegoten 
buik hebben. 

BOETJOE, = boetiti; zie ald. 

BOETOEH, I. de zich ontwikkelende kiem 
in een uitloopende kokosnoot. 

IL Behoefte hebben, gebrek, behoeftig 
zyn, noodig hebben, behoeftig; boetoeh 
doewit, geldgebrek hebben; saboetoehna, 
op zijn. minst; kaboetoeh, lichamelijke nood, 
behoefte hebben of gevoelen aan, noodig 
hebben; verder: behoefte, gebrek, wat 
iemand behoeft of hem ontbreekt; dipika- 
boetoek, gezegd van iemand dien men noodig 
heeft, aan wien men behoefte heeft; 
kaboetoehan, nooddruft, nooddruftigheid ; 
pangaboetoeh, wat iemand nooddruftig 
maakt, behoefte, nooddruft; sapangaboetoeh, 
al de nooddruft. 

BOETOEN, een zak van matwerk of 
derg.; hoewi boetoen, naam van een 
aardvrucht, waarsch. yam ofyamswortel; 
djëroek boetoen, een groot soort djëroek; 
ngaboetoen, een kooi of derg. met een 
doek bedekken, een sarong of derg. aan 
het eene einde toeknoopen, om er iets 
in te doen ; diboetoen. 

BOETOET, versleten, afgedragen, op, 
onbruikbaar, vergaan (van kleed eren en 
in 't algemeen van stoffen goederen); 
ngabadjoe-boetoet, een verbl. sprkw., waar- 
mede gedoeld wordt op ngabigbrig (een 
badjoe boetoet is namehjk ~rëbig);ngagoel- 
keun pajoeng boetoet, sprkw. voor : zfln voor- 
ouders ophemelen; boeboetoetan, z.v. a. sa- 
koer noeboeioet, afgedragen kleeren, vodden. 

BOETOETOET-BÉTËTÉT, zich gereed of 
reisvaardig maken (al heen en weer 
loopend), soms gevolgd door dangdan. 

BOEWAD BAEUD, zie baeud. 

BOEWAH, in 't alg.: vrucht, vruchten; 
te Band. en omstreken in 't bjjz. alle 
soorten van manggah; tangkal boewah, 
vruchtboom ; in het Band. in 't btf z.: mang- 
gah-boom; pëtetan boewah, in het Band : 
manffgah' plant; hoewi boewah, naam van 
een aardvrucht; hoedjan boewah, hagel, 
inz. hagelslag; boeboewahan, coll. meerv.: 

SOWTDANBÏSCH-HOLL. WOOBDENB. 



allerlei vruchten; piboewaheun, wat vrucht 
worden zal, bloesem; boewahan, in de 
vrucht staan, vrucht dragen; boewahan 
noe hade, goede vruchten dragen \kaboeboe- 
wahan, de nieren. 

BOEWAL, ngbr.; kaboewal, (geld dat men 
in een zaak of onderneming stak) uit de 
opbrengst terug ontvangen; ook: beloond 
(b. v. de aangewende moeite door de 
goede resultaten). 

BOEWANA (Skr. bhuwana), de wereld, 
het heelal; saboewana, idem; saboewana 
kabeh, de geheele wereld; sangga-boewana t 
een zwart paard met vier witte voeten 
en een half witten staart. 

BOEWANG (Mal.), wegwerpen; ngaboe- 
wang, bannen, verbannen; diboewang; 
boeboewangan, banneling; pangboewangan, 
verbanningsoord. 

BOEWAT, I. ngbr.; piboewateun, de te 
velde staande oogst; diboewat (niet ladend, 
maar bedrijvend), oogsten; miboewat, oog- 
sten; dipiboewat, geoogst worden; miboe- 
watan, iets oogsten of afoogsten; dipi- 
boewatan. 

II. (Mal.), doen, maken (vgl. djijeun); 
ook maaksel; noeroet boewat, (van een 
zwangere vrouw) zich verzien; njeueung 
djëlëma gelo, oelah diseungseurikeun, sabab 
maneh eukeur reuneuh, bisi noeroet boe- 
wat, als ge een gek ziet, moet ge 
niet om hem lachen, want ge zflt 
in gezegende omstandigheden, ge mocht 
u eens verzien (P.); saboewat (gew. 
samengetrokken tot sabot), = meungpeung, 
bezig zijnde met, onderwijl, terwtyl; boe* 
watan, maaksel, fabrikaat; boewatan Batawi, 
fabrikaat van-, gemaakt te Batavia; 6oe- 
boewatan, = djidjyeunan k., damëlan 1., 
maaksel; ook: wat men verkrijgt, wat 
men tot stand brengt; moewatkeun sëmbah 
(Z.-Ch.), z. v. a. dat njëmbah, de eèmbah 
maken (P.) ; kaboewat (Z.-B.), z. v. a.katahan, 
verdragon, uitstaan. 

BOEWEUK, katuil (vgl. béloek III); boe- 
weuk b'.unang maboek, neergeslagen katuil, 
overdr. voor: teu aja dajana, zich niet 
kunnen weren; boeboeweuk, een cirkel- 
vormig voorwerp van bamboe, soort 
hoepel of ring, bevestigd in Inlandsche 
hoeden (doedoekoej), om ze vast op 't hoofd 
te doen staan. 

BOEWIH, ngbr.; moewih, draaien, in de 
rondte draaien (van den wind b.v.); nga- 
boewih, (van water) al draaiende in een 
gat loopen, woelen; overdr.: een vloed 
van woorden voortbrengen, draaien, met 
draaierij omgaan, praatjes verkoopen, 
voll. ngomong ngaboewih. (Vgl. poewih.) 

7 



98 



BOEWIS— BOHONG. 



BOEW1S, ngbr.; paboewis, — patjampoer, 
verward door elkander z$n ofloopen(van 
menschen, paarden, enz.), dooréénloopen 
(b. v. om een feest te organiseeren), door 
elkander krioelen. 

BOEWIT, alleen in bibü-boewit, verkl. 
met oesoel-asal en ioeroenan, geboortig of 
afkomstig van; bibit-boewit oerang dinja, 
een daar geborene. *■ 

BOQ, = doeg, werkw. tusschenw. voor: 
gaan liggen, zich nederleggen (nader uit- 
gedrukt door ebog); bog ebog, hy legde zich 
neder. 

B06A (Skr. bhoga, genot, inz. van sptys) 
k., gadoeh s., kagoengan 1., hebben, be- 
zitten ; bogapamadjikan, een vrouw hebben, 
maar ook: een vrouw nemen, trouwen; 
eta bogana ngan geulis, haar éénig bezit 
was schoonheid; noe boga, de eigenaar, 
heer, meester (ook z. a. van een dier) ; bobo- 
ga&n, = babandadn, 1. wat iemand bezit, 
bezitting, bezittingen; 2. euphemistisch 
voor de schaamdeelen (1. kagoengan); sabo- 
bogadn, al wat iemand bezit; mïboga, iets 
wederrechtelijk in bezit nemen of houden; 
dipiboga; kapiboga; nyabogadn, in bezit 
nemen of hebben, bezitten; ngabogadn 
ati ëdir, een trotsch hart hebben; nga- 
bogadn lampah haram, bezitten (dat is 
hier bedrijven) wat verboden is ; dibogadn ; 
kaboga, wat men heeft, bezit; kabogadn, 
bezitting, eigendom; kabobogadn, wat men 
heeft, goed, bezitting; ngan kabobogadn teh 
tjai herang djeung roti toehoer, ik heb slechts 
(myn eenig goed is) water en droog brood. 

BOGËL, verkl. met tëngah-tëngahna aloen- 
aloen, het midden van de aloen-aloen. (Vgl. 
bagal en bagël.) 

BOQEL, verkl. met meh ditarandjang, 
zeer schamel gekleed (in den regel alleen 
met een tjawët of lap, die slechts het 
schaamdeel bedekt); in Z. B. ook: mis- 
vormd van nature, in den zin van te 
kort, te dik, enz. (b. v. een vinger, een 
vrucht, enz.); pokek bogel, een broek met 
b^zonder korte of haast geen ptypen, zoo 
iets als een zwembroekje. 

BOGO, een klein soort gaboes (vgl. 
tjingok I.); ook een speling op bogoh; tjaoe 
bogo t naam van een pisangsoort. 

BOQOH, veel houden van, lust hebben 
tot, genoegen vinden in, begeerte hebben 
naar [in den regel van ongeoorloofde 
begeerte], verliefd of verzot z*jn op; bogoh 
nanggap tjarita, gaarne hooren verhalen; 
bogoh ngadoe hajam, verzot zijn op hanen- 
gevechten; bogoh kana poeh, gaarne willen 
sterven (b. v. strijders); tambah bogoh ka 
nagara Salkian, steeds sterker begeerte 



gevoelen om te gaan naar S.; bobogohan, 
verliefd z\) nop eikand6r,maar inz.: ongeoor- 
loofden omgang hebben met het andere 
geslacht; kabogoh, 1. = kabita, begeerte 
naar, het verzot ztfn op; 2. het voorwerp 
van iemands begeerte of verliefdheid, 
minnaar, minnares. 

BOQOL, = tambaloeng, een stuk hout 
voorzien van twee gaten (door welke de 
handen van een gevangene bij z\jn ver- 
voer gestoken worden om hem de be- 
weging te beletten); ngabogol, iemand 
alzoo verzekeren; dibogol. 

BOQOR, 1 . d rooggetap te kawoeng {kawoeng 
noe geus losbar disadapna); ook in 't algem. : 
bladerlooze en taklo >ze boom; - 2. de 
So6ndan. benaming van Buitenzorg, voll. 
nagara Bogor; katjang Bogor, een andere 
naam van katjang tanah, een ronde 
aardnoot. 

BOH, 1. = atawa, of; kërsa miloe ka 
mana, ka moesoeh boh ka Hindistanl wien 
wilt gjj helpen, den v\jand of Hindistan? 
2. = bagija, hetzy (en dan in herhaalden 
vorm); boh njalawat atawa dikir, boh 
tëmbang noe hasil (we zullen dan) hetzij 
gebeden of lofprijzingen opzeggen, het- 
z\j een nuttige tëmbang zingen; boh koe 
menak, boh koe goeroe ngadji, boh koe anoe 
soegih, boh koe pada batoer, hetzy door een 
adelljjk persoon, hetzy door een leermeester, 
hetzy door een ryke, hetzjj door een gelijke. 

BOHAK, open, ontveld, schram; inz. een 
diepe schram, barst, kloof of snede in de 
huid, gapende wond of wonden (ook z. a. 
b.v. van iemand die onder een wagen 
gelegen heeft). 

BOHONG, liegen; verder: leugen (vgl. 
wawadoel); soempah bohong,va\8ch zweren, 
valsche eed, meineed; ngarang bohong f 
leugens smeden (uitdenken); ngomong 
(of ngomongkeun) bohong, leugen spreken; 
lain bobohongan, het is (was) geen 
praatje; ngabohong, met opzet liegen; 
bohongan, leugenachtig (verkl. met saoetak- 
saeutik bohong); djalma bohongan, leuge- 
naar; ngabobohong, heeten liegen, ontken- 
nen, loochenen (b. v. dat iets geschieden zal 
of kan); ngabobohong kana djasadmangke, 
het toekomstige lichaam ontkennen (d. L 
de lichamelijke opstanding loochenen); 
ngabohongan, voorliegen; tilih-bohongan, 
tegen elkander liegen, elkander voor- 
liegen; ngabohongkeun, voor leugen uit- 
maken, heeten te liegen, ontkennen, 
loochenen, logenstraffen (b. v. dat iets ge- 
schied is); dibofiongkeun; pangbohongan, 
een die gewoon is te liegen, leugenachtig 
mensen; kabohongan, leugen. 



BOJOBOS— BOLOAMPAR. 



99 



BOJOBOS, = hampos, samendrukbaar 
en zacht (van het hart van sommige 
planten). 

BOJONG, ngbr.; I. ngabojong, krijgsge- 
vangen maken, als buit medevoeren, 
gevangen wegvoeren; ook: overvoeren, 
verhuizen, doen verhuizen, verplaatsen 
(b. v. van het eene dorp naar het andere) ; 
ngabojong nagri, de stad in krijgsgevan- 
genschap of in ballingschap wegvoeren; 
beunang ngabojong, wat men zóó medoge- 
voerd heeft; dibojong; kabojong, krijgsge- 
vangen gemaakt; bojongan en bobojongan, 
krijgsgevangene, krijgsgevangenen, in bal- 
lingschap weggevoerden. 

II Een jongensspel (eenigszins als ons 
„haasje-over"), doorgaans gespeeld door 
8 jongens, van welke 4 paard en 4 be- 
rijder zfln. [Een berijder werpt een opge- 
rold voorwerp toe aan een ander be- 
rijder; vangt deze het niet, dan wordt hy 
paard, enz.] 

BOJOR, het rykeljjk uitstroomen; ook 
g. w.; ngabojor, rykelrjk laten opstroomen 
(b. v. water op een sawah); dïbojor; bojor- 
keun, laat uit! laat uitstroomen I 

BOK, z. v. a. bisi en manawa, het mocht 
zijn, wellicht; bok teu tingali, mocht ge 
het niet weten, of: misschien weet ge 
niet; - het woordje wordt echter in den 
regel geplaatst vóór büih, bisi of manawa, 
om de beteekenis dezer woorden te ver- 
sterken. 

BOKER, ngbr.; ngaboker en ngabokerkeun, 
wat op een hoop ligt (b. v. uitgewied 
onkruid) uit elkander doen en verspreiden ; 
ook: iemands geheim verklappen; dibo- 
kerkeun; ngaboker-bokerkeun, aanhoudend 
uitééndoen. 

BOKETRAK, ngbr; paboketrak, zondei 
orde door elkander staan (b. v. de meu- 
bels in een huis), ordeloos dooreenstaan 
of verspreid liggen. 

BOK-MANANGIS (Z.B.), naam van een 
katjapi-wtys (eig.: moeder schreit). 

BOKONG, iet? zóó achter zich houden 
dat het niet gezien wordt, weghouden; 
bobokong, de onderrug, de achterste deelen 
(b.v. van buffels), de stuit, het achterste; 
ngabokong, iets doen achter iemands rug, 
iemand in den rug of onverhoeds aan- 
vallen of overvallen, op iemand van 
achteren aanvallen; ti ngabokong, van 
achteren onverhoeds aanvallen; ngabo- 
kongan, = ngabokong; dibokongan. (Vgl. 
bongoh.) 

BOKOR, kom, bekken, spoelkom, wasch- 
kom, waschbekken; ook: een kleine kruik 
of kan, met of zonder deksel. 



BOKTËL, het Holl. wortel; peen. 

BOL, werkw. tusschenw. voor: komen, 
voor den dag komen, uitkomen, aankomen. 
(Vgl. djëboel) 

BOLA (Port. bola), bol, bal, baljartbal» 
balon van een lamp,kluwentjenaaigaren, 
en ook wel in 't algemeen naaigaren; 
imah bola, sociëteit; medja bola, biljart; 
ngadoe bola, biljarten. 

BOLA-BOLA, naaf of nave van een wiel. 

BOLAJ, verkl. met teu djadi, niet door- 
gaan; ngalwlajkeun, terugkomen op een 
gedane belofte, zijn woord terugnemen. 

BOLANG, naam van een plant met 
breede gladde bladeren, die als lalab ge- 
geten worden; tjatjar-bolang, het weg- 
maaien (z. a. van v^anden) ;njatjar-bolang, 
zoo gemakkelijk of zoo volkomen als (de 
zeer broze) bolang omhakken (ni. vijanden); 
difjatjar-bolang; neundeun tjai dina daoen 
bolang, water doen op een &o/angr-blad 
[waarop het geen vat heeft], sprkw. voor: 
vergeefsch werk doen, b. v. iemand ver- 
geefs vermanen. (Zie ook hijeum.) 

BOLED, voll. hoewi boled, naam van een 
aardvrucht (vgl. mantang) ; ngëmbang-boled, 
bloeien als de boled, overdr. voor tetela, 
duidelijk; boboledan, 1. naam van een 
kruipende duinplant met paarse convol- 
vulusachtige bloemen (P.); - 2. ongege- 
neerd (doch alleen van mannen. P.). 

BOLEGER, rood, open (van een plek op 
de huid), rood zien, ontveld zijn, ontstoken 
zijn; ook (z. a. een wond) bloot zfln {keur 
beureum hanteu ditoeroeban). Vgl. boeligir. 

BOLEKER, (van een stuk grond) uitgeput 
en zoodoende onvruchtbaar geworden. B. 

BOLEKLAK, = ngaboeliklak, zie boeliklak. 

BOLENANG, kaal, glad (z. a. iemand die 
geheel geschoren is, een rots, enz., ong. 
= lenang); ook: naakt. 

BOLER, ngbr.; kaboler, niet af-zjjn van 
iets op denzelfden tyd als iets anders dat 
er bij behoort. 

BOLETJEK, open, bloederig (z. a. een 
plek op de huid ten gevolge van krabben). 

BOLOAMPAR, ook boroampar, een sterke 
ontkenning, waarop soms bovendien door 
achtervoeging van teuing nog nadruk 
gelegd wordt: niet te denken, ondenkbaar, 
ondoenlijk, het mocht wat, het lijkt wat, 
volstrekt niet, volstrekt niet kunnen, 
enz. (het tegenovergestelde wordt dan, 
maar niet altyd, in den volgenden zin 
uitgedrukt, soms ingeleid door anggoer, 
veeleer); boloampar migawe sakoemaha noe 
dipigawe koe maneh, het is ondenkbaar 
dat hy doen zou wat gjj gedaan hebt; 
boloampar teuing ijeu djalmu dipaparin 



100 



BOLODOG-BONDOT 



tanda, het mocht wat dat aan deze 
menschen een teeken gegeven zou wor- 
den; boloampar meunangbat^djinisleungit, 
niet te denken dat hy winst maakte, 
veeleer ging zyn kapitaal te looi; boloam- 
par meunang adji, sabalikna anggoer 
dioenghak, laat staan dat hy eer behaalde, 
veeleer werd hy gehoond. (Vgl. alangkara 
en boloradh.) 

BOLODOG, naam van een zeeviscbje 
aan het strand. (Wordt niet gegeten.) 

BOLOKOTOK (verb. van boro kotok), ngbr. ; 
dibolokotokkeun, verkl. met diobrot en 
dihantèm dioedag-oedag, met yver nagezet 
worden (eig. nagezet worden zooala men 
een kip nazet). 

BOLOKOTONDO, naam van een insect, 
schadeiyk voor het rflstgewas [het zwarte 
stinktorretje, door Europeanen gewooniyk 
„walang sangit" geheeteu]. 

BOLON, = kadatangan boelan k., hel, 
kapamalian en palangan s. (het laatste 
vooral van zichzelve tegen een meerdere), 
karësëban en pambëngan 1.. de maand- 
stonden hebben, de regels. (Vgl. boelan.) 

BOLONQ, = tjopong, doorloopend gat, 
opening; sangkaia-bolong, de gave van het 
verborgene te kennen (b.v. weten wat 
zich ia een gesloten voorwerp bevindt, 
waar gestolen of op andere wjjze ver- 
loren gegane dingen zjjn gebleven, waar 
iets verborgen is, enz., F.); bolongeun, een 
gat of gaten in de beenen hebben, een 
rottende wond in de beenen hebben; 
bongbolong, opening, licht in een zaak, 
een „gat" ergens in zien, raad; merebongbo- 
long, raad geven ; bongbolongan, gat, ope 
ning; ook: de larangan eener vrouw; 
overdr.: iemand opening of licht geven, 
raad geven, raad; ngabongbolongan, iemand 
opening in een zaak geven, aan iemand 
raad geven; dibongbolongan. 

BOLONGOR, = boeliklak, open, zonder 
wanden of afsluiting (b. v. een huis of 
een slaapplaats), zonder schaduw; (van 
Arab. schrift) geschreven zyn zonder 
klankteekens. (Vgl. boeroendoel.) 

BOLONGSONG, = 't meer gebr. bo- 
rong song. 

BOLONJON, werkw. tusschw. voor lepot 
en Uêot, loskomen, losschieten, vrijkomen; 
ngabolonjon, (zich) loslaten, losraken. 

BOLOR, uitpuilen, naar buiten treden 
(van de oogen, ten gevolge van ziekte); 
ook wel voor moto, oog. 

BOLORAXH, of welborora&h, = boloampar. 

BOLOt (Z.-B.), = podos % een onwiile- 
keurig ontsnappende wind; kabolosan, bfl 
ongeluk een wind laten. P. 



B0L08TR0NG, ~ satarabasna; zie tara ■ 
bas. P. 

BOLOTOT (Z.-B.), = molotot, zie polotot. P. 

BOL8AK, het Holl. bultzak; = kas oer, 
matras. 

BOM, het Holl. boom; 1. boom van een 
rytuig, disselboom; - 2. de Boom of het 
tolkantoor van een havenplaats. 

BON, I. alleen in oelah bon (oelabon), = 
oelah moen (oelamoen), niet alleen, niet 
slechts, laat staan (dat, maar ook, enz.). 
Zie ook by sariga. 

II. Het Holl. bon; idem (nl. schrifteiyk 
bewys, waarop het daarin vermelde kan 
worden uitgereikt). 

BONANG, naam van een muziekinstru- 
ment, behoorende tot de gamelan en be- 
staande uit (in den regel) twaalf kleine 
ketels, geplaatst in twee rtyen, elk van 
zes stuks, waarop geslagen wordt met 
een soort houten hamer. (Vgl. këmpoel.) 

BONDEL, I. omgorden; kabondelan koe 
awewe, door de vrouwen verhinderd (b. v. 
zyn plichten te vervullen) \ngabondelkeun, 
iets omgorden ; ngabondelkeun salipi kana 
tjangkeng, zyn sirihdoosje om de lenden 
binden; dibondelkeun; - bobondelan, 1. het- 
geen onwillekeurig medegedragen wordt, 
b. v. met bemodderde voeten {sapërti 
rokrak katjintjak koe soekoe taneuhan); - 
2. naam van een boomsoort, waarvan de 
bast tot leerlooien wordt gebezigd [de 
vruchten worden gebruikt om den buik 
van kinderen, die aan moeilijken stoel- 
gang ïyden, tebestryken;devruchtinhoud 
wordt tegen hetzelfde euvel inwendig 
gebruikt], P. 

II. Het Holl. bundel; idem. 

BONDJOL, eeltkussen, veroorzaakt door 
den druk van den draagstok of rantjatan. 
P. (Vgl. poepoendakan by poendak.) 

BONDJOR, pakje koekjes (gandoe) Java- 
suiker van 10 tot 11 stuks; sabondjor, één 
zoo'n pakje, enz. 

BONDOL, naam van eön musch vogel 
met bruine veeren en een witten kop, 
wel eens „witkop" geheeten; bobondol t 
(Z.-B.), naam van een zeevisch; mondol, 
alleen in talimondol, = tali bëndo (zie bèndo). 

BONDOROJOT k. p., familie, betrekkin- 
gen; moelja ngabondorojot, luisterrijk tot 
in geslachten. 

BONDOT, = geugeus of potjong, een bos 
ryst van twee eundan; ook wel: voor- 
loopig by het snyden gebonden ryst, ter- 
wyi dan later, als die ryst droog en voor 
goed gebonden is, de bossen geugeus of 
potjong nee ten; bondotan, 1. = bondot 
2. g. w.: bind (de ryst) tot bossen! 



BONEKA-BONO. 



101 



BONEKA, of wel boeneka (Port. bonecat), 
pop, poppetje, nl. om mee te spelen. (Vgl. 
golek en poepoetrian by poetri.) 

BONGAN, eigen schuld, door eigen toe- 
doen, 't is eigen schuld; bongan manehl 
't is je eigen schuld! beunang kamibongan, 
't is myn eigen schuld, door myn eigen 
toedoen, ik heb het myzelf te wijten; 
ngctbobongan, aldoor iemand van iets de 
schuld geven; ngabongankeun diri (of 
maneh), zichzelven beschuldigen, iets aan 
zichzelven wyten, zich ergens een verwet 
van maken; kabonganan, zelfst. nw., eigen 
schuld. 

BONGBOJ08, ngbr.; ngabongbojos, door- 
gaan, doorloopen (z. a. iemand die aan- 
geroepen wordende daarop geen acht 
slaan). Zie nojod. 

BONGBOK (vgl. bobok\ een gat of spleet 
in een balk, een post of derg., rattenhol, 
rattennest. 
BONGBÖLONG, zie bolong. 
BONGBONG. 1. een opening of passage 
in gras of wildernis (bala), b. v. waar een 
slang doorheen is gegaan; ook: opening, 
gat, hol; verder: bezweringswoord by 
verslikken (P.); overdr.: er een „gat" in 
zien, licht in iets kragen, verruimd van 
gemoed (b. v. iemand die eerst ergens 
mede verlegen zat, maar nu raad weet); 
pikirna teu pisan bongbong, hy zag er geen 
gat in, hy had er geen licht in (vgl. tërang, 
lëdjar en longsong); ngabongbong, aan zjjn 
lust of begeerte den vrijen teugel vieren; 
volgens P. ook: volstoppen, volproppen. 
BONGBOROSAN, zie boros. 
BONGBOROTAN, een kleine deur, een 
smalle weg, een klein kantoor (naast een 
grooter deur, een breeder weg, een grooter 
kantoor in gebruik). 

BONGKANG, alleen in tjangkorang-bong- 
karig, voorwerpen van geringe waarde. 

BONGKAR, het lichten, het ophalen, het 
opbreken van iets; ook g. w.; boengkar- 
bangker, ong. = pabocrisat, uit elkander 
liggen, in verwoesten staat verkeeren 
(b. v. een huis); ngabongkar, (het anker) 
lichten, opbreken of opnemen (van een 
vloermat, vloerkleed enz.), (meubels) weg- 
ruimen, wegbreken (b. v. een huis), af- 
breken,uitbreken, doorbreken, aan stukken 
breken; dibongkar. 

BONQKEK, ngbr. ; ngabongkek, in elkander 
op den grond nederliggen, zonder kussen 
of iets derg. 

BONQKENG, = koelanas, (van knollen) 
aangestoken door insectenlarven. B. 
BONGKO (Z.-B.), = boengkoes; zie ald.P. 
BONGKOK, gebogen, krom (inz. door 



ouderdom of door een gebrek), een hoogen 
rug of een bult hebben; ook: hooge rug, 
bult, bochel; kotok bongkok, een ei met een 
dood kuiken {vghkatjingtfalang) ; bongkokan* 
een hoogen rug-, een bult hebben ; sërah 
bongkokan, zich (b. v. aan den overwinnaar) 
ootmoedig overgeven, zjjn onderwerping 
aanbieden. 

BONGKOL, = bengkel II. (P.) 

BONGKOR, overslaan, een beurt voorby 
laten gaan, een termen overslaan of niet 
voldoen (b. v. pacht of belasting); inZ.-B. 
ook: onbeplant, braakliggen; bongkor keneh 
(Kad.), nog niet bekwaam, nog on volleerd; 
ngabongkorkeun pagawean, het werk een 
poos (b. v. een dag) laten rusten, slordig 
op 't werk komen, verzuimen; in Z.-B. 
ook: onbeplant laten, braak laten liggen; 
dibongkorkeun. 

BONGKOT, het onderste gedeolte of 
ondereinde van een boomstam, dicht by 
den wortel (nl. van een omgevallen of 
gevelden boom); ook: stomp van een afge- 
slagen tak; in Z.-B. bovendien = tihoel(P.); 
bobongkotan, ong. = tjatavg, stuk boom- 
stam. 

BONGOH, (iets doen) achter iemands 
rug, achterbaks, iets doen in iemands 
afwezigheid of als hy er niet op verdacht 
is; ook wel: iets doen ten opzichte van 
iemand zonder dat hy er kennis van 
draagt; verder (= balangah), op iets niet 
verdacht zyn, zorgeloos; keur voaktoe bongoh, 
tydens (iemans) afwezigheid; nganiosan 
bongohna, wachten op het geschikte oogen- 
blik dat iemand er niet is of er niets 
van mei kt; ngabongohan, iemand van 
achteren of onverhoeds, als hy er niet 
op verdacht is, overvallen, aanranden of 
bespringen; ook: iemand overvallen z. a. 
uit een schuilhoeü; dibongohan;kabongohan> 
onverhoeds overvallen, enz. (Vgl. bokong.) 

BONGROJ, ngbr.; kabongroj, = kdbita 
(maar sterker), begeerig, begeerig zyn 
naar (veelal in een kwaden-, maar ook 
wel in een goeden zin); hatena kabongroj 
kana sagala barang, zyn hart gaat uit 
naar de stoffeiyke dingen ; matak kabongroj, 
begeeriyk, aanlokkelijk. 

BONGROT, een vorm van kinderpokken 
(maar minder 7 kwaadaardig dan bangsar) r 
valsche pokken; ook: deze ziekte hebben. 

BONQ80R, I. vroeg groot, ouderen boven 
het hoofd groeien. 

II. Wind- of waterpokken; ook wol ge- 
zegd van een licht soort echte pokken- 
(Vgl. bangsar en bongrot) 

BONO, voll. bono hade, liefje, beminde. 
(Vgl. bene.) 



102 



BONTENG— BORO. 



BONTENG, komkommer; bobontengan, 
augurk. 

BONTJEL Z.-B.). = gaboes en dèlëg. 

BONTJÈLOK, ngbr.; bobontjëlokan, ver- 
spreid (staan, liggen of voorkomen), groep- 
jes vormen, (van het haar) met grijze 
plekken (Vgl ëntjlok en gorombol) 

BONTJENANG, duidelijk te voorschijn 
treden, duidelijk zichtbaar zjjn; ook: op 
het doorbreken staan, een witten kop 
krijgen (van een zweer). 

BONTJERET, met open oogen liggen, 
liggen te staren (b. v. iemand die niet 
slapen kan); ook: glinsteren, schitteren. 

BONTJOROT, = bonijeret; ook: flitckeren, 
schitteren (van het zonlicht). 

BONTO, bederven, adellek; laoekna koedoe 
dibejakkeun ajeuna, bisi bonto, het vleesch 
moet heden opgegeten worden, het mocht 
anders bederven. P. 

BONTONQOR (Bad.), onbeschaamd. P. 

BONT08, houten sarangka of krisscheede; 
djongdjon bontos, lett.: recht door als een 
krisscheede (alle krisschoeden ztfn recht), 
z. v. av iêroes tn teu aja ka gigirna, d. i. 
recht doorgaan, niet ter z\jde van den 
rechten weg afweken, rechttoe, rechtuit; 
bobontos — bontos. 

BONTOT, = tihoel, een stuk hout (houts- 
blok) in de asch begraven om vuur te 
houden; bobontot, een mensen, een ltyk 
enz., mummieachtig ingebonden op onder- 
staande manier; ngabobontot, iemand zóó 
met iets binden dat hty zich niet bewegen 
kan, vast inbinden of inwikkelen (b. v. 
een doode); ook — ngabarogod, zie barogod; 
dibobontot, ingewikkeld worden; diboengkoes 
dibobontot, (een doode enz.) eerst inwikke- 
len en daarna vast inbinden. 

BOÖL, het inwendige van het aarsgat, 
de endeldarm; djamboe boöl, naam van een, 
en wel de beste, djamboesoort; nongtot 
boot, uitwendige aambeien; ngaboöl kana 
lyang tot, sodomie plegen (vgl. boedjoer). 

BOPATI, of wel boepati (Skr. bhüpati, 
vorst), landvoogd, vorst [titel van afhan- 
kelijke vorsten of leenmannen, vgl. radja 
enpraboe]; op Java: titel van een regent; 
kabopaten, regentschap. 

BOPENG, pokdalig, mottig (en wel behept 
met putjes die het midden houden tusschen 
bowek, grootere, en moromot, kleine putjes). 

BOPONG, een kleur tusschen wit en 
geel in, de valkkleur, valkkleurig; koeda 
bopong, oen paard van deze kleur, valk. 

BOB, het Holl. boor; idem, = rarik; 
ngibor, boren; dibor. 

BORAK, of wel boerak (Ar. boraq), het 
gevleugeld paard of ander fabelachtig dier, 



waarop Moehammad volgens de overleve- 
ring zjjn bekende nachtelijke reis naar 
den hemel gedaan heeft. (Vgl. mirad.) 

BORAK- BORAK, onnut, vruchteloos, ijdel; 
ook: ijdele-, onnutte dingondoen; ngomong 
borak-borak, ijdele-, gemeene praatjes 
houden. 

BORANG, = sijeun, vreezen, bevreesd; 
ook: vrees; borangan, vreesachtig van 
natuur, lafhartig, bevreesd. 

BOROEL, het Huil. borduren; borduur- 
werk; ngabordel, borduren. 

BOREGAH, (van een man) nog wel 
begeerte hebbend, maar niet meer in staat 
zyn tot den coïtus, en op die wijze im- 
potent. B. (Vgl. pêloeh.) 

BOREJAS, duidelijk, klaar; ngaborejas- 
keun, openbaren, verklaren, mededeelen; 
diborejaskeun. 

BORELENG, geregelde afwisseling van 
kleuren of versieringen op eénig voorwerp; 
toembak boreleng, een piek met onder- 
scheidene elkander afwisselende kleuren 
beschilderd, een veelkleurige piek; koeloek 
boreleng, een veelkleurige staatsiemuts. 
(Vgi. bereleng.) 

BORETE, ngbr. ;worete, opengevallen (van 
rijstbossen die op de stengels z^jn gezet 
om te drogen); verder: de billen, schaam- 
deelen of borsten bloot hebben, in 't alg.: 
bloot hebben wat bedekt moet zijn; morele- 
keun, iystbossen op de stengels zetten 
om ze doen openvallen, opdat de rijst 
droog worde; verder: zijn billen enz. of 
die van een ander ontblooten (zie ook by 
pasar); diboretekeun. 

BORO, I. een tusschenw. (z.v.a. hanas 
en handjakal): spijtig! hoe jammer! hoe 
spijtig! helaas! wat spijt het me! enz.; 
boro boe ngaran radja! 't is jammer dat 
gij koning heet! boro oerang pada moen- 
djoeng! jammer dat we hem ons compliment 
maakten! (Zie ook *moen.) 

II. Op iets afgaan; ook g.w.; boro-boro, 
met haast-, haastig op iets afgaan of 
ergens naar toe gaan; ook g.w.; djalma 
boro-boro (Kad.), iemand die werk voor 
morgen verricht en zijn plicht van heden 
verwaarloost; boboroan } (iets) om 't snelst 
doen; moro k., ngaboedjëng 1., jagen, na- 
jagen, jacht maken op; ook: ergens heen- 
gaan om iets by te wonen of mede te 
vieren; moro poewasa, ergens heengaan 
om de vasten mede te houden; verder: 
heensnellen, heenspoeden (ook z. a. van 
water); beunang moro % op de jacht buit- 
gemaakt wild; diboro, gejaagd-, nagejaagd 
worden; ook gezegd van het object waar- 
heen men zich haast: snel naar toe gegaan 



BOROAMPAR— BOROTJO. 



103 



worden; kaboro k., kaboedjëng 1., achter- 
haald, bereikt, ingehaald, vóór de vol- 
voering tegengehouden; moro-moro, met 
haast zich eigens heenspoeden, zich 
haasten naar, najagen; diboro-boro; boro- 
boroëun, iets of iemand waarheen men 
zich te haasten heeft, tot wien men zich 
terugspoeden moet; ook: een heenkomen 
hebben; moroan, iemand of iets najagen, 
nazetten; diboroan; boroan, het dier waarop 
men jacht maakt, wild; pamoroan, jacht- 
veld, jachtgrond. (Vgl. boeroe.) 

BOROAMPAR, = 't meer gebr. boloampar. 

B0ROBOT, het geknal van na elkander 
ontploffende pëpëtasan, het geluid van na 
elkander omstortende voorwerpen (een 
instortend huis, of derg.); morobot, knap- 
pen, knallen; ook klanknab. van 't inslaan 
der draden by het weven; boborobotan, 
aanh. knallen, knappen of ontploffen; 
tiborcM, instorten (b. v. een tribune). 
Vgl. bërëbët en boeroeboet. 

BOROD, z. v. a. taja kavjaho % van niets 
weten; djalma borod, een dom mensen, 
de domme lieden; morod y zóó wel eens 
voor mërod, zie përod. 

BOROD JOL, = boeroesoet y zie ald.; mo- 
rodjol, ontsnappen, ontkomen (b. v. een 
kip uit de tjalongtjong of een vogel uit 
de kooi [niet door het deurtjel. 

BOROG, het Holl. borg; idem; ook wel: 
onderpand. 

BOROH, = 't meer gebr. borog. 

BOROHOL, er alles maar uitflappen, 
kwebbelen, praa tachtig; djalma borohol 
nakër, een enge flapuit, een kwebbel; 
boboroholan, verkl. met seuseurian, al maar 
lachen, goedlachsch. 

BOROJOT, ngbr; nyaborojot, ong. = 
ngagajot, in een zak of bundel dragen. 

BOROK, een uitgebreid en naar buiten 
doorbrekend gezwel, rotachtige zweren of 
uitslag op het lichaam, huidzweer (vgl. 
boeroek); borok dirorodjok, tot iemands leed 
Dieuwe smart toovoegen; barorokan, verrot 
en vol gaten (b. v. paloepoeh). 

BOROKOH, vuil (b.v. drek) wegruimen, 
niet vies zijn, iets yverig van vuiligheid 
reinigen, vieze dingen redderen zonder 
tegenzin; ook: niet vies zyn in dézen 
zin, dat men van allen eten kan. (Vgl. 
boeboeroehoen.) 

BOROLOK, groot en rond (van bloemen 
of figuren op een weefsel, kleed enz.); ook: 
groote oogen hebben. 

BORONDONQ, naam van een soort koekje 
van heutjak of gandroeng [de wy ze van bak- 
ken of roosten veroorzaakt dat het onder 
die bewerking een knappend of knallend 



geluid maakt, sada borondong genoemd]; 
ngaborondong, knallen (van geweren). 

BORONQ, I. (vgl. boeroeng L), onkundig, 
onwetend, dom, onnoozel; mangsa borong, 
= mangsa bodo y gy zult (of hy zal) niet 
onwetend zyn, gy zult (of hy zal) wel 
begrijpen, d.w.z.: ik laat het aan u (aan 
hem, aan uw oordeel, aan uwe of zijne 
beslissing) over; ten borong k., Uu ngala- 
langkoengan 1., ik wil niet wijzer zijn dan 
u (hy), ik laat het aan uwe (zyne) wysheid 
over, ik stel volkomen vertrouwen in uwe 
(zyne) leiding; ieu borong manehna, zooals 
gvj doet is het goed; itgaborongkeun k., 
ngalalangkoengan 1., iemand doen alsof hy 
dom was, beter willen weten dan, wflzor 
willen zyn dan; hanteu ngaborongkeun k., 
hanUu ngalalangkoengan 1., het aan iemands 
wysheid overlaten, niet wenschen tegen 
te spreken, enz. 

II. Byeennemen (z\. by koop of verkoop): 
één koop-, één party van iets maken; ook: 
alles koopen; verder: aannemen (een onder- 
deel van zeker werk of wei het geheele 
werk), in één party (koopen of aannemen); 
ngaborong, aannemen; diborong; ngaborong- 
keun, iets aanbesteden, een werk uitbe- 
steden, laten aannemen; diborongkeun; 
borongan t één party, in één koop samen- 
gedaan; verder: een werk dat men aan- 
neemt; ook: wat byeen behoort (b.v. ambte- 
naren van geiyken rang, lieden van denzelf- 
den stand, zaken van overeenkomstlgen 
aard); bovendien: hoofdinhoud, hoofdsom. 

BORONGK08, ngbr.; ngaborongkoê, = 
moengkoesan t inpakken, iets inwikkelen 
(b.v. vruchten aan een boom, om se 
spoediger en beter te doen rypen); ettóo- 
rongkos. (Zie ook by kejong.) 

BORONG80NG, een soort hoofdstel of 
halster van een paard; ook: muilkorf, 
muilband; ngaborongsong, een dier een 
borongsong aanleggen. (Vgl. tfalóngtjong 
en saêaroeng.) 

BORONTOK, zwartbont, zwart met wit 
(van een kip), ong. sr tjarambang. 

BORORAAH, = 't meer gebr. boloradh. 

BOROS, het binnenste of de zachte pit 
van sommige planten, inz. van jonge 
uitspruitsels of loten, welke rauw of gaar 
door armen of hongerenden gegeten wordt; 
bongborosan, coll. meerv., =s sagala boros, 
allerlei zulke pitten. 

BOROSOT, vry wel hetzelfde *üs boeroe- 
soety zie ald.; këdjot-borosot ot djotborosot, 
yiings heengeen [een onbeleefdheid]; ook: 
yiings of overyid handelen. 

BOROTJO, naam van een plant, een 
sooit „hanekam". 



104 



BOSEH— BRANGBRANG. 



B08EH, schepriem, pagaai (vgldajoeng); 
ngaboseh, met een boseh roeien; diboseh. 

B08ËN, er genoeg van hebben, iets 
moede zjjn, wars van iets zrjn, een 
weerzin, afkeer of afschuw van iets ge- 
kregen hebben; ook: weerzin, afkeer [er 
ligt in opgesloten, dat men bij gebruik van 
iets daarmede ophoudt] ; tajoh ënggeus bosén 
hiroep, hij schijnt wars van het leven te 
styn; bosên kana ïbadah, genoeg van den 
godsdienst hebben. 

B08ET, alleen in bodjong-boset (in Bagelen 
en ook wel te Bat. boedjoeng-boeset), een 
uitroep, dienende tot uitdrukking van de 
grootste verwondering. [In W.-P. pamali.] 

B08ETEK, behoeftig; si bosetek, de 
behoeftige. 

B080K (vgl. boesoek), rottig, stinkend; 
djadi bosok, stinkend zijn of zich gemaakt 
hebben, ten gevolge van verkeerde han- 
delingen. [Niet algemeen verstaan.] 

B080NGKOL, er welgedaan uitzien, 
zwaar van lichaamsbouw, een krachtig 
voorkomen hebben. 

BOSONGOT, verkl. met siga want, er 
dapper-, onverschrokken uitzien, flink, 
moedig, onverschrokken. 

BOT, = bwat. P. 

BOTEKAK, waggelen (van zwaarte of 
dikte); ook: een waggelenden gang hebben 
(door het te ver uit elkander zetten der 
beenen, z. a. b. v. een kind dat verwend 
is door didjegangkeun). 

BOTJAH (Jav.), =c boedak, kind. 

BOTJEK, alleen in tjetjek-botjek, zich 
ophouden met onbeduidende dingen, van 
alle bagatellen melding maken, gekrakeel 
over kleinigheden. 

BOTJEKRAK, helder, klaar, duidelijk; 
ngabotjekrakkeun, helder-, klaar maken, 
ophelderen; dibotjekrakkeun. 

BOTJLENG, ngbr.; ngabotjleng, = nga- 
botjong; zie botjong. 

BOTJONG, ngbr.; ngabotjong, mede op- 
eitten, met iemand op zijn paard, in zjjn 
rtftuig enz. medertfden. (Vgl. botjleng.) 

BOTJOR, lekken; verder: lek, lekkage 
(erger dan iris). 

B0TJ08, I. barsten, gebarsten. 

II. lénoogig (zóó dat 't kwade oog nog 
wel aanweiig, doch zonder licht is; vgl. 
peUak). 

BOTOH (Buit), z. v. a. aloes, fraai, 
schoon; ook 2. v. a. donto en lintoeh, mollig, 
▼et; motehan, verfraaien; dibotohan\motoh- 
keun, fraai maken; dibotohkeun. . 

BOTOK (Z.-B.), kokosnoot welke men 
beeft laten rotten, om er gemakkelijker 
de olie uit te kunnen persen door middel 



van een kampadn; pangbotokan, plaats 
waar men op deze wtfze olie bereidt. (Zie 
ëmpe.) Vgl. rongod II. 

BOTOL, I. een huidziekte die de zool 
van den voet aantast, eeltzweer aan 
den voet. 

II. Ons: bottel, flesch; sabotol, één flesch, 
één flesch vol, enz.; ngabotolan, in een 
flesch of flesschen doen; dibotolan. 

BOTOR, zaad of oude vrucht van de 
djafy. B. 

BOWEK, pokdalig, mottig (en wel be- 
hept met de grootste soort putjes. (Vgl. 
bopeng en moromot.) 

BRAG, ter wereld komen, geboren wor- 
den, »voll. brag ka doenya\ barangbrag,a\b 
(het kind) ter wereld komt, bty de geboorte. 

BRAGBRIG-BROEG, nab. van 't geluid 
van aanh. op den grond ploffen, en ook 
wel van 't aanh. stampen met den voet. 

BRAHALA, ook barahala en bërhala, af- 
god, afgoden; pibrahala, het met de af- 
goden houden, de afgoden dienen, afgodery ; 
mibrahala, afgodery plegen. 

BRAHMA, alleen in leniah brahma (Kad.) , 
een kleine, roodachtige bloedzuigersoort. 

BRAJ, het aanbreken of doorbreken van 
het licht, inz. het aanlichten van den dag, 
het uitstralen van het morgenrood; braj 
beurang (of eenv. braj), de dag breekt aan ; 
braj isoek, de morgen breekt aan; braj 
tjadng, licht worden, het werd licht; -ook 
licht worden z. a. wanneer de deur of het 
venster wordt opengedaan (braj moeka, 
braj diboeka); braj nendjo (nu) kunnen zien ; 
verder: licht worden of opklaren van 't ge- 
moed {braj lëga atina), plotseling verrijzen 
voor het oog, b. v. een stad (nagara braj geus 
djadi); - sabraj-beurang, terstond na 't aan- 
breken van den dag; sabrajna, volL 
doeloer sabrajna (Soem.) neef, nicht (zie 
misan en mindo btf pindo); braj-brajan, de 
morgenschemer ing. 

BRAK, werkw. tusschenw. voor: aan 
den gang gaan of zijn (van een sidëkah of 
maaltijd); brak dadaharan, ze gingen aan 
' den maaltijd, ze gingen eten. (Vgl. prak.) 

BRAL, weikw. tusschenw. voor: heen- 
gaan, vertrekken (nader uitgedrukt door 
indit, kumpang, enz.); pibraleun, zullen 
heengaan; bingoeng ka mananja pibraleun, 
niet weten werwaarts te zuilen gaan; 
bralkeun! doe vertrekken I dibralkeun, doen 
vertrekken. 

BRANA, = 't meer gebr. barana. 

BRANGBRANG, nab. van het geluid van 
een trom, getrommel; ngabrangbrangan, 
op de trom slaan, de trom roeren; di- 
brangbrangan. 



BRANG-BRENG-BROENG— DA. 



105 



BRANG-BRENG-BROENG, nab. van 't rinke- 
lend geluid van borden en derg., rin- 
kinken. 

BRA8, recht doorloopen tot, leiden naar, 
uitkomen op (inz. van een weg); bras népi 
ka, doorloopen tot; nëroes bras ka sagara, 
h\j liep recht door naar de zee; broes-bras, 
naar verschillende kanten of naar alle 
kanten gaan. (Vgl. bias.) 

BRÉG, werkw. tusschenw.voor: metzjjn 
velen op iemand aanvallen (brëg nara- 
djang, brëg ditoembakan), op elkander 
aanvallen (brëg përang); ook voor: plotse- 
ling hard nedervallen (van een regenbui), 
in grooten getale en te geljjk komen (b. v. 
gasten); verder voor: uitbreken van ge- 
juich (brëg pada soerak);brëgbrëgan,9LaLnh. 
komen (van velen te geiyk). Vgl. brog, broeg 
en ambrëg. 

BREH, werkw. tusschenw. voor: wpe&refc, 
en = beh, zichtbaar worden of ztfn, in 
't gezicht komen of ztfn. (Vgl. ébreh.) 

BRÈK, werkw. tusschenw. voor: zich 
bukken (brëk dongko), zich voor iemand 
nederwerpen (brëk mëndëk), zich op de 
knieën werpen (b%ëk lapak-toeoer), zich op 
't aangezicht werpen (brëk njoeoeh), enz.; 
ook: vallen, z. a. in ziekte, ziek komen te 
liggen. (Vgl. broek.) 

BRËKITI, naam van een mierensoort, ook 
wel balkëtil genoemd. P. 

BRËL, werkw. tusschenw. voor: treffen; 
ong. = pek. 

BRENDI (het Eng. brandy), brandewtfn. 

BRENG, werkw. tusschenw. voor: alle 
op- en wegvliegen. (Vgl. bërëng.) 

BRÉNGBRÉNQ, hetzelfde als brangbrang. 

BRËNOEK, = bèrënoek. 

BRË8, werkw. tusschenw. voor: in 't 
water of te water gaan; bres mandi, een 
bad nemen (daarvoor te water gaande); 
ngabrës, z. v. a. sasab en kasasar, verdwaald 
(P.). Vgl. broes. 

BRÈ8IH, = 't meer gebr. bërësih. 

BRÉSIN, = 't meer gebr. bërësin. 



BR ÉT, werkw. tusschenw. voor ngarit, 
zie arit. 

BRIBIN (Indr.), hetzelfde als baribin. 

BRING, = bral, maar inz. in de bet. 
van: sok pipindahan, gedurig van plaats 
veranderen. 

BRO, werkw. tusschenw. voor: neer- 
ploffen (ngagëbro, zie gëbro) en voor neer- 
smeten; ook wel = sok, neerzetten, neer- 
leggen. (Zie ook bla-blo.) 

BROEG, werkw. tusschenw. voor: neer- 
storten, oms torten, op iets neerkomen, 
enz. (nader uitgedrukt door ambroeg). Vgl. 
bloeg en brëg. 

BROEK, werkw. tusschenw. voor vallen, 
neerstorten of zich neer werp en; broek 
njoeoeh, zich op het aangezicht werpen. 
(Vgl. brëk.) 

BROEL, werkw. tusschenw. voor: heen- 
gaan, vertrekken, = bral, maar van velen 
of van een menigte (nader uitgedrukt 
door boeroeboel, ngabroel, raboel, enz.); broei 
boedal, uittrekken, optrekken (van velen 
of van een menigte). 

BROES, werkw. tusschenw. voor: in 
't water-, te water of in 't vuur gaan 
(nader uitgedrukt door gëbroes en goebroes); 
geus broes ka sagara, reeds gegaan (onder- 
gedoken) in de zee. (Vgl. bres.) 

BR0E8-BRAS, zie bras. 

BROKOH (Indr.), = borokoh. 

BROL, werkw. tusschenw. voor: naar 
buiten dringen, te voorschijn komen, ter 
wereld komen (nader uitgedrukt door 
borodjol); ti barang brol ka loetoar ti kan- 
doengan indoeng, van 't oogenblik af dat 
ik den moederschoot verliet; ti barangna 
brol ngadjoeroe, van haar bevalling af; 
sabroleun, terstond na het te voorschyn 
komen, enz. 

BRONGKOS (Indr.), = borongkos, inpak- 
ken; mbrongkos, iets inpakken; dibrongkos. 

BWANA (0.-3.), = 't hedend. bcewana, 
het heelal. P. 

BWAT (0.-3.), = 't hedend. bét; zieald.P. 



D. 



DA, I. zesde letter van het Soend. 
alphabet. 

II. Een tus8chenwerpselachtig voeg- 
woord, dienende om uitroependerwitys de 
verklaring of reden op te geven van iets 
dat pas gezegd is, doorgaans te vertalen 
met: immers, daar, daar toch, dewtf 1, want, 



vermits, naardien; taja lalaki noe lyan, 
da ngan aing, er is hier geen ander man, 
immers ik ben alleen; da oerang teh kanten 
miskin, immers wy £tyn niet arm; da geus 
poetoes ladi, immers er was (in de zaak) 
reeds uitspraak gedaan; hoela hanteun#at 
ngabagi, da timoe hoela piibadi, ik ben niet 



106 



DABATOELARDI— DAGANG. 



van plan te doelen, immers ik alleen ben 
de vinder. 

DABATOELARDI (Ar., dabatoe'l-ardli), het 
groote beest, dat volgens de Moh. leer 
tegen het eindo des tjjds verschenen zal. 

DADA, borst, boezem (vgl. harigoe}; 
népakan dada, zich op de borst slaan; 
neunggeulan dada, zich met iets (b. v. met 
de vuist) op de borst slaan ; palang dada, 
hetzelfde als pamidangan, zie pidang, 

DADAK (alléén in samenst. met sakala), 
zie kala I.) ; ngadadak, iets haastig-, ter- 
stond-, op hetzelfde oogenblik gaan doen; 
ook: plotseling, onvoorziens, plotseling 
komen of gebeuren; damang ngadadak, 
plotseling hersteld ztjn; rasa kyamat nga- 
dadak,^ meenden dat plotseling de jongste 
dag was aangebroken (vgl. ngadak-ngadak); 
didadak, terstond gedaan worden ; doedoek- 
dadak, met haast iets doen of maken; 
doemadak, haastig, gezwind; ook tus- 
schenw., doch zóó meestal doemadakan, 
zie! en zie! doch zie! vooral van iets dat 
plotseling of onverwachts geschiedt; ook 
wel z. v. a.: eens gebeurde het; saking 
doemadak, zeer gezwind, zeer haastig; 
dadakan, eig. wat met spoed of plotseling 
is opgericnt, gemaakt, gehaald, enz., maar 
veelal in de daaruit afgeleide beteekenis 
van: pas, nieuw, versch; pasanggrahan 
dadakan, de pas gebouwde pasanggrahan) 
tjai beunang ngala dadakan, pas of versch 
gehaald water; kareuwasan dadakan, 
plotselinge vrees 

DADALAN (Jav., van dalan), weg, middel, 
aanleiding. (Vgl. djalan.) 

DADALI, naam van een roofvogel, sper- 
wer (nagenoeg even groot als de alap-alap 
en zeer wild). 

DADAMPAR, dat wat op den grond of 
den vloer ligt of staat (inz. om te voor- 
komen dat iets op den kouden grond 
staat), legger, onderlegger; verder: kleed, 
stoel, bank enz. waarop men staat, voet- 
stuk, verheven staan- of zitplaats, ge- 
stoelte (z. v. a. bangkoe of palinggihany, 
ook = iataban (zie ook rorog); didadam- 
paran, ten behoeve van iots of iemand 
het een of ander nederzetten of neder- 
leggen, ten einde het daarop te plaatsen 
of daarop plaats te nemen. 

DADAOELATAN, zie daoelat 

DADAP, I. voll. tangkal dadap, naam van 
een boom die veel als schaduwboom in 
koffletuinen dienst doet. 

IL Een andere benaming voor kantjra 
of karper. 

DADAR, uitgespreid, plat; ook : eierkoek, 
eierstruif (vgl. dahdar); ngadadar, (dat van 



kennis of in 't algemeen van dingen des 
harten, wat mëdar is van goederen) zjjn 
kennis blootleggen, iemand een inzicht 
geven in hetgeen men geleerd heeft of 
weet, mededeeling doen; vandaar ook = 
ttgawoeroek, onderwijzen; didadar, bloot- 
gelegd worden, ten toon gespreid of mede- 
gedeeld worden; ook: laten blootleggen, 
mededeeling laten doen aangaande; ngada- 
darkeun, uitspreiden, uiteenleggen, bloot- 
leggen, ver toonen; ook = ngawoeroekkeun* 
het gehoorde of opgedane aan anderen 
mededeelen; didadarkeun. 

DADA8, weggevaagd, schojnuitgehoosd 
(van water), uitgebeten (b. v. de tong 
door zout, de voet door water, enz.), ge- 
schaald (b. v. de band van een boek), 
uitgeput (een stuk grond, enz.); ook: ledig; 
ngadadaskeun, ong. = mpjakkeun (zie bejak), 
wegvagen, schoonmaken, iets uitputten, 
iets tot den grond onderzoeken (b. v. door 
den rechter); didadaskeun. 

DADIJA (Jav., van dadi), = bagya en boh, 
zie ald. 

DADJAL (Ar., eig. bedrieger), de Anti- 
christ [de volledige benaming is: al-Masih 
al-dadjal, de valsche Christus]. 

DADOE (Port., dado), dobbelsteen; mam 
dadoe, dobbelen; ngadadoekeun, met dobbel- 
steenen ergens om gooien, om iets dob- 
belen; didadoekeun. 

DADOENG, een dik touw (o. a. gebruikt 
om buffels te binden ter slachting)? 
didadoeng, (van een dier) een dadoeng aan- 
krijgen, aan een dadoeng voortgeleid 
worden. 

DADOET, I. (Tjiandj.), een kinderwoord 
(basa boedak) voor ngising, maar soms ook 
als s. daarvan gebruikt, poepen. (Vgl. 
andoet.) 

II. (Poerw.), groot van omvang (vooral 
van de borsten eener vrouw). 

DAEK k., poeroen (in sommige gevallen) 
s. f kërsa 1., willen, bereid ztyn te doen; 
teu daek k., doeka en teu poeroen s., teu 
kërsa 1., niet willen, er voor bedanken; 
oelah daek, wil niet, wees er niet toe be- 
reid; daek teu daek, willen of niet ('t moet); 
daekan, willig, gewillig (van aard), bereid- 
vaardig, vlijtig; kadaek, het willen, de 
wil; dadaekanan, zich vermeten. 

DAGA, = het meer gebr. todjer ; dagaeun, 
= todjereun; zie todjer. 

DAGAL-DIGIL, (van een kort en dik 
mensch) bezig ztyn aan het een of ander met 
ontbloot bovenlijf en de sarong in dehoogte. 

DAGANG, I. (vgl. balantik), handelen, 
handel; ook: handelaar; djalma dagang of 
ioekang dagang, handelaar, koopman; kapai 



DAGDAGAN— DAHOE, 



107 



dagang, handelsschip, koopvaardjjschip ; 
doegoeng-dagang, zoo maar wat handel- 
drflven (door iemand die geen koopman 
is); dadagangan, (van kinderen) koopman 
of koopvrouw spelen, winkeltje spelen; 
ngadagangkeun, met iets handel draven ; 
ngadagangkeun doa, (van een moesapir of 
bedelaar) gebeden opzeggen om een aal- 
moes te kragen; dagangan, koopwaar; 
padagang, handelaar, inz. commissie-han- 
delaar, commissionair; padagangan, plaats 
waar koophandel gedreven wordt. 

II. Dagangan, = soesoe, borst, de borsten 
eener vrouw. P. 

DAQDAQAN, verkl. met ngaleungitkeun 
kasyeun en iklas, zich verstouten, zich 
vermannen. 

DAGDAG-DEGDEG, zie degdeg. 

DAG-DEG-DOG, klanknab.: nu tegen dit 
dan tegen dat stooten. 

DAGE, I. het overblijfsel van sommige 
uitgeperste vruchten (b. v. van kalapa of 
pitjoeng), eenige dagen weggezet en ver- 
volgens in bladeren geroosterd; büatoeng 
ninggang dage, de made valt in de dage, 
z. v. a. met zijn neus in de boter vallen; 
didage, (van dusdanig overblijfsel) alzoo 
worden toebereid; si dage, een scheldw., 
z. v. a.: jou uitgeperste citroen! 

II. Simeut dage, naam van een sprink- 
haansoort. 

III. Het zweeterig afscheidsel onder den 
arm; ngadage, vochtig, nat, beschimmeld, 
rottig (van gebak of vruchten), nat van 
zweet (van een kleedingstuk, onder den 
arm). 

IV. Het onderspit delven, het verliezen 
in den strijd. 

DAGÉL, = kandél, stevig, stevig zijn 
(b. v. iets dat sterk genoeg is om een of 
ander te dragen); ook: „er dik (warmpjes) 
in zitten", vermogend, welgesteld, be- 
middeld. 

DAGING, het zachte deel of vleeschvan 
vruchten, het vleesch van een mensen 
of dier [het vleesch van een geslacht 
dier heet echter laoek] ; dag ing -getik, vleesch 
en bloed; kadagingan, voor iemand iets 
onmisbaars zijn geworden. 

DAGLA-DEUGLEU, (van een klein kind) 
heen en weer dribbelen; ook wel vaneen 
krankzinnige: al maar heen en weer 
loopen. P. 

DAGLÉG, vuil; ook: zwaar betrokken 
(van de lucht); ngadaglëg, als vuil ergens 
op liggen, bezoedelen; minjak ngadaglëg 
dina aamping, de sarong' is met olie be- 
zoedeld; tingdaraglêg, idem, van vele 
dingen. P. 



DAGO, = ioenggoe, g. w. ; ngadago k., 
ngantos 1., wachten ; ngadagodago, lang of 
aanh. wachten ; didago ; didago-dago ; dagoan, 
g. w.; ngadagoan, op iemand of iets wach- 
ten; didagoan; ngadagokeun, iemand of iets 
doen (laten) wachten op; didagokeun. 

DAGOR, g. w. ; ngadagor, stooten ergens 
tegen; tidagor, zich stooten (b. v. 't hoofd) ; 
ook: iets stooten, met iets bfl ongeluk 
ergens tegen stooten, tegen iets aan- 
bonzen; ngadagorkeun, iets of met iets 
ergens togen stooten \ngadagor-dagorkeun, 
idem, heihaaldelijk; didagorkeun; didagor- 
dagorkeun. 

DAHAMDEHEM, zie dehem. 

DAHAN, tak (van een boom of plant). 

DAHAR 1., hakan k., eten; ook g. w.: 
verder: spijze; dahar bar i nyomong, praten 
onder 't eten [wat pamali hee\]; dahareun, 
iets om te eten; ngadahar, iets eten; 
barangdahar 1. van baranghakan, eten 
(in 't algemeen, zonder bepaald voor- 
werp), het middagmaal gebruiken; dada- 
haran s., maar ook wel k. t eten; verder: 
spijze; ijeu paman berean dadaharan, geef 
dezen man spijze; ngadaharan, te eten 
geven, laten eten; didaharan, gezegd van 
den persoon dien men te eten geeft; 
ngadadaharanan, = ngadaharan, maark.; 
didadaharanan; ngadaharkeun, iets aan 
iemand te eten geven, laten eten ; didahar- 
keun; kadaharan, 1. van fcaftafeanan, spijze; 
manggah kadaharan ratoe, manggah's gelijk 
de vorsten eten; koerban kadaharan, spijs- 
offer; padaharan, 1. van beuteung en •= 
lamboet, buik. (Vgl. toewang.) 

DAHDAR (vgl. dadar), ngbr.; ngadahdar- 
keun, iets blootleggen, opening of inzage 
van iets geven, met iets pronken of te 
kijk loopen, kleeren uithangen om te 
drogen of te luchten; didahdarkeun. 

DAHDIR, speeksel oi kwyi, inz. wat 
iemand in den slaap uit den mond vloeit 
[hetwelk naar de Mohamni. wet onrein 
is]; ngadahdir, uitvloeien (van speeksel), 
afloopen, kwalen. 

DAHI, een haarlokje ter ztyde van het 
hoofd (hetzij naar beneden hangende 
gedragen, hetzij naar boven omgekruld, en 
zoowel bjj mannen als vrouwen). Vgl. 
galing en gandik. 

DAHOE, I. doorgaans echter dahoean, 
schoonbroeder of schoonzuster, ouder dan 
de echtgenoot (vgl. adUbeuteung btf beuteung 
I.); padahoe-dahoe, elkanders dahoe of da- 
hoean zjjn. 

II. Naam van een grooten boom met 
eetbare, zure vruchten, voll. tangkal 
dahoe. 



108 



DAHOENG— DALALAH. 



DAHOENQ, ngbr.; ngadahoeng, z. v. a. 
ngadaweang (zie daweung), roerloos daar 
staan; doemahoeng-dahoeng, lang in die 
houding verkeeren. 

DAHOEP (Jav.), = nikah, huwen. 

DAHOET (Jav.), uit den grond trekken; 
dadahoet, meerdere dingen uit den grond 
trekken. 

DAJA, I. macht, vermogen, kracht; ver- 
der: vermogen hebben (doch alleen in ont- 
kennende zinnen gebruikt) ; ieu boga daja, 
machteloos-, krachteloos zfln; eumuh 
dajana, in 't geheel geen kracht meer 
hebben, zich niet meer bewegen kunnen 
(z. a. een doode), onvermogend; ook: on- 
vermogen. (Vgl. oepaja.) 

II. List, bedrog; tipoedaja^ streken en 
listen, sluwheid, listigheid, arglistigheid; 
boedidaja (Jav., dat waartoe men al zyn 
best doet), beleid; dilawan koe boedi-daja, 
hy streed tegen hen (weerstond hen) met 
beleid; verder wordt dit woord gebezigd 
aan het einde van een tëmbang-zaug, om 
op Kinanti te komen; - ook: naam van 
een mangr^-soort; - ngadaja, een list ten 
iemands nadeele aanwenden, bedriegen; 
ook: ombrengen; nipoe-ngadaja, idem (met 
verst.) ; - padaja, ngbr.; madaja, met listig, 
held iemand in 't ongeluk storten, iemand 
ongelukkig maken, vermoorden, ombren- 
gen; perdaja, ngbr.; mërdaja, = madaja; 
dipadaja: dipërdaja; - madajakeun, = ma- 
daja; dipadajakeun. 

III. Ngbr.; sadaja, 1. van sakabeh, zie 
kabeh; sadaja-daja, of sadaja-sadaja,l. v&n. 
sakabehkabeh, zie kabeh. 

DAJAGDAG, ngbr.; ngadajagdag, achter- 
overzitten (z. a. een paardrijder als h$j 
een hoogte afgaat); ook: niet vlak genoeg 
(b. v. de overdekking van een brug); 
tidajagdag, achteroverstorten, achterover 
van iets afvallen. (Vgl. dëngklang.) 

DAJAK, voll. oerang Dajak, Da jak, de 
Dajaks (de bekende volksstam op Borneo). 

DAJANQ, = para-njai, hofjuffor, hofdame; 
tegenwoordig echter algemeen: hoer; 
dangdajang (zelden), idem; ngadajang, zich 
hoer stellen, zich prostitueeren; pada- 
jangan, boerenhuis. 

DAJEUH, zetel van een vorst of een 
regent, hoofdplaats [doch slechts zoo daar 
de vorst of regent zetelt], residentie; 
dajêuh Mëkah, de hoofdplaats Mekka; 
hoeloe dajeuh, bovenstad. (Zie ook bapa.) 

DAJOENG, roeien; ook: roeiriem, roei- 
riemen (vgl. bosêh); ngadajoeng, roeien met 
de dajoeng. 

DAJOET (Kad.), in de volkstaal wel voor 
boerajoet', zie ald. 



DAKAR (Ar., dzakar), de mannelijkheid, 
het mannelyk lid. (Vgl. pardji.) 

DAK-DËK, zie dëk. 

DAKÉP, ngbr.; sidakëp, de handen over 
elkander slaan of geslagen hebben, nl. 
op de borst (onderscheiden van nangkeup 
harigoe, zie harigoe); disidakëpkeun, (van 
de handen of armen) gekruist worden. 

DAKI, vuil op de huid, een vuile korst 
op de huid, huidsmèer; daki kelek, huid- 
vuil onder de oksels (vgl. f ai); lain koelit 
daki oerang, niet van onze huid en ons 
huidsmeer, d. i. niet van ons volk. 

DAKOE, maar meestal dadakoe, voor- 
geven, voorwenden; ngadakoekeun, iets 
voorgeven ten aanzien van zichzelven of 
van iemand anders, iets voorwenden ; 
didakoekeun geus dipotong, htf gaf voor dat 
zij reeds gedood waren. (Vgl. akoe.) 

DAKOM, ngbr.; ngadakom, ong. = nangkoe- 
ban,op den buik liggen (maar zóó, dat het 
lichaam van den grond gescheiden is en 
ergens op rust, hetzy op een kussen, hetzjj 
op armen en beeneu, of, z. a. by een 
krokodil, op de pooten); ngadakoman, op 
de beschreven wyze op iets liggen; dida- 
koman. (Vgl. dëkèm) 

DAK8A (Skr., knap, handig), gezond van 
ïyf en leden; tampadaksa (of, geiyk het 
eig. behoort, tanpa-daksa), misvormd van 
lichaam, misvormig, gebrekkig. * 

DAKSINA (Skr.), het Zuiden; overdr. 
= wèkasan, het einde; poerwa-daksina, 
het begin en het einde. 

DALAH, I. = malah, ook, en ook, boven- 
dien, en zelfs ; dalah maraneh ge, ook gty, 
en ook gtf; dalah kangdjëng soeltaneukeur' 
linggih di dinja, en ook de sultan was 
daar gezeten; keur koempoel sayalamantri, 
bopati dalah antënar, alle ministers waren 
byeen, de regenten, en zelfs de ambte- 
naren; ook soms = komOy hoeveel te meer, 
hoeveel te minder; sadalah, = samalah 
en parandene, en ook, bovendien, hoewel , 
niettegenstaande; da sadalah, want ook. 

II. Tusschenw. om vreugde uit te druk- 
ken (b. v. wannneer men iets vindt): 
kyk! ziedaar! lak dalah, alah ka dalah, 
ook tah ka dalah, ziedaar! hoezee! 

DALAK, ngbr.; ngadalak k., maloenggoeh 
1., zich by iemand beklagen over een van 
hem of de ztynen ondervonden beleediging, 
gaan tot iemand die ons belasterd-, be- 
leedigd of op andere wyze verongelukt 
heeft, om hem daarover te onderhouden, 
uit te schelden, enz. 

DALALAH, ong. = alamat, teeken waar- 
aan men iets weten of onderkennen kan , 
bewtfs ergens van of voor. 



DALANG—DAMEL. 



109 



DALANQ, wajang-s^eler of voajang-VQT' 
tooner; topeng dalang, een topeng waaraan 
een dalang of verteller verbonden is. 

DALANG80ENQ, ngbr. ; kadalangsoeng, = 
katoetoeloejan (zie toeloej), in iets te ver 
gaan, zóó met iets vervuld zijn (b. v. 
met droefheid) dat men daardoor geheel 
wordt medegesleept. (Vgl. langsoeng.) 

DALAPAN, acht; kadalapan of noe kada- 
lapan, de (het) achtste; dalapanan, achttal, 
de acht. 

DALEM, 1. di dalem of ing dalem (eig.Jav.), 
= di djëro, in, binnen zeker tydsverloop; 
ook: op, per; di dalem tiloe boelan, binnen 
drie maanden; ing dalem sakapala sareboe 
pradjoerit, op één hoofd kwamen duizend 
man soldaten; - 2 titel van een regent; 
ook: de woning van een regent, hetzy 
hot inwendige, of de geheele woning, of 
wel de woning met bybehoorend erf (ook 
lèbët genoemd); kangdjëng dalem, de heer 
regent; gëbal dalem, (in onderschriften van 
brieven aan een regent) uw dienaar, enz.; 
padalëman, regents- of vorstenwoning, 
paleis. 

DALEUM (Bad.), = dalem. 

DALIKAH (Kad.), de korte balkjes waarop 
de vloer van een padati rust (vgl. wadon); 
ook = daloeroeng, vloerligger. 

DALIL (Ar., eig. bewijs, argument), woord 
of bewijs uit den Koran, schriftwoord, 
tekst; ook de Schrift (nl. de Koran); vgl. 
hadiê; hadis-dalil, overlevering en schuit- 
woord; overdr. voor baraja, bloedver- 
wanten (verkl. met toeroenan saninisadki). 

DALIMA (Skr., dalima), granaat; boewah 
dalima, granaatappel; tangkal dalima, gra- 
naatboom. 

DALINGDING, ngbr.; ngadalingding, 
zachtjes waaien, ruischen, suizen; ook: 
geuren (z. a. bloemen), voll. seungit ngada- 
livgding. (Vgl. ynëlëbër.) 

DALIT, één z\jn, vereenigd, nauw ver- 
bonden, vertrouweiyk, intiem, gemeen- 
zame omgang hebben; ook: onder elkander 
gemengd; sobat dalit, een innig-, intiem 
vriend, boezemvriend ; ook: innige vrienden 
zfln; ngadalit en ngadalitan, zich met 
iemand intiem maken; didalitan; ngadalit- 
keun, innig met elkander vermengen; 
didalitkeun. 

DALOE, te rtyp, overrijp, beuisch; dada- 
loean (Kad.), zeker kinderspel, naar 't 
schijnt hetzelfde als maen galah, zie galah. 

DALOEGDAG (Kad.), een veldteeken, 
standaard; ook: het hoogste baken ge- 
bezigd by 't landmeten, enz. 

DALOEGDAG-DALIGDEUG, het loopen 
van een zwak mensen of van iemand die 



duizelig is, wankelende of zwaaiende 
loopen; ook wel: zich wentelen ; daloegdag- 
daligdeug dina oetahna, zich wentelen (b.v. 
een dronkene) in zfln uitspuwsel. 

DALOENG, een groote pëndil, koperen of 
aarden pan of pot, om in te koken. [ Van 
aarde is de eigenlijke naam pëndil.] 

DALOEROENG, of wel daroeroeng, de 
geheele bamboes die op den pananggeuj 
rusten en waarop de vloer van een huis 
gelegd wordt, vloerligger. 

DALOEROES, ngbr.; didaloeroes (Z.-B.), 
verkl. met ditëroesan, vergezeld doen 
gaan van. P. 

DALOEWANG, voll. kërias dahewang^ 
perkamentachtig (Inlandsen) papier, ver- 
vaardigd uit de schors van den saeh. 

DALON, ngbr.; kadalon-dalon, in iets te 
ver gaan (b.v. in toorn), zich laten ver- 
voeren of meesleepen (b. v. door drift) 
verkl. met katoetoeloejan (zie toeloej). 

DAM, damschijf; dam-daman, het dam 
spel spelen, dammen; papan damdaman^ 
dambord. 

DAMAJ, ngbr.; midamajkeun (b. p.), 
spreken over voorgegane geslachten in 
beeldspiaak. P. 

DAMANG, 1. van Ijageur, gezond, wel- 
varend; geus damang deui, hersteld; teu 
damang, ongesteld, ziek; damangan, iets 
beter, herstellende; ngadamangkeun, 1. van 
njageurkeun, gezondmaken ; didamangktun. 

DAM AR, 1. de bekende hai 8; -2. een licht 
(hetzy een lamp of wat dan ook); - 8. = 
sotja, 1. van panon, oog; - At damar, de 
harsboom; tji-damar, traan, tranen; diba- 
bantosl koe damar, gezegd van iemand by 
wien een licht staat; damarna saboemi, 
het licht der aarde (een der titels van 
Moehammad); tjadng boelan dadamaran, 
by heldere maan met een lichtje loopen, 
sprkw. voor: een overbodig-, onnoodig 
werk doen; ngadamaran, belichten, voor- 
lichten; didamaran. 

DAMAS, het Holl. damast; idem. 

DAM-DAMAN, zie dam. 

DAMËL, 1. van gawe, doen, te doen heb- 
ben, het doen; ajeuna damël naonl wat 
hebt gy te doen? wat doet g\j? verder: 
daad, werk, bezigheid, arbeid; ook: nut; 
barangdamèl, 1. van baranggawe, arbeiden, 
werken (in 't algemeen); ngadamël, 1. van 
njijeun en migatoe, maken, vervaardigen, 
werken, doen, bedreven; didamèX Hjd.vorm, 
maar ook bedrijvend, als 1. van digaxoe, 
werken, doen; - pidamël, ngbr.; midamël, 
doen, verrichten (minder sterk dan nga- 
damël); dipidamël; - damëlan, maaksel, 
voortbrengsel, werking; dadamêlan, l.van 



110 



DAMI— DANGDANGKRAT. 



djidjijeunan, wat men gemaakt of gedaan 
heeft; tanda dadamëlan adjëngan, teeken 
door u gedaan; ook: de werken of al de 
werken, daden; dadamëlan Allah % de (be- 
staande) werken Gods; verder: maaksel; 
ngadamëlkeun, aan het werk zetten, laten 
(doen) werken; didamëlkeun; padamëlan, 
1. van pagawean, arbeid, bezigheid, werk 
(nog voortdurende), daad; sapadamèlan, 
denzeliden arbeid hebben. 

DAMI, ngbr.; sadami, vroeger = sakèdap, 
een oogenblik; thans z. v. a. één tocht, 
één snik, één haal; ambëkanana sadami, 
haar ademhaling tot op één tocht toe [uit- 
drukking, gew. gebezigd in den scheldbrief, 
van de vrouw die verstooten wordt, om 
te kennen te geven dat men haar terug- 
zendt in denzelfden staat waarin men 
haar kreegl; njawana sadami, de ziel tot 
op één snik toe, d. i. de geheele ziel, de 
ziel geheel [in denzelfden zin waarin men 
van 't lichaam sakoedjoer zegt}. 

DAMI8, hetzelfde als damsi. 

DAMO, = dapon; zie ald. P. 

DAMPA, I. dubbele pit in één vrucht 
(inz. bij moentjang); verder: vet en naar 
de zflden uitgezet (van de borst, met een 
holte ter hoogte van het borstbeen, 
zoodat de borst als in twee helften ver* 
deeld schtjnt). 

II. Ook dempe, geul, vore (hetzy met een 
patjoel of een ploeg gemaakt). P. 

DAMPAL, de palm (muis, binnenkant) 
van de hand, het plat of de zool van den 
voet; - ook 1. p., sampejan 1., soekoe k., 
voet, de voeten ; ngadampal 1. van nintjak 
en van ngalengkah, treden op, gaan over, 
voorttreden; didampal; ngadampalkeun, 
1. van ngaleumpangkeun, doen gaan, doen 
treden (van de voeten); didampalkeun. 

DAMPAS, slechts vluchtig (gras en on- 
kruid) sn\)den; sawah dampasan (Man.), 
slecht vluchtig bewerkte moeras-saiea^, 
die geen grondbewerking ondergaan heeft 
vóór de beplanting. B. 

DAMPIJAK, uitgebreid (van iets dat eerst 
of gewoon] yk in elkander zat of zit, en 
nu zich zóó uitgebreid heeft, dat, het uit 
den bollen in den platten vorm over- 
gegaan is). 

DAMPING, I. ngbr.; dadamping, verkl. 
met samping digoeloeng sabeulah, den sarong 
aaade een e z^jde omgeslagen hebben (P.) ; 
didadamping, ook wel sadadamping, slechts 
een samping (geen broek) aanhebben. 

II. Soemping damping, ~ dongkap da tang y 
komen, gekomen. 

DAMPIT, I. naam van een grooten 
boom. P. 



II. Tweeling van beiderlei kunne. P. 
(Vgl. dompo en këmbar.) 

DAMPOEL (Kad.), = këmit; zie ald. 

DAM8I, ook damis, = pipi, wang, de 
wangen. 

DAMSIK (Ar. Damsjiq), Damascus; voll. 
nagara Damsik. 

DANAS, ook ganas, ananas. 

DANG, = doeng. 

DANGAH. een houding waarbfl hoofd en 
bove il\jf flink rechtop gehouden worden 
(minder echter dan bj) tanggah) y het hoofd 
rechtop houden; ngadangahkeun, het hoofd 
van een mensen of dier iets achterover 
buigen (b. v. om medieünen in den mond 
te gieten); didangahkeun. (Vgl. dangong.) 

DANGAN, licht (niet zwaar), gemakkelijk 
niet moeiiyk); ook: verlichting hebben; 
dangan kalakon y gemakkelijk geschieden ; 
dangan ngalakonan gawe, het werk ge- 
makkelijk (zonder bezwaar) verrichten; 
ngadangankeun y verlichting schenken; ook : 
licht-, gemakkelijk noemen of achten 
wat indeidaad moeiljjk is; verder: voor 
iemand iets licht doen zfln (b. v. een 
examen); in laatstgenoemden zin =ngen- 
tenglceun (zie enteng); didangankeun. 

DANGOAJANG, zie dajang. 

DANGDAN k., dangdos 1., zich opmaken, 
zich bereiden, zich gereedmaken (b. v. tot 
vertrek), toerusten ; ook : iets gereedmaken ; 
verder: gereed, klaar, gekleed, toegerust; 
dangdan-dangdan, toebereidsels maken ; 
ngadangdanan, in gereedheid brengen, 
toebereiden, uitrusten, reis vaardig maken, 
toerusten, bekleeden, optuigen, zadelen, 
uitdossen, versieren, inrichten, meubi- 
leeren, enz. ; didangdanan, in gereedheid 
gebracht worden, toebereid-, uitgerust-, 
versierd worden; ook z. v. a. dipigawe, 
gemaakt-, vervaardigd worden ; dangdanan, 
1. wat tot goreedmaking van iets dient 
(b. v. bamboe en rotan voor de verzen- 
ding van goederen); - 2. versierselen of 
derg. die iemand (b. v. een bruidspaar) 
worden omgehangen; - 3. dat waarvan iets 
gemaakt is of wordt, de stukken waaruit 
iets (b. v. een huis) bestaat, materiaal, 
stof; -4.== parabot, gereedschap, materiaal, 
huisraad enz.; dangdananingpërang, krygs- 
gereedschap. 

DANGDAN-DCNGDON, zie dongdon. 

DANGDANG, aarden pot voor het stoomen 
van ryst. [Van metaal gemaakt heet hrj 
seüng.] 

DANGDANG-GOELA, naam van een tëm- 
bang-vr$s. (Zie Spraakk., Aanh.) 

DANGDANG-RAT, overgang uit den regen- 
tijd in den drogen moesson, overgang tot 



DANGDANG-SAKARA—DAPOER. 



111 



vast-, droog weder, voorjaarskentering (vgl. 
dëngdëng, rat en mamareng); oesoem dang- 
dang-rat, de voorjaarskentering. 

DANGDANG SAKARA, — dang dang- go ela 

DANGDAOENAN, zie daoen. 

DANQDEUNG, verkl. met liwat, ngaliwat, 
passeeren. P. 

DANGDEUR, 1. voll. tangkal dangdeur, 
naam van een boom; in Z.-B. de wilde 
kapok-boom (randoe leuvoeung); - 2. naam 
van een hoewi of knolgewas, ook hoewi 
tjotjod geheeten, ie cassave-piant. 

DANGDINQ (samentr. van dang ding. 
klanken welke men neuriet by het maken 
van een tëmbang), zangmaat, dichtmaat, 
maatklank, rhytmus, cadans; ook = lagoe, 
tëmbang-w^s, melodie. 

DANGD08, 1. van dangdan; zie ald. 

DANGËT, I. een l.-woord, ter vervanging 
van mangsa of waktoe (doch slechts voor 
den tegenw. tyd); dangët ajeuna, in dezen 
tyd, tegenwoordig, nu, thans; ook wordt 
het wel door een der genoemde woorden 
voorafgegaan, b. v. mangsa dangët ajeuna 
of waktoe dangët ajtuna, in den tegen* 
woordigen tyd. 

II. Ngbr.; midangët (eig. Jav.) 1., = 
ngaro&ngoe, hooren; dipidangèt; kapidangët, 
gehoord worden of zjjn, ter oore z\jn 
gekomen. 

DANGIJANG, zie danyang. 

DANQKA, I. toebereidsels maken vooc 
eenig werk, van te voren klarigheid 
maken. 

II. Djaro-dangka (brj de Bad.), de ver- 
tegenwoordiger van den girang poeoen by 
de oerang panamping. 

DANGKA-DONGKO, zie dongko. 

DANQKAK, ngbr.; ngadangkak, de boenen 
wyd (schryiings) uit elkander doen, wijd- 
beens staan of zitten; ngadangkakkeun, 
iemands beenen wyd uit elkander doen ; 
didangkakkeun. (Vgl. dengkak.) 

DANGKAL, z. v. a. papan IL, een wego f 
gelegenheid zoeken; meunang dang kal, de 
gelegenheid hebben of krijgen. 

DANGOE 1. p., reungeu en roengoe 1., 
denge k., g. w.; ngadangoe, hooren, aan- 
hooren; didangoe; kadangoe, gehoord wor- 
den of ztJn, ter oore ztfn gekomen; nga- 
dangoekeun, naar iets hooren, toeluisteren; 
didangoekeun; pang dang oe, het gehoor. 

DANGONG, ngbr. ; ngadangong, = dang ah, 
het. hoofd in de hoogte, rechtop- of achter- 
overhouden; ook = ngarandëg, stilhouden 
(van een wagen) ; doengang-dangong, gedurig 
stilstaan. 

DANG8A, het Holl. dans; dansen, dans ; 
pesta dangsa, dansparty, bal. 



DANO, meertje (uit de natuur ontstaan), 
plas. 

DANOE, hetzelfde als dano. 

DANTÉN, een jong vrouwelijk dier, dat nog 
geen eieren heeft gelegd of nog geen jongen 
heeft gehad; hajam dantën, hen die nog 
niet gelegd heeft; domba dantën, schaap 
dat nog niet gejongd heeft. (Vgl. dara.) 

DANYANG (Kw.), ook dangijang, naam 
van een geest of soort geesten, waarvan 
men geen nadere omschryving weet te 
geven, maar van wie men gelooft dat ze 
beschermenden of verdervenden invloed 
kunnen uitoefenen en aan wie daarom 
wel offers gebracht worden. 

DAOEK (Z.-B.), = dyoek. 

DAOELAT (Ar., daulat), geluk, heil, for- 
tuin, voorspoed; dadaoelatan, „op goed 
geluk" doen, wagen, trachten te doen, 
beproeven, zich verkloeken, ondernemen. 

DAOEN, blad (van een boom, plant of 
tatel) ; mantri daoen, ambtstitel van iemand 
die onder de Bad. belast is met de zorg 
voor de bladsoorten, benoodigd voor het 
versieren der offers enz.; manoek daoen 
(Z.-B), naam van een vogel; dikotnpet- 
daoenkeun, tot eén bundel samengevoegd 
worden (van goede en dorre pisangbladen), 
een sprkw. = ons: over één kam ge- 
schoren worden; dadaoen, = gogodong, het 
boveneinde van de krisscheede; dangda- 
oenan, coll. meerv., gebladerte (d. i. allerlei 
bladeren), kruiden. 

DAOET, = dahoet; zie ald. 

DAON, de eigenl. Soendan. benaming 
voor nipah, de moeraspalm, voll. tangkal 
daon [de bladen worden evenals die van 
den kawoeng voor oedoed gebruikt]; in 
Indr.: dakbedekking van wtpa/i-bladen 
(vgl. hateup). 

DAPANG, ngbr. ; ngadapang k., ngalanggir 
1., z. v. a. nangkoeban, op den buik liggen 
(b. v. om te schryvenj; dadvpangan, idem, 
aanh.; ngadapangkeun, op den buik leggen 
(b. v. een kind); didapangkeun. 

DAPIT, verkl. met iga lev.it, de vakken 
waarin, door het uitwendig houten ge- 
raamte, een leuit verdeeld is; sadapit, één 
zoodanig vak, enz.; ngadapit, iets vatten 
of vasthouden tusschen een gespleten 
bamboe (geiyk wy met een tang doen), 
klemmen; didapit. (Vgl. hapit.) 

DAPOENG, ngbr.; hoerroe dapoeng, naam 
van een hoeroe-soort, 

DAPOER, I. k., pawon 1., keuken; eusi 
dapoer, die in de keuken arbeidt of be- 
hoort, kok, kokin, keukenmeid. (Vgl. paso/f 
en koki.) 

II. Stronk boven den grond, bamboe-, 



112 



DAPON— DASAR. 



pisang* of padistoel; taja dapoer, overdr. 
voor : zonder voorbeeld, zonder handleiding; 
nffieun toeioer taja dapoer, een opstel maken 
zonder handleiding of voorafgaanden 
arbeid van anderen (d. i. de stof uit zich- 
zelven putten); dapoeran, stronk boven 
den grond. 

DAPON, maar meestal darapon,, opdat, 
opdat maar, als maar, zoo maar, indien 
slechts (te vergelijken met soepaja); dapon 
reja kart, opdat er veel overbiyve; ka- 
djeun dapon seubeuh njatoe, 't doet er niet 
toe, als ik m\j maar zat kan eten; ngan 
darapon papak, slechts opdat er gelijkheid 
zjj; oelah darapon sok bae, (geef niet) alleen 
maar om te geven ; - ook z. v. a. gagabah 
iets onoplettend-, zonder attentie of zoo 
maar in het wilde doen. 

DAPTAR (Ferz., daftar), ïyst, rol, tabel, 
register, inhoudsopgave; daptar barang- 
barang, een ïyst van de goederen. 

DAR, nab. van den knal van een geweer- 
schot, van een donderslag, en derg. (vgl. 
doer); dor-dar, knal op knal, slag op slag. 

DARA (Skr.), een jonge vrouw die haar 
eerste kind heeft; ook: een wyfjesdier 
dat voor 't eerst gelegd of haar eerste 
jong heeft; hajam dara, kip die voor de 
eerste maal gelegd heeft; ngadjoeroe dara, 
voor het eerst gebaard-, voor het eerst 
gejongd hebben (vgl. dantën); dadara, coll. 
mv. van dara. 

DAR AD AD, I. geschaafd (b. v. de hand), ruw. 

II. Werkw. tusschenw. voor ngomong 
enz., spreken; ook werkw. tusschenw. 
voor: aanpakken en derg., = pek. 

DAR AD JAT (Ar.), trap, graad, rang, stand ; 
verder: geluk, welstand, bezitting, dat 
wat iemand krijgt of heeft; ook: stijging 
van welstand, in eer, enz.; soeda daradjat, 
vermindering van waardigheid, stand of 
welstand; geus bejak daradjat, hopeloos 
staan, alle geluk verspeeld hebben. 

DARAQËM, donkerbruin, kastanjebruin 
(beureum sëmoe hidevng). 

DARAJ, ngbr.; ngadaraj, uit elkander 
liggen, uiteenliggen, uitgespreid liggen; 
ook: liggen op den rug, met armen en 
boenen uitgespreid; ngadarajkeun, uit 
elkander doen, uiteendoen (b. v. koffle- 
boonen, om ze beter te kunnen drogen), 
uitspreiden; didarajkeun. 

DARANA (Skr. dharana), z. v. a. sareh, 
zachtmoedig, geduldig; sabardarana, ljjd- 
zaam, zachtmoedig, geduldig, geheel onder- 
worpen; hiroep soteh ngan manggih radja 
darana, h$J leefde alleen omdat hy een 
zachtmoedig vorst vond, d. i. hij leefde 
*>y de genade van den koning. 



DARANQDAN, I. naam van een soort 
vtyg; tangkal darangdan, naam van den 
boom die deze vijgen draagt. 

II. Hetzelfde als mangandeuh; zieald.P. 

III. (Kraw.), bladerlooze boom. P. 

IV. (Kad.), paal of palen voor een dam. 
DARAPON, zie dapon. 

DARAT (Skr. dara), het droge, de aard- 
bodem, land (in tegenoverst. van water), 
de vaste grond; djalan darat, over land 
gaan of reizen; leniah darat, land bloedzuiger, 
overdr. voor: woekeraar; daratan, het 
droge, het land (in ruimer zin dan darat), 
vasteland; overdr. voor: rust oftusschen- 
ruimte (b. v. tusschen elkander opvol- 
gende schoten of ry tuigen); teu tembong 
daratan, den grond niet kunnen zien (van- 
wege de duisternis); euweuh daratanana, 
zonder rust, zonder ophouden (van schieten, 
hot aankomen van boodschappen, enz.). 

DAR-DOER, zie doer. 

DAREHDAH, verkl. met manis boedi, 
minzaam. 

DAREHDEH, hetzelfde als darehdah. 

DAREK8I (verb. van het Holl. „Directie", 
welk woord men soms op een spoorweg- 
wagen geschilderd ziet), spoorwegrytuig. 

DARENGDENG, naam van een grassoort 
[waterplant, welks pit tot lampepit dient; 
vgl. djoedjoeloek, waarmede zy veel over- 
eenkomst heeft]. 

DAREUDA, weenende spreken of vragen, 
voll. dareuda lemekna, njaoer bari dareuda, 
dareuda naros, enz.; doemareuda, idem, 
aanhoudend. 

DARIGAMA, = het betere dirgama. 

DARIH, voll. tjidarih, styfsel van half- 
gare ryst (vgl. kandji); didarih, in styfsel- 
water gedompeld worden (van geverfd 
garen, om het steviger te doen worden 
voor het weven). 

DARMA (O.-S.; Skr. dharma, deugd, 
plicht), leer, inz. plichtenleer; verder, maar 
dan gew. ngan dar ma, enkel, alleen maar, 
slechts, niet meer dan; ngan darma nga- 
reuneuhkeun, alleen maar het kind onder 
het hart gedragen hebben. 

DAROEBEU8I, zeker bedwelmend vergift; 
didaroebeusi, onder den invloed van daroe> 
beusi gebracht worden of zyn. 

DAROEGIAN,. onbestendig, veranderiyk; 
volg. een andere verklaring = garetekan 
(zie getek), lichtgeraakt, kittelachtig. 

DAROEKDÉK, zie doekdëk. 

DAROEROENG, zie daloeroeng. 

DARONGDONG, = dërëngdëng; zieald.P. 

DASAR, bodem, grond, bedding (vaneen 
rivier, van de zee, enz.); overdr. dat wat 
iemand of iets van zichzel ven, van nature 



DASI— DEDEÖ. 



113 



of oorspronkelijk is (wat betreft aanleg, 
karakter, aard, lichaamsschoonheid, enz.) ; 
ook: grondkleur; dasar goreng, van aard 
slecht; ëmal-dasar, plattegrond; laklak- 
das ar, z.y.a. habén en bejak, ten bodem 
toe, zóó dat men niet verder kan (P.); 
dadasar, overdr.: bodem, grond, vloer, 
grondslag, grondbeginselen, pricipe; tang- 
to&na anoe takaboer djadi dadasar naraka, 
voorzeker de hoovaardigen zullen den 
bodem der hel vormen. 

DASI, het Holl. dasje; das, halsdoek, dasje. 

DAS TA R (Perz.), = sorban, tulband, inz. 
een vaste tulband, dien men niet uit 
elkander nemen kan; didastar, een tul- 
band opzetten of ophebben. 

DAT, I. = tjong, weikw. tusschenw. 
voor het maken van een sèmbah (zie 
ald.); dat njëmbah, de sëmbah maken. 

II. (Ar.), wezen, inhoud, wat is; verder: 
het wezen, het zijn. 

DATANQ k, dongkap s M soemping 1., aan- 
komen, komen, aanlanden, bereiken; tang- 
toe datang balahi, er zal zeker een onheil 
komen; ook = nëpi k., dongkap 1., tot aan, 
tot aan toe, in die mate dat; datang- 
datang, btf of terstond na aankomst, met 
dat (h\j) kwam, zoodra (hty) kwam; sada- 
tang, na aankomst; ngadatangan, tot of 
over iemand of iets (met opzet) komen; 
didatangan; kadatangan, lijd. vorm, gezegd 
van iemand of iets tot wien, waartoe of 
waarover iets komt of gekomen is, over- 
komen, overvallen; ook: krijgen, b. v. 
kadatangan moerijang, de koorts krflgen; 
nga datang keun, doen komen, doen komen 
tot of aan, ztfn bestemming doen be- 
reiken, ten uitvoer leggen; didatangkeun. 

DATAR, vlak, effen; ook: het vlak, het 
vlakke (vgl. rata); tanah datar, vlakte; 
padataran goenoeng, bergvlakte. 

DATAWALANQ (Z.-B.), naam van een 
zeevisch. 

DATÉNQ (uit 't Jav.), aan .... (in op- 
schriften van brieven aan minderen); 
doematëng, idem (maar aan geleken of 
hoogeren). 

DATJIN (Chin.), een unster of weegstok; 
sadatjin, een onbepaald gewicht van 25, 
50 of 100 kaWs ; ngadatjin, met een datjin 
afwegen; didatjin. 

DATOE, voll. tali datoe, geweven buik- 
gordel of buiksingel. P. 

DAWA (Ar., eig hulpgeschrei, vandaar) 
rechtvordering, aanklacht; ook: een rechts- 
vordering of aanklacht indienen ; ngadawa, 
iemand voor den rechter dagen, hem een 
rechtsgeding aandoen, een rechtsvordering 
tegen iemand instellen, iemand verklagen 

SOENDANEESCH-HOLL. WOORDENB. 



of aanklagen ka hoekoem, d. 1. bjj het gerecht 
of bty den rechter; silihdawa, elkander 
verklagen; didatoa. 

DAWEUNQ, in een styve of peinzende 
houding staan of zitten, een sttfve (rechte) 
houding aannemen, styf z$jn (z. a. bty de 
komst van bezoekers, enz.); daweungna, 
(rechte) houding; ngadaweung k., mangoe* 
mangoe 1., in stflve of parmantige houding 
daar staan; verder: in gedachten ver- 
zonken zitten of staan, roerloos voor zich 
uit staren; ook: staan te dralen, talmen, 
treuzelen; doeioang-daweung, idem, aanh. 
of herhaaldelijk. 

DAWOEAN, dam of djjk tot afleiding 
van water, de plek waar het water uit 
een rivier in een kanaal of leiding vloeit, 
uitloop. 

DAWOED, David, de bekende koning 
van Israël, door de Mohammedanen 
Nabi Dawoed geheeten. 

DAWOEH, I. = waktoe, tfld, stond; art 
geus nëpi kana dawoehna, toen de tfld ge- 
komen was. 

II. Benaming van de Vrjjdags-Woo«flr, 
nl. van de bëdoeg die voor de godsdienst* 
oefening op Vrijdagmiddag in de moskee 
geslagen wordt. [Het is 't gewone instru* 
ment, alleen de naam is veranderd.] 

III. S., parentah k., timbalan 1., last 
gebod, bevel; doemawoeh, bevelen; nga- 
dawoeh s., bevel geven, bevelen; ngada- 
woehkeun, iets bevelen, een last ter 
kennis brengen; didawoehkeun; dawoehan, 
bevel. 

DAWOEK, schimmel (als benaming van 
een paard) ; tjatjdh dawoek, z. v. a. tjatjah 
toeten, een echte tjatjah (man uit het volk); 
si tjëtoek dawoek, een scheldw. jegens oude 
mannen, z. v. a.: grflskopjou oude grjjskopl 

DAWOENQ, g. w.: knip gelijk af! nga- 
dawoeng, gelijk afknippen (een knevel, de 
manen van een paard, enz.); didawoeng. 

DËBLE, maar doorgaans ngadëble, het 
baadje slechts met één knoop gesloten 
hebben. 

DEBLO (Tasikmal.), = benggol, het 2j^ 
centsstuk (Vgl. dibloeng.) 

DÉBOES (Ar., strjjdkolf, strydhamer), 
een soort spel waarbtf onkwetsbaarheid 
vertoond wordt, of juister: waarby goochel- 
toeren verricht worden. 

DEDE, op rtfen plaatsen (B.); in Indr.: 
met waren te koop zitten; lagi dede 
(Indr.), nog zitten te verkoopen. 

DÈDËQ (vgl. dëg en adëg), statuur, ge- 
stalte, figuur, leest, voorkomen, houding; 
dêdëgan, idem, inz. lichaamsbouw. (Zie ook - 
tandjëk). 

8 



114 



DEDEGLER— DEKEM. 



DËDËGLËR, verkl. met taja timbangan 
en = sasangklëng, ruw, wreed, gruwzaam. 

DËDÉK (Mal., dedak), =r hoeoet, zemelen. 

DÉDËL, In elkander geperst, styf in of 
op elkander gepakt, samengedrongen; 
ngadëdêl, inirukken, inéénpersen, vast- of 
Instampen; ngadëdêl lëmah, zich by het 
opstegen tegen deu grond afstooten, zich 
omhoogstooten ; didëdël; tidêdël, ineenge- 
drukt raken; pangdédël, voorwerp om iets 
vast te stampen, stamper. 

DEDEL, = bëdah, open (b.v. een heining 
die doorgebroken is), bres (b.v. m een 
slagorde waardoor zich de vjjand heen- 
geslagen heeft); ook: bezweken (van een 
leger); ngadedel, (van buiten) inbreken, 
doorbreken, enz. (Vgl. dehdel.) 

DËDËLÉQ, zie dëlëg. 

DËDËMËS, ngbr.; kadëdëmë8,z.Y.a..pidoe- 
wit, oi> de penning zyn. 

DËOËR, g. w.; ngadëdër, jonge planten 
of boomjes voorloopig in den grond zetten, 
met het doel ze later hun vaste plaats te 
geven; ngadëdër kagorengan, kwaad planten: 
didëdër; dêdëran, kweekplant. (Vgl. ipoek.) 

DËDËROEK, zie dëroek. 

DEDES, het mmkusdier, civetkat; baoe 
dedes, de sterke en doordringende geur 
die van de dedes uitgaat, een ondraaglijke 
stank; ngadedes, zich verschuilen, zich 
schuilhouden, in een hoek wegschuilen. 

DËOËT, vol, boordevol, tot aan den rand 
vol; pètëng dèdët, sësëk-dëdöt en sirëp-dëdët, 
= djëdjël-pinoeh, geheel vol, ei vol, stamp- 
vol; ngadëdèt, vol drukken, vol stampen 
(van een maat); didëdël, volgedrukt-, vol- 
gestampt-» neergedrukt' worden of zyn; 
padëdëtdëdët, elkander verdringen; nga- 
dëdétan, iets boordevol maken; didëdëtan; 
kadëdëtan, tot aan den rand vol-, boorde- 
vol geraakt; ngadëdëtkeun, (iets wat zich 
ergens in bevindt) nederdrukken, indruk- 
ken, enz ; didëdëtkeun. 

DEDEWAN, zie dewa 

DËENQ, rauw vleescb,in lapjes gesneden, 
gekruid en vervolgens in de zon gedroogd 
[meer bekend onder den naam van dengdeng* 
zie ald.]; ngadeëng, deëng maken. 

DEËT, ondiep; overdr.: oppervlakkig; 
sawah deët, een ondiepe sawah, die be- 
ploegd kan worden; ngadeëtan, allengs 
minder diep worden. 

DËQ, werkw. tusschenw. voor: staan 
(nader uitgedrukt door ngadèg en nang- 
toerig); ook werkw. tusschenw. voor: 
oprichten (nader uitgedrukt door ngadëg- 
keun en nangtoengkêun), Vgl. adëg en 
randëg» 

DEO, het Holl. deeg; idem. 



DEQOEQ, ngbr.; ngadegdeg, beven, trillen ; 
ngadegdeg koê sabab reuwas, trillen van 
ontzetting; dagdag degdeg en doegdag- 
degdeg, = kapar-këpër, met haast maat- 
regelen nemen, zich druk met (of om) 
iets maken. (Vgl. gëtër, gidir en këpër.) 

DËQER, g. w.; ngadëger, zich sterk in- 
spannen, alle kracht inspannen, zwoegen; 
didëger. 

DËGIQ, l. zich boven anderen verheven 
wanen (ong. = angkoeh); - 2. iemand uit 
trotschheid onbehooriyk ontvangen (z. v. a. 
teu akoean of teu ngakoe), trotsch, onheusch, 
onwellevend. 

DËGIL, = dëdëg, statuur, figuur, houding. 

DËGLAN (Kad), sukkel, suffer. 

DËGOENG, hangende gamelan. 

DEHDEL, = dedel, open, opengebroken; 
ook: uitgevischt, schoon afgeplukt, ge- 
heel afgegeten (de bladeren van een boom). 

DEHE, = ingkab, 1. van kelek, oksel, de 
oksels. 

DEHEM (vgl. ehem), kuchen (om iemands 
aandacht te trekken), hm! zeggen; nga- 
dehem, kuchen (om de aandacht te trek- 
ken), hemmen; dedeheman, aanh. kuchen; 
daham-dehem, herh. kuchen (beide met 
gezegd doel), gehem. 

DEJANG, ngbr.; sidejang, 1. van sidoeroe, 
zich by het vuur warmen; ngadejangkeun, 
iets by het vuur houden om het te warmen 
of te drogen (vgl. leumpeuh); didejangktun; 
njidejangkeun, 1. van njidoeroekeun, iemand 
(b. v. een koud kind) by het vuur zetten 
om zich te warmen; disidejangkeun. 

DEJOG, kreupel, mank (algemeene be- 
naming voor verschillende soorten van 
kreupel-zyn of mank-looy>en). 

DËK, werkw. tusschenw. voor: hand 
aan 't werk slaan, = pek;dëkmariksa, een 
onderzoek gaan instellen; inz. echter 
werkw. tusschenw. voor: slaan, stompen, 
en derg.; barang dêk ka, terwijl hy sloeg 
naar; dak-dëk, rechts en links stompen of 
derg. geven: pidëkeun, zullen neerkomen 
op. (Vgl. adëk.) 

DEK, I. k., kërsa 1., willen, zullen [het- 
zelfde als rek, behalve dat daarby „zullen" 
op den voorgrond staat, vgl. daek]; oelah 
dek, ge moet niet willen (dit of dat doen; 
de uitdrukking veronderstelt, dat het 
voornemen nog niet aanwezig is). 

II. Het Holl. dek (van een schip), scheeps- 
vloer. 

DËKËM, ngbr.; ngadëkëm, vooroverzitten 
(van een dier), gereed zitten om den sprong 
te doen (een kat, een tyger); ngadëkëman 
over een prooi gebogen zitten; didëkëman' 
(Vgl. dakom.) 



DEKEN— DEMPET. 



115 



DEKEN (Kad), = deët, ondiep. 

DËKËR, i. v. a. prak en pek; zie ald. P. 

DÉKIL, vuil, ongewasschen (van kleede- 
ren enz ); si dëkil, pinoeh koe ddkiï jou 
vuüik, vol huidsmeer I P. 

DËKLOEK, = dëngkloek; zie ald. 

DÉKOE, = dëngkoel, 1. van toeoer. knie, 
de knieën; darëkoe, zich buigen (van de 
knieën), zich nederbukken, knielen ; tapak- 
dëkoe, op de knie vallen, een knie of de 
knieën buigen; sidëkoe, op de knieën liggen; 
ngadëkoekeun toeoer, de knieën buigen. 

DËKOEL, ngbr.; ngadëkoel, zonder op te 
zien arbeiden, zich sterk inspannen, 
zwoegen; tingdarëkoel, idem, van velen. 

DÉKOK, diep in 't hoofd liggen (van de 
oogen) en daarby een wipneus hebben. 

DËL, werk. tusschenw. voor: uitzetten, 
een omvang kragen (een zweer, de 
buik, enz.). 

DËLAK-DÈLEK, zie dëlek. 

DÉLAK-DÈLOEK, zie dëloek. 

DELAN, I. alleen in boemboeng-delan, naam 
van een boom. 

II. (Z -B.), ftfn gewreven, tot ballen ge- 
knede rottende viMch of garnalen, bekend 
onder den naam van tarasi; ngadelan, 
delan maken; ngadelanan, iets met delan 
bereiden; didelanan. 

DËLAP, verkl. met djaïl, ondeugend, 
ondeugende streek, ondeugendheid; ook 
verkl. met sok meupeuh ka batoer, slaan- 
derig, er spoedig by zijn met er op los 
te slaan. 

DËLËQ, naam van een gdboes soort, = 
bogo; dëdëlëg, ook daging bobokong geheeten, 
het stuk vleesch dat wy „het haasje" 
noemen. (Zie sineureut.) 

DËLEH, g. w.; ngadëleh, = bintravg k.p., 
zien naar, bezien; didëleh; teukadëleh, niet 
gezien worden of zfln, niet zien. ( » gl. 
tewdjo, enz.) 

DËLEK, een verachtenden of nydigen 
blik zywaarts werpen; dëlak-dëlek, idem, 
maar naar weerskanten; ngadëlek en 
ngadëlekan, op iemand zydelings een ver- 
achtenden blik werpen, iemand dwars 
aankyken, naar iemand nijdig-, boos, 
wai'gunstig kyken; didëlekan. (Vgl. dilak.) 

DËLËKA, = djoelig, boos, kwaadwillig. 

DELENQ, = 't meer gebr. telen g, scheel, 
scheolzien. 

DëLëPAK (Poerw.), het schoteltje van 
een Inlandsche lamp, waarin zich de 
olie met de pit bevindt; in de Pr. = tai 
palita. het vuil uit de palita ; in Bant. — 
adjnrg, zie ald. 

DÊcËS, lemmet, wiek, lampepit. (Vgl. 
simsim) 



DÉLIT, knorrig, wrevelig, boos, kwaad, 
zich verongelukt achten; dëlitan, zich 
spoedig verongelukt achten, lichtgeraakt. 

DÉLOEQ, (van een dier) hoog op de 
pooten zfln. P. 

DËLOEK, eenigzins gebogen van gestalte 
(b. v. van zeer lange personen); dëlak- 
dëloek, knikkebollen (B.); ngadêloek, = 
ngadëroek (zie dëroek). 

DËMANG, buiten de Preanger: districts- 
en tevens politiehoofd; in de Pr.: eere- 
titel, soms door de Regeering geschon- 
ken aan voorname hoofden. 

DËME8, een platten neus hebben, 
plat neus. 

DEMI. I. k., doepi of dopi 1., = ari I— III 
(doch de beteekenis is meer beperkt, 
minder ruim): aangaande, wat betreft, 
maar, doch, daarentegen; ook: als, tjen. 

II. In directe eedformules: by: demi 
Allah! by God! dëmikamoeljadnPangeran/ 
by de heeriykheiddesHeerenldémtrasoef/ 
by den gezant! (Vgl. insa en njëboet by 
sëboet.) 

DËMIT, = rikip, stil, geheim, in alle 
stilte; ook: geest, in bygeloovigen zin; 
dëdëmit, een stille geest, nimf; dëdëmitan, 
= ririkipan, zachtjes, in alle stilte, in 
het ereheim (doen.) 

DËMOENG, voll. djoeroe-dëmoeng, 1. een 
oude titel voor beambten van minderen 
rang; djoeroe-dëmoeng anoe bode ngirtng 
angkat, de dëmoengs's di8 tot het geleide 
zullen behooren ; - 2. naam van een tëmbang- 
wys (zie Spraakk., Aanh.) ;soeroet-dëmoeng 
(Kad.), naam van een heester met rood 
blad, veel tot omheining gebezigd. 

DEMPE, — dampa II.; tjaoe dempe, naam 
van een pisangsooit; dahar tjaoe ckmpe 
dempe pisang eten [ w at pamali heet, matak 
dempe anak]. 

DEMPEL, alleen in kotokdempel,nsLB.m door 
de Bad. aan een eend (mëri) gegeven. 

DËMPË8, by den wortel , by den grond 
(afgesneden, afgehouwen of op andere 
derg. wyze weggenomen, van gras, plan- 
ten, enz.). 

DËMPES, ngbr.; ngrcufêmpes, nederduiken; 
verder: laag by den grond-, tegen den wand 
of in een hoek wegkruipen of wegschuilen; 
ngadëdëmpes, idem, met verst.; ook: zich 
afgezonderd en doodstil houden. 

DËMPET, dat waarmede mén iets vast- 
of dichtklemt; inz. de bamboe-lat, die 
dwars langs de wilah woidt gebonden; 
ook g. w., b. v. eta dëmpet djalma tjilaka- 
dorakal knyp dien rampza.ige! ngadëmpet, 
klemmen, knellen, knypen, beknellen, 
vastknypen; ook: persen, ineendrukken; 



116 



DEMPET— DENGKENG. 



didëmpet; kadëmpet, bekneld geraakt zijn. 
(Vgl. tjëpet) 

DEMPET, tegen elkander raken, aaneen- 
gesloten, aaneengegroeid van lichaams- 
leden (b. v. van twee vingers), tegen 
elkander aan staan (b. v twee huizen), 
palen aan, belenden, aanpalend, belendend. 

DEMPLON (Buit.), z. v. a. iègëp, een 
ferme houding-, een flink postuur hebben. 

DÊMPOEL, 8 top verf; ngadëmpoel, met 
dëmpoel stoppen. 

DEN, zóó spreekt men meestal kinderen 
of jongelieden aan die raden zijn, vooral 
wanneer men vriendelijk of gemeenzaam 
spreekt. (Zie raden.) 

DËNAK, voll. taleus dënak, naam van een 
taleu8'Boort (Tjiandj.)» = taleus djahe 
(Band.). 

DËNDA (Skr., danda, stok, straf, boete), 
boete, geldstraf; ngadënda, in de boete 
slaan, beboeten; didènda; ngadèndadn, 
meer dan één persoon beboeten; didén- 
dadn. (Vgl. wattf.) 

DËNDËN, ngbr.; ngadëndën, (van water) 
hoog staan, b. v. tot den nok van den 
dtyk; (van een donkere lucht) een bank 
vormen, een zware on weerslucht ; overdr.: 
alles in gereedheid zijn (b.v. in het huis 
van jongelieden die gaan trouwen) 

DÉNG, werkw. tusschenw. voor: knappen, 
breken, doorbreken (b. v. een boom); 
doengdëng, idem, van meerdere voor- 
werpen. 

DËNGAK-DÉNGEK, zie dëngek. 

DÈNODA, = dënda. 

DENGDANG, ngbr.; sidengdang lL.,kempol 
1., (van een vrouw) te paard zitten, met 
de beenen naar één kant; padengdang 
(Z.-B.), een dans, uitgevoerd door mannen; 
ook het orkest dat daarbij dienst doet. 

DENGDEK, hellen, overhellen, hellend, 
in schuine richting, schuin, scheef, scheef 
staan, een schuinen stand hebben (ook 
z. a. van de zon); ngadengdekkeun langit, 
den hemel neigen (doen overhellen); di- 
dengdekkeun. (Vgl. modeng.) 

DëNGDëNG, — anggër, op dezelfde hoogte 
of in denzelfden stand of toestand blijven, 
niet van gedaante veranderen, niet in 
voorkomen verouden, bleven wat en zoo- 
als het is, bestendig; ngadëngdëng, = 
ngadingding (zie dingding) 

DENGDENQ, = deëng, maar zóó vooral 
van de deëng die in de waroeng verkocht 
wordt en gesneden is naar gelang van 
den prijs, dien men er aan geven wil; 
ook = beunang mapakkeun, wat gelijk- 
gemaakt is; tya&h dengdeng, verkl. met 
tfadh hanteu hoedjan, hoog water, als 



gevolg van regen in hooger gelegen 
streken, terwijl op de plaats zelf geen 
regen viel; ngadengdeng, gelijkmaken, 
gelijksnijden, enz.; didengdeng. 

DENGE k., koeping s., reungeu en roengoe 
1., dangoe 1. p., g. w.; sadenge-denge tjeuli, 
op het gehoor afgaan; ngadenge, hooren, 
aanhooren, gehoor geven aan; didenge, 
aangehoord worden, gehoor aan gegeven 
worden of zijn; kadenge, gehoord, aange- 
hoord; dengeëun, te hooren, om te hooren, 
aan te hooren; dedengean, hetgeen men 
hoort; loba dedengean, veel te hooren, veel 
dingen .die men hoort; taja dedengean, er is 
niets te hooren of aan te hooren (b. v. in 
een bosch, als 't er doodstil is); teupoegoeh 
dedengean, niets op zichzelf of afzonderlek 
kunnen hooren, een verward rumoer van 
stemmen of geluiden door elkander; 
ngadengekeun, iets aanhooren, naar iets 
hooren of luisteren, toeluisteren; tjeuli 
oelah dipake ngadengekeun omongan sya- 
s&a, gebruik uw ooren niet om naar Ijdel 
geklap te luisteren; didengekeun; denge- 
keuneun, wat aan te hooren is, wat gehoord 
mag worden; taja dengekeuneunana, niets 
kunnen hooren noch verstaan (door rumoer 
ol omdat velen te gelijk spreken); ngade- 
dengekeun, nauwkeurig toeluisteren; pang- 
denge, het gehoor. 

DËNGEK, = pëtak, het geven van een 
schreeuw of gil; ngadëngek, een schreeuw 
of gil geven (bepaald met opzet); dëdë- 
ngekan, aanh. schreeuwen, gillen of jam- 
meren, gegil, geschrei, gekresen; dëngak- 
dëngek, aanh. of gedurig een schreeuw 
geven; ngadëngek- dëngek, gedurig of met 
tusschenpoozeneenschreeuwlaten hooren ; 
patingdarëngek, geschreeuw, gejammer 
(van velen). Vgl. djërit. 

DENGKAK (vgl. dangkak), het wijdbeens 
zitten; ngadengkak, wijdbeens (schtijlings) 
zitten (van iemand die op een paard-, of 
een kind dat op iemands heup zit; doeng- 
kak-dengkak, aanh. of gedurig zoo zitten; 
ngadengkakkeun, iemand wijdbeens of 
schrijlings doen zitten, een kind op de 
heup doen zitten; didengkakkeun. 

DËNGKEK, ngbr.; ngadëngkek, iemand in 
benauwdheid brengen, iemand persen (b. v. 
om een schuld af te doen); didëngkek; 
kadëngdek, in moeite-, in benauwdheid 
zitten (b. v. iemand die betalen moet en 
geen geld heeft); doemëngkek, bekneld zijn, 
in de knel zitten. 

DËNQKENG, ingebogen van den rug 
(wj menschen of beesten), holte in de 
lenden. (Vgl. tënggeng.) 

DENGKENQ, hetzelfde als dempet 



DENGKET— DEREP. 



117 



DENGKET, tegen aan komen (vgl. dempet); 
padedengket, tegen elkander aan (b. v. plan- 
ten), aan elkander sluiten, aan elkander 
raken ; padengket-dengket, idem. 

DÈNQKI, misnoegd, nijdig, yverzuchtig, 
nayverig op anderen; ook: nijd : hiri-dëngki, 
hatelijk en nydig, haat en nyd, boosaardig, 
arglistig; ook: boosaardigheid, arglistig» 
heid ; dëngkian, verkl. met salampah-lampah 
dëngki bae, d. i. nydig-, boosaardig van 
aard zyn; ngadëngkian, op iemand nijdig 
of nayverig zyn, benijden; ailih'dëngkian, 
op elkander nijdig zyn, elkander beneden; 
kadëngkian, nyd. 

DËNGKLAK-DËNGKLOEK, zie dëngkloek. 

DËNGKLANG, ngbr.; ngadëngklang, ong. 
= ngadajagdag, staan of zitten met het 
boveniyf achterover. 

DËNGKLOEK, ngbr.; ngadëngkloek, den 
kop buigen (z. a. een paard wanneer het 
8 trui kelt); tidëngkloek, struikelen (by het 
opstappen van een hoogte); déngklak 
dëngkloek, mank loopen (van menschen 
of dieren die iets aan den voet hebben). 

DËNQKLOK, hetzelfde als dëngkloek, 
ngbr.; dëdëngklokan, zich mank houden, 
loopen als iemand die mank is. 

DËNQKOEL, = 't meer gebr. dëkoe. 

DËNQKOET, mank loopen met het eene 
been, zóó dat men het op de teenen van 
den voet laat rusten. (Zie dengkol.) 

DENGKOL, hetzelfde als dëngkoet. 

DEMOK, er goed, knap, welgevormd uit- 
zien (van een vrouw, zonder nu bepaald 
geulis of schoon te wezen), een goed-, 
burgerlek voorkomen hebben, burgerlek. 
(Vgl. gamboelëng.) 

DENTJENG, nadeelig verschil, minder, 
minder hebben of zyn dan ; ngadentjengkeun, 
iemand in zyn belangen verkorten, hem 
achterstellen by anderen, aan iemand 
minder geven dan aan een ander; diden- 
tjengkeun. 

DËPA, = dëroem (maar dit ook van kleine 
dieren), zich nederleggen, in rustige 
houdin g nederliggen (meestal met de pooten 
onder 't ïyf); dëpa-dëpa, maar meestal 
ngadëpa-dëpa, zóó hard loopen (een paard, 
een hond, enz.) dat de buik byna den 
grond raakt; ngadëpa, (van een dier) gaan 
liggen met de pooten onder 't ïyf; ngadë- 
pakeun, (een dier) zich doen nederleggen; 
didépakeun. (Vgl. depe.) 

DËPANG-DËPONG, zie dëpong. 

DEPE, ngbr.; dedepean, in vooroverge- 
bogen (eerbiedige) houding loopen. (Vgl. 
dëpa) 

DËPËNQ, ngbr.; dëdëpëngan, in gebukte 
houding (b. v. naderen). 



DEPOK, verkl. met patapan, hermitage. 

DËPONG, g. w.; sidëpong, op de knieën 
liggende, met het boveniyf op den grond, 
ergens onder kyken of op iets loeren; 
ngadëpong, zich nedarbukken (z. a. een 
dier in zijn hol), loeren, gluren, mikken. 
didëpong, op gegluurd of gemikt worden; 
dépangdëpong, rechts en links gluren, rond- 
loeren; ngadëpongan, naar iets gluren» 
begluren ; didëpongan. 

DËPROEK (vgl. proek), werkw. tusschenw. 
voor: neerstorten, instorten enderg.;nya- 
dëproek, nedervallen (b. v. een paard), in- 
storten (b. v. een huis). 

DËR, — gër, werkw. tusschenw. om het 
ontstaan van geraas of rumoer aan te 
duiden ; gër aja lini, er ontstond een aard- 
beving; gër aja hoedjan, er viel een harde 
regen; gër geloei, er ontstond een gevecht, 
enz. (Vgl. doer.) 

DER AH, ngbr.; ngaderah, rekenen, bere- 
kenen; ook = mërwintji, deelen,verdeelen; 
verder: overdenken, overwegen; diderah, 
gedeeld-, verdeeld worden; derahan, deel; 
ook: berekening, gevoelen. 

DËRAK, ngbr.; ngadërak, opdisschen. P. 

DËRBE (Indr.), hebben, bezitten. (Vgl. 
boga.) 

DEREDED, = daradad II. P. 

DËRËGDËQ (vgl. doeroegdoeg), nab. geluid 
van: zich in beweging stellen, op den 
loop gaan, aan den haal gaan; doeroegdoeg- 
dërëgdeg, idem, met verst.; ngadërëgdég, 
knetteren (van geweervuur of pëtasan). 

DEREK, ngbr.; saderek, 1. van doeloer, 
broeder, zuster, broeders, zusters; pide- 
rekan, (werkeiyke) broeders, broederschap ; 
ook: bloedverwanten, en in dézen zin van 
neef af in een afgaande lyn; ngaderek, op 
een ry of in orde geschaard zyn, tot 
iemands dienst gereed zyn, wachten op 
het bevel van een meerdere, een meerdere 
volgen ; ngadederek, z. v. a. ngantos timbalan, 
op bevel wachten. 

DËREL, = 't meer gebr. drel, 

DËRËMAGA, dykje, dammetje; ngadërë- 
maga, een dammetje maken, een laagte 
ophoogen (inz. om er een waterleiding 
overheen te leiden naar een tegenover- 
liggende hoogte). 

DËRËNGDËNG (vgl. dëngdëng), werkw. 
tusschenw. voor: in beweging komen of 
in beweging stellen; (van den wind) een 
stevige bries, (van water) bruischen, 
klotsen, (van gedachten of woorden) zich 
in beweging stellen; ngadërëngdëng, (van 
een rivier) gezwollen zyn en bruisend 
stroomen. 

DËRËP, voor het helpen rystsnyden by den 



118 



DERES— DEUHA. 



oogst van de vtff bossen één tot loon ont- 
vangen (vgl. gatjong); ngadërëp, op deze 
voorwaarde rflst helpen sneden. 

DËRË8, gedurig of aanhoudend doen, 
zich gedurig herhalen, gedurig plaats 
vinden, al maar herhalen, dikwijls repe- 
teeren (b. v. een djampe herhaaldelijk 
lezen of opzeggen), overlezen, overleeren; 
ook snel op elkander baren of jongen 
werpen ; (van boomen) aanh. vruchtdragen; 
verder: met korte passen loopen (van 
paarden), verkl. met kërëp tintjakna; 
hoedjan dërës, een aanhoudende dichte 
regen; dërës mëdal tjisotjana, gedurig had 
hij (zü) een traan in het oog ; ngadërës, aan- 
houdend herhalen (b. v. het lezen van 
een boek); eureun ngadérës, ophouden met 
herhaald lezen. 

DERES, ngbr.; ng ader es, = vgaberes en 
ngadjadjar, op een rij zijn, staan of zitten, 
zich op een rij plaatsen. (Vgl. redes.) 

DËRËWAK (Z.B.), een tamelijk groote 
heester [het hout van de grootere exem- 
plaren wordt veel gebruikt voor de stelen 
of përdah van den balijoeng]. 

DÉRÉWIS (Perz. darwisj), Derwisch, Mo- 
hammedaansche bedelmonnik. 

DËRIGAMA, = 't meer gebr. dirgama. 

DËRMA, 1. hetzelfde als darma; - 2. (b. p ), 
hetzelfde als bangsa. P. 

DËRMAGA (Indr.), 1. = dërëmaga;-2 de 
groote weg, hoofdweg. 

DËRMAQI (Indr.), 1. van dërmaga; zie ald. 

DËROEK, ngbr.; ngadëroek, — ngahëloek, 
met gebogen hoofd of <b. v. een vogel) met 
gebogen kop nederzitten, beschaamd of 
verslagen voor zich zien, in moeite of met 
bekommerd hart nederzitten; - dëdëroek, 
naam van een donkerbruinen tortel, iets 
grooter dan de tikoekoer, met een ring om 
den hals. 

DËROEM, of welngadëroem, =■ d£pa, neder- 
liggen (van een groot dier, met depooten 
onder het lyf); verder: zich op gezegde 
wijze nederleggen; ook wel (van dieren): 
in het water liggen, baden; onia-onta 
singna dëroem, doe de kameelen neder- 
liggen; ngadëroemkeun, zich doen neder- 
leggen (b v. een olifant); didëroemkeun. 

DËS, = gës, werkw. tusschenw. voor: 
knappen, doorbreken (nader uitgedrukt 
door pinggës). 

DESA (Skr. deca f oord, streek), verkl, 
met lëmboer gëde, groot dorp, vlek [tegen- 
woordig algemeen en officieel voor „dorp" 
en „platteland" gebruikt]; oeloe desa, het- 
zelfde als mantri oeloe'Oeloe, zie oeloe-oeloe; 
bah desa, een publiek optrekje of lokaal 
[in den regel bestaande uit een lang voor- 



vertrek met twee kamers tegen den 
achterwand] dienende tot vergaderplaats 
van het dorpsbestuur, tot doorgangshuis 
voor reizigers, tot lokaal voor samen- 
komsten van de jongelingen van het dorp, 
enz ]; goeroe desa, het Zevengesternte, waar- 
voor ook kërëti en bentang ranggeujan; 
pidesa&n, verzameling van dessa's. 

DE8EH, ngbr.; kadeseh, het verloren 
hebben in den strijd, overwonnen, ver- 
slagen; kadeseh përangna, den stryd ver- 
loren hebben, overwonnen (zonder dat, 
naar men zegt, de overwonnene bepaald 
in de macht des vijands in). 

DËSËK, = deukeut, nabij; sësëk-dësëk, 
dicht opéénzitten, propvol ; roepëk dèsèk, 
't nauw hebben, benauwd, beklemd; nga- 
dësëk, dringen naar iemand of iets, op 
iemand aandringen, steeds nader komen ; 
didësëk\ ngadësëk-dësëk, sterk op iemand 
of iets aandringen; ook: sterk er op 
aandringen dat iemand iets doen of aan- 
nemen zal. (Vgl. sëdëk.) 

DESEMBËR, het Holl. December; idem ; 
boelan Desewbër, de maand December. 

DET DJIPET, naam van een ekster. P. 

DETE, kort, niet lang (van persoon); 
hajam dete, een soort kippen met korte 
pooten. 

DEUAQ, = dengkol en dëngkoet, mank 
loopen (maar met beide beenen). 

DEUDEUH (vgl. deuh), een woord om te 
sussen, z.v. a.. s...t! stil maar! wees 
maar stil! ngadeudeuh, of ngadeudeuh- 
deudeuh, sussen, stillen; dipikadeudeuh, 
vertroeteld worden. 

DEUDEUL, stut (b. v. onder een huis), 
korte schoor, steunsel; ook overdr., b. v. 
deudeul nagara, steunpilaar van het 
land; ngadeudeul, stutten, schoren, onder- 
echragen; ngadeudeul satjongo ramboet, 
stutten met een haarpunt (een nederige 
uitdrukking voor hetgeen een mindere 
den moordere aanbrengt). 

DEUDEUPEUN (Z.-B), schrikken, ver- 
schrikt zijn. 

DEUGDEUG, ngbr.; ngadevgdeug, verkl. 
met nongton kana përkara en nejang roesoeh- 
roesoeh, te hoop loopen, toestroomen (van 
een menigte menachen); patingdareug deug, 
idem, van velen ; deugdeugan, dat wat kijkers 
lokt (b v. een drenkeling of een vertooning). 

DEUH, tusschenw.: ach! deuh, afom lach, 
ik weet het niet! (Vgl. deudeuh.) 

DEUHA, I. ngbr.; sideuha, zitten op den 
grond, met de eene hand ter ztyde op den 
grond rustende. 

II. Ngbr.; lideuha,= Hdjalikeuh t en toeloej 
djadi pintjang, d. 1. struikelen en daarop 



DEUHEUS— DEWI. 



119 



mank worden; overdr. z. v. a. rek njadh teu 
toeloes, iemand wel genegen zfln maar 
om verkeerde handelingen zich aan hem 
stooten; daarom ook wel = keuheul en 
geuleuh, zie ald.; matdk tideuha, oorzaak 
van aanstoot of ergernis, ergerlijk, aan- 
stooteHjk, stuitend, iemand tegen de borst 
stuiten. 

DEUHEUS, = deukeut, nabij (van een 
mindere ten aanzien van een meerdere); 
matak deuheus ka Allah, middel om naby 
God te komen; pangkadeuheusna, de dichtst- 
byzynde, de voornaamste; ngadeuheus, 
naderen, op audiëntie gaan, zijn opwachting 
maken; ngadeuheus ka Qoestf, naderen-, 
toegaan tot den Heer (tol God) ; doemeuheus, 
tot een meerdere gaan of vóór hem zijn; 
ngadeuheusan, voor een meerdere ver- 
schenen, op audiëntie gaan, vóór een 
meerdere zijn; dideuheusan, gezegd van 
den meerdere voor wien zich een mindere 
bevindt; ngadeuheuskeun, voor een meer- 
dere brengen; dideuheuskeun; pangdeu- 
heusan, vertrek waarin verhoor ver- 
leend wordt; kamar pangdeuheusan, 
audiëntiezaal. 

DEUI, nog, weder, meer, ook, eveneens, 
mede; euweuh deux, er is niet of niets 
meer, er is geen meer; kitoe deui, even- 
eens, insgelijks, alzoo ook; djeung deui, 
en ook, en verder, voorts, bovendien; 
moal deui-deui, het niet weer zullen doen; 
deudeuieun, al weer en ai weer (vragen, 
doen, enz.). 

DEUJOEK (Bad.), = dijoek; zie ald. 

DEUK, dial. voor dek I., willen. 

DEUKEUT k., deuheus en parèk 1., na, 
nabij, nabij zijn, in de nabijheid zijn ; deukeut- 
deukeut, zeer nabij ; noe pangdeukeutna, de 
dichtstbijzijnde (dichtstbrjwonende enz.); 
deudeukeutan, min of meer in de nabijheid 
gelegen of blijvend; padeukeut-deukeut, 
dicht bij elkander zijn; ngadeukeutan, 1. 
van njampeurkeun, op iemand of iets 
afgaan, naderen, gaan tot; lain deukeu- 
taneun aing, het is voor mij geen zaak 
hem (haar, het) te naderen, dichter bij 
hem (haar, erby) te komen; dideukeutan; 
ngadeukeutkeun, nabij brengen, doen 
naderen, in de naby hoi d houden, in de 
nabijheid gereedhouden; dideukeutkeun. 

DEULEU, = djeueung k. (iets grover 
dan tendjo), g. w.: ziet satoengtoe?tg-deuleu, 
verkl. met sadtoasna panon tërang, zoo 
ver het oog duidelijk kan onderscheiden; 
neuleu en ngadeuleu, zien ; dideuleu, bezien 
worden; kadeuleu, gezien; deuleueun, te 
zien, wat te zien is of gezien mag worden; 
doeloe-deuleu, links en rechts zien; deudeu- 



leueun, voorwerpen die te zien zijn, beziens- 
waardigheden; deungdeuleueun, iemand' 
of iets bestendig voor oogen hebben; 
neuleuan, bezien; dideuleuan. 

DEUNQ, dial. 'voor djeung; zie ald. 

DEUNGEUN, I. alles wat bij de rijst 
gegeten wordt, toespijs. (Vgl. lalawoeh.) 

II. Geen huisgenoot, niet van de eigen 
familie, vreemde, een ander; deungeun 
maloeloe, wildvreemd, een wildvreemde; 
kapapas katoewar deungeun, overdr. voor: 
door een vreemde (een ander) in een ge- 
ding betrokken zijn geraakt; deungeun- 
deungeun, vreemde, vreemden, een ander, 
de anderen; mideungeun, iemand vooreen 
ander (voor een vreemde) houden. 

DEUNGKLEUNG, I. een lagoe ronggeng. 

II. Xgadeungkleung, een vrouw, op over- 
spel betrapt, rondvoeren, achterstevoren 
op een paard gezeten, met niets anders 
aan dan een tjawët, haar hoofd bedekt 
met een aseupan en daarop een wera- 
bloem gestoken [vroegere rechtspleging]; 
dideungkleung, zóó rondgevoerd worden. 
(Vgl. gëmbreng.) 

DEUPA, vadem ; sadeupa, één vadem, enz. ; 
ngadeupa, vademen, brj den vadem meten. 

DEWA (Skr.), een heidensche godheid, 
god of godin (van lager rang dan batara) ; 
dedewan, geesten die zich als goden voor- 
doen (meestal vereenzelvigd met djoerig). 
Vgl. dëtci, dewata, jang, enz. 

DÉWANG, ngbr.; soëh dëwang, eengroote 
scheur. 

DEWANGGA (Kw.), voll. soetra dewangga, 
rood zy den stof, zoowel gebloemd als 
effen. 

DEWATA (Skr.), een heidensche godheid, 
god of godin (zie dewa) ; para dewata, de 
goden ; Ratoening dewata, een andere naam 
voor Batara Goeroe. 

DËWËQAN, — 't meer gebr. doewëgan. 

DEWEK, pers. en bezitt. voornaam w. 
van den eersten persoon: ik, mrj, mjjn 
[het voornw. komt overeen met aing, 
maar is iets minder grof; het wordt vooral 
door kinderen onderling, en met name 
door jongens gebezigd; volwassenen ge- 
bruiken het ook wel, maar minder menig- 
vuldig; men bezigt het ook wel b$j zich- 
zei ven sprekende; vgl. Spraakk. f 160, 21; 
in Indr.: zelf, alleen. 

DËWI, I. (0.-8.), = dwi. P. 

II. (0 -S.), = detoi. P. 

III. Titel van aanzienlijke vrouwen, wier 
namen door den Islam ter kennis van de 
Soendaneezen zijn gekomen (b. v. détoi 
Sarah, dëwi Marrjam, dèwi Ajisjah). Vgl. siti. 

DEWI (Skr.), godin. (Zie dewa.) 



120 



DI— DINÖDING. 



Dl, I. yoorv. tot vorming van een pas- 
sief van actieve werkwoorden. [Het treedt 
in plaats van den neusklank of de neus- 
letter/ en waar deze de beginletter van 
het woord verving, wordt die letter vooraf 
hersteld; de beteekenis is het tegenover- 
gestelde van het actief, b. v.: neunggeul, 
slaan, diieunggeul, geslagen worden.] Zie 
Spraakk. § 80-82 en vgl. ka I. 

IL Voorz. van rust: in, bij, op, te, aan, 
onder, aangaande, wat aangaat. (Zie 
Spraakk. § 202, 1 en vgl. ka II. en dina.) 

DIBLEU, waggelen. 

DIBLOENQ (Tasikm.), = benggol, het 
2)4 centsstuk. (Vgl. deblo.) 

DIDI8, ngbr.; ngadidis. = njaliksik, inz. 
van vogels: zich vlooien, zich luizen; 
disaliksik. 

DIGA <Z.-B.), = djiga; zie ald. 

DIGOIQ, ngbr.; ngadigdig, met haast 
loopen. 

DIGDJAJA (Skr. digjaya, aiverwinnend), 
dapper, heldhaftig, flink, wakker, deug- 
delijk, deugdzaam. 

DIQOENQ, = 't meer gebr. adigoeng. 

DIHIN (Jav.), = ti heula, vooraf, te 
voren, van te voren (zie ook pasti); nga- 
dihinan, z. v. a. miheula&n, iemand vóór 
zijn; ngadihinan kërsa Allah, Gods wil 
vóór ztfn, d. i. in iets een besluit nemen 
vóór men Gods wil weet. 

Dl JA (Bant.), = maneh (zie ald.): gij, 
j\J; lalaki naon djfa, euj ? wat ben jij voor 
een man, zeg? - dfjana, = manehanana, 
hij, z*j. P. 

DIJEU (vgl. &eu), hier; oerang dyeu, de 
menschen hier, de bewoners dezer plaats; 
di dtfeu, hier, alhier; ka djfeu, naar hier, 
herwaarts; ook: kom hierl ti dyeu, van 
hier, van hier af; nr/adgeukeun, naar hier 
doen of brengen; ka-dyeukeun, g. w.: doe 
(laat) hem (haar, het) hier komen, breng 
hem (haar, het) hier; dika-dyeukeun, naar 
hier gedaan of gebracht worden ; ka beh- 
dfjeukeun, naar dezen tijd toe. (Vgl. dinja 
en ditoe.) 

DIJOEK k., tjalik 1., linggih 1. p., zitten, 
gezeten zijn; dfjoek di loehoer, in hoogheid 
zitten, een rang of ambt bekleeden ;paloe 
hoer-loehoer dyjoek, sprkw. voor: met elkan- 
der om den voorrang twisten ;ngadtfoekan, 
op iets zitten; didtfoekan; kadfoekan, lijd. 
vorm, gezegd van iets waarop iemand, 
«onder het te willen, is gaan zitten; nga- 
dffoekkeun, doen zitten, iemand zich laten 
nedei zetten; didffoekkeun; pangd$oekan t 
zitplaats. 

DUOET, ngbr.; ngadyoet, maar meestal 
ngadingd&oei, schreien. 



DIKA (Indr.), pers. en bez. voomaamw. 
2de p., = andika (zie ald.) ; te Indr. vooral 
tegen ouderen gebezigd. 

DIKËS, ngbr.; tidikës, omzwikken van 
voet of hand (in een val), omgezwikt; 
ook: hinken ten gevolge van verzwikken; 
overdr.: (van een koopman) schade lijden 
en derg.; (van een ambtenaar) ten val 
komen en derg.; babakoe tidikësan, steeds 
gereed tot omzwikken. 

DIKIR (Ar., dzikr, herinnering, vermel- 
ding), eigenlijk en oorspronkelijk: de ver- ' 
melding van Gods namen en eigenschappen ; 
tegenwoordig een soort lofprijzing, welke 
geschiedt door eenige in een kring gezeten 
personen, bij feesten of in de Vastenmaand, 
en die bestaat in het aanhoudend te gelijk 
opzeggen der woorden ld ildha illa'Udh, 
er is geen God dan Allah, of alleen van 
het woord „Allah" of „Hoe", waarby de 
maat allengs versneld wordt. 

DIKROE'LMOT (Ar., dzikroe'1-maut), 
verkl. met ingët kana poeh, het denken 
aan den dood, gedenken te sterven, zich 
met de gedachte van te zullen sterven 
vertrouwd maken. 

DILAK, ngbr.; ngadilak, iemand van ter 
zijde met groote oogen bestraffend aanzien 
(vgl. délek); doelak-dilak, de oogen laten 
ronddraaien, gluipend hoofd en oogen 
rechts en links wenden (b. v. om de be- 
wegingen van den vijand na te gaan). 

DILEKTOR, het Holl. directeur; idem. 

DILËM, naam van een welriekende plant, 
welker bladeren wel tusschen de kleeren 
gelegd worden en waaruit ook wel voor 
eigen gebruik reukolie wordt bereid. 

DILËMAN, voll. per düëman, een soort 
karretje, de banken vis-a-vis [de zoogen. 
Deeleman-kar]. 

DIM, het Holl. duim (als maat) ; idem ; 
sadim, één duim, enz. 

DIN (Ar.), godsdienst, het rechte geloof. 

DINA, = di II., maar wordt niet vóór 
namen gebezigd. (Zie Spraakk. § 202, 1.) 

DINAR (Ar.), een goudstuk ter waarde 
van tien dirhams, d. i. f2.60 a ƒ3.— ; vol- 
gens anderen ter waarde van 4, 6 of zelfs 
6 gulden. 

DINË8, het Holl. dienst; idem, nl. staats 
dienst; ook: gewichtig, belangrijk, nood- 
zakelijk; pagawean dinës, dienstwerk, 
verplicht werk, werk waar haast bij is; 
përkara dinës, dienstzaak, gewichtige zaak, 
noodzakelijk werk; kadinësan, iets nood- 
zakelijks, noodzakelijke bezigheid, enz. 

DINGDIJOET, zie d&oet. 

DINGDINQ, 1. een bal klei, die in het 
graf onder het hoofd van een doode gelegd 



DINGIN— DJABA. 



121 



wordt (P.); - 2. = pipinding, voorhang, 
scherm, voorwerp dat het gezicht ergens 
op wegneemt of ergens vóór staat, scheids- 
muur, scheiding; lantjah dingding, naam 
van een groot soort spin; masyat batin 
teh hidjdb noe djadi dingding ka Allah, in- 
wendige rebellie (d.i. de zonde) is een scherm 
dat scheiding maakt (tusschen ons) en 
God (zie ook kiripit); ngadingding, in den 
weg staan, het uitzicht belemmeren, vóór 
iets staan (van een klein of groot, maar 
liefst van een groot voorwerp); ngading- 
dingan, iets ergens vóór plaatsen; kading- 
dingan, lrjd. vorm, gezegd van een persoon 
of voorwerp waarvoor iets staat, dat het 
gezicht erop ofwel het uitzicht belemmert. 

DINGIN (Indr., = 't Jav. dihin), eerst, 
vooraf, te voren. 

DINGKLANG, mank gaan over beide 
zijden. 

DINGKLIK, ngbr.; ngadingklik, (meest 
verachtelrjk) groot, groot van omvang. 

DINGKLOEK, mank gaan. hinken, inz. 
van iemand die iets aan zjjn heup heeft. 

DINGKOEL (Kad.), = tolok; zie ald. 

DINGKOET, hinken, mank gaan, inz. van 
iemand die een zeeren voet heeft, voll. 
leumpang dingkoet. (Vgl. djingkroeiig.) 

DINI (Bad.), = dyeu, hier; ka dim, — ka 
dyeu, naar hier, hierheen, herwaarts. 

DINJA (vgl. inja), daar; ook voor: hem, 
haar, hen, het, die, dat; koemaha dinja, 
zooals het valt, zooals gjj wilt, dat hangt 
van de omstandigheden af; di dinja, daar, 
aldaar; didinja, dan, alsdan; ti dinja, van 
daar, van hem (haar, hen, &at);tidinja,~ 
toéloej k., ladjëng 1., daarop, vervolgens, 
toen; ka dinja, naar daar, daar heen; 
verder: aan hem (haar, hen, het, dien, 
dat); ka-dinjakeun, g. w.: doe (laat) hem 
(haar, het, dat) daar z}jn, breng hem 
(haar, het) daarheen; dikadinjakeun, naar 
daar gedaan of gebracht worden. 

DIN T ÉN, 1. van poef, dag; diniën yen, 
vandaag; sadintën, één dag, enz.; sadintën- 
dintën, 1. van sapopoë, 1. den geheel en dag; 
2. dagelijks. 

DIPANGGA (Kw.), = gadjah, olifant. 

DIPATI, = 't meer gebr. adipati. 

OIR, ofwel edir, hooggevoelend, zich voor- 
naam dunken, laatdunkend, hoogmoedig, 
trotsch; verder: hoogmoed, laatdunkend- 
heid; pikir ëdir, trotsch van gemoed, een 
trotsch gemoed; didirkeun, =z diagoelkeun, 
op iets trotsch ztyn, zioh op laten voor- 
staan. 

DIRADA (Skr. dwirada), = gadjah, olifant. 

DIRGAMA (Kw.), 1. z. v. a. kirakira, 
overweging, oordeel; - 2. argwaan-, wan- 



trouwen koesteren, kwaad vermoeden 
hebben, Iemand verdenken, bedacht zfln 
op mogeiyke slechtheid van iemand; ook: 
verdenking; masang dirgama, iemand in 
een valstrik lokken, het op zfln verderf 
toeleggen; kadirgama, onder verdenking 
liggen, verdacht worden. (Vgl. tërka.) 

DIRHAM (Ar., van het Grieksche drachma), 
een kleine zilveren munt ter waarde van 
ruim vrjf stuivers; aria mas sareboe dirham, 
goudgeld ter waarde van duizend dirham. 

DIRI, ~ awak en sorangan k., pribadi 8., 
salira 1., en tevens = manehb.,andjeun\., 
zich, zelf; - gevoegd vóór een der andere 
hier genoemde woorden, met uitzondering 
van salira, dus: diri sorangan t diri pribadi, 
diri maneh k., diri andjeun 1., bet. het: 
zichzelven; - diri wordt verder veel ge- 
plaatst vóór pers. voornaamw., verwant- 
schapstermen en titels (wat met salira 
eveneens, doch in minder mate, het ge- 
val is), waar het dan of met „zelf te 
vertalen, óf als nadruk op te vatten is. 
(Vgl. Spraakk. § 157 slot.) 

DIRIHDIL, ngbr.; ngadirihdil, onophoude- 
lijk uitkomen, zonder ophouden uitkomen 
(b. v. ryst uit een zak waarin een gat is), 
elkander bestendig opvolgen (b. v. woor- 
den of bevelen), zonder ophouden bevelen; 
ook: al maar doorpraten, (van vruchten) 
de een na de ander uitkomen. 

DISTRIK, het Holl. district; idem, = 
tjoetak. 

DITE, de oude benaming voor Ahad, 
Zondag. 

DITOE (vgl. itoe), ginder, ginds; di ditoe, 
idem; ti ditoe, van ginds; ka ditoe, naar 
ginds, naar ginds heen, daarheen; beh 
ditoeëun, aan gindsche z$jde; ka-ditoekeun, 
g. w. : doe (laat) hem (haar, het) ginds ztfn, 
breng hem (haar, het) naar ginds; dika- 
ditoekeun, naar ginds gedaan of gebracht 
worden. 

DJA, I. de twaalfde letter van het Soend. 
alphabet. 

II. (Z.-B), = nja\ zie ald. 

III. (Z -B), = apan; zie ald. 

DJAAR, ngbr.; didjadr, verkl. met dimoe- 
moerah en dimonjah-monjah, goederen 
verkoopen è, tout prix of zoo maar weg- 
doen (inz. van goederen die door de ouders 
zijn bijeengebracht). 

DJAAT, voll. katjang djadt, naam van 
een zeer lange peulsoort. 

DJABA k., djabi 1., buiten, behalve, uit- 
gezonderd, uitgenomen, met uitzondering; 
sadjaba en kadjaba, idem; sadjabaning 
langit, = saUmoar langit, de geheele lucht; 
sarta sadjaba ti eta k., saring sadjabi (of 



DJABANIJAH— DJADJABAN. 



122 



8alpan) ti eta 1., (bij het opsommen van 
voorwerpen) en zoo voorts. 

DJABANIJAH (Ar. zabanijah), de wezens 
die de hellestraffen aan de verdoemden 
voltrekken. 

DJABAR (Ar.?), het a teeken (fatha) bij 
Soendaneesch met Arabisch schrift ;pang- 
djabar, idem; didjabar, van het a- teeken 
voorzien worden of geworden zun;fcad/aftar, 
het a-teeken hebben. 

DJABARAÏL (Ar.), de engel Gabriël 
[volgens de Mohammedanen de eerste der 
aartsengelen en de poer ah noeroenkeun 
wahjoe, d. i. de overbrenger der open- 
barmgen]. 

DJABARIJAH (Bad.), verb. van djabarijat, 
zie ald.; didjabarijahkeun, (van een mede- 
deeling enz.) met onachtzaamheid behan- 
deld worden. P. 

DJABARIJAT (Ar.), machtig, gewelddadig; 
ook: trotschheid, hoogmoed; kaom Dja- 
baryat, de ketters die de leer der voor- 
beschikking zóó overdreven, dat de mensch 
ten aanzien van zjjn eigen daden geheel 
passief is. 

DJABËL, maar meestal ngadjabèl, terug- 
nemen, nemen met geweld, afnemen, 
wederom innemen, hernemen, herwinnen 
(b. v. een stad); didjabël. 

DJABI, 1. van djaba; zie ald. 

DJABING, het haar dat bij ngadjabing 
het oor gedeeltelijk bedekt; ngadjabing, 
het haar, terwijl men met een gèloeng 
gekapt is, over de ooren gestreken heb- 
ben, zoodat die gedeeltelijk bedekt z\jn. 

DJABLEU, k. p. van tjitjing, stil zijn; 
ngadjableu, zich stilhouden. 

DJABLOEO, ngbr.; ngadjabloeg, happen, 
ophappen, verslinden (inz. van een boehaja 
of krokodil gezegd); didjabloeg. 

DJABOENG, naam van een plant, een 
lalab-soort, die verbouwd wordt. (Zie ook 
talapoeng.) 

DJABOER, I. (Ar., zaboer), Psalm; Kilab 
Djaboer, het boek der Psalmen; ngadjaboer, 
psalmzingen. 

II. Ngbr.; ngadjaboer, = ngadjamoe,ont- 
halen; djaboeran, onthaal; djadjaboer, verkl. 
met ngabagikeun kahakanan, spijze ver- 
deelen of uitdeelen. 

DJABOR (Kad.), verkl. met pare noe 
koerang eusina, rijst met ledige of slecht 
gevulde korrels. (V~gl. hapa.) 

DJABRAG-DJABROEG, zie djabroeg. 

DJABRIG, lang van haar (b. v. een hond 
of schaap); katjang djabrig, naam vaneen 
boonsoort; djabrigan, met lange haren, 
van lang haar voorzfen zijn, ruig; (van een 
boom) luchtwortels hebben. 



DJABROEG, ngbr.; ngadjabroeg, zoo maar 
wat langs den kant visschen zonder het 
water in te gaan, visscb en meteen ajakan 
of lambit', djabragdjabroeg, verkl. met ga- 
gabah, zoo maar wat prutsen \djadjabroeg f 
allerlei onbeduidende bezigheden ver- 
richten. 

DJADAH (Perz., zadah), onecht kind, 
bastaard; anak haram djadah, onecht kind, 
hoerekmd. 

DJADAN (Kad.), = barangbeuli f koopen. 
(Zie beuli.) 

DJ ADI (zie djantën III.), zijn, worden, 
ontstaan, tot stand komen, gelukken, ge- 
dijen, groeien; ook: in werking komen (z. a. 
een vulkaan); verder: zoodat, bijgevolg, 
dientengevolge, daarom, dan; voorts: de 
gevolgtrekking is; djadi radja, koning 
worden, koning z\jn; djadi kekere, bedelaar 
worden of zijn; lagoe pang kat djadi (Z.-B.), 
naam van een zangwijs; djadi mënding 
awak aing, dan is het beter zóó als mijn 
lichaam is; djadina, uitkomst, uitslag, 
quotiënt; ook: zoodat, dientengevolge, 
daarom, dan; ngadjadi, worden, ontstaan, 
worden tot, tot stand komen, gelukken, 
gebeuren; bawa ngadjadi, alzoo geworden, 
van den mooaerschoot aan; mërëm bawa 
ngadjadi, blind geboren zyn; bali geusan 
ngadjadi, gewone uitdrukking voor: ge- 
boorteplaats; djadian, z. v.a. katoeroet, voor- 
spoedig, gelukkig, gezegend in iets; ook: 
iemand dien het medeloopt, gelukskind; 
djadjadina, wat ergens uit voortkomt of 
ergens van terechtkomt, uitvloeisel, uit- 
werksel, gevolg, resultaat; aja djadjadina 
atawa hanteu ? heeft het resultaat gehad 
of niet? moal aja djadjadina, het zal geen 
resultaat hebben, het zal niets opleveren; 
kadjadian en kadjadjadian, wat ergens 
uit wordt (b. v. de papatong uit de nini- 
nini), wat ergens uit voorkomt of van 
terechtkomt, gevolg, uitwerksel; kjjeu 
kadjadjadianana, dit komt er van; kadja- 
djaden, idem (vgi. aden-aden); matjan 
kadjaden, een mensch die zich als tijger 
vermomd heeft (P.), ong. =r barong; nga- 
djadikeun, aanzijn of bestaan geven, doen 
zijn, voortbrengen, scheppen; didjadikeun; 
ngadjadjadikeun, maken dat zekere zaak 
wat oplevert of winstgevend wordt, van 
iets winst trachten te bekomen, winst 
met iets doen, zorgen dat een bezitting 
in waarde stijgt; djadjadikeun mangsa, 
woeker met den tijd; didjadjadikeun. 

DJADJAB (Kad.), z. v. a. tjatjap, tot aan 
het einde, ten einde toe. 

DJADJABAN (Tjiandj., vgl. djaba), dat 
wat iemand, die zelf geen paard laat 



DJ ADJABOER-- DJ AGO. 



123 



loopen, by een wedstryd op de kans van 
zeker paard verwedt. (Vgl. motjok en 
iaroeh.) 

DJADJABOER, zie djaboer III. 

DJADJAH, g w.; ngadjadjah, 1. van nga- 
ronda, de ronde doen, een rondreis maken 
om te inspecteeren, een tournee maken, 
rondreizen; didjadjah, rondreizende ge- 
ïnspecteerd worden; djadjahan, 1. tournee, 
rondreis; 2. gebied, grondgebied; djalan 
djadjahan, een kleine weg, binnenpad. 

DJADJAKA, een ongetrouwde jongeman, 
jonkman, jonggezel (vgl. tja'jaha); masih 
djadjaka keneh, nog jonggezel (onge- 
huwd) zyn. 

DJAOJAKAH, = boeboewara; zie ald. 

DJADJAL, = tjoba en adjaran, g.w.: be- 
proef 1 ngadjadjal, beproeven, probeeren, 
onderzoeken; ngadjadjal eurad, een strik 
probeeren; ngadjadjal sowara, z\jn stem 
beproeven; didjadjal; ngadjadjalkeun, iets 
beproeven aan of op; didjadjal keu n. 

DJADJALON, zie djaloe. 

DJADJAMOE, zie djamoe. 

DJAOJAN, snoepgoed koopen, snoepen 
(lekkernijen nuttigen); doewit djadjan, 
snoepcenten; didjadjanan, van snoepgoed 
voorzien worden; d,jadjankeuneun, (geld) 
om aan djadjan te besteden. 

DJADJANDO, de borst of het borststuk 
van een geslacht beest (b. v. van een geit). 

DJADJANGKAR. alleen in hajam djadjang- 
kar, een jonge haan. 

DJADJAP, g.w.; ngadjadjap, 1. vanngfan- 
teut, medegaan, geleiden; didjadjap; nga- 
djadjapkeun, iemand begeleiden, uitgeleide 
doen; didjadjapkeun. 

DJ AD J AR, rtf, reeks, regel, gelid; sadjadjar, 
één ry, één reeks, enz.; ngadjadjar, in of 
op een ry zijn, staan of zitten, zich in een 
ry scharen of geschaard zyn; didjadjar; 
djadjaran, wat op een ry staat, ry, regel; 
ook: plaats of tekst (in een boek); Padja- 
djaran, naam van het oude Soenda-ryk, 
welks hoofdzetel (Pakoean) naar men 
meent gelegen was naby het tegenwoor- 
dige Bogor (Buitenzorg). 

DJADJAWAN, zie djawa. 

DMDJAWARIKEUNEUN, alleen in lain 
djadjawarikeuneun, verki met lain oeng- 
hakeun en lain lalaworakeuneun, iemand 
met wien geen gekscheren is, die niet 
met zich laat sollen. 

DJADJËM (Ar., djazim), zich aan zyn 
belofte houdend, betrouwbaar, iemand op 
wien of iets waarop men aankan. 

DJ AG, werkw. tusschenw. voor: neer- 
zetten; ook: afbreken (b.v. den draad van 
het verhaal) ; djag toenda, hier breken we 



den draad van ons vet haal af (vgl. tjag); 
in Soem. ook = stug, fluks, daarop, hierop, 
toen; djag-djag, zich haasten, fluks doen. 

DJAGA, I. = mëngke, in de toekomst, 
toekomstig; di djaga, idem; alam djaga f 
de toekomende wereld. 

il. K., djagi 1., g. w.; djoeroe djaga en 
toekang djaga, wachter, oppasser, wacht, 
= toekang toenggoe; ngadjaga k., ngadjagi 
1., waken, oppassen, bewaken, bewaren; 
ngadjaga tjaroge toewang, (van de vrouw) 
haren echtgenoot bedienen by zyn maal- 
tyd; ngadjaga piwarangan, op iemands 
bevelen wachten; poerah ngadjaga, (vaste) 
wacht; didjaga-, ngadjagadn, iets of iemand 
bewaken of bewaren; didjagadn; djagadn, 
wachi plaats, wachtpost, wacht; overdr.: 
last, taak; yeu djagadn sahal of saha noe 
boga djagadn? wie heeft hier wacht te 
houden? padjagadn of pangdjaga&n, wacht- 
plaats, wachthuis, wachtpost. (Vgl.fcéfmtf.) 

DJAGABAJA, ïyfwacht (wacht tegen 
gevaar). 

DJAQAL, I. vleeschhouwer; toekang djagal t 
idem; djagal koeda, paai denslachter; pa- 
djagalan of panydjagalan, vleeschhouwery , 
vleeschhal. (Vgl. potong) 

II. Verkl. met djalma tjoekoep, menschen 
die een zekere mate van welvaart hebben 
[algemeene benaming voor mannen die in 
staat zyn om te werken], heerendienst- 
plichtigen. 

DJAGANG, I. =r djegang, het wydbeens 
staan; ngadjagang, met de voeten of de 
beenen ver van elkander staan, of gaan 
staan. 

II. De spil van dovruchtkolfby djagong; 
djagangna koe oerang, djagongna koe batoer, 
sprkw., z. v. a.: aan ons de moeite, voor 
een ander de vrucht; oelah hajang djagongna 
lamoen èmboeng djagangna, sprkw., z.v.a.: 
hoop niet op de vrucht als ge de in- 
spanning niet wilt. 

DJAQAT (Skr.), de aarde, de wereld 
(van hare duurzame zyde beschouwd, 
vgl. doenya); ook: de natuur; djaman noe 
mëngke, de toekomende wereld; djalma 
eusi djagat, de aardbewoners; sadjagat, de 
geheele aarde, de geheele wereld. 

DJAG DJAG, zie djag. 

DJAGDJAG, gezond, wel, welvarend, 
krachtvol, tegen vermoeienis bestand; 
djagdjag dina kapèrtjajadn, gezond in het 
geloof. (Vgl. waringkas.) 

DJAGÉR, het Holl. jager; zóó noemt men 
vaak de pradjoerit of Inlandsche mili- 
taiien. 

DJAGI, 1. van djaga; zie ald. 

DJAGO, voll. hajam djago, haan, hanen; 



124 



DJAGOEL— DJALA. 



përdjoerit djago, dappere krijgslieden 
(hanen); ngadjagoan, verkl. met ngaga- 
gahan en ëmboevg taloek, standhouden, 
uithouden; ook wel: aanvoeren. 

DJAGOEL, = ijabik; zie ald. P. 

DJAGONQ, maïs; tangkal djagong, maïs- 
plant; boewah djagong, maïskolf. 

DJAGOR, k. p. van awak t ljjf. 

DJAGRAG, = djogo I., aanwezig zfln, 
tegenwoordig ztfn, vóór iemand zijn; nga- 
djagrag, idem; ngadjagragkcun, aanwezig 
doen zyn vóór (iemand), stellen vóór 
(iemand); didjagragkeun. 

DJ AH, tusschenw. van verrassing: wel! 
hel wel zool djah\ silafng boga tfeul he, 
heb jö dit! 

DJAHANAM (Ar. Djahannam, van Ge- 
henna, Grieksche vorm der uit het Hebr. 
afkomstige benaming van een dal naMj 
Jerusalem), voll. naraka Djahanam, in 't 
alg.: de hel; in 't bjjz.: de eerste van de 
zeven afdeelingen der hel. 

DJAHAS, een grooten houten bak (soort 
kuip), tobbe, teil. (Vgl. tahang.) 

DJ AHE, gember (zie ook tègal) ; oelah tiïs-tiïs 
djahe, overdr. voor oelah ngeunah-ngeunah, 
neem het niet te gemakkelijk op; hoewi 
djahe, naam van een knol; taleus djahe, 
zekere fakus-soort (zie dënak); tjaoe djahe 
(Z.-B.), naam van een pisangsoort. 

DJAHEUT, schrijnen, een schrijnende 
pyn hebben; djaheut pikir, z.v. a. njëri 
hate, inwendig pfln over iets hebben, 
leeddragen, gekrenkt ztyn; matak djaheut, 
onaangenaam aandoen, inwendig pijn ver- 
oorzaken, bitter stemmen; -pidjaheut, een 
ptjnltyk gevoel hebben in de liezen, open 
ten gevolge van krabben, schrrjnen, bran- 
den, gloeien; ngadjaheutan, iemand inwen- 
dig zeer doen, krenken, kwetsen. 

DJAHIL, kwaadgezin d, kwaadwillig, bal- 
dadig, kwaadaardig, boosaardig; noe djahxU 
deugniet, booswicht, enz. 

DJAHIMOE (het Ar. djahim, vuurpoel), 
naam, wel gegeven aan de zesde van de 
zeven afdeelingen der hel, voll. naraka 
Djahimoe. 

DJAÏL, = 't meer gebr. djahil. 

DJAÏ8 (Ar., djaiz), wettig, geoorloofd. 

DJAÏT, het opkomen of uitkomen (z. a. 
uit het water); ook g. w.; njaït of ngadjaït, 
uit het water halen of nemen, ophalen 
{b. v. een anker), van of uit het vuur 
nemen, afnemen, af tillen; overdr.: helpen, 
redden (z.a. uit ellende) ; njaït Una prihatin, 
redden uit kommer; poerah ngadjaït, ver- 
losser, redder; didjaït, opgehaald (b. v. het 
anker), uit- of afgenomen, gered, enz. 

DJAJA (Kw.), een dichterswoord, z.v.a. 



sterk (z. a. iemand die lang jong blijft), 
krachtig; ook: de beste, voornaamste; 
verder z. v. a. meunang, overwinnen, zege- 
pralen, zegevieren (vgl. oenggoel);n gadjaja- 
keun, iemand doen zegevieren, iemand 
onverwinHjk maken; didjajakeun; kadja- 
jadn, verkl. met matak djaja, overwinnings- 
kracht. 

DJAJAK, ngbr.; ngadjajak 1., = njandak, 
meden emen; ook z. v. a. ngadjoengdjoeng- 
keun, iemands wenschen te gemoet komen. 

DJAJANTI, naam van een heester welks 
bloemen in trossen (raweujan) neerhangen. 

DJAKARIA (Ar., Zakaria), Zacharias, de 
vader van Johannes den Dooper. 

DJAK AT (Ar., zakat), oorspronkelijk „door 
God bevolene of voorgeschrevene aal- 
moezen", in tegenoverst. van tsadaka 
(sidëkah) of „vrijwillige aalmoezen"; later, 
maar nog in Moehammads tyd, staats- 
belasting (nl. in den Moh. staat; [deze be- 
lasting behoort te worden opgebracht van 
de voornaamste veld- en boomvruchten, 
van het vee (per 100 buffels enz. 5 stuks), 
van hefc kapitaal dat men bezit {f 6.— 
van elke f 100.-), enz.; op Java wordt zjj 
alleen gevorderd van het rflstgewas; het 
bedrag is een-tiende van de opbrengst; 
de eigenlijke bestemming is voor de armen 
(armentax), voor hen die de belasting 
innen, tot het maken van proselieten, 
voor slaven om zich vrjj te koopen, voor 
den heiligen oorlog en voor reizigers; op 
Java vloeit het bedrag in de moskeekas, 
en dient het voornamelijk tot onderhoud 
der Moh. geestelijkheid]; djadjakat, de 
tienden voldoen ; ngadjakatan, vertienen, de 
djakat voldoen van (ook mërpoeloehan 
genoemd); didjakatan. (Zie ook pitrah.) 

DJAKOEM (Ar., zakoem), de zakoem. of 
helleboom, dragende zwarte vruchten als 
varkenskoppen en gevuld met vuur. 

DJAKONET, het Holl. jaconnet; zekere 
fijne geweven stof, mousseline. 

DJ AK8 A (Skr., adhyaksa, superintendent), 
Inlandsche fiscaal, officier van justitie, 
rechter van instructie, en bjj terechtzit- 
tingen ambtenaar van het openbaar 
ministerie; adjoen-djaksa, adjunct-djaksa ; 
djadjafaadn, (van kinderen) djaksatje 
spelen, een rechtzaak met elkander spelen. 

DJAK8I, naam van een boom als pandan 
[htf draagt geurige bloemen en ztyn bladeren 
worden tot vlechtwerk gebezigd]. Zie ook 
poedak, 

DJALA (Skr. jala, net), een handnet om 
visch te vangen; djadjala, kruiselings ge- 
vlochten bamboelatten, een kruisellngsche 
bamboeheining. 



DJALABRIJA— DJALOE. 



125 



DJALABRIJA, voll. koeweh djalabrjja, 
naam van een rond gebakje. 

DJALADARA (Skr., jaladhara, een wolk), 
alleen in boeta-djaladara, z. v. a. boeta- 
moena, verstompt van zinnen, onnoozel 
(b. v. iemand die door den bliksem ge- 
troffen i8), verduisterd van het gemoed 
(inz. door het volgen der napsoe of lusten). 
Vgl. halimoen. 

DJALADIRI, = 't betere djaladri. 

DJALADJAT (Z.-B.), = djaroemai; zie 
ald. P. 

DJALADRI (Skr., dj al ad hi), poëtisch voor 
sagara, de zee, de oceaan. 

DJALAK, naam van een vogel, soort 
spreeuw of laster, ook kerak geheeten 
[hy is de trouwe metgezel van buffels]; 
tapak-djalak, kruisje X gelijk wel ge- 
schreven wordt in plaats van de naam- 
teekening; in Z.-B. ook: kruisje dat men 
met kalk teekent op de deur, den dorpel 
enz., ter afwering van geesten en ziekten; 
napak-djalak, zulk een kruisje zetten. 
(Vgl. tjakra.) 

DJALAK DJOLOK, zie djolok. 

DJALAN, pad, weg; ook: tot weg nemen, 
gaan over, langs of door; verder == lantaran, 
aanleiding, middel; voorts: vlotten ; djalan 
darat, landweg, over land gaan; djalan 
laoet, zeeweg, over zee gaan; djalan tjilaka, 
weg der (tot) ellende; djalan ka, gaan 
langs of over; ka mana djalan f waarlangs 
gingt gtf, of kwaam tgtf'lpasalahan djalan, 
elkander misloopen: ook: elkander onder 
weg kwyt zyn geraakt; njorang djalan, 
gaan langs of over; sadjalan, sapandjang 
djalan, saparat djalan, sadjalan-djalan en 
sadjadjalan, den geheelen weg langs; 
pidjalaneun, tot weg zullen strekken, tot 
middel zullen dienen; ngadjalanan, tot 
weg nemen, gaan door of over, begaan, 
betreden ; didjalanan ; kadjalanan, betreden 
zyn, overheen gegaan zyn, gepasseerd zyn ; 
ngaajalankeun, doen gaan, op gang brengen, 
een paard of rytuig besturen; ook: ten 
uitvoer leggen (b.v. een last of een vonnis), 
uitvoeren, volbrengen; didjalankeun. 

DJALANQ, krolsch (van katten en tygers), 
maar ook in 't alg. van dieren: in den 
paartyd zyn, ritsig, loopsch; oesoem djalang, 
de paar- of teeltyd van dieren. 

DJALANTAH, wat van olie by het bakken 
in de pan biyft; ook: de olie die ligt op 
een adjoeg of achterbiyft in een palita, 
oliedroosem. 

DJALANTIR, I. naam van een soort on- 
kruid met ondiepe wortels. 

II. = djangkoeng-leutik; zie leutik. 

DJALARAN (Jav.) f = lantaran, weg an- 



leiding, middel; ook = kadjaba, be- 
halve. 

DJALATAN, naam van een heester. F. 

DJALATONQ, alleen in poeloes djalatong t 
naam van een boom die in de bosschen 
voorkomt en welks bladeren by aan- 
raking zwelling en koorts veroorzaken. 
(Vgl. poeloes.) 

DJALATRI, naam van een boom, voll. 
ki djalatri. 

DJAL-DJOL, zie djol. 

DJALÉR (Jav), = pamëgët; zie ald. 

DJALI, z. v. a. lambar, draad; sadjali 
doewa djali, een of twee dradon. 

DJALIDIN (Z.-B.), naam van een zee- 
visch. 

DJALIKEUH, ngbr.; iidjalikeuh, zich den 
voet verzwikken of verstuiken (inz. by 
het stappen . op iets dat hooger of lager 
ligt; ook: in wankeling komen, wankelen 
(mede in overdr. zin.). 

DJALIL (Ar.), groot, heeriyk; RaboJl- 
djalil, de grootmachtige Heer. 

DJALILIN (Z.-B.), naam van een vogel. 

DJALINQDJING, = galingging, kwakkelen, 
ziek liggen; ngadjalingdjing, rusteloos in 
beweging zyn, inz. van vischjes, maar 
ook wel van menschen. (Vgl. lindjing.) 

DJALINQEUR, = linghas, wild, schuw*; 
ook: beweegiyk, gehaast. 

DJALINQKAK, in 't alg.: geen schaamte 
hebben.onkiesch, schaam teloos,oneerbaar; 
in het byz. gezegd van een vrouw, indien 
zy doet als een man, in een boom klimt „ 
enz.: njalingkak, zich alzoo gedragen. * 

DJALIR, van slag, van de wys, van streek 
zyn, ontstemd; ook z. v. a. gagal, niet tot 
stand komen. 

DJALITRI, voll. tangkal djalitri, naam van 
een boom. 

DJALMA (Skr., janma, geboorte) k., djalmi 
1., in 't alg. : mensen, menschen (vgl. oerang 
en manoesa); in 't byz.: man, mannen [van 
een vrouw gebruikt krygt het woord de 
bepaling awewe achter zich, tenzy het ver» 
band duideiyk genoeg een vrouw aanwyst] ; 
verder: bewoners, inwoners; pada-djalma, 
medemensen; djalma lëmboer Westan, de 
bewoners van Westan (doch zóó beter 
oerang); ook: ondtrhoorige; lain djalma 
aing, hy is geen onderhoorige van my; 
djalmaan, door menschen bewoond, be- 
volkt; djadjalmadn, op een mensch ge- 
lijkend, beeld van een mensch, pop; mi- 
djalma, iemand die geen onderhoorige is 
voor onderhoorige houden of als zoodanig 
behandelen. 

DJALMI, 1. van djalma; zie ald. 

DJALOE, manneiyk (inz. van dieren, vgl- 



126 



D JALOED JOER —DJAMBOER ANG. 



lakt); van menschen (Bant.) k., djantënl.; 
ëmbe djalon, een mannetjes geit, bok vgl. 
badot; djadjalon, jonge manneiyke dieren 
(b. v. buffel, rund, schaap, geit) in de 
periode waarin de geslachtsdrift ontwaakt 
(keur ngangkat bêger). 

DJALOEDJOER, ringsteek, voorsteek; ver- 
der: wat geregen of ingereg9nis,naadmet 
groote steken, rygnaad; ook: het rijgen (vgl. 
djoedjoer) ; ngadjaloedjoer, met een rygsteek 
naaien, rygen, inregen (een naad vóór hy 
genaaid wordt), didjaloedjoer. 

DJALOEK. maar doorgaans djadjaloek, 
vragen, om iets vragen, bedelen: ngadja- 
loekan, by iemand om iets bedelen; didja- 
loekan; didjadjaloekan, aanh. bij iemand 
om iets gebedeld worden. 

DJALOENTJAT, ngbr.; djadjaloentjatan, = 
djadjarigdjeugan, zie djarigdjeug. P. 

DJALON, maar meestal djadjalon, naam 
van het bamboe-stokje, waar de eurih of 
fciraj-bladeren voor dakbedekking (wëlit) 
omheengevouwen worden, waarna z\j met 
lêlèsan of toetoes worden vastgeknoopt aan 
de ter weerszoden tegen het blad aange- 
drukte ronde latjes (djambatan); sadjalon 
of sadjadjalon, één zoodanige rist, enz. 

DJALOSI, het Holl. jaloezie; blind, zonne- 
blind, luik, jaloezieën. 

DJAM, uur; ook: uurwerk, klok; beu- 
ngeut djam (waarvoor ook pëlat), wijzerplaat; 
sadjam, één uur; doewa djam, twee uur; 
ngan djam djaman oerang hiroep, ons 
leven telt slechts by uren, d. i. het is 
kort van duur. 

DJAMAAH (Ar.), bijeenkomst, gezelschap ; 
bërdjamadh, vergaderen, vergaderd zyn, 
byeenzyn. (Vgl. djoemadh.) 

DJAMAH (Ar., dfama.'), ngbr.; ngadjamah, 
= ngadjima', den beslaap uitoefenen; 
didjamah; djadjamahan, lichtekooi, doch 
ook wel = parëkan, bywyf. 

DJAMAK, gewoon, wat gewoon of ge- 
woonte is, algemeen, profaan; verder: ge- 
wooniyk, natuuriyk, alledaagsch, in den 
aard der zaak liggend; ook wel = përnah, 
betamelvjk; teu djamak, niet gewoon, 
ongewoon, buitengewoon. 

DJAMAKA (Z.-B), naam eener plant 
welker wortel men tot reukhout brandt. 

DJAMAN (Ar., zaman), tijd, tydperk, 
periode; ook z v. a. asal, oorsprong; keur 
djaman, in den tyd of ten tyde van; 
(tfaman harita, in dien tyd; ahir djaman, 
het einde der tyden of des trjds; nabiahir 
a^aman, de profeet van het einde des tflds 
(bedoeld is Moehammad). 

DJAMANG, 1. seker voorhoofdsiersel, be- 
staande uit een gouden of zilveren plaat, 



een soort diadeem {badaja'n maken er nog 
gebruik van); - 2. (in Z.-B. en Djas), = 
badjoe, baadje (vgl. tarate);-S. = het Mal. 
lempeng, naam van een soort gebak, ook 
djamawgan geheeten. 

DJAMANTRATDJAMONTROJ. zie dja- 
montro'. 

DJAMBAK, ngbr.; ngadjambak, iemand in 
het haar gr\jpen (b.v. in een vechtpartij); 
didjambak) djadjambak (Tjiandj.), = gogom- 
bak, de staart van een vlieger. (Vgl. 
djënggoet.) 

DJAMBAL, naam van een grooten zoet- 
watervisch, zonder schubben en met een 
pawatil als de Iele. 

DJAMBAN, plaats aan een rivier waar 
men zich baadt, zrjn drinkwater haalt en 
Kijn behoeften doet, z. v.a. tampijan, bad- 
gelegenheid, badhuis; ook privaat; nga~ 
djamban, een gegeven plaats tot djamban 
ge' ruiken. 

DJAMBANGAN, = djëmbangan, groote 
(glazen) bloempot, maar inz.: ijzeren of 
koperen pot met gaten in den bodem. 
[In zulk een pot doet men deeg, sluit hem 
van boven, en perst het deeg door de 
gaten, om er alzoo den vorm van lange 
draden, geiyk laksa, aan te geven, de 
zoogen. poetoe-majang.] 

DJAMBAR, ngbr.; djadjambaran f een 
groote diepe bak of kom met voetstuk 
(doorgaans van aarde), waschvat of derg. 

DJAMBATAN, brug (vgl. tjoekang); ook 
benaming van de ronde latjes waartus- 
schen de eurih wordt geklemd (zie djalon). 

DJAMBE, pinang- of betelnoot (vgl 
roepihan); tangkal djambe, de betelnoot 
palm; këmbang djambe, = majang I., de 
bloem van den betel nootpal m; Ytgëmbang- 
djambe, (zyn als de k. dj.), verbl sprkw. voor 
hajang, wenschen, begeerte hebben; tjaoe 
djambe, naam van een pisangsoort; dja- 
djambean (Z.-B.), naam van een zeevisch. 

DJAMBLANG, 1. naam van een district 
in de Preanger; -2. djëroek djamblang, een 
groot soort djëroek. 

DJAMBOE, de rozeappel ; tangkal djamboe, 
djamboe-boom (vgl. boöl); djoemamboe, 
(van de borsten eener maagd) op djamboe's 
gelijkend. 

DJAMBOEL, klein bosje haar of veeren 
op den kop (b. v. van een kip), een kuifje 
op den kop, kuif, kroon; djad jamboel, een 
gemaakt kuifje (b.v. by menschen); ook: 
vederbos pluim. (Vgl. djodjomból.) 

DJAMBOERAJA, verkl. met djalma teu 
poegoeh imahna, geen vast verbiyf hebben, 
nu eens hier dan daar vertoeven. 

DJAMBOERANQ, = djambraolang. 



DJ AMBOERA.OEL— DJANARI. 



127 



DJAMBOERAOEL, = djambraolang. 

DJAMBON, yoll. pare djambon, naam van 
een witte behaarde rystsoort, veel aange- 
plant en lang te velde staande. 

DJAMBRAOLANG, allerlei streken of 
kattekwaad uithalen. 

DJAMBRËT, het plukken-, afplukken van 
gras; ngadjambrët, grasplukken (met de 
hand): didjambrët; ngadjambrëtan, by her- 
haling gras afplukken; ook wel van een 
dier (b. v. een rund): gras afplukken met 
de tong; didjambrëtan. 

DJAMBRONG, hellebaardier, voll.goelang- 
goelang djambrong, of ook wel djambrong 
goelang-goelang. (Vgl. djëmbroeng.) 

DJAMDJAM, I. (Ar.), de bron Zamzam 
in de kabah te Mekka. 

II. Zie by salawat. 

DJAMËDOED, een effen-, strak of zwart 
gezicht zetten, zuur zien,stuurschkyken. 
(Vgl. djamënoeng, djamontrotenmërëngoet) 

DMMËLONG, naam van een grooten 
bloedzuiger. 

DJAMËNANG-DJAMÉNOENG, zie dja- 
mënoeng. 

DJAMËNOENG, = djamëdoed, zuur kyken, 
niet willen spreken van boosheid; dja- 
mënang-djamënoeng, idem, gedurig of aanh. 

DJAMËNTROET, z. v. a. djamëdoed; zie ald. 

DJAMËRO (Kad.), = tadjam, dysenterie. 

DJAMÉROED (Kad.), = djamëdoed. 

DJAMI, afgesneden maar nog in den grond 
staande halm, stoppel; verder: afgeoogst 
rijstveld, stoppel veld; djarami, rtfststop- 
pels, ryststengels; roempakdjami, afge- 
oogst (van een rijstveld, terwyi de by net 
oogsten omvergetreden stoppels er nog 
op staan; ook: stoppel veld; didjamikeun, 
(van een rijstveld) het in afgeoogsten 
toestand laten. 

DJAMLANG, I. = 't meer gebr. djam* 
blang. 

II. Geruit (van stoffen), met groote 
ruiten. (Vgl. poleng.) 

DJAMO (Kad.), = hamo; zie ald. 

DJAMOE, g. w.; ngadjamoe, onthalen; 
didjamoe; djadjamoe, gedroogde kruiden, 
specerijen (basten en wortels die genees- 
krachtige eigenschappen bezitten), meng- 
sel yan onderscheidene boengboe soorten; 
toekang djadjamoe, Inlandsche drogist; 
djamoean, onthaal. 

DJAMOEDJOE, voll. ki djamoedjoe, een 
groote cypresachtige boom. [Hy heeft veel 
van den ki poetri, maar het hout is minder 
deugdzaam. By oudere exemplaien gaat 
het fijne loof in den naaldvorm over.1 

DJAMOEGA, welvarend, gezegend, ge- 
lukkig, welgaan; moen milampah goreng, 



moegi oelah djamoega koering, als ik kwaad 
doe, moge het my niet welgaan l 

DJAMOMOM, ontstoken van een wond, 
nl. de randen; ook = baeud,z\im kyken.P. 

DJAMONTROT, = djamëdoed, zuur zien, 
stuursch kyken; djamantrat-djamontrot, 
slecht gehumeurd, gemeiyk, norsch. 

DJAMPANA, draagstoel van een aan- 
zienlijke [de stoel rust op de draagstokken]. 
Zie ook boegang en vgl. djoli. 

DJAMPANG, de Zuidwestelyke streek 
van de Preanger (verdeeld in de districten 
Djampang- Koeion en Djampang- Wetan); 
ook naam van een grassoort ;pare djampang 
(Kad.), naam van een rystsoort die veel 
weerstandsvermogen heeft tegen ziekte. 

DJAMPARING, pyi. (Vgl. pasër, panah en 
gondewa.) 

DJAMPE, spreuk tot bezwering of ver- 
dry ving. van een ziekte, plaag, geest, enz., 
tot beveiliging tegen kwade invloeden, 
tot verkryging van een begeerte, tot het 
welgelukken van een voornemen, om zich 
onkwetsbaar te maken, enz. enz., toover- 
formuiier; ook: geneesmiddel; njampe en 
ngndjampe, een djampe over iemand of 
iets of ter wille van iets lezen of spreken, 
belezen; verder: geneesmiddelen toedienen 
onder het lezen van een djampe; ook: 
medicineeren zondermeer; toekang njampe, 
bezweerder, belezer, tooverdokter, enz.; 
njampean en ngadjampean, over iemand 
of iets een djampe lezen, enz.; toekang 
ngadjampean, = toekang njampe; didjam- 
pean. [Zie Soend. Bezweringsformules, 
door R A. Kern, Bydr. tot de T.-, L. en 
V. van Nnd. Indië, 1904.] Vgl. djawok. 

DJAMPRAK, =r rombjang, het bovenstuk 
van een krisscheede. P. 

DJAMROET (Ar., zoemoeroed), de sma- 
ragd, voll. intën djamroet. 

DJANABAT (Ar., djinabat), een groote 
onreinheid naar de Mohamm. wet, ten 
gevolge van byslaap of zaad vloeiing [zjj 
verhindert het gebed enz. te doen]; stram 
djanabat, zich van zoodanige onreinheid 
door een bad reinigen. 

DJANAK, de pinker by het gatrikspeh 

DJANAPRIJA (Skr., by de menschen be- 
mind), in pantoeria == awoen-awoen: kako- 
tjap ka djanaprija, z. v. a. katjëloek ka 
awoen-atcoen, wyd en zyd beroemd. 

DJANARI, de tyd tusschen middernacht 
en morgenstond, nanacht, dageraad, mor- 
genschemering [men onderscheidt: djanari 
gëde, ong. om 2 of 8 uur en djanari 
Itutiky ong. om 8 of 4 uur]; ti djanari, 
van den dageraad, yan de morgen- 
schemering. 



128 



DJANDEL A -DJANGKOENGk 



DJANDELA (Port, Jan el la), yenster (zoo* 
wel van een Inlandsen huis. waar het in 
den regel van houten tralies is voorzien, 
als van een Europeesch huis); ook: venster 
van een schip; verder: vensterluik, ja- 
loezieën, blinden. (Vgl. ram II.) 

DJANEWËR, het Holl. jenever; idem. 
Vgl. sopi.) 

DJANG, in gemeenzame taal veel in 
plaats van oedjang; zie ald. 

DJANQAWÉR8I, voll. djanggot djanga- 
wërsi, een soort van baardmos. F. 

DJANGDJAN, I. krokodiikleurig (vaneen 
paard), voll. koeda djangdjan. 

II. Ngbr.; kadjangd#anan (6. p.), = ka> 
koerilingan (zie koeriling). P. 

DJANQOJANQ, vlerk, vleugel, wiek; ma- 
noek hibër koe djangdjangna, een vogel vliegt 
met zjjn vleugels, sprkw. voor djalmahiroep 
koe akalna, de mensen leeft door zgn 
verstand; ajangdjangan, vleugels hebben, 
gevleugeld, 

DJANGDJAWING, ngbr.; ngadjangdjawing , 
dun zyn, mager zjjn; koeroe ngadjangdja- 
wing, zoo mager als een hout, uitge- 
mergeld; koeroe aking ngadjangdjawing, in 
de ergste mate mager. 

DJANGDJAWOKAN, zie djawok. 

DJANGDJI b^soebajal, toezegging, belofte, 
afspraak, beding, overeenkomst, verbond; 
ook: beschikking, raadsbesluit (van God); 
verder: slechts in woorden bestaan; boven- 
dien: do eindpaal van het leven, hetuiterste, 
het sterven ; ka loewar djangdji, een belofte 
afleggen ; make djangdji k., nganggo djangdji 
1., een overeenkomst aangaan of sluiten; 
masang djangdji en njijeun djangdji k., nga- 
damël djangdji l, een verbond of overeen- 
komst aangaan of sluiten; ngadjangdji, 
beloven, toezeggen, uitloven; ngadjang- 
djian, aan iemand toezeggen, beloven ; ook: 
iemand een zekere belofte of toezegging 
afvragen, iemand een bepaling, voor- 
waarde of termen stellen; didjangdjian; 
ngadjangdjikeun, iets beloven of toezeggen; 
didjangdjikeun; përdjangdjian, belofte, toe- 
zegging, overeenkomst, bond, verbond; 
ahli perdjangdjian, lid van den bond; 
batoer ahli përdjangdjian, bondgenoot \nga- 
damël per djangdjian, een overeenkomst of 
verbond aangaan, sluiten, enz. 

DJANGËT, een reep of strook leer, lederen 
riem; ngadjangët, riemen uit leder snijden; 
didjangët. 

DJANGGA I. (Kw.), hals, strot. 

II. Het zesde geslacht in teruggaande 
orde, volgende op bao, d. i. betoud-over- 
grootvader of -moeder. 

DJANQQAL, onwelluidend (van een woord 



of de taal van iemand of iets), wanklank, 
koeterwaalsoh, onzin. 

DJANGGALA, het oude rtfk van dezen 
naam op Java. 

DJANGGAONG, naar boven gericht; 
ngadjang gaong, naar boven richten, over- 
eind 8 tellen. P. 

DJANGGEL, eigen naam voor ioelang 
djagong, het houtachtig gedeelte van een 
maïskolf, stronk. 

O J ANQQELEK, zich oprichten (van iemand 
die ligt); djanggelek roepa lawas, verkl. 
met beh roepa lawas, den vorigen vorm-, 
de vorige gedaante teruggekregen hebben. 

DJANGGËT, — 't meer gebr. djangët. 

DJANGGILOES, naam van een zeevisch, 
ong. zeven voet lang [niet smakelijk]. 

DJANGGOL, (in den ouden t^d) titel van 
een beambte van de paseban, staande 
onder den kaliwon \ later: personen of 
koeli's die beschikbaar gesteld z$jn voor 
een transport; kapala (of oemboel) djanggol, 
leider van een transport. 

DJANGGOT, kinbaard of sik (van een man 
of een geit), maar ook wel baard in 't alge- 
meen; verder: een baardachtig gewas op 
woudboomen, baardmos; ook: de lucht- 
wortels van een kijara, enz. (zie ook 
djangawërsi); djanggotan, een kinbaard of 
sik hebben; (van een boom) baardmos 
hebben; ngadjanggot, in pantoen*8 wel: 
zich scheren (vgl. tjoekoer). Zie ook godeg 
en koemis. 

DJANGKA, passer; ook: voorwerp met 
drie beenen, drievoet [gelijk door photo- 
grafen, landmeters enz. gebruikt wordt]. 

DJANGKAR, zy waart 8 uitstaande boom- 
wortela; ook = akar, wortel; overdr.: 
begin (P.); verder: anker; laboehdjangkar, 
het anker laten vallen, ten anker gaan ; 
narik (of ngabongkar) djangkar, het anker 
ophalen of lichten, het anker winden; 
ngadjangkar-haoer, doen als de wortels 
van haoer, d. i. niet loslaten; djangkaran, 
wortelgestei. 

DJANGKÉP, een even of gelijk getal; 
ook: voltallig, vol (van zeker tfldsver- 
loop); djangkëp salapan boelan, rond negen 
maanden; verder: (nl. djangkëp) : veelvoud ; 
ook: opgaan (van een som), deelbaar getal. 
(Vgl. djëdjëg, ganëp en gangsal.) 

DJANGKOENG,lichaamshoogte, lichaams- 
lengte, hoogte (van planten, enz), hoog 
opgeschoten, hoog van statuur (vgl. 
loehoer)\ samping djangkoeng, lange of tot 
aan de oksels opgetrokken sarong; 
sasamping-djangkoeng, één lange sarong; 
si djangkoeng en djadjangkoeng, de middel- 
vinger ; djadjangkoengan, op stelten loopen ; 



DJANGKORANG—DJARAK. 



129 



paranti djadjangkoengan, stelten; nga- 
djangkoengan, langer worden, wassen 
(ygl. gêdé). 

DJANGKORANG, onmatig lang (van een 
mensch); si djangkorang, lange lummel, 
boonenstaak. 

DJANGKRIK, naam van een aardkrekel. 
[Men laat deze met elkander vechten, 
ngadoe djangkrik, onder het aangaan van 
weddingschappen.] 

DJANQLAR, verkl. met lëga hate en 
ngeunah, opgeruimd, opgewekt, onbezorgd^ 
goedsmoeds. 

DJANGO, verkl. met rarangken sirib, 
d. i. het tuig van de sirib of totebel. 
(Vgl. djoekoeng.) 

DJANOER, de jonge bladen (poetjoek) van 
kalapa. 

DJANTËN I. (Z.-B.), 1. van djaro, zie ald. 

II. L. van djaloe; zie ald. 

III. L. van djadi (zelden). 
DJANTËNG, ngbr.; ngadjantëng, (van 

menschen) stilstaan (b. v. om na te denken, 
ngadjantëng barina mikir) ;ngadjadjantëng* 
lang stilstaan (b. v. wachtende op iemand). 

DJANTOENG, het hart van een dier; ook 
gezegd van den mensch, maar in dit 
geval is 't k. (vgl. hate, enz.); verder: 
de bloem van de pisangstruik (ook han- 
ioeng geheeten) ; bovendien : aar of kies 
van de maïs; dahax djantoeng, de dj. eten 
[wat pamali is, matak djantoengeun]; 
pelor djantoeng, een soort kogel-; djagong 
sadjantoeng, één maïs-aar, enz.; djadjan- 
toeng, bloem van de pisang-struik, maar 
inz. het hart van een dier of mensch; 
djantoengan, maiskolf; djantoengeun, (van 
een mensch) al maar met de handen over 
elkaar bitten terwijl de anderen druk 
bezig zyn [gelijk de bloem van de pisang 
zich niet verroert], 

DJANTOER, een groote maar kale haan. 

DJANTOWOR (Z.-B.), van de lippen: op- 
gezet, gezwollen (ten gevolge van een 
stoot, val, beet een er bfl, enz.). 

DJANTRA, waterrad, scheprad; ook = 
kintjir (Skr. cattra), spinnewiel; geus lir 
djantra mëta, als een scheprad in be- 
weging; kadjantra, z. v. a. katewak, ge- 
grepen; kadjantra koe boehaja, gegrepen 
door een krokrodü. 

DJANWARI, hel Holl. Januari; idem; 
boelan Djanwari, de maand Januari. 

DJAOEH, ver, veraf (vgl. anggang); 
djalma djaoeh, iemand van verre; noe 
djaoeh, wie (wat) ver is, verte; djaoeh- 
djaoeh, zeer ver (zie ook gagang); poelang 
ti djaoehna, terugkeeren uit de verte; 
padjaoeh, ver van olkander, uiteenloopend; 

SOENDANEESCH-HOLL. WOORDENB. 



teu padjaoeh, z. v. a. dek saroewa, niet ver 
van elkander, geheel of ten naasten bjj over- 
eenstemmend; djadjaoeheun, ver z|jn van 
(b. v. van te krflgen), zich verre houden; 
ngadjaoehan, zich verwijderen van, ont- 
wijken; didjaoehan, gezegd van iets waar- 
van men zich verwijdert of verwijderd 
houdt; ngadjaoehkeun, verwijderen, afwen- 
den, afweren; didjaoehkeun; kadjaoehan, 
verte, afstand. 

DJAPAH, het vocht dat uit een open 
zweertje of puistje vloeit. (Vgl. nanah 
en sadid.) 

DJAPAKAN, een vuile-, loszinnige taal 
(van mannen of vrouwen) ; omongan noe 
djapakan-djapakan, zedelooze taal. 

DJAPAPANG, ngbr.; ngadjapapang, op 
den buik liggen (b. v. een ljjk), plat op 
't HJf liggen (b. v. een krokodil in het 
water); ook = ngadjëhdjër, verstijfd neer- 
liggen, plat op den grond liggen. 

DJAPATI, de tamme duif [zinnebeeld 
der nederigheid of van den ootmoed]; 
lindeuk-djapati, overdr. van een zedige 
vrouw of een zedig meisje: tam als een 
duif, versta: goed en vriendelijk, doch zich 
evenmin als de duif te na laten komen. 
DJAPILOES, voor niets bang (als slechte 
hoedanigheid), onvoegzaam, verkeerd, 
hateiyk. 

DJAPOEH (Z.-B.), naam van een zeevisch ; 
meuli tëri meunang djapoeh, hetzelfde als 
njaïr hoerang meunang kantjra, een buiten- 
kansje hebben. 
D JAPOEN, dial. voor sapoen; zie ald. 
DJARA, els, schoenmakersels, priem, 
fret, schroef boor. 

DJARAH, I. in het wild loopende buffels, 
kudde buffels die de eigenaar in het wild 
laat loopen, voll. moending djarah; nga- 
djarahkeun, in het wild los laten loopen, 
vry laten rondloopen; didjarahkeun. (Vgl. 
aboer.) 

II. Het buitmaken, plundering (nl. van 
overwonnen vijanden, steden, enz.); nga- 
djarah, rooven, buit medevoeren, een 
overwonnen vijand of in oorlog buitge- 
maakte zaken medevoeren, in krijgsge- 
vangenschap voeren (vgl. rajah en bojong); 
didjarah; kadjarah, = kabawa, medege- 
voerd; djarahan, roof, buit; ook = oepëti, 
oorlogschatting. 

III. (Ar., zyarah), bezoeken, inz. een 
bezoek afleggen aan een graf; djarah ka 
pasar ean iboe, een bezoek brengen aan 
de laatste rustplaats van moeder. 

DJARAK, voll. tangkal djarak, naam van 
een kleinen boom, de palma Christi, uit 
wier pitten de castor- of ricinusolie 

9 



130 



DJARALANG— DJATNIKA. 



.bereid wordt, die door de Inlanders naar 
het HollandBch minjak ka&troli genoemd 
wordt en ook wel in de paliia wordt 
gebrand. (Vgl. kaliki.) 

DJARALANG, naam van een aap als de 
soerüi, maar belang, d. i. gevlekt. 

DJARAM, infectie-bacil bij schurft. (Vgl. 
koeman.) B. 

DJARAMBAH, ver weg, ver van huis 
(loopen, spelen, enz.). 

OJARANQKANQ, = kodjengkang, op stap 
gaan. P. 

DJARAPAH, verkl. met tihang salimar; 
zie salimar, 

DJARAT, ngbr.; padjaratan 1. p., = ma- 
kam, 1. p. van astana, graf, begraafplaats. 

DJARAWAT, vurigheid in het aange- 
zicht; verder: puistje op het aangezicht, 
zoogen. medeeter, comedones, ook koehkoel 
geheeten. P. 

DJARÉQDJËQ, staanders, bedsttjlen. P. 

OJARIAN, vuilnishoop, mesthoop, mest- 
vaalt; djoerig djarian, de geest die op 
zulk een plek zijn verblijf houdt. 

DJARI-DJARI, spaak, spaken (van een 
wiel of stoel). 

DJARIDJI, de ringvinger; müangan 
djaridji, de vingers tellen [een vorm van 
waarzeggerij. 

DJARIGDJEUQ, ngbr.; ngadjarigdjeug, 
wankelen, wankelend, onvast op de beenen 
staan of loopen (van een mensch of dier); 
djoemarigdjeug, idem, ten gevolge van 
zwakte of uitputting; djadjarigdjeugan, 
op zijn beenen wankelen, dreigen tegen 
den grond te slaan; djaroegdjag-djarigdjeug, 
aanh. met zulk een wankelenden gang 
loopen. 

DJARIJAH (Ar.), dienstmaagd, slavin. 

DJARING, lang vogelnet, sleepnet, zegen; 
djamparing ngadjadi djaring, de pijl werd 
tot een sleepnet; ngadjaring, met een 
sleepnet visschen; ook z. v. a. ngaping, 
iemand bewaken, behoeden; didjaring. 

DJARINGAO, de kalmusplant, kalmus. 
(Vgl. panglaj.) 

DJARINQHA8, (van dieren) = linghas, 
schuw; (van menschen) wild, moeilijk om 
mee om te gaan; ook: menschenschuw. 

DMRO, I. de dikke bamboes welke men 
als stijlen bij een kikis gebruikt, om er 
de bevestigende dwarse bamboes doorheen 
te steken. 

II. (Z.-B.) k., djaniën 1., dorpshoofd; in 
de Pr. verouderde titel van een dorpshoofd 
(zie toerah); kadjaroan (Z.-B.) f het gebied 
van een ajaro. 

DJAROEGDJAG-DMAIGDJEUG, zie djarig- 
djeug. 



DJAROEM, naald, naainaald, naald van 
een kompas, uurwrjzer; 1$ 'ang djaroem ,het 
oog van een naald; pantat djaroem, = 
sètik, stiksteek; ook: stikken; anggël dja* 
roem, speldenkussen; tjaoe djaroem (Z.-B.), 
naam van een pisangsoort ; sadjaroem 
leutikna basa pakarang, tangtoe meitak 
raheut, al is iets (een of ander kwaad) zoo 
fijn als een naald, het zal zeker wonden 
(leed veroorzaken); djoemaroem, als naalden 
uit den grond steken (b. v. pas opschietende 
rijstplanten); djadjaroeman, = dom-doman, 
naam van een grassoort, wier halmen op 
naalden geleken, naaldgras. 

DJAROEMAT, stop (b. v. in een doek); 
ngadjaroemat, stoppen, een gat in een kleed 
of derg. stoppen; didjaroemat. 

DJARONG, naam van een grassoort; in. 
Kad. ook naam van een plant met een 
blauw bloempje [ze wordt daar veel voor 
heg gebezigd]. 

DJA8, I. nab. van 't sissen van gloeiend 
ijzer dat gebluscht wordt. P. (Zie ook djoes.) 

II. Het Holl. jas; idem. 

0JA8A (Bant.), = amat en njoso, zeer,. 
bijzonder, hevig, uitermate. 

DJA8AD (Ar.), lichaam (inz. ook van het 
opstandingslichaam gebezigd); verder: iets. 
dat wel een gedaante heeft, maar niet 
duidelijk kan worden onderscheiden. (Zie 
ook kaoela, awak, badan en djisim.) 

DJA8MANI (Ar.,! van djisim, zie ald.), 
lichamelijk, stoffelijk; bang sa djasmani, 
wat lichamelijk of stoffelijk is; barang 
djasmani, het stoffelijke, de stoffelijke 
dingen. 

DJATAKE (Z.-B.), = gandarya; zie ald. 

DJATI (Kw.), echt, waar, wezenlijk, dege- 
lijk, uitnemend, edel; ook z. v. a. asal, 
oorsprong; moelih ka djati, poelang ka asal, 
terugkeeren tot don oorspronkelijken toe- 
stand; tangkal djati, de djatiboom, een 
Inlandsche eik, ctie het bekende voortref- 
felijke timmer- en meubelhout oplevert 
(het teakhout); boeroek- boeroek papan djati r 
is er ook iets rottigs in, het is toch een 
c#a*i-plank, d. i. mankeert er al iets aan,, 
er zit toch deugd in; djatining djalma r 
een oprecht-, uitnemend menach; sadjati 
(eig. als djati). echt, deugdelijk, wezenlijk, 
deugdzaam, waar, oprecht, uitnemend; 
ook: van hetzelfde geslacht zijn (?.)-, Allah 
noe sadjati, de ware God; djalma sadjati y 
een oprecht-, uitnemend mensch; istri 
sadjati, een uitnemende, edele vrouw; 
sadjatina, = saestoena, in waarheid, degelijk, 
enz.; kadjadjaten, verkl. met noe pang- 
poendjoelna* de uitnemendste, wijste, enz. 

DJATNIKA (Skr., adbyatmika, geestelijk 



DJAWA— DJEBLOEG. 



131 



inwendig), z. v. a. oetama, goed voor het 
doel, doelmatig, passend; ook: overvloed 
hebben, van alles overvloed bezitten; nga* 
djatnikakeun, iemand goed behandelen, hem 
in voldoende mate geven wat hij behoeft, 
goed zorgen voor, bowaren. 

DJAWA (vgl. djaba), voll. poelo Djawa, 
maar meer tanah Djawa, in 't alg. het 
eiland Java; in 't byz. dat gedeelte van 
Java hetwelk gelegen is ten Oosten der 
landen door de Soendaneezen bewoond 
(vgl. Soenda); oerang Djawa, Javaan; 
kasakit Djawa, venerische ziekte; ook 
gebezigd van patek en botol;goela Djawa, = 
goela kawoeng, Java- of aren-suiker ; aksara 
Djawa, Javaansche letter, Javaansch 
schrift ; ambëk-djawaeun, opvliegend; aksara 
djadjawan, Soendaneesch geschreven met 
de Arabisch-Maleische letter, of wel het 
Arabisch-Maleische alphabet voor het 
georuik van het Soendaneesch met de 
ontbrekende letters uit het Javaansch 
aangevuld. 

DJAWAB (Ar.) k., wangsoel s M walon 1., 
antwoord; ook g. w.; ngadjawab, ant- 
woorden, beantwoorden; didjawdb; teuka- 
djawab, niet beantwoord ztfn, d. i. niet kun- 
nen beantwoorden ;pangdjawab, antwoord. 

DJAWADAH, naam van een Inlandsche 
lekkernjj, soort pannekoek (van meel, 
gierst, katjang, enz.). 

DJAWAREH (samentr. van djawa en 
sawareh), half-Javaansch, d. i. Javanisme, 
bastaardwoord. 

DJ AWAWOET, naam van een soort gierst. 
Vgl. koenjit.) 

DJAWEL, ngbr.; ngadjawel, in den bek 
nemen, in den bek pakken (zonder er in 
te bijten) en weer loslaten (b. v. van een 
hond); didjawel. 

DJAWER, kam (van hoenders) \djaweram 
een kam hebben. 

DJAWI, = djabi, 1. van djaba, behalve, 
uitgezonderd; kadjawi, idem. 

DJAWIL, ngbr.; ngadjawil, een geweer 
of pistool afdrukken; didjawil; djadjawil 
of pangdjawil, de trekker van een geweer 
of pistool. 

DJAWOERA (Z.-B,), naam van een boom 
met eetbare, zure vruchten. 

DJAWOK (Z.-B.), = djampe, formulier 
voor een of ander doel; djangdjawokan, 
verkl. met djampe pondok, een kort bezwe- 
ringsformulier, z.a.b.v. dit: oelah deukeut- 
deukeut ka djjeu ! ka ditoe, ka sëbrang, ka 
Palembangl komt hier niet in de nabijheid! 
gaat naar ginds, naar de overzijde, naar 
Palembangl [uitgesproken als men een ge- 
luid van kleine dieren hoort, van welke men 



vermoedt dat het djoerig's zjjn]; inz. 
worden dergelijke korte formulieren by 
den landbouw gebezigd, ter afwering van 
ziekten in het rrjstgewas. 

DJËBAD (Ar. en Perz. zabad), civet, 
muskus, zekere welriekende olie, tot zal- 
ving gebezigd; kakang koe njai siraman 
koe djëbad reudjeung kastori, besproei mfl 
met djëbad en muskus. 

DJËBA-DJËBI, zie djëbi. 

DJÉBAG, slordig, onordelijk, morsig; ook 
wel gezegd van iemand die ongemanierd 
groot en dik is. 

DJËBANG-DJËBENG, zie djëbeng. 

DJËBENG, = lëwe, een lip zetten, de lip 
laten hangen; djëbanq-djëbeng, idem, her- 
haaldeiyk. (Vgl. djëbi.) 

DJEBER, breed en dik zi^n; djedjeber, d&t 
deel van een tarawangsa waarin de beide 
snaren gewonden zijn. P. 

DJÉBET, nab. van het afgaan van een 
vuurwapen of het slaan met eenig voor- 
werp; ook: treffen (b. v. een schot); djëbet! 
digada, patst daar kreeg hy een slag met 
de gada. (Vgl. djèbot.) 

DJËBI, de lip tot huilen zetten, het 
trekken van een lip; ngadjëbi, een lip 
trekken, de onderlip laten hangen; ook: 
willen braken (vgl. djëbeng, ajëbleh en 
lëwe); djëba-djëbi, herh. een lip trekken, 
ook by manier van lelewa (zie ald,); nga- 
djèbiun, tegen iemand een lip trekken 
of een leeujk gezicht zetten ; didjèbian. 

DJÉBIR, een stukje kopergeld van 
twee duiten. 

DJËBLAQ, het opensmjjton of neersmjj ten 
van iets; ngaajëblagkeun, met kracht open. 
stooten (b. v. een venster), de deur of een 
luik opensnujten; ook: iets snel neer- 
smeten; didjëblagkeun. 

DJÉBLAH (Kad.), van de z\Jden van iets, 
b. v. een goot: te schuins staan; in 'talg.: 
te vlak, te ondiep; koerang djiblah, niet 
schuins genoeg staan, niet diep genoeg. 

DJÈBLEH, een dikke neerhangende onder- 
lip hebben; ook: naar buiten omgebogen 
(b. v. de bo venrand van een tampolong) ; loe- 
moer djèbleh, een beker met naar buiten om- 
gebogen bovenrand; ngadjëbleh, de onderlip 
laten hangen, een lip trekken, een leeljjk 
gezicht zetten. (Vgl. djëbi). 

DJËBLES, een trek of haal aan een pijp, 
inz. aan de opiumptyp; aadjëbles, één haal 
of trok aan een ptyp. 

DJEBLOEG, het plegen van afzetter^; 
toekang djëbtoeg,*te*ttQTingaajëbtoeg,&tzet- 
terg plegen, afzetten, door afzetter}) ont- 
rooven, bedriegen, ztyn schulden niet 
betalen, enz. ; didjëbloeg. 



132 



DJEBLOES— DJEDJEK. 



DJËBLOE8, werkw. tusschenw. voor: 
instoppen; djêbloes ditoetoep di boei, hty 
werd in de gevangenis gestopt. (Vgl. djëblos 
en boes.) 

DJËBLOG, slperig, modderig (b. v. een 
weg); noe djëblog, het modderige, het sip. 
de modder; tjangogo di noe djëblog, neer- 
hurken in de modder; djëblogan, met 
modder, bemodderd; djëdjëblogan, met sip: 
of modder geheel bespat. (Vgl. betjek.) 

DJËBLOS (vgl. djêbloes), ingaan, indringen 
(b. v. een wapen in de borst); ngadjëblos, 
steken, insteken; overdr.: bedriegen, mis- 
leiden, beetnemen; didjëblos; kadjëblos, 
„er in geloopen", om den tuin geleid, 
bedrogen, door den schp misleid. (Vgl. 
gëtjos.) 

DJËBOED, dicht op elkaar staan, dik 
(van haren, gras enz.). P. 

DJÉBOEO, een oude, rjjjpe en reeds ge- 
droogde pinangnoot (djambe); in 't bp. de 
harige binnenschil van de djambe (veel 
tot het poetsen der tanden gebezigd); djambe 
djëboeg digambiran, een sindir, aanduidende 
dat men na het ngigèl de ronggeng niet 
betaalde, om welke reden ze verder luidt: 
ngadjëbloeg atjir-atjiran (P.) ; - ngadjëboeg, of 
ngadjëdjëboeg, een pruik worden of zich 
tot een pruik vormen (b. v. het beneden- 
einde van een kaloe of rptstamper; verder: 
een groote pruik zp of vormen (b. v. een 
knevel of baard, of ook wel van de hals- 
kwab van een haan, of van een ander 
dergelp groot hangend voorwerp). Vgl. 
djëdig. 

DJËBOEL, werkw. tusschenw. voor: 
komen, aankomen, = ftol; men zegt soms 
djëboel datang, er kwam, maar beter is in 
zoodanig geval: djëboel aja; - djëboel 
treedt ook als gezegde op, b. v. teu 
lila djëboel noe mawa tjvkopi, niet lang 
daarna kwam er iemand met koffie. 

DJËBOL, ngbr.; ngadjëbol, verkl. met teu 
kadoega madjoe, bejak tanaga en bejak 
kadavk, niet voortkunnen, niet meer kun- 
nen, b?zwpen, uitgeput zp, doodaf; 
ook: er genoeg van hebben. 

DJËBOR, of wel padjëboran, bak enz. 
waarin men b. v. aarde met zand of 
zemelen vermengt voor het vormen van 
metselsteenen, mengbak. 

DJËBOT, nab. van het geluid van den 
slag met eenig voorwerp (b. v. met een 
gada of knots), Vgl. djëbet. 

DJËBBAG (Buit.), k.p. van gëde, groot. 

DJEBRAG, uitgespreid (z. a. de vingers 
of de teenen); ngadjebrag, hetzelfde. P. 

DJËBRA8 DJËBRIS, zie ójëbris. 

DJËBRED, nab. van den slag of den knal 



van den bliksem, een knal geven, knallen; 
patingdjalëbred, links en rechts of overal 
knallen. 

DJÉ8RET, nab. van het klappen eener 
zweep. 

DJËBRIS. ngbr.; djëdjëbris, aangaan, te 
keer gaan, razen, tieren (b. v. een meisje 
of vrouw die haar zin niet krygt);djtë&ra« - 
djëbris, = goebras-gëbris, hetzelfde, maar 
aanh. of gedurig. 
DJËBROD, hetzelfde als djépret. 
DJËBROED, werkw. tusschenw. voor: 
doorbreken, knappen (b.v. een touw). 

DJËBROG, reeds groot, opgeschoten (van 
kinderen, doch alleen in verwijtenden of 
smalenden zin). P. 

DJËDAG, ngbr.; tidjëdag, achterover- 
storten, achteroverslaan. 
DJËDAG DJËDIG, zie djëdig. 
DJËDAK, werkw. tusschenw. voor: slaan, 
stompen (nader uitgedrukt door neunggeul, 
diteunggeul, dipaehan, enz.). Vgl. djëkek. 

DJËDED, werkw. tusschenw. voor: slaan 
stompen, dichtslaan van een deur, enz. 
(vgl. djëdod); patingdjarëded, slag op slag 
volgen (inz. van gëlap, onweer). 

DJËDES (b. p.) f z. v. a. datang, aan- 
komen. P. 

DJËDIG, ngbr.; ngadjëdig, = ngadjëboeg, 
een pruik kragen of hebben, zich tot een 
pruik vormen (b.v. het benedeneindevan 
een rtjststamper); djëdag-djëdig, er ver- 
ward en ordeloos uitzien (van iemand 
wien het lange, verwarde haar ordeloos 
over het gelaat hangt); ngadjëdjëdig ( (van 
het hoofdhaar) verward over het gelaat 
hangen. 

DJËD1NG, omgekruld zp, vooruitsteken 
(van de lippen), voll. biwir djëding. 

DJEDJED, naam van een kleinen zoet- 
water visch. 

DJË9JËG, voltallig, volledig, alles of 
allen bpenhebben, compleet (vgl. djangkëp 
en tjamplëng); hanteu djëdjëg, niet com- 
pleet, onvolledig; overdr.: niet recht 
wp (ze niet b$j elkaar hebben); nga- 
djëdjëgan, completeeren, voltallig maken, 
aanvullen, bflpassen, afpassen; didjë- 
djëgan; ngadjèdjëgkeun, voltallig of com- 
pleet doen zp, voltallig maken; di- 
ajëdjëgkeun; djëdjëgan, wat iets compleet 
maakt; pidjëdjëganeun. wat ter comple- 
teering van iets dienen zal of kan. 

DJËDJÉK, tred; ook g.w.;ngadjëdjëk,dQn 
voet op iets zetten, trappen, intrappen, 
stuktrappen, vertrappen, uittrappen, voor- 
uitschoppen (vgl. sepak); overdr.: ver- 
bruiken, opmaken; didjëdjëk; kadjëdjëk, 1. 
getrapt, vertrapt, enz.; 2. verbruikt, op- 



DJEDJEL— DJEHDJER. 



133 



geraakt; kadjëdjèk koe hakan^ opgebruikt 
aan eten ; djëdjëkan, dorpel [niet algemeen]. 

DJËDJëL, dicht opeen» vol zijn, vol, ge- 
vuld (vgl. pinoeh); djédjël koe kanjaho, vol 
kennis; djëdjël koe kadorakadn, vol van 
ongerechtigheid; sêsëk-djëdjël, stijfvoi, prop- 
vol; ngadjëdjël, s= njësëg, stoppen» vol- 
stoppen, volproppen; didjëdjël)ngadjëdjëlan, 
stijf op of in elkaar stoppen, stijfvol doen; 
didjëdjêlan. 

DJËDJËM (Ar., djazm, het besluiten), 
z. v. a. tëtëp, vast, vastbesloten; ngadjë- 
djëman, met vaste hand leiden. 

DJËDJËMBOEL, zie djèmboel. 

DJËDJÉNGKOE, == toeoer, knie. (Vgl. dëkoe.) 

DJËDJÉR, I. leider, geleider, aanvoerder; 
in de taalkundige ontleding: onderwerp; 
ngadjëdjëran, lieden op den weg geleiden, 
aanvoeren; didjëdjëran. 

II. = roepa, gedaante, gestalte, qualiteit ; 
djalma kade djëdjër, iemand van schoone 
gedaante. 

DJEDJER, = bedjer, z.v.a. djadjar, op 
een rij liggen of staan; ook: ordelijk. 
DJEDJEREGED, = Ijetjerege. F. 

DJËOOD, werkw. tusschenw. voor: slaan, 
stompen. (Vgl. djëded.) 

DJËDOED, I. werkw. tusschenw. voor: 
breken, b. v. een iambang of touw (nader 
uitgedrukt door pëgat). 

II. Uitrekken; ngadjëdoed, idem. P. 

DJËDOER, nab. van een bulderend 
of donderend geluid, b. v. van geschut 
(vgl. doer): boem! ook: losbranden; nga- 
djëdoer, losbranden, bulderen, donderen 
(inz. van geschut). 

DJËDOG, of wel ngadjëdog, k. p., z. v. a. 
ijüjing, blijven in zekere houding; koe 
naon rnaneh ngadjëdog? waarom blijf je 
daar zoo staan (zitten)? ook: ergens uit- 
hangen of bujven hangen, verbleven; 
didjêdogan, z. v. a. ditjitjingan, gezegd van 
de plek of den persoon waar iemand zich 
ophoudt; ngadjëdogkeun, iets ergens doen 
verbleven of laten bestaan (b. v. een kwaad 
in het hart); didjëdogkeun. 

DJËDOR, klanknab. van het afgaan van 
een geweer of geweren (vgl. dor), knal, 
schot; ook: knallen; sadjëdoran, één schot, 
(kruit) voor één schot. (Vgl. djëdoer.) 

DJEËH (Kad.), = koetan, en ook wel = 
hor eng; zie ald. 

DJEËR, I. het i-teeken (kesrah) bfl Soen- 
daneesch met Arabisch schilft, = woeloe 
of panghoeloe bi) Javaansch schrift; pang- 
djeër, idem; didjeër, van het t'-teeken voor- 
'zien worden of geworden zjjn; kadjeër, 
het t-teeken hebben. (Zie Spraakk., de 
tafel bij § 7.) 



II. (Z.-B.), = geugeulisanan, zivgeulis.F. 
DJËG, = djeg, als, gelijk, zooals; soesoeri 
djëg koewoeng-koewoeng, manen als de 
regenboog. 

DJEG, = djeg, als, geujk, zooals; djeg 
koemaha sipatna? als wat (hoe) ziet hij er 
uit? djeg bentang ragrag ti langit, geujk 
een uit de lucht gevallen ster. (Vgl. djiga.) 
DJËGANG, = heuras, stijf (b. v. een 
kieeding3tuk door overmaat van stijfsel); 
ook: strak (z. a. een nog niet rijpe 
puist). P. 

DJEGANG, maar meestal ngadjegang, 
wydbeens staan of loopen; djoegang-djegang, 
of ook djoegang-djigang, aanh. of gedurig 
zoo staan of loopen; ngadjegangkeun, de 
boenen van een kind uit elkander doen 
(om het op de heup te kunnen dragen); 
didjegangkeun. 

DJEQDJEG, onophoudelijk heen en weer 
loopen. (Zie ook tjeker.) 

DJEGDJLEG, ngbr.; ngadjegdjleg, (van 
een paard) vurig-, springend of steigerend 
loopen, niet bedaard willen loopen. 
DJËGÉNG, hetzelfde als djëgang. P. 
DJEGENG (Z.-B.), = djawawoet; zie ald. 
DJËGËR, = heuras, stijf, niet te buigen, 
hard (b.v. de huid van een vogel); ook 
= kodjor k. p., dood, gestorven (vgl. djogor 
en djëngkër). 

DJÈGER, klanknab. van een geweerschot 
met los kruit. 

DJËGIR, ngbr.; ngadjëgir, ong. = nga- 
djëntoel, staan (van een groot voorwerp, 
b.v. een kanon, een zwaarlijvig mensch, 
enz.); tjingdjalëgir, idem van vele groote 
voorwerpen. 

DJËGOED, = soegih, maar k., rjjk, ver- 
mogend . 

DJËGOER, nab. van het geluid van den 
donder, een aardstorting, het losbranden 
van een kanon, enz.: boem l djoemëgoer, een 
aanh. dof of zwaar gedruisch, gebulder; 
ngadjëgoer, een dof of zwaar gedruisch 
maken, bulderen; tjingdjalègoer, idem, van 
vele dingen (kanonnen, golven, enz.). 

DJËGOQ, klankn. en werkw. tusschenw. 
van ngagogog, blaffen; djëgog digogog an- 
djing, waf! daar werd hi) door den hond 
aangeblaffen. 

DJËGOH, schreeuwen (van een mëntjèk 
of ree; tingdjarëgoh, geschreeuw (van vele 
mëntjëk's). 
DJËGOR, = djëgoer en djëdor; zie ald. 
DJEGOR, ngbr.; ngadjegor, rtto-zitten in 
de open lucht (b.v. op het erf). 

DJËHOJËR, ngbr.; ngadjëhdjër, = nga- 
djohdjor, verstijfd of bewusteloos neder- 
liggen op den grond. 



134 



DJEKEK— DJEMPOL. 



DJËKEK, ong. =r djëdak, werkw. tus- 
schenw. voort met kracht tegen iets slaan 
of aanslaan (b. v. een golf tegen een klip). 
Vgl. tjëkek. 

DJËKOK, werk. tusschenw. voor: iemand 
een slag geven ergens mee (b. v. met een 
wapen). 
DJËLANTIR, hetzelfde als djalantir II. 
DJËLAT, alleen in sadjëlat, = sdkeudeung, 
een oogenblik, na een oogenblik. P. 

DJËLËBET, nab. van het klappen eener 
zweep en in 't alg. van het geluid van 
slaan: klap, knal, klets. 

DJËLËQ (vgl. djlëg), plotseling ergens 
neervallen, zijn of staan; ngadjëlëgkeun, 
z. v. a. ngadëgkeun, oprichten, stichten, 
bouwen; didjëlëgkeun. 

DJËLËQONQ, golvend (van den bodem), 
geunduleerd. P. 

DJËLEH, onwillig, niet aan willen, een 
afkeer hebben van; ngadjëleh, afkeerig 
zijn van, een afkeer koesteren van; saka- 
djëleh, één in afkeer ergens van; ngadjëleh- 
keun, (iemand, of het hart) afkeerig 
maken van. 
DJËLËMA, Ie 't meer gebr. dj alma. 
DJËLËNGAT DJËLËNGOET, zie djëlëngoet. 
DJËLËNGIT, ngbr.; ngadjëtëngit, harteleed 
(njëri ati) hebben, inwendig pijn hebben. 
DJËLËNGOET, het zwijgend nederzitten; 
ngadjëlëngoet, in smartgevoel zwijgend 
nederzitten, in smart verzonken zitten; 
djëlëngat-djëlëngoêt, idem, aanhoudend. 

DJËLER, naam van een klein rivier- 
visebje. 
DJËLINGEUR, = 't meer gebr djalingeur. 
DJËLOG, = 't meer gebr. djlog. 
DJËMBANGAN, r= 't meer gebr. djam- 
bangan. 

DJËMBAR,ong. = lëga, ruim, wijd (een plek, 
een land), uitgebreid; ook: zich verruimen, 
uitbreiden, vermeerderen, het ruim hebben, 
rijkelijk, overvloedig; djëmbarna, ruim 
genomen [het woord wordt veel gebruikt 
tegenover Hnggëtna en agoengna t op déze 
wtJze: njoehoenkeun panghampoera, agoeng- 
na ka Pangeran, djëmbarna kakoelawarga, 
singgëtna ka doeloer-doeloer, ik verzoek ver- 
giffenis, bovenal aan den Heer, in 't alge- 
meen aan de familie, in 't bijsonder aan 
broeders en zusters]; verder: vooral, in- 
zonderheid, bijzonder (moeten); ngadjëm- 
baran, zich uitbreiden, zich vermeerderen, 
zich vermenigvuldigen; didjëmbaran baris 
ngalengkah, iemand ruimte geven om te 
gaan; ngadjèmbavkeun, iets uitbreiden, 
doen toenemen, doen aanwinnen, ryk of 
overvloedig maken, ong. = ngabeung- 
harkeun (zie beunghar); didjëmbarkeun; 



kadjëmbaran, ruimte van beweging, van 
middelen enz., welgesteldheid, overvloed, 
rijkdom; ook: verruiming des gemoeds, 
verkwikking. 

DJËMBEL, g. w.; ngadjëmbel, knijpen 
(sterker dan njiwit, zie tjiioit); didjëmbel. 

DJËMBËT, verward door elkander zitten 
(van het haar of den baard). 

DJËMBLËM (Indr.), rond, dik (van de 
wangen, hetzij van gezondheid, hetzij ten 
gevolge van een verzwering). 

DJËMBLOENG, I. = toewoeng en toem- 
boeng II., een aarden of houten kom, schaal 
of nap (grooter dan een pinggan), urne; - 
2. een grooten buik hebben; sidjëmbloeng, 
dikbuik. 

DJÉMBLONG, = 't meer gebr. djëmlong. 

DJËMBOEL, = djëmboet (P.);djëdjëmboel, 
een bosje hooi of gras, of ook wol een 
vlokje goed, ergens opgestoken. 

DJËMBOET, de schaamharen, de oksel- 
haren; ook: de haren van de djagoeng of 
maïs ; verder : de zoogen. këntang djawa, 
een aardvrucht. 

DJËMBROENG, gras of onkruid (ruigte) 
op een sawah, een weg, enz.; ook: een 
zware, lange baard (vgl. djambrong); nga- 
djëmbroeng, met gras of onkruid begroeid^ 
ruig, ong. = bala; ook: een z waren, lan- 
gen baard hebben ; ngadjëdjömbroeng, een 
zeer zwaren, langen baard hebben. 

DJËMLOENG, = 't meer gebr. gëmbloeng. 

DJËMLONG, I. ook ngadjëmlong, opengaan, 
openspringen, openbarsten (b. v. de grond); 
verder: een wijde gaping vormen (van een 
spleet), = molongo. 

II. Nat, inz. een groote natte plek in de 
sarong of in het baadje hebben. 

DJËMOEH, ngbr. ; djëmoehan> vergadering, 
het vergaderde; padjëmoehan, =s pakoem- 
poelan, vergadering, gemeente, vereeniging. 

DJËMPE, stil, rustig (in de natuur), een- 
zaam, doodsch; ook: gestild (b. v. een 
oproer); verder: zich stilhouden (b.v. een 
muziekinstrument), zwijgen (vgL simpe 
en rehe); ënggon noe djëmpe, een eenzame 
plaats; djomèmpe, stil-, rustig zijn (b. v. 
een stad in den nacht); njëmpe, zich stil- 
houden; didjëmpe-djëmpe, iets stil laten 
afloopen; njëmpekeun maneh, zich koest 
houden (b. v. iemand die iets op zijn ge- 
weten heeft). 

DJËMPËT, hetzelfde als djëmbët. P. 

DJËMPLING, z. v. a. hees djongdjon, door- 
slapen, en iibra, vast slapen; ook: alles 
doodstil; ngadjëmpling, vast slapen. 

DJËMPOL, verkl. met beuteung indoeng 
leungeun, de binnenzijde van den duim; 
sadjëmpol, één duimbreedte, enz. 



DJEMPRAK— DJENGKET. 



135 



DJEMPRAK, ngbr.; ngadjemprak, = an- 
dëkak, sito-zitten op de gewone manier. 

DJËMPROENG, = proeng, werkw. tus- 
schenw. vooi: pëgat, breken; ook voor: 
losschieten; verder voor: pëpëgatan, van 
elkander scheiden (van echtgenooten); 
djëmproeng tali parëgat, daar braken de 
touwen. 

DJËNAR, poëtisch voor hedjo, groen; 
gëdah djënar, groen glas. 

DJËNAT, voll. si djënat, een verdichte 
naam, waarmede de vrouw haren (af- 
wezigen) minnaar bedoelt; djënatna, ten 
t\jde van, tijdens het leven van (iemand 
die tot de overledenen behoort). 

DJËNDI, b\) het loopen de voeten hoog 
optrekken; djarëndi, idem. P. 

DJËNDJL, ngbr.; ngadjëndü, kleine ver- 
hevenheden vormen op de huid. 

DJËNDOL, knop of prop achter in den 
hoofddoek (in den nek); ngadjëndol, zich 
een prop achter op het hoofd maken (van 
iemand die geen of slechts kort haar 
heeft); ook: een prop zijn of vormen, uit- 
puilen (van een gezwel). Vgl. bëndol. 

DJENDRAL, het Holl. generaal; idem. 

DJËNËNG, een waardigheid of rang be- 
kleed en; ook: rang, waardigheid; djënëng 
nabi, profeet ztyn; djënëng panghoeloe, pries- 
ter zijn; djënëng radja, vorst ztfn; djoer 
mënëng, 1. ~ djënëng, een rang of waardig- 
heid bekleeden, den titel dragen of voeren 
van; - 2. 1. van hiroep t zijn, leven; djoemë- 
nëng salalawasna, (van God) leven tot in 
eeuwigheid; ngadjënëngan t een ambt of 
waardigheid bekleeden; ngadjënëngan 
icadana, districtshoofd zijn; didjënëngan, 
onder het gezag staan van; ngadjënèng- 
keun, iemand tot een rang of waardigheid 
verheffen, benoemen, aanstellen, instal- 
leeren, inhuldigen; didjënëngkeun; djënë- 
ngan 1., kakasih 1, p., ngaran k., naam, 
eerenaam, titel; ngadjënënganan, 1. van 
ngangaranan t een naam geven, noemen; 
didjënënganan; kadjënëngan, waardigheid, 
ambt waaraan gezag verbonden is, dienst, 
bediening; padjënèngan of pandjënëngan, 
titel, naam, waardigheid, stand. 

DJËNQ, korte vorm van kangdjëng; zie 
ald. en verg. adjëngan, 

DJENODJLENQ, ngbr.; ngadjengdjleng, 
steeds in beweging zijn, rusteloos (b. v* 
een rijpaard in gang). Zie ook djëngleng, 

DJENQQEK, I. naam van een slakje als 
de tenggek. P. 

II. Hetzelfde als toelang djagong, stronk 
van maïs. P. 

DJËNQQI, voll. noesa Djënggi of nagara 
Djënggi, Koromandel. P 



DJENQGLENG, ngbr.; ngadjenggleng, (van 
een huis) lief gelegen zijn. 

DJËNGGOET, ngbr.; ngadjënggoet, de 
handen in 't haar slaan, met de handen 
in 't haar zitten, aan 't haar rukken, zich 
het haar uitrukken (b. v. uit wanhoop); 
ook wel: grassprietjes uitrukken (P.); 
didjënggoet (Vgl. djambak.) 

DJËNGHAK, ngbr.; ngadjënghak, (van het 
been) uit het gewricht schieten, het ge- 
wricht voorbijschieten; ook: het „spit" 
hebben. 

DJËNQKANG, ngbr.; ngadjëngkang, zich 
ach tero verwerpen; patingdjarëngkang, van 
vele voorwerpen, b. v. boomen: ter aarde 
storten; tidjëngkang, achterover ter aarde 
storten (vgl. djongkloty^ngadjëngkangkeun, 
achterover werpen of doen vallen; nga* 
djëngkangkeun maneh, zich achterover 
werpen; didjëngkangkeun. 

DJÈNGKAR, I. veel worden, in getal toe- 
nemen, vermenigvuldigen, vermeerderen 
(van dieren, menschen, enz.); ngadjëng- 
karkeun, =r ngalobakeun, in hoeveelheid 
doen toenemen, vermeerderen; didjëng- 
karkeun. (Vgl. rëkah.) 

II. L. p., angkat L, indit k., op weg gaan, 
op reis gaan, optrekken, vertrekken. 

DJENGKAT, het opspringen ; ngadjengkat, 
opspringen (z. a. uit een zittende houding) 
en heengaan, zich oprichten om te ver- 
trekken, een been oplichten en verzetten 
(b. v. om niet getrapt te worden); Hng- 
djarengkat, van velen : dartel loopen, darte- 
len, rondspringen. (Vgl. djëngket.) 

DJENQKE, met de teenen op den grond 
steunen (van iemand die op de knieën 
ligt), op de teenen staan of loopen; ook: 
op één been of poot staan; ngadjengke, 
op de teenen loopen (niet den voet plat 
op den grond zetten); ngadjengkekeun, de 
teenen op den grond doen rusten; didjeng- 
kekeun. 

j {DJENGKEL, = keuheul en gareteïe (vgL 
ook djoehal), ontevreden zijn, verdrietig 
over iets zjjn, geen geduld meer hebben, 
iets of iemand moede zijn, zich getergd 
voelen, kregel, kregelig; kadjengkêhdjengkel, 
verkl. met mawa kana djengkel of matak 
djengkel, vervelend, saai [rgl. soortgelijke 
vormen btf hese en lila}] ngadjengkelkeun, 
iemand djengkel maken; ngadjengkelkeun 
pikir aing, je verveelt me, je maakt me 
kregelig; didjengkelkeun. * 

DJËNGKËR, geheel stijf zijn (van een lijk 
of doode). Vgl. djëgër. 

DJËNGKET, in drift oprijzen en heengaan; 
ngadjengket, idem. (Vgl. djengkat.) 

DJENGKET, aaneenkleven, aan elkander 



136 



DJENÖKING— DJERELEL. 



vastgekleefd zitten (inz. van het hoofd- 
haar). 

DJËNQKING, ngbr.; kala-djëngking, naam 
van den kleinen (witachtigen) schorpioen. 
(Vgl. langgir.) 

DJËNGKOEL, het bewegen van het knie. 
gewricht (vgl. tikël)\ ngadjèngkoel, het knie- 
gewricht bewegen; didjëngkoeldjëngkoel- 
keun, (van het kniegewricht), aanh. of 
gedurig gebogen worden. P. 

DJENGKOL, naam van zekeren boom en 
van zfln ronde, bruine, stinkende vrucht 
[die b\j vele Inlanders geliefd is, niettegen- 
staande de nadeelige gevolgen welke zy 
dikwijls op de piswerktuigen uitoefent]; 
tangkal djengkol, naam van den boom; 
djengholeun, pfln op het water hebben ten 
gevolge van het eten van djengkol, zfln 
water niet kunnen loozen (Vgl. sëpi II. en 
djengkel.) 

DJËNGLENG, ngbr.; ngadjëngleng, prach- 
tig, grootsch (een woning, een paardenstal, 
enz.). Vgl. djenggleng. 

DJÉNG08, ngbr.; ngadjëngos, z.v.a. njën- 
tak t snuiven, snauwen; djëdjëngos, snuiven 
(inz. van een buffel die los wil). 

DJËNOEK, talrijk, veelvuldig. P. 

DJÉNTAL-DJÊNTOEL, zie djëntoel. 

DJENTA8, een bamboe, tot vlonder over 
het water gelegd. P. 

DJËNTIK, 1. van tjinggir, de pink. [Niet 
algemeen.] 

DJËNTOEL, ngbr.; ngadjëntoel, voorover- 
zitten in gebogen houding, in gepeins 
verzonken zitten, zitten my meren; ook: 
staan of liggen (van een groot voorwerp; 
van meerdere voorwerpen zegt men taring- 
goel); ngadjëdjèntoel, lang in gebogen hou- 
ding nederzitten; djëntal-djëntoel, of djoental- 
djëntoel, = hoelang-hoelëng, gedurig of aan- 
houdend in gepeins verzonken zitten. 

DJENTRE, in orde, naar den eisch, gere- 
geld; njadjmtrekeun, in goede orde plaatsen, 
bewyzen dat iets is zooals het behoort; 
didjentrekeun. 

DJËNTRENG, nab. van 't geluid der 
katjapi en tarawangsa^djëntroeng-djèntreng, 
ss djëntreng, met verst, of mj herha. 
ling. P. 

DJËNTROENG, de bassnaar van een 
katjapi en van een taraicangsa, waarmede 
de goöng wordt nagebootst. P. 

DJËNTRONG, klanknab. van het stooten 
met een staaf op iets hards (P.); ngadjën- 
trong i met een staaf op iets hards stooten; 
ngadjëntrong-djëntrong, hetzelfde, bjj her- 
haling of voortdurend. 

DJEOD (Kad.), naam van een zwarten 
vogel. 



DJËP, werkw. tusschenw. voor: zich in 
eens stilhouden, in eens stil worden (nader 
uitgedrukt door djëmpe, rehe, enz.); djëp 
djëmpe-rehe, het werd doodstil. 

DJËPANG, het Holl. Japan; idem, voll. 
nagara (of tanak) Djèpang;oerang Djëpang, 
Japannees. 

DJËP AT, ngbr.; ngadjëpat, scheef of 
dwars liggen, vóór iets liggen, in den weg 
liggen (b. v. een dier); ook: voor iets 
hangen (b. v. een wolk). 

DJËPIT, knijper, nijptang, bankschroef; 
ngadjëpü, klemmen, tusschen iets knapen, 
in- of tusschenklemmen ; overdr.: afzetten, 
afpersen, uitbuiten, uitzuigen; lelahna 
didjëpit koe beusi, zjjn tong werd geklemd 
tusschen yzer; ngadjëpitan, afklemmen, 
afknjjpen (z.a. met een tang); didjëpitan; 
djëpitan, = djëpit. 

DJËPLAK, klanknab. van klappen of 
slaan: klets, pats; djëplak, pada mètjoet 
koeda, patsl daar gaven ze hun paarden 
de zweep. 

DJËPLOEK, I. met een sprong vooruit- 
gaan, vooruitspringen (b. v. een ruiter) en 
dan met snelle vaart voortstuiven;dj$ploefc 
soeltan mëtjoet koeda, de sultan sprong 
vooruit, z\jn paard de zweep gevende. 

II. Ngadjêploek, = malikan deui, op iets 
terugkomen, weer oprakelen; ook: terug- 
krabben. 

DJËPLOK, klanknab. van iets dat in 't 
water valt. P. 

DJËPOEN, verkl. met aloes, mooi, fijn (P.); 
katjang djëpoen, naam van een peulsoort, 
dezelfde als kadèle. (Zie ook tahoe.) 

DJÈPOET, z. v. a. tjamplang t de geheele 
duur van een gegeven tyd, vol; sapoë 
djëpoet, een volle dag, de geheele dag; 
dalapan peuting djëpoet y volle acht nachten 
(dagen). 

DJËPRET, nab. van het knarsen van 
een sleutel in het slot. (Vgl. djëbrod.) 

DJËPROET, werkw. tusschenw. voor 
pëgat, breken, knappen. 

DJËPROT, werkw. tusschenw. voor het 
afgaan van een geweer, een pyl, enz. 

DJËRAT-DJËRIT, zie djërit. 

DJERE (Kad.), achtste bouw grond; sa- 
djere y één achtste bouw; teu sadjere-djereëun, 
geen achtste (ervan). 

DJEREBEBENG, ngbr.; ngadjerebebeng, 
(van een vogel) de vleugels uitgespreid 
hebben; ngadjerebebengkeun, de vleugels 
uitslaan; didjerebebengkeun. (Vgl. djiri- 
bibing.) 

DJËRËLËL, ngbr.; ngadjërëlël (Kad.),= 
njërëlëng (zie tjërëUng), met een straalde 
uitloopen. 



D JERETE— D JEUD JEUT . 



137 



DJERETE, ngbr.; djedjeretean, dartelen, 
z. a. een vischje in het water. P. 

DJÉRIH (vgl. adjrih), verkl. met teu paja 
en teu kaop, niet of niets kunnen uitstaan 
of verdragen, niet tegen iets kunnen, 
vervaard; djëdjèrih, (het tegenovergest. van 
gagah), vreesachtig, bloode, licht vervaard, 
kleinmoedig. 

DJËRIT, gil, kreet; een schreeuw of gil 
geven; djërit djalma noe raheut, de gewonde 
gaf een gil; ngadjërit, z.v.a. ngotjejak, een 
gil of schreeuw geven (van vreugd, maar 
inz. van smart), schreeuwen, schreien, 
gillen, kermen; djëdjëritan, aanhoudend 
schreeuwen, schreien, kermen of jammeren; 
djëratdjërit, telkens een gil of schreeuw 
doen hooren, gedurig of herh. schreeuwen, 
kermen, enz.; tingdjalërit, gillen, schreeu- 
wen, kermen (van velen en verspreid). 
Vgl. dëngek en kotjejak. 

DJËRO, I. k., lëbët 1., 1. in, binnen, van 
binnen; boedjang djëro, binnenjongen, huis- 
bediende; bërësih loewar-djërona, rein van 
buiten en van binnen; - 2. diep; soemoer 
djëro, een diepe put; ook overdr.,b. v.elmoe 
djëro, een diepe leer of kennis ; - 3. laag 
z$jn, laag staan (van water); - di djëro of 
dina djëro, in, binnen; di djëro ha te, in 
het hart; di djëro salat, in het gebed; di 
djëro ngadji, in (onder, tydens) het lezen; 
di djëro 8 poë, binnen 8 dagen; djëroning, 
in, b.v. soeka djëroning prtfcoftn, blijde in de 
smart; prihatin djëroning soeka, bedroefd 
onder de vreugde; roos djëroning pangim- 
pen, zich gevoelen als in den droom; 
sadjëro, = di djëro, b. v. hanteu tëroes djeung 
ati sadjëro koemavooela, niet van harte (bezig 
ztfn) in het dienen; sadjëroning, in, b. v. 
sadjëroning hate, in het hart; sadjëroning 
boemi, in (op) de aarde; sadjëroëun, in, 
b. v. mikir sadjëroëun hate, denken in 
het hart; djëdjëroan, innerlijk, b.v. djëdjë- 
roan soeka-ati, z. v. a. ngeunah pikir, wel- 
gemoed; pangdjërona, de (het) diepste, de 
(het) onderste; kawaj pangdjërona, onder- 
kleed; ngadjëroan, dieper maken, uitdiepen, 
verdiepen; didjëroan; kadjëroan (brj de Bad.), 
binnenkampoeng, het verboden gebied; 
oerang kadjëroan, de Badoej's in engeren 
zin, de „binnenpoorters". ("Vgl. dalem.) 

II. = lëbët II. en daUm, de woning van 
een regent (hetzfl het inwendige of de 
geheele woning, of wel de woning met 
bjjbehoorend erf); mantri djëro, wat wjj 
noemen: kamerheer; saeusining lëbët, alle 
bewoners van het regentshuis. 

DJËROEK, oranjeappel, chinaasappel, 
citroen; ijai djëroek, citroensap; tangkal 
djëroek, de djëroek-boom. 



DJËROEM, ngbr.; ngadjëroem, z.v.a.witë- 
nah, iemand verdacht maken, betichten, 
valsch beschuldigen; didjëroem;djëroeman, 
—pitënah, betichting, oorblazerij, valsche 
beschuldiging. 

DJE8, hetzelfde als djas I. P. 

DJËTA-DJËTE,beweegiïjk,beweeglrjkheid. 

DJÉTËN, ngbr.; ngadjëtën, verkl. met 
nangtoeng tjüjing, d. i. staan en zich niet 
verroeren, roerloos staan. 

DJËTIN, zich te veel vrijheid 'jegens 
iemand veroorloven (zoowel van een vi ouw 
als van een man). 

DJËTJËNG, recht omhoog schieten (b. v. 
een vlieger), spichtig opgroeien. (Vgl. 
djoijong.) 

DJETOEN (Ar., zaitoen), voll. boewan 
djetoen, ol\jf; tangkal djetoen, olijfboom. 

DJËTOT, werkw. tusschenw. voor : wer- 
pen, stooten, steken, enz.; verder: stoot, 
duw, steek; ook: raken, treffen (van een 
steek een worp, een pvjl enz.); djëtot nëwèk, 
(h^) bracht (hem) een steek toe; meh djëtot, 
bjjna raken: djamparingna djëtot kana 
gënggërongna, de prjl trof ztfn stiot; - in 
Kad. daarenboven (nl. djëtoty. een stekende 
ptjn, b.v. in het oog; met verst, tingdjalëtot. 

DJËTREK, maar doorgaans ngadjëtrek, het 
neer- of dichtslaan van een gespannen 

haan. P. 

DJEUDJEUH (vgl. djadjah), ngbr.; sadjeu- 
djeuh, z.v.n.satapak'Soekoe, een voet lengte 
(nl. de lengte van een menschenvoet, vgl. 
kaki)', teu sadjeudjeuh-djeudjeuhatjan^tts 
niet de uitgebreidheid van een voetstap; 
ngadjeudjeuhan, iets met de voeten meten 
door voet vóór voet te plaatsen; didjeu- 
djeuhan; ngadjeudjeuhkeun, z. v. a. mënër- 
keun, iemand stieren, bestieren, leiden 
(z. a. ouders een kind of overheden hun 
onderhoorigen), iemand of iets bevorderen, 
iemand voorthelpen, iemands goederen 
beheeren, zorgen voor; ngadjeudjeuhkeun 
dirina koe mawh, voor zichzelven zorgen; 
didjeudjeuhkeun, gezegd van hem (haar, 
het) waarvoor gezorgd wordt of wiens 
belangen bevorderd worden; djeudjeuhan, 
oplettendheid, nadenken; teuboga djeudjeu- 
han, geen nadenken hebben, onnadenkend, 
onoplettend. 

DJEUDJEUR, een Btok of staak (b. v. om 
er een vlag aan te bevestigen). 

DJEUDJEURAEUN, = singsjjeuneun, met 
schrik bevangen zrjn (voor iets dat men 
ondervonden heeft), bevreesd om leed dat 
men eens ervaren heeft weder te onder- 
vinden. 

DJEUOJEUT, g. w.; ngadjeudjeut, (een 
net) knoopen; ngadjeudjeut ramat, een web 



138 



DJEUEUNG— DJILID. 



weven; didjeudjeut; ngadjeudjeutan, een 
net enz. knoopen of weven ; didjeudjeutan; 
djeudjeutan, dat wat men breit, knoopt 
of weeft; verder: een onderhanden net, 
knoopwerk, weefsel; padjeudjeut, met 
knoopen, krinkels of kronkels (van garen, 
touw, enz.), in de war (van garen, enz.). 

DJEUEUNG, =s deuleu, iets grover dan 
tendjo k., tingalil., g.w.:zie!kyk!nj«*«un0, 
zien; didjeueung, bezien worden; kadjeu- 
eung % gezien; djeungdjeueungeun, iemand 
of iets, vroeger gezien, niet meer kunnen 
vergeten, maar steeds voor oogen hebben; 
njeueungkeun, de oogen slaan op, aan- 
dachtig naar iets zien, iets aanstaren; 
njeueungkeun baioer, aandachtig zien hoe 
een ander doet; djeiieungkeun ka noe halalt 
doe (uw oogen) zien op hetgeen geoor- 
loofd is. 

OJEUG, = djag, werkw. tusschenw. 
voor: nederzetten; ook: afbreken (b. v. 
een verhaal). P. 

DJEUH, korte vorm van eudjeuh; zie &\d. 

DJEUN, korte vorm van kadjeun; zie sdd. 

DJEUNAH, voll. leungeun djeunah, de 
eerste bloemsteel van den kawoeng -boom 
of arenpalm [eig. de tweede, maar de 
eerste welke getapt wordt; vgl. tjaroeloek]. 

DJEUNG k„ sarëng 1., met, en, benevens; 
in vergeldingen (naast-elkander-plaatsing 
in werkelijkheid of in de gedachte): dan, 
of, b. v. djeung njëmbah ka noe teu poegoeh 
mah hade kitoe, beter dan IJdelheid te ver- 
eeren is het zóó te doen; hade mana, noe 
taroengkoel djeung noe djarotjong? welke 
ztyn beter, die den top laten hangen of 
hem omhoogsteken? ook in de plaats van 
oelah, b. v. poma AU djeung katjiri, d. Lpoma 
AU oelah katjiri, zorg, Ali! dat ge niet 
gezien wordt ;papatjoewan djeung kasorang, 
d. i. papatjoewan oelah kasorang, bega 
(bedrijf) dat niet. (Vgl. reudjeung.) 

DJEUNGDJEUEUNGEUN, zie djeueung. 

DJEUNGDJEURIHEUN, aan pisopatopping 
lflden. (Vgl. djërih.) 

DJEUNGDJING, naam van een boom, voll. 
tangkal djeungdjing. 

DJEUNGKAL, span (nl. van den top des 
duims tot dien des middelvingers); 
sadjeungkal, één zulk een span, enz. 

DJEUNTA8, stelling (om ergens btf te 
klimmen). 

DJEURAJ (Z.-B.), naam van een rivier- 
visch. 

DJEUREUH, een groote boor. 

DJEUWANG, ngbr.; ngadjeuwang, met 
haast of In boosheid iets wegnemen of 
van iemand aannemen. 

DJËWET, g. w.; ngadjëdjêwet, in kleine 



stukjes scheuren (b.v. een brief); didjèdjë- 
wet, geheel verscheurd worden (b. v. door 
een ttyger); ngadjëwetkeun, een stuk ergens 
afscheuren (b. v. van papier); didjëwetkeun. 

DJIBROEG, = tjiproek, doornat, druip- 
nat (van de kleeren), geheel nat, druipen 
(b. v. een mes van bloed). 

DJiBROET, door de hand tusschen den 
oksel te knellen een geluid maken waar- 
mede men leedvermaak aanduidt; djidji- 
broetan, aanh. zulk een vreugdebetoon 
maken. 

DJIDAL (Ar.), redetwist, dispuut. 

OJIDJIGANG, ngbr.; ngadjidjigang, zitten 
met de horizontaal uitgestrekte beenen 
van één. 

DJIDJINGKLAK, ong. = adjroeg-adjroegan, 
springen (gepaard met een beweging der 
armen), rondspringen. 

DJIDOET, een nieuw woord te Soemedang 
voor djima' en nëmah (zie tëmah). 

DJIG, een toeroep, z. v. a. bral, ga! ga 
heen! loop voort! 

DJIGA, = siga en kawas, schynen te 
ztfn, er uitzien als, alsof; hanteu asa reu- 
djeung djiga, niet twijfelen, niet weifelen, 
niet aarzelen, zonder voorbehoud; oelah 
asa reudjeung djiga, gevoel u nier niet 
vreemd, gevoel u hier thuis (twtffel niet 
of gfl dit of dat wel moogt); djiga-djiga, 
schenen te zfln, het schynt wel, hy (zty) 
schynt wel te zyn. 

DJIGDJRIQ (vgl. djogdjrog), op een drafje 
loopen; ook: huppelen (van kinderen); 
ngadjigdjrig, idem. (Vgl. bigbrig.) 

DJIHAT, windstreek, richting, hoek. B. 

DJIÏH, = wërëdjih, het uitbraden of uit- 
druppelen van vet uit een stuk vleesch 
of derg., dat men boven het vuur roost. 

DJIJAD (Ar.), edel, edelmoedig, vrijgevig; 
in gebruik als 1. van bërkah en van doa, 
zegen, hei], gunst; ook: voorspoed ten ge- 
volge van zegening of voorbede. (Vgl. 
bërkah.) 

DJIJEUN, g. w.; njijeun k., ngadamël 1., 
maken, vervaardigen, tot stand brengen; 
ook: veroorzaken; didjijeun; djidjijeunan, 
knutselen; verder: hetgeen men gemaakt 
heeft, maaksel, namaaksel, verzinsel, ver- 
dichtsel; ook: van eigen maaksel; omong 
djidjijeunan, gemaakte woorden, verzinsel. 

DJILID, 1. (Ar. djüd, huid), leeren band 
van een boek; ook: band, boekdeel; nga- 
djilid, een boek inbinden; - 2. (Ar. djald), 
verkl. met rangket, slaan, geeseling; 
hoekoem djilid, geeselstraf; ook: geesel- 
slag; saratoes opat poeloeh djilid, honderd 
veertig geeaelalagen; ngadjilid, geeselen; 
didjilid, gegeeseld worden. 



DJILOELOET— DJIRO. 



139 



DJILOELOET (Z.-B.), naam van een zee- 
visch. 

DJIMA' (Ar.), geslachteiyke vereenigingi 
by slaap ;ngadjima\ den beslaap uitoefenen; 
ngadjima' ka lalaki, een man by liggen; 
didjirna', ïyd. vorm, gezegd van het voor- 
werp van byiiggmg. (Vgl. ewe en tëmah.) 

OJIMAT (Ar., azimat), talisman, amulet; 
dipidjimat, iets (alsof het een amulet was) 
in hooge waarde houden. (Vgl. isim.) 

DJIMPO, groote vierkante doek om iets 
in te bergen en mede te dragen (in ge- 
bruik o. a. by de theepluksters). 

DJIMPRAK, ngbr.; djidjimprakan (eig. 
Jav.), springen of opspringen van vreugde. 

DJIN (Ar.), geest, geesten (geniën), nl. 
een soort geesten die men zich voorstelt 
als tusschen engelen en menschen in 
staande en die men onderscheidt in djin 
Islam, dat zyn zulke die den Islam aan- 
genomen hebben, en djin kapir, zulke die 
dat niet hebben gedaan; laatstgenoemden 
heeten ook ipri of iprit. 

DJINABAT (Ar.), = 't meer gebr. djanabat; 
adoes djinabat, = siram djanabat, zie 
djanabat. 

DJINAH (Ar., zina), ontucht, hoererij; 
ook : hoererij bedrijven (vgl. ranjed)\ verder: 
verkeerd inhaken (het haakje in een ver- 
keerde trens steken); djinah ka, hoereeren 
met (een vrouw); [men onderscheidt: djinah 
mata, op elkander een begeerljjk oog 
werpen; djinah hate, hoereeren of begeeren 
in of met het hart; djinah tangan, als 
een man en een vrouw uit begeerlijkheid 
elkander iets geven; djinah lampah, de 
werkelyke daad van hoererij] ; beunang dji- 
nah, uit hoererfl geboren; ngadjinahan , hoe- 
reeren met (een vrouw) ; didjinahan ; mang- 
djinahkeun, (van een vrouw) jegens haar 
man hoereeren (mangdoewakeun, zie doewa), 
afhoereeren. 

DJINAKA (Z.-B.), naam van een zeevisch. 

DJINA8AH (Ar., djinazat), = pasaran, 
ïykbaar; in Kad. ook: ïykstatie, nl. van 
Inl. hoofden [waarvoor men in den regel 
een speciale, houten baar in voorraad 
heeft, die dan by gebruik met wit doek 
wordt overdekt, z. a. een huifkar, en ver- 
sierd met bloemen]. 

OJINDIK (Ar., zindiq), Magiër, vuuraan- 
bidder, atheïst, goddelooze. 

DJINËK, bestendig, geregeld, vast in iets, 
ergens vast verblijven, geregeld gaan 
(van een uurwerk), geregeld leven, rustig, 
kalm (van het hart). 

DJINËM, I. naam van een soort poleng 
of geruite stof, tot kasang of kamer- 
behangsel gebezigd. 



II. (Z -B.), verkl. met angën, gemoed. 

III. Kadjinëman, geleider van gevangenen, 
rakker; ook genoemd oepas berok. 

DJINGDJËT, met kleine stapjes loopon 
(door styfheid in de billen, kromheid van 
de knieën of een ander accident, hetwelk 
iemand verhindert om behooriyk vooruit 
te komen). 

DJINGDJINQ, g. w.; ngadjingdjing, op- 
lichten met de hand, in of aan de hand 
dragen (zóó dat de arm langs 't lichaam 
afhangt); ook: in de klauwen dragen (van 
een roofvogel, b. v. van de heulang); 
didjingdjing; djingdjingan, ook wel tenteng 
genoemd, een dun staafje, ong. % vadem 
lang, van bamboe of djambe-hout, waar- 
mede men bff het weven de draden oplicht 
(om de schietspoel door te laten); djing- 
djingeun, de jicht in de beenen hebben 
(en ten gevolge daarvan de beenen niet 
kunnen gebruiken), jichtig. (VgL djoeng- 
djoeng.) 
DJINGGA, oranjekleur, hoog oranje. 
DJINGKLOEK, mank gaan, kreupel gaan, 
hinken. 

DJINGKROENQ, = dingkoet, hinken (door 
pjjn aan den voet). 

DJINIS (Ar.), soort (b. v. van een boom), 
qualiteit, gehalte; ook: het kapitaal, het 
giondkapitaal; - verder: de bedoelde per- 
soon, de persoon dien het aangaat, in 
persoon, in eigen persoon, de persoon 
zelf; poegoeh djinis nabi, het is inderdaad 
de profeet in persoon; sadjinis, van één 
soort, van denzelfden oorsprong; toewang 
djinis, lachen om eigen grappen. 
DJINTÉN, komyn, komijnzaad (wikke). 
DJ1PRO, het Holl. juffrouw, voll. nona 
djipo, juffrouw, nl. gouvernante, bonne, of 
andere ongehuwde vrouwelyke bediende 
van Europeesche afkomst. (Vgl. nona.) 

DJIRAK, naam van een boom, voll. 
tangkal djirak. 

DJIRËT (vgl. tët), een strik van touw 
om een dier (b. v. een tflger), een vogel 
(zie ratjik), of ook wel een mensen te 
vangen (zie eurad), valstrik (vgl. ridjët); 
ngadjirèt, een strik spannen (om een dier 
of mensch te vangen); didjirët, 

DJIRIBIBINQ, ngbr.; ngadjiribibing, de 
vleugels uitspreiden of uitgespreid hebben; 
ook: (van een pauw) den staart uitspreiden 
of uitgespreid hebben. (Vgl. djerebebeng.) 

DJIRIM (Ar.), lichaam, volume, ai wat 
een plaats beslaat in de ruimte; verder: 
het stoffeiyke, wat met de zintuigen is 
waar te nemen; vandaar ook = sakoer noe 
anjar, het geschapene, en: de massa. 
DJIRO, vrooiyk rondspringen, dartelen 



140 



DJIS— DJOEBAÏÏ. 



speelsch (b. v. een paard dat pas van stal 
komt); këbo djiro, 1. voll. lagoe këbo djiro, 
een wijs (muziekstuk) waarmede de gasten 
welkom worden geheeten, vóór balagan- 
djoer; - 2. een soort van batik voor hoofd- 
doeken. 

DJIS, hetzelfde als djes. P. 

DJI8IM (Ar.), lichaam, lijk. (Zie abdi en 
koering en vgl. djasad.) 

DJITOES (samenst. van de laatste letter- 
grepen van hidji, één, en ratoes, honderd), 
verkl. met hidji dilawan saratoes, één 
tegen honderd, een ongelijken strijd voeren. 

DJITONQ (samenst. van de laatste letter- 
grepen van hidji, één, en potong, op de 
helft doorslaan), verkl. met hidji koedot 
dipotong, d. i. wat hty, die iets .in leen 
heeft (b. v. een net), daarmede wint, moet 
hy m twee geiyke deelen verdeelen tus- 
schen den eigenaar en hemzelven, samen 
geljjk op deelen. 

DJ1WA (Skr.), ziel (vgl. njawa); in 't 
Soend. uitsluitend gebezigd om een zielen- 
tal aan te duiden, b. v. tiloe reboe djiwa, 
drieduizend zielen. 

OJIWIR, ngbr.; ngadjiwir, van voren 
opnemen (b. v. de sarong, om sneller te 
kunnen loopen); didjiwir. 

DJLAG, stooten (z. a. een kar op een 
ongelijken weg); djlog-djlag, aanh. stooten 
(van een kar), stommelen. P. 

DJLAG-DJLIG, zie djlig. 

DJ LÉO, L werk. tusschenw. voor: plotse- 
ling ergens nederdalen, vallen, zich be- 
vinden; ook: eensklaps, plotsel ing jsadjWfgr, 
= sdbarang f terstond of oogenblikkeiyk 
na, terstond daarop; sadjlègna didinja, 
op datzelfde oogenblik. 

II. Ygl. djëlèg, statuur, lichaamshoogte 
van den mensen; sadjlègna djëlëma, ter 
grootte (hoogte) van een mensch. 

DJLÉNG, werk. tusschenw. voor: loentjal, 
overspringen. 

DJLIG, werkw. tusschenw. voor: afgaan, 
afspringen; djlag-djlig, op- en afgaan, op- 
en* afspringen. 

DJLOG, = djlëg, plotseling ergens komen 
of aanwezig ztfn. 

DJLOG DJLAG, zió djlag. 

DJOBANG, naam van een kip met roode, 
zwarte en witte veeren en groene pooten. 

DJOBLANQ, handtrom, brj de ogel of 
kluchtspelers in gebruik; - ook naam 
van een lagoe of wjjs. P. 

DJOBONG (Kad.), een klein vertrekje in 
een grooter (b. v. de nis in een moskee, 
ter aanduiding der kiblat, zie mtiirab)\ ook 
gezegd van de kleine vertrekjes waarin 
de houder van een bordeel een groot 



vertrek afdeelt, om aan iedeie ronggeng 
gelegenheid ie geven daarin haar bezoeker 
te ontvangen; verder = oengkloek, ge- 
meen vrouwspersoon, lichtekooi; soendal 
djobong, allemanshoer. 

DJODANG, naam van een groote tja- 
rangka. P. 

DJODJO, g. w.; ngadjodjo t = mënëran 
(maar met opzet), recht op iets afgaan; 
ook: doelen op (b.v. bjj schieten); didjodjo\ 
ngadjodjoan, ten naasten by of zoo goed 
mogelijk (b.v. recht schaven); didjodjoan. 
(Vgl. bènër en poentjoeh.) 

DJODJODE, maar meestal ngadjodjode, 
op minder beleefde of wel onbetamelijke 
wjjze iemand iets aanbieden of mede- 
deelen; didjodjode, alzoo aaugeboden wor- 
den, enz. 

DJODJODOG, laag voet- of zitbankje, 
schabel. 

DJODJOËT, ong. = sosoëh, in kleine 
stukken scheuren; ngadjodjoët, verscheuren; 
didjodjoët. (Vgl. djëwet.) 

DJODJOH, verkl. met njoso, angot en 
ngahantëm, iets sterk-, met kracht-, met 
grooten lust of Jjver doen; djeung djodjohi 
met kracht (doen); beuki djodjoh, by toe- 
neming, te meer. 

DJODJONG, = 't meer gebr. tonggoj. 

DJODJONGKONG, een soort koeweh van 
këtan-mtel met van binnen suiker en 
tjupati, gepakt in pisangblad en vervolgens 
diseupan ; djodjongkong amis ijangkeng, een 
sprkw. voor: inwendig zoet. 

DJODO, lot, bestemming, wat voor 
iemand bestemd-, voor hem weggelegd is; 
ook: de (het) voor iemand bestemde, 
wederhelft (van beide geslachten), echtge- 
noote, echtgenoot; manggih djodo, een 
wederhelft vinden; nongtot djodo, (vaneen 
meisje) telkens afspringen van haar huwe- 
Hjk, maar niet tot trouwen komon; pondok 
djodo, (van den man) den echt verbreken ; 
pidjodoëun, aanstaande echtgenoot; pidjo- 
doëun koering, mtfn aanstaande echtgenoot ; 
sadjodo, = sakoerënan, een paar, ook wel 
van dieren; ngadjodokeun, paren, uithu we- 
cken, tot echtgenoot geven; didjodokeun. 

DJODOG (Z.-B.), een niet overdekt uit- 
stek op zrj of achter het huis, waar men 
zich de voeten wascht alsvorens binnen 
te gaan. 

DJOEBAG (Z.-B.), ten gevolge van ouder- 
dom, ziekte of lichamelijk letsel niet meer 
in staat ztyn om ingespannen lichame- 
ïyken arbeid te verrichten; ong. = djompo. 

DJOEBAH (Ar.), tabbaard, lang en wijd 
overkleed [zooals de hadjïs het recht 
hebben te dragen, maar dat ook wel door 



DJOEBLEG— DJOELANG. 



141 



andere mannen gedragen wordt by een 
gang naar de moskee]; verder: staatsie- 
gewaad, toga. 

DJOEBLEG» I. Soem., — koeblëk enlisoeng 
pondok, een kort rystblok. 

II. Een groote tjarangka (zie ald.). 

III. Wezenloos, stil krankzinnig; baroe- 
wang djoeblëg, een vergift dat wezenloos 
maakt; ngadjoéblëg, wezenloos zitten 
staren, aan stille krankzinnigheid ïyden. F. 

DJOEBOENG, een cirkelvormig hol voor- 
werp, dat men in een pan met suiker 
doet om het overkoken te beletten; ook 
= soeroemboeng, zie ald. (P.) 

DJOEBOER, verb. van boedjoer; zie ald. 

DJOED (Ar., djoez, deel), een der dertig 
deelen waarin do Koran verdeeld is; 
sadjoed, zulk een dertigste. 

DJOED!, I. (Skr. jüdi), dobbelspel; maen 
djoedi, dobbelen. 

IL (Skr. yodhï, strjjder), stryd; kadjoedi, 
1. overmeesterd, overwonnen; ook = 
katilcasan, door een ongeluk getroffen, 
omgekomen; - 2. verstaan, begrepen, door- 
zien; teu kadjoedi, niet verstaan worden 
of zyn, er niet by kunnen. 

DJOED JOE, g. w.; ngadjoedjoe, den vrijen 
teugel laten; inz.: volop te eten geven; 
didjoedjoe. 

DJOEDJOEL, = boentoe, stuiten, niet 
verder kunnen, niet verder willen (b. v. 
een gobang in de scheede, omdat het eind 
der opening bereikt is), het einde-, de 
grens bereikt hebben. 

DJOEDJOENQ (Z.-B.), naam van een 
riviervisch als bontjel, maar grooter. 

DJOEDJOER, doorgaan, recht doorgaan, 
doorwerken, aanhoudend in dezelfde rich- 
ting of op dezelfde wrjze voortgaan (ong. 
= djongdjon); ngadjoedjoer, = ngaladjoer, 
door laten gaan, den teugel vrijlaten, vry 
laten begaan, zyn gang laten gaan, bot- 
vieren, zyn zin doordrijven (voll. ngadjoe- 
djoer karëp); didjoedjoer. (Vgl. anteur en 
oembar.) 

DJOEDJOEROEPOET, (niet algemeen), 
verkl. met tjotjorokot, wegnemen, weg- 
pakken wat aan een ander behoort, be- 
hendig wegnemen. 

DJOEDJOET, het uitzoeken van kapas- 
vruchten; ngadjoedjoet, feopas-vruchten 
nazien, uitzoeken en in het ruwe zuiveren; 
o ver dr.: by zichzelvon nagaan hoe men 
iets zal uitvoeren; ook wel: iets van het 
begin af ophalen; didjoedjoet; ngadjoe- 
djoetan, uitpluizen (inz. van katoen (vgl. 
pèteng); didjoedjoetun; djoedjoetaneun, uitte 
pluizen katoen. 

DJOEG, werkw. tuaschenw. voor: zich 



richten naar (nader uitgedrukt door nga- 
djoegdjoeg, zie djoegdjoeg). 

DJOEGALA (Z.-B.), ong. z. v. a. tjonggah, 
aankunnen, opgewassen zyn tegen, ver- 
mogen; ook z. v. a. tjoekoep en soegih. 
voldoende hebben, vermogend; koe djoegala, 
geenszins (iemand) aankunnen. 

DJOEQANQ, I. een voorwerp (b. v. stuk 
bamboe of latjo) dienende om twee dingen 
van elkander houden; verder: stut,steun- 
sel, schoor; ngadjoegang, met eendjoegang 
stutten, enz. ; didjoegang. 

II. Grafkuil. P. (Vgl. roewang.) 

DJOEQANG-DJAQINQ, tegen elkander in- 
loopen (b. v. van bamboelatten). 

DJOEGANG-DJEGANG, zie djegang. 

DJOEGANG-DJIGANG, zie djegang. 

DJOEGDJAG-DJIGDJEUG, wankelende 
loopen, strompelen. P. 

DJOEGDJOEG, g. w.; ngadjoegdjoeg k., 
ngaboedjèng 1., gaan naar, op afgaan, koers 
zetten naar, zich richten naar; ook: peilen; 
didjoegdjoeg; teu pikadjoegdjoegeun f niet te 
peilen, onpeilbaar diep; sïlih- djoegdjoeg, 
elkander te gemoet gaan; ngadjoegdjoegan, 
het dieplood uitwerpen, peilen, gronden; 
hanteu beunang didjoegdjoegan, niet kun- 
nen gepeild worden ; pangdjoegdjoegan t het 
diep- of peillood. 

DJOEGIL, ngbr.; ngadjoegil, meten, op- 
meten. 

DJOEGOEL, = toegoe, bamboezen stalen 
aan de binnenzyde der deurposten, dienende 
voor de sluiting; ngadjoegoel, = ngadjèn- 
toel, zie djënioel. 

DJOEHAL(Ar., zoehal), do planeet Satur- 
nus; verder: het tegenoverg. van moestari, 
d. i. niet slagen, vergeefsche moeite doen, 
vergeefs ergens op uitgaan, enz.; ook: 
onaangenaam gestemd (z. v. a. keuheul 
ati), in of van iets verdriet hebben, 
't land hebben, verdrietig gestemd zijn; 
keuheul larangan boelan, niet slagen omdat 
het de verboden dagen der maand zrjn. 

DJOEKOENG, 1. een vaartuig, jonk; - 
2. = django, hot tuig van de totebel» 
rémpoe djoekoeng, z. v. a. saroewa, allen in 
hetzelfde lot deelen, lotgemeen. 

DJOEKOET, gras, kruid; pangangonan 
soegih djoekoet, grazige weide; djoedjoe- 
koetan, coli. meerv., onderscheidene grassen 
of kruiden; djoekoetan, met gras begroeid, 
gras hebben (van een veld). Vgl. daoen. 

DJOEL, = 't meer gebr. djol. P. 

DJOELANG, neus hoorn vogel zonder tjoela 
of hoorn, een grootere soort dan de rang- 
kong [hrj voedt zich met visch]; moro 
djoelang ngaleupaskeun peusing, een djoe- 
lang najagen en daarvoor een peusing of 



142 



DJOELAT-DJALETONG—DJOENGDJOENG. 



miereneter loslaten, sprkw. voor: bet 
zekere loslaten voor 't onzekere, of: beter 
één vogel in de band dan tien in de lucht. 

DJOELAT-DJALETONG. {in pantoen% van 
een sarong) half blank gelaten, balf ge- 
batikt. P. 

DJOEL-DJOL, zie djol. 

DJOELI, het Holl. Juli, idem; boelan 
Djoeli, de maand Juli. 

DJOELIG, sluw, listig, boos, boosaardig, 
schelmachtig, doortrapt; lakoe djoelig, 
schelmstuk, schelmery; ngadjoeligan, 
iemand listig-, verraderlijk-, schelmachtig 
behandelen, op schelmachtige wtyze be- 
driegen; didjoeligan; kadjoeligan, sluwheid, 
arglistigheid, boosheid, euveldaad, schelm- 
stuk. 

OJOELOEK, g. w.; ngadjoeloek, in een 
gat peuteren; didjoeloek; djoedjoeloek, naam 
van een grassoort, welks pit men op Java 
algemeen in nachtlampen gebruikt vindt ; 
ong. = darengdeng. 

DJOELOENG-DJELENG, rusteloos in ver- 
waande houding heen en weer loopen 
(b. v. iemand die zwanger gaat van eer- 
zuchtige plannen, of iemand die toornig is). 

DJOELOENG-DJOELOENG, naam van een 
zeer kleine vischsoort, die levende jongen 
werpt. 

DJOEMAAH (Ar.), by eenkomst ter gods- 
dienstoefening in de moskee (op Vrydag, 
tegen den middag); ook: Vrydag, voll. poë 
Djoema&h. ( Vgl. djama&h.) 

DJOEMADI'L-AHIR (Ar.), de zesde Moham- 
med, maand. 

DJOEMADIL-AWAL (Ar.), de vijfde Mo- 
hammed, maand. 

DJOEMAMBOE, zie djamboe. 

DJOEMANTËN, naam van een edel- 
gesteente van niet nader te omschreven 
soort, maar doorgaans gelijkgesteld met 
djamroet, smaragd; ook z. v. a. intën, edel- 
gesteente in 't algemeen. 

DJOEMARIGDJEUG, zie djarigdjeug. 

DJOEMAROEM, zie djaroem. 

DJOEMAROGDJOG, eensklaps; djoema- 
rogdjog seg düjokot, eensklaps nam hj) het 
weg. 

DJOEMBLAH, = 't meer gebr. djoemlah. 

DJOEMBLÉNG, ngbr.; ngadjoemblèng, 
grootsch, groot en mooi (een gebouw, een 
vflver, enz.). Vgl. djèngleng. 

DJOEMBOEL, I. ngbr.; djoedjoemboel, kuif, 
kuifle, inz. van een pauw. (VgLdjodjonUml 
b$j djombol.) 

IL Djoedjoêmbóilan, = teuteunggaran, (van 
een dier) aanh. stooten. P. 

DJOEMÉMPE, zie djëmpe. 

DJOEMLAH (Ar., het geheel), product 



van een som, in 't geheel, totaal, samen, 
som; ngadjoemlah, optellen; didjoemlah; 
ngadjoemlahkeun, een som of een aantal 
cflfers of getallen optellen ;didjoemlahkeun; 
djoenilahan, optelsom. 

OJOEMLI (Ar.), voll. dalil djoemli, z. v. a. 
algemeen bewijs [in tegenstelling met 
détail-bewys]. 

DJOEMPALIK, om tuimelen, omrollen; 
ngadjoempalik, omvallen (b. v. een hut), 
omslaan (b. v. een schip), ter aarde vallen 
(b. v. een mensen), zich onderstboven 
werpen, nederstorten (b. v. een pilaar); 
tidjoempalik, onderstboven vallen, om- 
tuimelen. 

DJOEMP1T, ngbr.; ngadjoempit, op handen 
en voeten loopen; ook: achteruitslaan^ au 
paarden). P. 

DJOEMPLOEK (vgl. ploek), ngbr.; nga- 
djoemploek, een groep vormen, z. a. een 
dorp met ztfn geboomte (ngadjoemploek 
lëmboer)\ patingdjaroemploek, ong. = tjloe- 
tjlo, hier en daar liggen, onder het geboomte 
verBpreid liggen (van dorpen). 

DJOEMPOEL, naam van een kleine 
vischsoort. 

DJOEMPOER, = djoempoel. 

DJOENDJOENAN, = 't meer gebr. djoeng- 
djoenan. 

DJOENG, werkw. tusschenw. voor: op- 
heffen, optillen, zich in beweging stellen, 
heengaan; ook = neut, zich oprichten 
(om te gaan) en = bral, vertrekken; 
geura djoeng, hef op! hef u op! ook: ga 
heen! (Vgl. djoengdjoeng.) 

DJOENGDJANG, een stut, rustende op den 
pamikoel en steunende den aoehoenan, in 
plaats van of = de koeda-koeda; djoeng- 
djangpandjang, = koeda-koeda\djoengdjang- 
pondok, = doedoer. 

DJOENGDJOENAN, 1. heer, gebieder, ni. 
hy die hot hoogste is, die de hoogste 
macht bezit, opperhoofd; djoengdjoenan 
noe koemawoela, heer der onderdanen; 
djoengdjoenan sagala nabi, (een der titela 
van Moehammad) opperhoofd der pro- 
feten; - 2. ring aan een net {heurap), die 
door middel van koorden met de kleine 
ringetjes correspondeert. 

DJOENGDJOENG (vgl. djoeng), g. w. 
ngadjoeng djoeng, oplichten, optillen, ophef- 
fen; ook: verheffen (tot een ambt of 
waardigheid), verhoogen (in rang of waar- 
digheid); verder: eeren, in eere houden», 
vereeren; didjoengdjoeng linggih, tot een 
ambt verhoven-, in rang verhoogd 
worden; kadjotngdjoeng, opgelicht, op te 
lichten; teu pikadjoengdjoengeun, niet op te 
lichten, niet zullen kunnen volbrengen 



DJOENGKAL-DJOENGKEL—DJOERINGKANG. 



H3 



silih'djoengdjoeng, elkander eeren; nga> 
djoengdjoengkeun, iets opheffen (b. v. een 
vracht), in de hoogte heffen (b. v. de 
handen by het gebed, verheffen (tot een 
ambt of waardigheid), verhoogen; ook: 
iemands wenschen te gemoet komen; 
didjoengdjoengkeun. 

DJOENQKAL-OJOENQKËL, zie djoengkèl. 

DJOENQKAT, ngbr.; ngadjoengkatkeun, 
iets omkeeren (naar zich toe), op den 
anderen kant keeren (b. v. een steen), 
afwentelen, wegwentelen ; didjoengkatkeun; 
mangdjoengkatkeun, voor een ander iets 
afwentelen. (Vgl. djoengkël.) 

DJOENQKËL, ong. = djoempalik, om- 
tuimelen, altuimelen (b. v. van het paard); 
ook: een onbepaalde lengtemaat, zoo ver 
als de omwenteling van zeker voorwerp 
reikt; sadjoenghël, de afstand van één 
wenteling, enz.; ngadjoengkël, omtuimelen 
(niet naar déze, maar naar de andere zrjde), 
omvallen, .ter aarde storten; tidjoengkèl, 
omrollen, omvallen; tingdjaroengkël, idem, 
van velen; ook (van velen): vallen (b. v. 
in den kryg); djoengkal-djoengkël, al maar 
voortwentelen, rondwentelen; ook: rente 
op rente zetten; djoedjoengkëton, zich om 
en om wentelen; ngadjoengkëlkeun, iets 
omwentelen (nl. van zich af, vgl. djoeng- 
kat), afwentelen; didjoengkëlkeun. 

DJOENGKËRËNG, bestaan (nl. in de wer- 
keiyktieid), zichtbaar bestaan, lichameiyk 
en zichtbaar; ook: staan (zichtbaar zyn). 
Vgl. djoengkiring. 

DJOENGKIR, op zyn hoofd (staan of 
loopen); ngadjoengkir, onderstboven, dui- 
kelen, onderstboven tuimelen, omtuimelen; 
tidjoengkir, (by ongeluk) onderstboven 
tuimelen; patingdjaloengkir, idem, van 
velen; djoedjoengkiran, aanh. duikelen; 
ook: op zrjn hoofd staan, buitelen. 

DJOENGKIRING, ngbr.; ngadjoengkiring, 
zichtbaar zyn, in wezen zyn, aanwezig 
zyn, bestaan; ook: staan (van groote 
dieren of menschen), goed zichtbaar zyn ; 
sing ngadjoengkiring, doe het zoo (b. v. 
het ophoogen) dat het (ding) goed zicht- 
baar is, dat het flink hoog is; ngadjoeng- 
kiring ngambang, boven water zichtbaar 
zyn. (Vjil. djotngkërëng.) 

DJOENGKOENQ, nederzy gen, inéénzinken; 
patmgdjaroengkoeng, idem, van velen; 
ngadjoengkoeng, staan in gebukte houding, 
met de handen op den grond steunende. 

DJOENGKRANQ, ong. = djoerang, diepe 
ravyn of bergkloof, afgrond. 

DJOENI, het Holl. Juni, idem; boelan 
Djoeni, de maand Juni. 

DJOENOEB (Ar.), — djanabat\ zie ald. 



DJOENOEN, verkl. met ënja en soehoed, 
zich geheel aan iets of iemand geven of 
wyden, met zyn geheele hart of met al 
zyn gedachten in iets bezig zyn of aan 
iets werken, toegewyd, verkleefd, enz.; 
sing djoenoen, wees (daarin) standvastig 
bezig, wyd u geheel (daaraan), wees met 
geheel uw hart (daar bij) ;ënggeus dj oenoen, 
geheel of standvastig in of met iets bezig 
zyn; hanteu dj oenoen, afgetrokken worden 
(van het hart). 

DJOENTAL DJÉNTOEL, zie djéntoel. 

DJOENTI, voll. tangkal djoenti, naam van 
een boom, welks hout weinig waarde heeft. 

DJOEOEH, rykeiyk uitvloeien (van zog 
en melk, of ook van palmwijn, lahang h 
uit den kawoeng). 

DJOERAGAN, heer, mynheor, baas, mees- 
ter, patroon, gebieder, vrouwe, meesteres» 
gebiedster [een titel die beantwoordt aan 
het Maleische toewan en gebezigd kan 
worden zoowel van onaanzieniyken als. 
van aanzieniyken, zoowel van den minsten 
baas als van den vorst]; midjoerag<m> 
iemand of iets tot of als meester erkennen, 
d. i. dienen; midjoeragan kana napsoe, de 
booze lusten dienen, d. i. volgen; dipidjor 
ragan, als meester behandeld worden, 
gediend worden alsof men de meester was. 

DJOERAK, naam van een riviervisch. 

DJOERANG, ravyn, bergspleet, bergkloof, 
afgrond; in laatstgenoemden .zin ook van 
de hel; djoerang djahanum, de afgrond der 
hel. (Vgl. djoengkrang.) 

DJOERE, de hoekbalk van een dak, 
hoekkeper. (Zie pangoengkëd by oengkëd.) 

DJOERIQ, aardgeest, natuurgeest, geeste- 
ïyke (maar altyd booze) invloed; ook: 
spooksel (maar in dezen zin bezigt men 
meer ririvoa); [de djoerig, hoe onwezeniyk 
ook, zyn de schrik van alle Soendaneezen, 
onverschillig van wat stand; ze achten 
de geheele natuur door deze geesten be- 
volkt, en onderscheiden tallooze soorten, 
die allen een eigen gebied hebben; som- 
migen huizen in den grond, anderen in 
of onder steenen, anderen in boomen, enz. 
enz.]; moal nejangan djoerig teu kadeuleu* 
een uitdrukking b. v. voor: iemand by 
wien men een gestolen (vermist) voorwerp 
vindt voor den dief houden, en niet onder 
afwezigen of vreemden zoeken. (Vgl.. 
soékmay djin, setan, enz.) 

DJOERING, = tjëntik en bëniik. F. 

DJOERINGKANG, ngbr.; ngactfoeriagkang, 
bespringen, zich op iets werpen; paling- 
djoeringkang, = patingdjarëngkang (zie- 
djénghang), van vele dingen, b.v. boomen: 
ter aarde storten. F. 



144 



DJOERIT— DJOGDJOÖ. 



DJOERIT (Kw.), poëtisch voor përang, 
krijg, oorlog; ook z. v. a. parëboet-bëloet, 
zie bëloet; pakoening djoerit, (poëtisch) 
legerbevelhebber; pradjoerit of përdjoerit, 
in 't alg.: krrjgsman, krijgslieden; in 
*tbjjz.: titel van de Inlandsche militairen, 
die dienen tot bewaring van rust en orde, 
en onder het onmiddeliyk bevel staan 
van het civiel bestuur [de Europ. mili- 
tairen heeten sërdadoe); kapradjoeritan, 
krvjgsgewaad, wapenrusting, uniform. 

DJOEROE, I. = toekang II. (doch niet 
van eigenlijke ambachtslieden gebezigd), 
iemand die een ambt of betrekking van 
lagen iang bekleedt, aangeduid door het 
woord dat volgt; djoeroe koentji, sleutel- 
drager, hofmeester; djoeroe foeKs, schrrj ver. 

II. (Uitspringende) hoek, de hoek of 
hoeken ergens van (b. v. van een mat, 
een huis, een heining, enz.); ook: vierde 
bouw grond (vgl. djere); sadjoeroi, een 
vierde douw grond; feu sadjoeroe-djoeroeëun, 
geen vierde (ervan); di djoeroe, in den hoek. 
(Vgl. podjok.) 

III. Ngadjoeroe, (van dieren) jongen wer- 
pen, jongen; (van vrouwen) k., ngowo 1., 
baren, bevallen, ter wereld brengen; njêri 
ngadjoeroe, barensnood; hoedang ngadjoeroe, 
herstellen uit het kraambed; ngadjoeroe 
sarta lalaki, een zoon baren; ngadjoeroekeun, 
bevallen van, baren, ter wereld brengen; 
diijoeroekeun. 

DJOEROE-DÉMOENG, naam van een 
tëmbang>vr$8. (Zie Spraakk., Aanh.) 

DJOEROEDJANA, een slecht mensen, 
booswicht, schelm, roover, dief, schurk. 

DJ0ER0EDJ0E8, het geluid dat veroor- 
zaakt wordt als men gloeiend flzer io 
water houdt of er mee brandt, sissen; 
ditjap-djoeroedjoes, gebrandmerkt worden. 

DJOEROE LOENG, ngbr.; ngadjoeroeloeng, 
(van ontlasting) in den votm van een drol 
uitkomen. P. 

DJOEROENG, g. w.; ngadjoeroeng, 1. iemand 
zjjn verzoek toestaan (b. v. om te ver- 
trekken, een sidëkah te houden, enz.), 
laten trekken; ngadjoeroeng lakoe, idem; - 
2. (nl. ngadjoeroeng) s., nitah k., miwarang 
1., zenden; didjoeroeng; djoemoeroeng, zjjn 
bewilliging tot iets geven; ook = laksana, 
tot stand komen, in vervulling komen; 
pandjoeroeng, bewilliging, toestemming 
tot vertrek; ngadjoeroengan, iemand laten 
gaan, bewilligen in zyn vertrek; didjoe- 
roengan; - djoeroengan s., titahan \.,piwa- 
rangan 1., afgezondene, bode, overbrenger 
van een boodschap van een mindere aan 
een meerdere; ngadjoeroengkeun q., nitahan 
k., miwarangkeun 1., iemand zenden of 



afzenden (tot een meerdere); didjoeroeng- 
keun. 

DJOEROENGKOENQ, boven de omgeving 
uitsteken, zonder dat men onderscheiden 
kan wat het eigenlrjk is. P. 

DJOE8, I. nab. van 't sissen van gloeiend 
yzer, dat gebluscht wordt. P. (Vgl. djas, 
djis en djoeroedjoes.) 

II. = 't meer gebr. djoed. 

DJOE8TI8I, het Holl. justitie; idem. 

DJOET, het tegenoverg. van tjat, werkw. 
tusschenw. voor: afgaan, afdalen, omlaag- 
gaan; djoet ka loewar, uit (het huis) gaan, 
(den opstap of de stoep af); djoet toeroen, 
afdalen (b.v. van een paard) ;sadjoetna,~ 
sanggeusna, nadat, sedert, sinds. 

DJOETJOENG, = njoengtjoeng, met een 
punt, in een punt uitloopen, puntig (b. v. 
van een 'gnnt-gëloeng boven op het hoofd); 
van een jongen palmboom: puntig groeien; 
didjoetjoengkeun, in een punt (of scherp) 
doen uitloopen. (Vgl. djotjong.) 

DJOEWAL, g. w.; ngadjoewal k., nga- 
bantjang 1., verkoopen; didjoewal; kadjoewal, 
verkocht; inz,: mede verkocht of brj ongeluk 
verkocht; djoewaleun, iets dat men ver- 
koopen wil of zal; ook:tekoop;fcewr&arts 
djoewaleun, iets om te verkoopen; nga- 
djoewalan, verkoopen (nl. meerdere artike- 
len); didjoewalan, 1. verkocht worden of 
zrjn (van meerdere artikelen); - 2. gezegd 
van iemand aan wien iets verkocht wordt 
of is; pangdjoewal, het verkoopen; ook: 
verkoopprijs. (Vgl. beuli.) 

DJOEWAR, naam van een boom die veel 
langs de wegen wordt geplant, voll. ki (of 
tangkal) djoewar; in Kad. naam van den 
rjzerhoutboom en daar ook ki fcewsigeheeten 
(vgl. koesambi). 

II. Kadjoewaran, of ook padjoewaran L, = 
pakoelëman, slaapplaats. 

DJOEWËT, uit zjjn humeur zijn, knorrig, 
verstoord, mismoedig, neerslachtig; verder: 
naargeestig, verbasterd; ook: neerdrukkend; 
djoewët pikir, mismoedig, enz.; soelit-djoewët, 
gemeiyk, wrevelig, knorrig; ook: zwaar- 
moedig; djoewëtan, gedurig djoewët zijn, 
knorrig-, gemelijk of ook wel zwaartillend 
van aard, melancholiek. (Vgl. roedët) 

DJOEWITA (Kw., z. v. a. poetri, prinses), 
voll. poleng djoewita, een soort geruit goed 
voor sarongs, waarbij beureum (rood) ver- 
mengd is met kajas (rosé). 

DJOG, werkw. tusschenw. voor: komen, 
aankomen, belanden (nader uitgedrukt 
door andjog, datang, enz.); djog datang 
aankomen. 

DJOGDJOG, naam van zeker vogeltje; 
djogdjog neurevj boewah lowa, de djogdjog 



DJOGDJROG— DJONDOL. 



145 



slikt een loa> vjjg in, sprkw. voor: boven 
ztyn kracht gaan. 

DJOGDJROG, op een drafje loopen, draven 
(inz. van een paard); didjogctfrogkeun, (een 
paard) in draf zetten. 

DJOGED, een uitvoering op drie tërëbangfa, 
onder welke uitvoering een zekere dans 
wordt gemaakt (vgl. pëntja); ngadjoged, 
zulk een uitvoering geven of houden; 
ook gebruikt voor ngigël pasantren [waar 
het gewone ngigël niet wordt toegelaten; 
men danst er dan met den rug naar elkaar 
toe, tot men zich eindeujk omdraait 
■en eikaars hoofddoek tracht te grepen]; 
djodjogedan, doen als b\] djoged, d. i. dansen 
(b. v. van een paard). 

II. Verkl. met boeboe dijoek, een staande 
vischfuik, met ingangen op zjjde. 

DOJGLO, verkl. met saoeng leutik, een 
kleine hut. 

DJOGO, 1. = djagrag en djonghok, aan- 
wezig zyn, tegenwoordig zjjn, gereed 
staan, vóór iemand zj)n; ngadjogo, op de 
hurken zitten (met den stuit op den grond 
en de armen op de knieën rustend); van 
een dier: op zfln achterste zitten (vgl. 
tjangogo)-, ngadjogokeun , vóór iemand doen 
aanwezig of tegenwoordig zyn; didjogokeun. 

II. Katjang djogo, naam van een boonen- 
soort, ook tjinde geheeten. 

DJOGOL, vechten, worstelen (met de 
handen van weerszoden in elkander); 
toekang djogol, worstelaar; ngadjogolan,met 
(tegen) iemand of iets worstelen ; didjogolan. 

DJOGOR, het tegenoverg. van leuleus, 
styf, hard (b.v. van het haar). Vgl. djëgèr. 

DJOHAR (Ar.), edelgesteente, juweel. 

DJOHDJOR, ngbr.; ngadjohdjor, op den 
grond uitgestrekt liggen, bewusteloos of 
verstjjfd nederliggen op den grond. (Vgl. 
djëhdjër.) 

DJOHO, naam van een plant die een 
gele verfstof oplevert, koneng djoho ge- 
heeten. 

DJOK (waarsch. het Holl. jok), kleed of 
derg. dat (om zacht te zitten) op een zadel 
gelegd wordt, zadelkussen of wat anders 
•daartoe dient. 

DJOL, werk. tusschenw. voor: komen, 
aankomen, uitkomen, ter wereld komen, 
leiden heen (b. v. een poort naar de stad), 
enz.; djol ka doenya, ter wereld komen; 
djol ti dinja. daaruit (uit hen) voortkomen; 
djol nëpi ka Mèsir, aan Egypte komen; 
djaldjol of djoel-djoly aanhoudend of van 
verschilleude kanten komen. (Vgl. bol, 
hol, tondjol en torodjol) 

DJOLAG-DJOLAG, met „zevenmijls- 
laarzen" komen aanstappen. P. 

SOINDAHBESOH-HOLL. WOORDIHB. 



DJOLANG, I. een uitgehold blok, tot 
etenstrog of drinkbak gebezigd; - 2. oen 
schuitjevormig bakje (bak); -3 een draag- 
stoel zonder saoeng of kap. 

DJOLEDAR, = taledor, zorgeloos, 
achteloos. 

DJOL! (Skr., dolï), vorstelijke draagstoel 
(prachtig uitgedost), ook voor het in op- 
tocht rondvoeren van een bruidspaar ge 
bezigd; djolian, idem. (Vgl. djampana.) 

DJOLOK, = djaoeh, ver, afgelegen; djalak- 
djolok, idem, van meer dan één plaats. 

DJOLOPONG, het uitgestrekt liggen; 
ngadjolopong, liggen, uitgestrekt liggen 
(van een mensch, dier of voorwerp, maar 
inz. van groote dieren en groote voor- 
werpen); tingdjolopong, idem, van vele 
voorwerpen (b.v. dooden). 

DJOLOR, I. het lang uitgestrekt liggen; 
ngadjolor, lang uitgestrekt op den grond 
liggen (b. v. een dood mensch, een doode 
aap, enz.). Vgl. goler. 

II. (Z.-B.), naam van een zeevisch. 

DJ0M8ANG, een mengsel van gestoofde 
bladgroente. 

DJOMBLO, = 't meer gebr. djomlo. 

DJOMBOL, ngbr.; djodjombol, vlokje of 
dot haar op het hoofd (hetzy bovenop, 
ter z\jde of van achteren); ook = djam- 
boel I. t kuif, kuifje. 

DJOMBOT, ngbr.; djodjombotan, = djo- 
djomlokan, zie djomlok. 

DJOMLO, z. v. a. hanteu lakoe, geen aftrek 
vinden (van koopwaar), niet gevraagd-, 
niet gewild z^n (ook van een man of 
vrouw, met wien of wie niemand trouwen 
wil); verder: niet in trek zjjn (b.v. een 
ronggeng) ; disëboet si djomlo, zty wordt ge- 
noemd „een met wie niemand trouwen wil." 

DJOMLOK, ngbr.; djodjomlokan, iemand 
het hoofd zóó scheren dat men hier en 
daar een dot haar laat zitten, pleisgewfls. 
(Vgl. djombot.) 

DJOMPLANG, g. w.; ngadjomplang, = 
ngantëp (zie antëp I.), laten, laten voor 
hetgeen iemand of iets is, laten liggen, 
laten vervallen, laten varen; didjomplang, 
gezegd van het voorwerp dat men laat 
varen, enz. 

DJOMPO, ten gevolge van ouderdom 
niet meer in staat ztyn zwaar werk te 
verrichten, afgeleefd; ki djompo, oud (af- 
geleefd) mensch. (Vgl. repoh.) 

DJOMPONG, I., (bfl een paard) bosje haar 
van de manen, hetwelk vóór over den 
kop hangt; djodjompong, idem. 

II. = djompo, zie ald.; si djompong, een 
oude vrouw, een oud man. 

DJONDOL (Indr.), de nachtwacht. 

10 



146 



DJONGDJOLONG— DJOROK. 



DJONGDJOLONQ, I. ngbr.; tidjongcVoUmg, 
strompelen, aan het strompelen raken 
door te struikelen. 

II. Naam van een zoetwatervisch, ook 
hampal geheeten. 

DJONGDJON, ongestoord-, onverstoord-, 
zonder stoornis of oponthoud of zonder 
zich met iets anders op te houden voort- 
gaan, rustig voort(werken, slapen, enz.), 
aan iets zonder ophouden voortarbeiden; 
ook: iets bltfven, bestendig; djongdjonnja 
maroedji, bestendig (God) prezen; bisoena 
ieh djongdjon boe, ztfn stom-z^Jn was 
blijvend; kaajongdjonan, = katoetodoejan, 
onwillekeurig iets biyven of mèt iets 
voortgaan, medegesleept of medegevoerd 
worden of zjj n ; bisi toeloej kadjongdjonan, dat 
(euvel) mocht eens van biy venden aard ztJn. 

DJONGDJONGAN, de afstand van een 
gegeven punt tot een ander, rust- of 
pleisterplaats; sadjongdjongan, een zoo- 
danige afstand, een eind; ook: een kort 
tijdsverloop, een wtJl, een korte poos, een 
spanne trjds, een oogenblik; watara sa- 
djongdjongan, na een korte poos. 

DJONGE (Z.-B.), naam eener plant. 

DJONGGLO, hoop drek van een karbouw 
[of een ander dier?]. B. 

DJONGHOK, = djogo L en djagrag, tegen- 
woordig ztfn, aanwezig zyn, vóór iemand 
z$jn, voll. djonghok di hareupeun; djararong- 
hok, (van een veld of tuin) welig, tierig 
(P.); ngadjonghokkeun, vóór iemand doen 
tegenwoordig ztfn, aanwezig doen ztfn; 
didjonghokkeun. 

DJONGKENG, het ter aarde storten; nga- 
djongkeng, = roeboeh, vallen, ter aarde 
storten (maar met het hoofd naar beneden). 
Vgl. djëngkang. 

DJONGKLOK, ngbr. ; tidjongklok, vooro ver- 
storten ; hareup teuing tidjnngklok, toehang 
ieuing tidjëngkang, sprkw. voor: men 
moet het midden houden, of: vooraf 
ztfn schreden overwegen, want gaat men 
ka hareup salengkah, één schrede naar 
voren, dan zal men zich misschien ge- 
dwongen zien ka toekang doewa lengkah, 
twee schreden achterwaarts te doen; 
njtfeun tidjongklok, doen vooro verstorten; 
sadjongklokan, = sadjongdjongan, een 
korte poos, een spanne ttyds; ngadjong* 
klokkeun, iemand vooro verwerpen, iemand 
of iets omverwerpen, wegduwen, weg- 
stooten, uitstooten; didjongklokkeun, 

DJONGKOT, = boekti, openbaar, bekend, 
wat blflkWaar of gebleken is, wat uit iets 
uitgegaan of voortgekomen zQnde tot onze 
kennis geraakt ; teu djongkotkatingali, niet 
in werkelijkheid gezien worden, geen aan. 



wezen hebben ;pamolahna noegeus djongkot, 
een handeling welke openbaar is. 
DJONGOK, = 't meer gebr. djonghok. 
DJONGOS, het Holl. jongen; bediende, 
huisbediende, kajuitsjongen, enz.; nga- 
djongosan, als binnenjongen dienen. 

DJONGRANG, voll. simeut djongrang, een 
lange sprinkhaan, gelijkende op de tjong- 
tjorang. 

DJONTOR, I. ook djodjontor, wat stomp 
uitloopt of in zjjn loop gestuit of bekort 
is (b. v. een rots waarlangs een rivier 
stroomt, een boomtak welks uiteinde 
afgekapt is, de uiteinden van een tjatang, 
enz.); ook: land punt, landtong, kaap; 
soms = sisinggët, nauwte of engte in 
iets (b.v. in een rivier). 

II. Soro djontor, naam van een visch 
ter grootte van een middelmatige kantjra. 
(Zie ook soro.) 

DJONTROT, = djogo en djagrag, vóór 
(iemand of iets) ztfn; ook z.v.a.: de vóór- 
staande, aanwezige/ ngadjontrotan, vóór. 
houden (b.v. geld); didjontrotan; ngadjon- 
trotkeun, vóór (iemand of iets) doen ztfn; 
didjontrotkeun. 

DJOPAK, het op den grond vallen; 
ngadjopak, vallen, gevallen (b. v. in den 
strijd), op den grond uitgestrekt liggen 
(b v. een zieke of een doode); ngadjopak 
dina gëtih, daar liggen in zjjnblotd \pating- 
djaropak, idem, van velen. 

DJOPRAK, het op den grond storten; 
ngadjoprak, = ngadjopak, maar iets ster- 
ker, zie djopak; patingdjaloprak, — pating- 
djaropak, zie djopak. 

DJOR, een toeroep = los, maar nog, 
grover: voort! ga weg! pak je weg! scheer 
ja weg! geura djor, idem (met verst.); 
didjor-djor, weggejaagd worden, de bons 
krijgen. (Ygl. djig, bral en mantog.) 

DJORANG, ong. = songong, onbeleefd, 
onbeschoit, loszinnig. 

DJORE, maar meestal djore-djore, z.v.a. 
goreng, slecht, gemeen; ngadjore-djore of 
ngadjodjore, miskennen (de waarde, deug- 
delijkheid, talenten enz. van iemand of 
iets); didjore-djore. 

DJORODJOJ, verkl. met pikiran en 
taksiran, willen, genegen z{jn, plan op 
iets hebben, gedachte op iets hebben, lust 
in iets hebben. 

DJOROG, ngbr.; ngadjorogkeun, = njoe- 
roengkeun, beetpakken en wegdoen (b. v. 
van den weg), iemand of iets wegduwen, 
wegdringen, van zich wegstooten, van zich 
afstooten ; ook : weg- naar een ander sturen 
{make disoeroeng tonggongna); didjorogkeun. 

DJOROK, = odoh % onrein, vuil, smerig. 



DJORONG— DOEDOEROEK. 



147 



DJORONG, z. v. a. tjondong en dojong 
(P.); zie ald. 

DJORONGKONG, ngbr.; tidjorongkong, 
vooroverstorten. P. 

DJOS, = tjos, werkw. tusschenw. voor: 
insteken (een wapen); men zegt ook 
gëdjos. 

DJOT (ook këdjol), komt alleen voor in 
samen8t. met borosot; zie ald. 

DJOTANQ, naam van een plant. 

DJOTJONQ (het tegenoverg. van toengkoel), 
den top in de lucht steken (van planten 
en boomen), recht omhoogstaan (van 
dingen die uit hun aard slap ztfn); van 
bladeren: stevig z\jn, frisch staan. 

DJOTO (Kad.), = bëndo; zie ald. 

DJRÉK, onverwachts-, eensklaps stil- 
houden. P. (Vgl. djlëg.) 

DJREL, =r brol % naar buiten dringen, 
te voorschijn komen, ter wereld komen; 
sadjreleun, terstond na het te voorschijn 
komen, enz.; eukeur sadjreleun, op het 
punt zjjn (te doen). P. 

DJRONG-DJRANQ, — tinggalondjrang (zie 
gondjrang), kletteren van wapenen, wapen- 
gekletter. 

DOA (Ar.), gebed, nl. gebedsformule; 
ook: zegening; matja doa, een gebed lezen 
of opzeggen; hauteu doa, z. v. a. hauteu 
soeka, geen welgevallen hebben in ; ngadoa, 
een gebed lezen of spreken (b. v. voor 
den maaltyd); ngadmdn, over iemand of 
iets een gebed lezen of spreken; didoa&n; 
ngadoakeun, een gebed over iemand of 
iets lezen of uitspreken, afbidden over; 
ngadoakeun kana kagorengan, kwaad over 
iemand afbidden; didoakeun; pandoa, 
heilbede, heilwensch, zegenbede. 

DOBLANG, een soort trom, kleine bëdoeg; 
ook: een vertooning door zangers, waarbjj 
het orkest bestaat uit vier bëdoeg's en 
vier angkloeng's van afnemende grootte. 

DOBOL, = bodol en bédah, barsten, 
openbreken; ook: openstaan; verder: ver- 
scheurd, verwoest (inz. gezegd van den 
anus van een gevorderden opiumrooker, 
welke zich niet meer sluiten wil en al 
wat het lichaam opneemt nagenoeg ter- 
stond weder ontlast). 

DODJA, g. w.; ngadodja, = njoba, op de 
proef stellen, beproeven; ook: verzoeken 
(b. v. iemand plagen, om te zien of hjj 
ook boos zal worden); didodja; dododja, 
= tjotjoba, beproevingen, verzoekingen; 
pangdodjadn, middel om op de proef te 
stellen. (Vgl. goda.) 

DODOHO, g. w.; ngadodoho, = ngdbongo- 
hdn, op de loer staan of liggen (b. v. onder 
een boom), sluipend naderen, iemand 



onverhoeds overvallen (van een tjjger 
b.v.); didodoho. 

DODOK, I. (Jav.), voll. lakoe dodok, = 
gengsor; zie ald. 

II. (Indr., Mal. doedoek), zitten (hetzij 
op den grond, hetzij op een stoel oi bank); 
dodok tra ngëndi (ald.), samentr. van 
dodok sira ingëndi? waar woont ge? 

DODOL, I. een lekkernij, bestaande uit 
strjf gekookt meel vermengd met suiker. 
[Vaak vereenzelvigd met djawadah] 

II. Naam van een manhaft-soort. 

DODOLO, z. v. a. want, waaghalzerig; 
noe dodolo, waaghals. 

DOEA, = 't meer gebr. doa. 

DOEBOER (Ar.), achterste, aarsgat, = 
boedjoer; ngadoeboer, tegennatuurlijke on- 
tucht plegen; djalma noe lampah ngadce- 
boer, iemand die zich daaraan schuldig 
maakt; toekang ngadoéboer, schandjongen. 

DOEDA, weduwnaar; ook: een man die 
van zyn vrouw gescheiden is, „onbe- 
storven" weduwnaar; ngadoeda, als weduw- 
naar of man op zichzelf leven. (Vgl. randa.) 

DOEDOED, I. het gonzend of snorrend 
geluid van een draaiend molentje (koUtjer); 
ngadoedoed, gonzen, snorren; ngadoedoedan, 
idem, aanh. 

II. Ngadoedoed, niet luisteren naar de 
teugels, niet tot staan te brengen zjjn, 
maar doordraven (van een paard); van 
een mensen: niet naar vermaning luiste- 
ren, maar voorthollen. 

DOEDOEH, het ten laste leggen; nga- 
doedoeh, = noeding, ten laste leggen, 
betichten, beschuldigen, aanKlagen; di- 
doedoeh. 

DOEDOEK, I. tot bestendigheid gekomen, 
een vaste of bestendige manier van loopen 
hebben (b. v. een paard), reeds een raste 
hand van schreven hebben, enz.; in 'talg.: 
in iets geoefendheid verkregen hebben, 
in iets vast ztfn, geoefend, gedresseerd. 

II. (Mal), = dijoek, zitten; lampoe doedoek, 
staande lamp. (Vgl. ganioeng.) 

DOEDOEK DADAK, zie dadak. 

DOEDOEKOEJ k., toedomg l n de Inland- 
sche hoed ; make doedoekoej di djëro imah, 
ztfn hoed ophebben in huis [wat pamali 
heet, matak disambër gëlap). 

DOEDOEL, of «i Doedoel, naam van het 
paard van den kalif Alt 

DOEDOER, de balk die in het midden 
van den voorsten en achtersten bindbalk 
wordt opgericht en van boven steunt 
tegen de koeda-koeda, dienende tot stevig- 
heid van het dakgeraamte. 

DOEDOEROEK (Z.-B), naam van een 
zeevisch. (Vgl. doeroek.) 



]48 



DOEDOET— DOEKOEH. 



DOEDOET, I., naam van een koekoek- 
vogel. 

II. G.w.: ruk aan! ruk uit! soepa doedoei, 
naam een naar beneden puntig uitloopende 
paddestoel ; ngadoedoet, rukken, rukken aan, 
rukken uit, uitrukken, uitplukken (haar, 
veeren, enz.), plukken (b.v. een kip); nga- 
doedoet njawa, iemand de ziel uitrukken 
(door God of een engel), d. i. iemands ziel 
of leven wegnemen ; didoedoet ;ngadoedoetan, 
uitplukken (haar, veeren, enz.)» vele dingen 
uitrukken; ngadoedoetan boeoek, zich het 
haar uitplukken; didoedoetan, geplukt of 
uitgeplukt worden. 

III. (Z.-B.), = toetoet (R); zie ald. 
DOEG, = bog, werkw. tusschenw. voor: 

gaan liggen, zich neerleggen; geura doeg, 
ga liggen I leg u neder! 

DOEGA, kunnen, vermogen; kira doega 
prajoga, gebruikt in een zin als dezen: 
hanteu meunang tinggal kira doega prajoga, 
men moet niet achterwege laten „over- 
weging, vermogen, passend", d.i. men 
moet bedenken of men iets kan en of het 
past; doega-doega, overwegen, wikken; 
doedoega, overweging, nadenken; ook: 
gepastheid; kadoega k., wërat s., kijat 1., 
in staat zfln, vermogen, kunnen; safca- 
doega-doega, zooveel men vermag; dioegadn, 
z. v. a. (aksiran, het zich voorstellen, voor- 
stelling; taja doegaan timoe, hy kon zich 
niet voorstellen het te zullen vinden 
(raden, uitvinden). 

DOEGAL, ondeugend, baldadig, wild 
(b.v. een jongen), allerlei moedwil plegen; 
djalma doegal, iemand die er niet tegen 
opziet kwaad te doen. 

DOEGAL DIGIL, zich ijverig weren, met 
rjver werken, druk bezig ztfn. 

DOEGDAG, ngbr.; didoegdag, in één dag 
(zonder op weg te vernachten) bereikt 
kunnen worden. 

DOEGDAG DEGDEG, zie degdeg. 

DOEGÈL, de eerste drie potjong rflst, 
welke brj het snijden tot één bos worden 
samengebonden en met de indoeng-bapa 
onaangeroerd in de leuit bleven. B. 

DOEGI, = dongkap, 1. van datang en 
nèpif aankomen, bereiken; verder: tot aan 
toe, in die mate dat; doemoegi 1. p., idem. 

DOEGOEL, = 't meer gebr. gomdoel, 
kaalkop. 

DOEGOENG DAGANG, zie dagang. 

DOEH, tusschenw. om leed of smart uit 
te drukken, een klacht te slaken, enz.: 
och ! ach ! o ! helaas ! o wee ! enz. (Zie adoeh.) 

DOËH, = beres en loeuris, (van het. haar) 
glad, ordeiyk zitten, opgemaakt zjjn; ook 
z. t. a. loeljjoê pëndêk, kort maar aardig 



van statuur (P.); ngadoëh, zich het haar 
opmaken. 

DOEHOEL, alleen in kabal doehoel (Ar., 
qabl doechoel), vóór het binnengaan, nl. van 
den man brj zrjn vrouw; de toestand vóór 
het eerste samenzijn der jonggehuwden. 

DOEHOENG, 1. van këris, kris. 

DOEHOER, verb. van lohor; zie ald. 

DOEJOENG, zeekoe, die zich o. a. ophoudt 
aan de Zuidkust van Java [de kop heeft 
iets van een kinderhoofd; lengte van het 
dier 1—1.26 M.; het wordt wel eens door 
een hooge zee op 't strand geworpen; 
krijgt men het levend in handen, dan 
slaat men 't dier op den kop, tot het, naar 
men zegt, begint te weenen; de traan- 
klieren vullen zich dan met een witte, 
geleiachtige stof, deze wordt in de zon 
gedroogd tot een wit poeder, dan met 
welriekende olie vermengd en in een 
doosje of kokertje gedragen; daarin steekt 
een naald, met welke men zich kruiselings 
over de buitenzede van de wenkbrauwen 
krast tot opwekking of bevordering der 
vruchtbaarheid, enz.] ; ngadoejoeng, iemand 
met een doejoeng betooveren (inz. tot 
opwekking van genegenheid); kadoejoeng, 
alzoo betooverd. 

DOEK, = dèk\ zie ald. 

DOEKA (Skr. duhkha, verdriet, zorg), 
1. 1. van ambëk en = bëndoe, toorn, toornig, 
toornig worden [zelden gebruikt]; sadoeka- 
doeka ditëda, al uw toorn wordt door 
my verzocht, d. i. ik waag m\j aan uwen 
toorn, of: ik onderwerp mjj aan uwen 
toorn ; - 2. ik weet niet (aoms ten overvloede 
gevolgd door teu njaho of ander derg. 
woord) ; beleefd voor: ik wil niet, ik bedank, 
ik zal er niet van gediend zrjn; doeka 
teuing, ik weet volstrekt niet. (Vgl. alim 
en narah 1.) 

DOEKAT, het Holl. dukaat, idem. 

DOEKDÉK, maar meestal daroekdëk (vgl. 
dèk\ verkl. met roepëk en heurin, in het 
nauw zitten, van zorgen of gevaren om- 
ringd zrjn, van alle zijden benauwd 
worden; djalan itikad sakitoe daroekdékna, 
de weg des geloofs is vol benauwdheden 
(vol bezwaren, eig. zóó, dat men gevaar 
loopt zich nu hieraan, dan daaraan te 
stooten). 

DOEKDOEK, ngbr.; ngadoekdoek, z. v. a. 
djongdjon, aan één stuk doorgaan, zonder 
rusten of opzien doorwerken. 

DOEKÉT (waarsch. hetzelfde als doekat, 
zie ald.), voll. ëmas doekët, z. v. a. éma$ 
kolot, zuiver goud, dicht goud. 

DOEKOEH, I. eenige btf elkaar staande 
huizen met erven, gehucht; pidoekoehan, 



DOEKOEN— DOENGDANG. 



149 



1. van pilëmboeran, al de wijken of kam- 
poengs van een plaats, al de buurtschappen 
van een streek; padoekoehan, woning, 
woonplaats. 

II. Naam van zekere vrucht, voll. boe- 
utah doekoeh; tangkal doekoeh, de boom die 
deze vrucht draagt. 

III. Boomgaard; doedoekoehan en padoe- 
koehan, idem. 

DOEKOEN, benaming van lieden die 
zich met geneeskunde bezighouden, welke 
echter meer in het aanwenden van djampe's 
enz. dan in het toedienen van medicijnen 
bestaat, Inlandsche arts, wonderdokter, 
tooverdokter; draagt een vrouw dezen 
naam, dan is zty doorgaans tevens par adji 
of vroedvrouw; doedoekoen t een doekoen of 
doekoen's raadplegen; ngadoekoen, dokteren, 
zieken als doekoen behandelen; doedoekoe- 
non, een doekoen nadoen, kwakzalver^ 
plegen; elmoe doedoekoenan, de kunst om 
zieken te genezen door het lezen van 
djampe's enz.; ngadoekoenan, over een 
zieke als dokter gaan, een zieke als doekoen 
of geneeskundig behandelen; didoekoenan; 
ngadoekoenkeun, zich onder behandeling 
van een doekoen stellen; didoekotnkeun, 
aan een doekoen in behandeling geven. 

DOEKSOERA (vgl. Jav. diksoera), onbe- 
leefd, onbeschoft, lomp. 

DOELAG, naam van de bëdoeg die op 
Lëbaran geslagen wordt en als men tegen 
het einde der Vastenmaand opgeroepen 
wordt tot betaling der pitrah. [Het is 
dezelfde bëdoeg als anders, alleen is de 
naam veranderd.] 

DOELAK DILAK, zie dilak. 

DOELANQ, een uitgeholde houten bak 
(paragi ngakeul sangoe, dienende om de 
gaargestoomde rflst door omroering af te 
koelen); zie ook by tande; njadh doelang, 
een zoodanige liefde van ouders tot hun 
kinderen, dio zich bepaalt tot 't geven 
van eten (en dus niet verder reikt); sangga 
doelang, benaming van buffelhoorns die 
naar de z\Jden gericht z^n, maar waarvan 
de eene naar boven, de andere naar 
beneden omgekruld is ; süa-toempang sangga- 
doelang, ongemanierd zitten (zie toempang), 
't eene been over 't andere geslagen, 
»t andere been afhangend; hoemileud (of 
tjatjing) doelang, vèrkl. met keur meudjeuhna 
njatoe, (van kinderen) op den Ie ef tfld tu sschen 
8 en 10 jaar ztfn (als ze graag wat lusten). 

DOELE (Z..B.), naam van een fraaie 
duivensoort, van donkergroene kleur. 

DOELHADJI (Ar., dzoe'1-hadj), de twaalfde 
Mohammed, maand, voll. boelan Doelhadji. 

DOELKAÏDAH (Ar., dzoe'l-qaïdah), de elfde 



Mohammed, maand, voll. boelan Doelkaïdah; 
ook Eajagoeng geheeten. 

DOELOE-DEULEU, zie deuleu. 

DOELOENGDOENODËNG, verkl. met teu 
poegoeh pikir, (van het gemoed of de 
gedachten) in de war ztyn, met iets ver- 
legen zitten. 

DOELOER k., saderek 1., broeder, zuster; 
in de taalkunde: synoniem (als nl. de 
beteekenis geljk is, vgl. baraja); doeloer 
sadgama, geloofsgenoot; doeloer -doeloer, 
de gezamenlijke broeders, broederschap; 
sadoeloer, van één vader en moeder, 
gebroeders, gezusters; sadoeloer -doeloer, al 
de gebroeders enz. (de een zoowel als de 
ander); midoéloer, iemand voor doeloer 
houden, met iemand als doeloer omgaan; 
pisadoeloer, g. w.: houd voor broeder 
(zuster); doedoeloeran, als broeders (zusters) 
voor elkander zfln, als broeders (zusters) 
omgaan; padoedoeloer, broeders (zusters) 
van elkander zyn; noe doewa padoedoeloer, 
de beide (echte) broeders (zusters); hal 
kadoeloeran, broederlijk verband. 

DOELPAKAR (Ar., dzoe'l-faqar), het 
zwaard van den kalif Ali. 

DOEMADAKAN, zie dadak. 

DOEMAHOENG, zie dahoeng. 

DOEMAREUDA, zie dareuda. 

DOEMAWOEH, zie dawoeh. 

DOEMBLANG-DOMBLONG, te verg. met 
tjoerat-tjoret, besmeren, bestrijken (b. v. 
houtwerk met teer, het gelaat eener bruid 
met wëdak, enz. P. 

DOEMEH, = pedah k., sareh 1., omdat, 
dewjjl, daar, naardien, doordat, enz. 

DOEMËLAH, het ondermaansch of aardsch 
bestaan ; saoemoer doemëlah, gedurende het 
aardsche leven. 

DOEMËLÉG, een mannelyk buffelkalf, 
ouder dan eneng en jonger dan djadjalon. 
(Vgl. dëlög.) 

DOEMÉNGKEK, zie dëngkek. 

DOEMOEK, = tjiljing, vertoeven, wonen; 
ook: verblyf; teu poegoeh doemoekna, zonder 
vast verbljjf; ngadoemoek, verbluf houden. 

DOEMONTJA DONTJA, zie dontja. 

DOEMPËL, g.w.; ngadoempël, dichtmaken 
(nl. een gat), een stop ergens opdoen, een 
stuk ergens indoen, toemaken; didoempël. 

DOENAK, een mand als de tjarangka, 
gebezigd inz. tot het vervoeren van ont- 
bolsterde rflst. 

DOENG (b. p.), z. v. a. dek; zie ald. P. 

DOENGA (Jav.), = doea; zie ald. 

DOENGANG-DANGONG, zie dangong. 

DOENGDANG, voll. soepadoengdang, naam 
van een in het wild, in het bosch groeiende 
paddestoel. 



150 



DOENG-DENGr— DOERMA. 



DOENO-DÉNG, zie ding. 

DOENGDOEMAN, = doeoeman; zie doeoem. 

DOENQDOENG, ngbr.; tidoengdoeng, = 
ttoouoet (zie soesoêt), vooroverstorten. 

DOENGKAK-DENGKAK, zie dengkak. 

DOENGKAP, = 't meer gebr. dongkap. 

DOENGKAR, g. w.; ngadoengkar, uit- 
graven, uit den grond breken (b. v. een 
dapoeran haoer), wegruimen, opruimen 
(b. v. wiidernis); didomgkar. 

DOENGKOEK, het staan of liggen van 
een groot voorwerp; ngadoengkoek, staan 
of liggen van eenig groot voorwerp (b. v. 
een kanon of een olifant), als een hoop 
daar liggen; van een mensch: zwQgend 
nederzitten of nederliggen. 

DOENGKOET, ngbr.; ngadoengkoet,beda&T& 
loopen, wandelen (b. v. met de handen op 
den rug). 

DOENGOES, eenig struikgewas, in een 
groep btyeen staande, bosschage (groot 
genoeg om b. v. er zich in te verbergen). 
Vgl. roejoek en roengkoen. 

DOENG8ANG, = doesang; kadoengsang- 
doengsang, ==■ kadoesang- doesang, zie doesang. 

DOENOENG, ngbr.; ngadoenoeng, een 
pantoen-woord voor: huwen (M.); doenoe- 
ngan, = djoeragan, heer, vrouwe, patroon, 
meester, meesteres (ook wel door een man 
tegen z$jn vrouw en door de vrouw tegen 
haren man gebezigd); padoenoengan (Z.-B., 
maar verouderd), echtgenoote; ngadoenoe- 
ngan, iemamd dienen; in Z.-B., maar ver- 
ouderd: tot echtgenoote hebben. 

DOENYA (Ar.), de wereld, nl. de tegen- 
woordige (vergankelijke) wereld, het 
tegenwoordige leven, het wereldsche, het 
aardsche; ahir doenya, het einde der wereld ; 
alam doenya, eig. de ttfd der wereld, de 
duur der tegenwoordige wereld (vgl. alam); 
ook: de wereld; hoeboe doenya, verkl. met 
njadh (rësëp, bogoh) kana doenya, de wereld 
of het wereldsche liefhebben; hanteu 
ambrih kana doenya, het wereldsche niet 
begeeren; ahli doenya, wereldling, wereldsch 
mensch; kamoektian doenya, wereldsche 
rijkdom; tinggal doenya k., tilar doenya 1., 
overladen, sterven ; eusi doenya, de inwoners 
der wereld; saeusi-doenya, alle inwoners 
der wereld; doenyana, iemands stoffelijke 
belangen; doedoenya, aan de wereld ver- 
kleefd zjjn, de wereld liefhebben, geld- 
gierig; pidoenya, aan de wereld verkleefd 
ztyn; djalma pidoenya, iemand die aan de 
wereld verkleefd is, wereldling; midoenya, 
de wereld dienen, het bezit van de wereld 
boven alles stellen. 

DOEOEH, afdruppelen, inz. van dauw. 
Vgl. d\joeoeh.) 



DOEOEM (Buit. ngbr.), deel, aandeel (vgl. 
bagi); eadoeoem, een geltyk deel hebben; nga- 
doeoem, deelen (aan twee of meer personen), 
verdeel en; didoeoem; ngadoeoeman, verdeelen 
onder, toedeelen; didoeoeman; kadoeoeman, 
deel van iets bekomen, deel hebben aan, 
in iets deelen; ngadoeoemkeun, iets ver- 
deelen onder, uitdeelen; didoeoemkeun; 
doeoeman, deel, aandeel, gedeelte. 

DOEPA (Skr. dhüpa), wierook ; padoepadn, 
wierookvat; altar ëmas pangdoepadn, gou- 
den reukaltaar. 

DOEPAK, g. w.; ngadoepak, stooten of 
bonzen tegen, met kracht tegen iemand 
of iets aankomen, slaan of beuken tegen 
(b. v. de golven tegen een rots), storm- 
loopen op of tegen, onderstboven loopen; 
didoepak, lfld. vorm, gezegd van een per- 
soon of voorwerp waartegen iemand of 
iets aanbonst, enz.; kadoepak, zonder 
opzot gestooten, enz.; ook: (door den wind) 
medegevoerd; padoepak, tegen elkander 
stooten, bonzen, enz. 

DOEPI, L, ook dopi, 1. van o^mtl.envan 
art, aangaande, wat betreft, maar, doch, 
daarentegen, als, toen. 

II. Een andere naam voor tangtang-angin, 
zie angin. 

DOER, klanknab. van het geluid der 
bëdoeg enz., maar inz. van het afgaan van 
een schot, = dor, pafl poef! (vgl. djëdoer) ; 
doer-dar en dar-doer, 't herhaalde van doer; 
ook werkw. tusschenw; voor losbranden; 
geura doer! brand los I welke toeroep echter 
ook een uitdaging kan zyn, in den zin van: 
kom maar opl 

DOERAT, zwaar. P. 

DOER DAR, zie doer. 

DOER DOR, zie dor. 

DOEREN, voll. tangkal doeren, de do erian- 
boom, welks vrucht kadoe heet. 

DOERGA, voll. balara Doerga, naam van 
de gemalin van Qiwa; ztf draagt ook den 
naam van Kali. 

DOERIJA8, gaas, neteldoek. 

DOERIJAT, I. = djodo, wederhelft, echt- 
genoot; katalian koe doerjjat, aan een plaats 
gebonden z$jn door ztfn huweiyk (zyn 
wederhelft); kapidoeryat, tot wederhelft 
genomen worden of ztfn. 

II. =s bogoh, verliefd; ook: liefde, ge- 
negenheid; ari geus iaja doeraat mah, als 
ge geen liefde (voor haar) hebt. 

IIL = pasti, bepaald, van te voren be- 
paald; nja koemaha doer&atna, = nja hoe- 
maha pastina, geltyk te voren bepaald is. 
DOERMA (Kw.), 1. = maoeng, tflger; - 
2. naam van een tëmbang^s (zie Spraakk., 
Aanh.). 



DOER-NIT-NGOK-DOGONGk 



151 



DOER NIT NGOK, DOER DOER NIT-NGOK, 

nab. van 't geluid van de tandju 

DOEROE, ngbr.; sidoeroe k., sidejang L, 
zich warmen btf het vuur; oelak sok sidoeroe, 
warm je niet telkens [wat pamcUi is]; zie 
ook isoek; njidoeroekeun, iemand (b. v. een 
kind dat koud is) bij het vuur zetten om 
zich te warmen; disidoeroekeun. 

DOEROEQDOEQ (vgl. dërëgdëg), nab. van 
een sterk geluid, geiyk wanneer men op een 
trom een roffel slaat; ook: zich met groot 
gedruisch in beweging stellen ; ngadoeroeg- 
doeg, aan iets dat men vasthoudt trekken 
en daarbij hard wegloopen; didoeroegdoeg. 
(Vgl. dorogdog.) 

DOEROEGDOEQ-DÉRÉQDÉQ, zie dërëgdëg. 

DOEROEK, g. w.; ngadoeroek, in brand 
steken, in vlam zetten, verbranden; nga- 
doeroekan, idem, op meer dan één plaats; 
didoeroek keur hiroep keneh, levend verbrand 
worden; kadoeroek, mede-, of zooals bty 
ongeluk, verbrand zyn; doeroekan, op een 
hoop gelegde brandstof, takkenbos, brand- 
stapel; verder: een vuur, m^t; ook: asch- of 
stof hoop, overblijfsel van een brand ;njjjeun 
doeroekan, een mijt-, vuur of brandje maken ; 
koerban doeroekan, brandoffer; Boh panga- 
doeroekan, Geest der verbranding. 

DOEROEWIKSA (Skr. dhurbhiksa), naam 
van een soort van geest, aardmannetje; 
verder: al wat (inz. in 't bosch) een kwaden 
invloed uitoefent, plaagt of leed kan 
aandoen. 

DOERSILA (Skr. duc.cUa), slechtaard, 
booswicht; lakoe doersila, slechte streken. 

DOESANG, ngbr.; kadoesang-doesang, 
verkl. met njaba ieu poegoeh noe didjoeg- 
4joeg, zonder bepaald doel voortloopen, 
rooddolen (b. v. van verdriet). 
' DOESOEN, boersch, lomp, onbeschaafd, 
onbeschoft, ongemanierd. 

DOETDJÉNTRENG, nab. van 't geluid 
der katjapi. 

DOETOEN, ngbr.; ngadoetoen, = djong- 
ajon, ongestoord voortgaan. P. 

DOEWA, twee; aja koe doewa of oejoe koe 
doewa, z. v. a. laat staan, b. v.: aja koe 
doewa mere, anggoer menta, laat staan dat 
ik zou geven, veeleer wil (of kom) ik 
vragen; doewadn, tweetal, beide; doewa- 
nana (samentr. van doewadnana), de beiden, 
allebei; kadoewa, tweede; noe kadoewa, 
de tweede; ngadoewa, met ztyn beiden op 
(één paard) zitten; midoewa % zich in tweeön 
verdeelen, uiteenloopen (b.v. de meening 
van twee personen) ;djalan midoewa, twee- 
sprong; midoewa kahajang, uiteenloopende 
wenschen hebben; midoewa pikir, dubbel- 
hartig ;padoedoewadn, met zjjn beiden doen ; 



dibatfa padoedoewadn, met ztfn beiden lezen 
(vgL toenggal); ngadoewakeun, in twee ge- 
ïyke deelen verdeelen; ngadoewakeun pikir, 
zjjn hart verdeelen tusschen twee personen 
of zaken, verdeeld van hart, dubbelhartig 
(b. v. een man die het met een andere 
vrouw-, of een vrouw die het met een ande - 
ren man houdt); doewakeundjeungkaoela, 
deel het met mty samen; didoewakeun, = 
dibagi doewa, in tweeen verdeeld worden; 
mangdoewakeun, z. v. a. müoekeun, (van 
een vrouw) haren man een anderen be- 
stellen, behalve haren man een anderen 
man genegen z$Jn of zich met een anderen 
man afgeven, hare genegenheid tusschen 
haren echtgenoot en een anderen man 
verdeelen; dipangdoewakeun, 

DOEWANG-DAWEUNG, zie daweung. 

DOEWÉGAN, voll. kalapa doewëgan, een 
halfrype kokosnoot, waarvan men het 
water (het zoogen. klapperwater) drinkt. 

DOEWËT, voll. tangkal doewët, naam van 
een woudboom. [Uit de papagan of schors 
bereidt men een sambal die vooral voor 
kraamvrouwen heilzaam wordt geacht.] 

DOEWIT, het Holl. duit; idem; verder 
in 't algem.: geslagen geld, en in 't bflz.: 
kleingeld (vgl. oewang); bidjil doewit, geld 
uitgeven, betalen; sadoewit, één duit; tttoe 
doewit, drie duiten of 2>£ cent, enz.; - pidoe- 
wit, op de penning z^n; doedoewitan t naL&m 
van een woekerplant welker blaadjes op 
kopergeld geleken en die vooral op de 
koffieheesters veel wordt gevonden, duit- 
blad; ngadoewit s. t meuli k., ngarios en 
ngagaleuh 1., koopen; didoewit, gekocht 
worden, gekocht hebben; ngadoewüan, iets 
koopen; ieu make didoewitan, er geen geld 
voor geven, zonder betaling; didoewUkeun, 
te gelde gemaakt worden. 

DOGDOG, een trom die slechts aan het 
eene einde overspannen is; ngadogdog, op 
de dogdog slaan; ook: iemand een duchtig 
pak ros geven. (Vgl. dorogdog.) 

DOQER, dat waartegen men den voet 
plaatst, hem schrap zettende; ngadoger, 
zich schrap zetten, den voet naar achteren 
tegen iets aan zetten; ook: (den arbeid) 
ferm aanpakken. 

DOGONG, ngbr. ; ngadogong, maar meesta 
dogong-dogong, stutten, onderstutten (nl 
iets dat overhelt), schoren; dogong-dogotig 
noelak $ao$ t geus gëde dUoewar batoer, een 
jonge pisangstruik stutten, maar als zy 
groot geworden is wordt zty door een ander 
omgehakt; sprkw., inz. voor: een meisje 
zorgvuldig opkweeken, om ze zich later ter 
vrouw te nemen, maar als zj) groot gewor- 
den is gaat een ander met haar strtyken. 



152 



DOJONQ— DONGKAP. 



DOJONQ, neigen, zich neigen, voorover- 
gaan, overhellen; ook: buiten het zenith 
«taan (van een ster enz.); verder: scheef 
staan (van een meubelstuk, wand, huis 
enz.); dojong ngaler, naar het Noorden 
hellen of overhellen ; dojong-dojong, sterk 
hellen, sterk gebogen (ook z. a. een oud 
mensch); padojong, naar elkander hellen. 

DOKAR, het Ho 11. dogkar, tweewielig 
licht rijtuig; dodokaran, voor plezier in 
een dogkar rijden. 

DOK-DAK, klanknab. van hamerslagen. 

DOKDOK (Z.-B.), zeker vischtuig (schep, 
net) om kleine vischjes te vangen. 

DOKOM, een dak dat van den soekoenan 
af in ééns doorloopt met één stel oesoek's, 
zoodat men geen wangkilas gebruikt. 

DOKTOR, het Holl. dokter; idem, nl. 
Europeesch geneeskundige (vgl. doekoen); 
nji doktor, vroedvrouw die een opleiding 
heeft gehad in een daartoe bestaande 
inrichting van het Gouvernement. 

DOLIM, minder gewone uitspraak van 
het Arab. thlalim; zie lalim. 

DOLOQ, I. = wani, durven, onbevreesd, 
dapper; ook: willen (b. v. aanvallen of 
stryden); oeiah dolog, wees niet overmoedig. 

II. Kaam van een boom, voll. tangkal 
dolog, 

DOL08, stut (horizontaal aangebracht); 
ook: bamboestok die aan (op) een voor- 
werp horizontaal wordt gehecht en aan 
welks einden de stokken voor het dragen 
(gotongan of rantjatan) worden bevestigd ; 
by de Bad. bovendien = daloeroeng (P.), 
zie ald.; ngadolos, steunen (nl. horizontaal), 
voor instorten behoeden ; overdr. : toegeven 
(aan z\jn toorn, aan iemands zin, enz.); 
didolos, 1. gestut worden; 2. overdr. (gevolgd 
door kërsa, kahajang, bëndoe, enz.), iemand 
in de volvoering van zyn wil of wensch 
behulpzaam zj)n, tot volvoering zijner 
plannen hem de hand leenen of die bevor- 
deren, aan een opkomenden toorn bot- 
vieren, enz. (Vgl. otmbar.) 

DOM (Jav.), naald (vgl. djaroem); dom- 
doman, = djadjaroeman, naam van een 
grassoort (zie djaroem); padoman, kompas. 

DOMANG, = dongkang, het vooro ver- 
bukken; ngadomang, = ngarongkong, zich 
vooroverbukken. P. 

DOM AS, I. achthonderd; tandoekna 
salaka domas, met achthonderd zilveren 
hoorns. 

II. = gosali; zie ald. P. 

DOMBA (Perz., donba), schaap; anak 
domba, lam; koelit domba, schapevacht, 
schapeieder; ngadomha, als een schaap 
doen (wordt gezegd van een hert, als het 



zyn gewei verloren heeft, wisselt), z. v. a. 
oentjal keur poegoer. 

DOM-DOMAN, zie dom. 

DOMPET, een taschje van leder (dompet 
koelit), of matwerk (dompet samak), voor 
oedoed, seureuh, enz. 

DOMPO, tweelingen, nl. meisjes. (Vgl. 
dampa en këmbar.) 

DONDOL, ugbr.; ngadondol (Kad.), verkl* 
met djaga gardoeh, de wacht hebben in 
de gardoeh. 

DONGDANG, een voorwerp van bamboe 
of hout, soort berrie, door twee man 
gedragen, dienende tot vervoer van borden, 
eetwaren enz., of ook wel tot' vervoer van 
een zieke; sidongdang, zitten met afhan- 
gende beenen (z. a. op een bank). 

DONGDI (Kad.), verkoeling, verwijdering 
tusschen twee personen [waarvan het 
einde is paseja]. 

DONGDOLEK, g. w.; ngadongdolek 
(waarsch. samenst. uit ngadongdon en 
nalek), aangaande iemand een onderzoek 
instellen (b. v. uit twijfel ofhy wel degene 
is voor wien h\J zich uitgeeft), navraag 
doen. 

DONGDOMAN, = dom-doman, zie dom. 

DONGDON, g. w.; ngadongdon, zoeken, 
onderzoeken, berichten inwinnen, infor- 
meeren naar iets of iemand, tot den grond 
onderzoeken, navorschen, trachten uit te 
vorschen; ngadongdon warta, een onder- 
zoek naar het gerucht instellen; didongdon; 
kadongdon, onderzocht, gevonden, aan 't 
licht gekomen, gebleken; dangdan-dongdon, 
naarstig onderzoeken, bij meerdere per- 
sonen of op meerdere plaatsen navraag 
doen, rondvragen ; pangdongdon, onderzoek, 
informatie, navraag, navorsching;dorififdo- 
nan, wat uit of bij onderzoek gebleken 
is, resultaat van onderzoek, informatie, 
inlichting; geus meunang dongdonan, in- 
lichting (als resultaat van onderzoek) ge- 
kregen hebben. 

DONQENQ, legende, vertelling, vertelsel» 
fabel; ngadongeng, vertellen, een fabel enz. 
verhalen; ngadongengkeun, iets (een fabel) 
vertellen. 

DONGKANQ, = rongkong, het voorover- 
bukken ; ngadongkang, zich vooroverbuigen ; 
didongkangan, gezegd van iets waarnaar 
iemand zich vooroverbuigt. 

DONQKAP s., datang k., soernping l.i 
aankomen, komen, aanlanden, bereiken; 
verder 1. van nèpi, tot aan, tot aan toe, 
in die mate dat; ngadongkapkeun, 1. van 
ngadatangkeun, iets doen komen aan of 
tot, zijn bestemming doen bereiken, doen 
geworden aan; didongkapkeun. 



DONGKAR— DYA. 



153 



DONQKAR, = 't meer gebr. doengkar. 
DONQKE, een andere naam voor 
landak. 

DONGKEL, voorwerp om iets uit den 
grond te lichten of te breken, breekwerk- 
tuig; ngadongkelan, iets (b. v. een steen 
of boomwortel) uit den grond lichten of 
opbreken; didongkelan. 

DONGKIP, modern 1. van dongkap; 
zie ald. 
DONGKLAK, hetzelfde als donglak. 
DONGKO, zich voor o verbukken, voor- 
overgebogen , in gebukte houding (eerbiedig) 
gaan; dodongkoan, idem, hetztf aanhoudend 
of wel uit aardigheid; dangka-dongko, of 
ook angka-ongko, zich aanh. of herh. 
bukken. 

DONGKOK, welgedaan, goed in 't vleesch 
zitten; (van planten) flink uit de kluiten 
gewassen. P. 

DONGKOL, I. naar voren omgebogen 
hoorns (van een buffel of ram). 

II. Jav., gewezen, rustend; pa tih dongkoh 
de gewezen patih. 

DONGKONG, maar meestal ngadongkong, 
= ngalengkah, schreden, voortschreden. 

DONGKRAK, het Holl. dommekracht; 
idem; ook wel gebruikt voor: kraan (het 
bekende werktuig). 

DONGLAK, = sëmplek, afbarsten of af- 
gebarsten (een stuk van een tafel, muur, 
enz.), stukstooten (b. v. zich den neus 
stukstooten); ook: een stuk van iets 
missen. 

DONGOS, voll. lagoe dongos (Z.-B.), naam 
van een zangwijs. 

DONTJA, g. w.; ngadontja, trekken; 
didontja; dodontja, al maar trekken (b. v. 
om vry te komen); silihdontja, elkan- 
der trekken; doemontja-dontja, (van een 
aap) met gestrekte handen en beenen 
loopen (P.). 

DONTO, er welgedaan uitzien, goed in 
't vleesch zitten, vet. 

DOPANG, z. v. a. antara en sësëla, 
tusschen. P. 
DOPARA, = 't meer gebr. alangkara. 
DOPI, = 't meer gebr. doepi I. 
DOR, = doer % klanknab. van het afgaan 
van een geweer of pistool; doer^dor, idem 
van het herhaaldelijk afgaan van een 
geweer, enz. 

DORAKA, ongerechtig, zondig, misdadig, 
goddeloos, strafschuldig (zie ook herang) ; 
migawe doraka, goddeloos handelen; doraka 
dosana, strafwaardig is ztyn zonde; doraka 
ti heeft den zin van: rampzalig vanwege, 
gevloekt door, gestraft door; doraka ti 
bapa djeung ti Pangeran, gevloekt door 



vader en door den Heer; djalma tjilaka» 
doraka, goddelooze, rampzalige, niets- 
waardige; kadorakadn, ongerechtigheid, 
goddeloosheid, strafschuldigheid, mis- 
daad. 

DORAN, de steel van een patjoel of van 
een baljjoeng [bij voorkeur van limoeshout 
gemaakt]. 

DOR ATI, naam van een onreine n vogel 
[in de Sipat XX genoemd, maar op 
W.-Java niet bekend]. 

DOR-DAR, zie dar. 

DOROQDOG, maar meestal ngadorogdog, 
het aanh. knallen van schoten, het rollen 
van een wagen of ander derg. geluid; ook: 
er ferm op los slaan, iemand een duchtig 
pak slaag geven; tingdorogdog, links en 
rechts knallen, knappen, enz. (Vgl. dogdog 
en doeroegdoeg.) 

DOROÏ, ong.= djoelig; ngadoroï, iemands 
ongeluk zoeken, iemand ongelukkig maken 
op eenigerlei listige wijze; didoroï. 

D03A (Skr.), misdaad, misdrijf, zonde; 
Verder: schuldig, schuld; kalakoean anoe 
matak djadi dosa, een handeling welke 
iemand schuldig maakt; tanpa dosa, zonder 
zonde, zondeloos; teu dosa, geen zonde 
hebben, onschuldig zijn; boga dosa, zonde of 
schuld hebben; roemasa dosa, schuld 
gevoelen, schuld bekennen; djalma dosa, 
zondaar; nanggoeng dosa, iemands zonde op 
zich nemen of dragen; ngadosa, zondigen, 
zonde bedreven; ngadosa ka, zondigen 
tegen ; kadosadn, zonde begaan hebben, met 
zonde behept zfln; ook = kasalahan, 
zonde, schuld; ngadosakeun, tot zonde 
brengen, doen zondigen; didosakeun. 

DOSOL, navelbreuk. 

DOTJLO (Kad.), sukkel, surfer. 

DOWANG, = het beschaafder en meer 
gebr. woengkoel, enkel, alleen, uitsluitend; 
koeda leumpangna dowang, het paard draaft 
gestadig (met gestadigen tred). 

DRAMAGA, = 't meer gebr. dërëmaga. 

DREL, klanknab. van vele schoten te ge- 
HJk, het geiyktydig losbranden van een 
groot aantal geweren, salvo, pelotons- 
vuur; ngëdrel, te gelijker tijd afvuren, een 
pelotonsvuur maken, een salvo afgeven, 
fusilleeren; didrel, gefusilleerd worden (door 
een peloton). 

DROEWIK8A, = 't meer gebr. doeroe- 
wiksa. 

DWA (O.-S.), = 't hedendaagsche doewa, 
twee. P. 

DWI (O.-S. en Skr.) = 't hedend. doewa-, 
twee. P. 

DYA (Kw. en O.-S.), waarsch.: het is, 
dat is. P. (Vgl. nja.) 



154 



E— EH. 



E. 



È, zie Spraakk., de tafels btf § o en § 7. 

E, zie Spraakk., de tafels btf § 6 en § 7. 

ËBANG.het Jav. bang. rood (vgl. beurmm) ; 
ngëbang), chemisch ontkleuren van oude 
batikans met tjisapoe en ze daarna opnieuw 
rood verven. 

EBAT, = 't meer gebr. hebat. 

EBEQ, I. een schabrak, dat bj) de s£nenan 
of het tornooispel over het zadel gelegd 
wordt. (Vgl. sënen.) 

II. De vang van een koletjer; meestal 
echter ebeg-ebeg. 

EBER, ngbr.; ngéber, voll. dagang ngéber t 
in commissie handelen; diëber, gezegd van 
goederen welke alzoo verhandeld worden; 
ioekang ngéber, commissie-handelaar. 

EBI, gezouten gedroogde garnalen. 

ËBIR, het HoJl. bier; idem. 

EBOQ (vgl. bog), 1. van ngëdëng, zich 
nederleggen, liggen (inz. om te slapen); 
ngebogan, liggen op; diëbogan; ngebogkeun, 
nederleggen (een kind, het hoofd, enz.), 
te slapen leggen ; diëbogkeun. 

ËBOR, of bor, het Holl. boor; idem ; ngëbor, 
boren. 

EBREH (vgl. breh), openbaar, zichtbaar, 
in het licht ztyn, openbaar z$u; ngebrehan, 
iemand iets openbaren; diëbrehan; nge- 
brehkeun, vertoon en, ontdekken, onthullen, 
openbaren; diëbrehkeun. 

EDAH, verkl. met deukeut, dichtbij; ook: 
de dichte tby liggende bal bjj biljarten of noot 
by het bantjoel-spQl; paedah-edah, (btf ban- 
tjoel enz.) streden wie het dichtst bjj het 
kuiltje is. 

EDAN, verbasterd, razend, dol, krank- 
zinnig, waanzinnig; als uitroep: verbaasd! 
verschrikkelijk! enz.; sawan edan, een 
soort vallende ziekte; edan-edanan, doen 
als een krankzinnige, zich als een waan- 
zinnige aanstellen, buiten zichzelvenzfln; 
edan-edanan sararewoteunana, zty waren 
buiten zichzelven van woede; kaedanan, 
«ichzelf niet meester ztfn, de kluts kwtft 
of van streek ztfn, dol om of op iemand 
of iets zvjn (vooral op iets dat men niet 
heeft of kwyt is), verzot ztfn op, dol 
houden van, smoorUJk verliefd ztfn. (Vgl. 
gelo en saaar.) 

EDA8, een uitroep, z. v. a. edan en euleuh- 
etdeuh: wel verbaasd! he! ktyk! edasl Mar 
Maja, ngabibitadn kamil he! Mar Maja, 
wat maak je me begeerig! 



EDEG, wippen met het eene been over 
het andere geslagen; edeg-edegan, idem, 
aanhoudend. 

ÉDEK, = dek; zie ald. 

ËDIR, hetzelfde als dir; zie ald. 

EDJAH (Ar., hidja), spelling; ngedjah, 
spellen; boékoe ngedjah, spelboek (ook 
genaamd tjatjarakan); diëdjah, gespeld 
worden. 

EDJEQELER, ieder oogenblik van houding 
veranderen (nu staan dan gaan zitten, 
nu naderen dan zich verouderen, enz.), 
zenuwachtig-, geagiteerd z$n, beweeglijk, 
opgewonden. 

EDOK, (van een kind) dwingen om mee 
uit te gaan; edok-edokan, al maar daarom 
dwingen. F. 

ËDOR, ngbr.; ngëdor, = ngagëdor, zie 
gëdor. P. 

E-E, nab. van 't schreiend geluid van 
een pasgeboren kind; karek rëp, e-el 
njoesoe, nauwltfks is (het kindje) stil, (of 
men hoort weer) e! el (en de moeder moet 
't weer) zoogen. 

EËH, samentr. van aéh>aeh, zie aeh. 

EQANQ, voorzichtig loopen [zóó als een 
jongen die besneden is, of iemand die 
een brandmerk gekregen heeft, of een die 
ergens een plek heeft welke schrijnt, dus 
uit angst dat de kleeren langs de gevoelige 
plek zullen schuren] ; patingaregang, idem 
(van velen). 

EQAR, ook hegar, = soeka, verruimd 
(van gemoed), opgeruimd, goedsmoeds, 
opgewekt; egar pipikiran, biyde moed, 
verruimd of opgewekt van gemoed. 

ÉQOL (Z.-B.), ngbr.; ngëgol, zjjn schulden 
niet willen betalen (lamoen ngandjoek tara 
naoer, moen ngahoetang tara majar)\ pangë- 
golan, iemand die schulden maakt en ze 
niet betalen wil. 

EGOL, = egang, voorzichtig loopen; 
patingaregol, idem (van velen); oegal-egol, 
aanh. voorzichtig loopen. 

EQOS, ngbr.; ngegoskeun, = ngingërkeun, 
wenden, iets omwonden. (Zie ingër.) 

ËH, tusschenw. om op klagenden toon 
verzuchtingen te slaken of tot iemand te 
spreken: o! acht ëhl geutoat geura moelihl 
ach! kom toch spoedig thuis! ëhamai 
koemaha koering hajang eureun atoehl ach 
vader! houd toch op!- oeh-ëh % gedurig èh 
zeggen. (Vgl. ah, eh en ih.) 



EH— ELEB. 



155 



EH k., noen 1., tusschenw. om iemand 
aan te spreken: o! [Sommigen bezigen in 
navolging van 't Maleisen he, doch dit is 
geen Beendan., en dus af te keuren.] Zie 
Spraakk. § 216. 

EHEM, bm! zeggen, kuchen (als middel 
om de opmerkzaamheid te wekken), 
hemmen; aham-ehem, aanhoudend hemmen. 
(Vgl. dehem.) 

ËJAH-ËJAHAN, gekheid maken, gek- 
scheren. 

EJAK, ngbr.; ngejak-ngejak, verkl. met 
ngaheureujan en njeungseurikeun, met 
iemand mallen, iemand ten speelbal 
kiezen, iemand bespotten of uitlachen, 
plagen, treiteren, sarren; diëjak-ejak; ejak- 
tjakan, aanh. plagen, sarren, treiteren, enz. 

EJANG, 1. van aki en van ntni, en tevens 
1. van ëmbah, grootvader (ejang pamëgët), 
grootmoeder (ejang istri), grootouders 
(ejang pamëgët-istri, 1. van ëmbah lalaki- 
awewé). 

EJAR, rumoer (inz. gepraat of goween) 
veroorzaakt door vele stemmen; ejar 
nangis, weenen (van velen), geween; ejar 
midangdam, huilen (van velen), gehuil; 
ejar anoe midangdam, er was een rumoer 
van huilende menschen;e?ar patingdarêngek, 
geschreeuw (van velen); ngejar, z. v. a. 
disada, aanh. geluid maken; (van een 
zuigeling) aanh. schreeuwen om de borst; 
(van een veulen) aanh. schreeuwen om de 
moeder, aanh. hinneken, enz. (Vgl. ejor.) 

EJONG, I. de schreeuw van katachtige 
dieren, miauwen; ejong-ejongan, al maar 
miauwen; oewang-ejong, gemiauw. (Vgl. 
mejong.) 

II. Ngejong-ngejong k., ngambing 1., een 
kind of iets anders dat men in den arm 
laat liggen heen en weer bewegen, iets 
op de armen wiegen; diejongejong. 

EJOR, geraas, rumoer (buiten het ge- 
zicht, b. v. in een belendend vertrek). 
Vgl. ejar. 

EKAH (Ar., van aqiqah), een offer be- 
staande uit een buffel, geit of schaap, by 
het sterven van iemand do;r zfln ver- 
wanten aan de Mohamm. geestelijkheid 
geschonken, en waarop de overledene, 
naar het volksgeloof, ongedeerd over de 
oordeelsbrug rfldt [het dier wordt door de 
geestelijkheid onder zich verdeeld en ge- 
nuttigd] ; ngekahkeun, ten behoeve van een 
afgestorvene een der genoemde dieren 
aan de geestelijkheid schenken ;diëkahkeun. 

EKEK, naam van een groenen parkiet, 
grooter dan sarendet; ngaëkek-lëmboet, een 
verbl. spreekwas: een ekek lëmboet heet 
sarendet, en gedoeld wordt nu met deze 



uitdrukking op soemeredet, branden van 
begeerte. 

EKOL, ong. = ahal, middel, list (maar 
in een bepaald slechten zin), bedrieglijk 
doen of handelen, met draaierty omgaan, 
zfln woord niet houden, iemand een poets 
bakken; leuwih bisa ekol, sterk ztfn in 't 
plegen van bedrieger^ of draaier^; oekal- 
ekol, listen aanwenden, uitvluchten zoeken. 

EKSEL, klein, nietig (van vruchten enz., 
en zoodoende ongenoegzaam tot voeding); 
ook: afgemaaid of afgegeten (van een gras- 
veld, dat geheel geschoren is); verder: 
poover, kaal, karig. 

ELA, naam van een plant, een variëteit 
van de cardamom (kapot), B. 

ËLAH-ëLIH, benauwd in de keel, een 
gevoel hebben alsof de keel toegeknepen 
wordt, alsof men stikken zal (van een 
mensch of dier, b\j te snel of te hevig 
eten); ook: met stokkende stem weenen, 
voll. nangis ëlah-ëlih; ëlah-ëlih Maktal 
nangis, met stokkende stem begon M. te 
weenen. (Vgl. tëlih en balilihan.) 

ËL.AJ, hetzelfde als laj, zie ald.; ngëtajt 
uit of langs den mond loopen (van kwjjl 
of speeksel), kwalen, zeeveren. 

ËLAK, het Holl. lak; idem ; ngëlak, lakken, 
toelakken; dièlak. 

ELAK (Z.-B.), naam van een zeevisch. 

ËLAK-ËLAKAN, de huig; ook wel: keelgat. 

ËLAK- Ë LOK, zie ëlok. 

ËLANQ, een paar manden (of één ervan) 
gelijk de rondventende kooplieden ge- 
bruiken, koopmand of koopmanden (vgl. 
tolok); dagang ëlang (Soem.) = kolontong 
(Tjiandj.), rondventer, marskramer. 

ËLAR, pees, koord van een boog. [Niet 
algemeen; te Bandoeng b. v. zegt men fait* 
gondewa.] 

ËLAT, I. (vgl. lat), met tusschenpoozen, 
nu wel dan niet; ook: uitbleven, achter- 
wege bUJven; ëlat naoer, in gebreke bleven 
te betalen; teu ëlat t niet nalaten, niet in 
gebreke bleven; teu ëlat baranghakan, te 
eten hebben, maar meer ook niet; soegoeh 
teu, pisan ëlat, het onthalen hield niet op; 
teu meunang ëlat, zonder verwijl; teu 
ëlat-ëlat tjaina, (van een rivier) nooit gebrek 
aan water hebben; - kèlat, hetzelfde als 
ëlat; teu këlatpeuting, geen avond overslaan. 

II. Hot Holl. laat; idem; ook: te laat; 
ëlatna, op ztyn laatst; kaëlatan, opgehouden, 
door omstandigheden te laat gekomen; 
ngëlatkeun, het laat laten worde*b, lang 
werken, lang bltyven, enz.; ngëlatkeun 
eureun, laat opbleven. 

ËLEB, hetzelfde als leb, zie ald.; ngëléb, 
rtyzen, styjgen (inz. van het water). 



156 



ELED— ELOT. 



ELED, ngbr.; ngeledan maneh, de minste 
zfln tegenover iemand (z.a. bifl verschil), 
inschikkelijk zfln; silih-eledan, tegenover 
elkander de minste ztfn. (Ygl. eleh.) 

ELEH, = kalah k.,kawonh, overwonnen, 
het verliezen, het verloren hebben* de 
nederlaag lflden, zwichten, onderdoen 
(mindor zijn dan een ander); ook: neder- 
laag; eleh bëdas, minder sterk &a.n;elehkoe 
saksi, ontwapend door een getuige; ngelehan 
maneh, zich onderwerpen, zich overgeven, 
de minste z\)n (z. a. bt) verschil), toe- 
geeflijk zjjn, inschikkelijk (vgl. eled); nge- 
lehkeun, ten onder brengen, onderwerpen; 
ook: overtreffen, te boven gaan, meer 
dan; diëlehkeun, onderworpen worden. 

ÈLEK, ngbr. ; ngëlek, garen van de oendar 
winden op de ëlekan; dièlek; ëlekan, een 
spoel (van tamijang, p. m. een voet lang 
en een duim dik), behoorende tot de kinijir. 
[Wordt geschoven op de galeger en draait 
daarom; het garen, hierop gewonden, 
dient tot mihane.] Vgl. oelak. 

ELEKETEK, g. w. ; ngeleketek, iemand over 
de huid strtyken, kneepjes geven enz., 
iemand kittelen; diëleketek. 

ÉLEL (vgl. lel), ngbr.; ngëlel, uitgestoken 
(van de tong); ngëlelan letah, tegen iemand 
de tong uitsteken; ngëlelkeun letah, de 
tong uitsteken; dièlelkeun. (Vgl. Mol) 

ËLËP (vgl. lëp), g.w.; ngëlëp, rflstbossen 
in orde leggen in de schuur, nedervljjen; 
ook: (schatten enz.) opstapelen, opgaderen, 
opleggen ; diëlëp ; ngëlëpan, meerdere dingen 
opleggen, enz.; diëlëpan. (Vgl. tëbal.) 

ËLES, het HolL leidsel; toom, leidsel. 

ËLID, z. v. a. akal, list, streek (b. v. om 
ergens aan te ontkomen); ëliding boedi, 
listen-, streken des gemoeds. (Vgl. kèlicL) 

ËLIK, ngbr.; ngëlik, naar boven omge- 
bogen (de uiteinden van den knevel, een 
tyzeren stang, enz.); ngëlikkeun, het uit- 
einde van iets ombuigen of omslaan; 
diëlikkeun. (Vgl. ëloek.) 

ELINQ 8. (doch ook niet zelden 1.), ingët 
k., emoet 1., indachtig zfln of worden, zich 
herinneren, gedenken aan, tot zichzelf 
komon, btf kennis of bewustheid zfln; 
jaktoa eling, goed by bewustheid zjjn; 
ngelingan, aan iemand herinneren, iemand 
waarschuwen, vei manen; diëlingan; ka- 
elingan (ook welkelingan), aan iets gedachtig 
worden of z$)n, herinnerd worden of zjjn; 
ook: aandenken; ngelingkeun, iets aan 
iemand herinneren of in de gedachten 
brengen, zich voor den geest roepen, ge- 
denken; diëlingkeun; elingan, gedachte, 
nagedachte, nadenken, geheugen, gedach- 
tenis; masing pandjang elingan, denk goed 



na; - peling, herinnering; keur peling, „ter 
herinnering" (nl. aan den verkooper) zegt 
men in Kad. by het toegeven op iets dat 
gekocht is (b.v. één op een tiental doe- 
koeh% één op een honderdtal sabrang'a, 
enz.); pepeling, vermaning, waarschuwing, 
berisping, betuiging; mepeling, waar- 
schuwen, vermanen; mepelingan, ofngaha- 
toeranan pepeling, vermanen, waarschuwen, 
iemand ergens over onderhouden, berispen, 
betuigen; dipepelingan, of dihatoeranan 
pepeling ; - pangelingan, 1. waarschuwing, 
vermaning; 2. middel om te doen gedenken, 
gedachtenis; pangeling-ngeling, 1. middel 
om te doen gedenken, of ter gedachtenis, 
aandenken; 2. zedenles, zedenspreuk, 
zedenleer; ook: geschrift dat leeringen 
zedenlessen en derg. bevat; pamepelingan, 
herinnering, aandenken; - pakeling (Jav. 
afleid.), vermaning, gedachtenis; pikeun 
pakeling, ter gedachtenis. 

ËLIS, het Holl. Hjst; lijst van houtwerk, 
rand van een doek, raam, boord; ngëlis, 
een hjst of rand ergens aan maken; ook: 
de tippen van den hoofddoek of derg. 
uitstrijken; diëlis; ngëlisan, aan iets een 
ïyst of rand maken; diëlisan; ëlisan, lijst, 
rand, boord, omlijsting. 

ELMOE (Ar., vgl. ilmoe), kennis, weten- 
schap, kunde, leer, leerstelsel, dogma; 
ngelmoe, een wetenschap of derg. beoefenen; 
kaelmoe, geleerd hebben, verstaan, kennen. 

ELO, het Holl. el; idem; saelo, één el, 
enz.; eloan, ellestok, duimstok, meter. 
(Vgl. asta.) 

ELOD, ngbr.; ngelod, rondloopen, ledig 
rondloopen; elodan en pangelodan, leeg- 
looper, luilak. 

ËLOEH, zie loeh. 

ËLOEK, bocht, buiging, scherpe krom- 
ming; ook: haal (z. a. aan een letter); 
verder: gedeelte van een cirkel; ngëloek, 
(het hoofd) naar beneden buigen, (het 
hoofd) op de borst laten hangen (b. v. 
een stervende, of ook wel uit schaamte); 
ngëloekkeuïi,. iets (b. v. 't hoofd) voorover 
naar beneden buigen; diëloekkeun. 

ËLOET (Ar.), de Mohammed, naam van 
Loth, den neef van. Abraham [doorgaans 
genoemd nabi Ëloet, de profeet Loth]. 

ËLOK (vgl. ëlak-ëlakan), ngbr.; èlak-ëlok, 
een slikkend (klokkend) geluid met de 
keel maken; ngëlok, klokken (van de keel), 
het slikkend geluid van de keel; ngëlokkeun, 
de keel laten klokken; diëlokkeun. 

ELOK (Z.-B.), hetzelfde als Hok. 

ËLOS, I. hetzelfde als los; zie ald. 

II. Het Holl. loods ; planken hut, schuur 

ËLOT, het HolL lot; idem. (Vgl lotëre.) 



EMA— EME-EMEAN. 



157 



ËMA, = indoeng k., iboe 1., moeder [by 
aanspraak, in kasar, bezigt men liefst 
dit woord]; - ook: titel voor gehuwde 
vrouwen uit den minderen stand (vgl. ma). 

ËMAH-ËMIH, zie èmih. 

ÉMAL, het Holl. mal, = pola, model, 
patroon, vorm om naar te knippen of 
te maken. 

EMAN, = *t betere heman', zie ald. 

ËMANG, basa neneh voor mamang, 1. 
van paman, oom (jongere broeder van 
vader of moeder). 

ËMA8, of mas, goud, gouden (vgl. kan- 
tjana); ook titel van santana'a (zie mas); 
tjaoe ëmas, naam van een goudgele pisang- 
soort; laoek ëmas, goudvisch; keusik ëmas, 
goudzand, stofgoud; bënang ëmas, goud- 
draad; keusikan ëmas, goud aan korrels; 
ëmas-ëmasan, voorwerpen van goud, goud- 
werken; ngëmasan, beter ngamasan, zie 
mas; pangëmasan, voll. pasir pangëmasan, 
goudheuvel, goudberg. 

ËMBAH, grootvader (= aki), groot- 
moeder (= nini) k., ejang 1., zie ald.; 
voll. ëmbah lalaki, ëmbah awewe. 

ÉMBAL ÈMBOL, zie ëmbot. 

ËMBAN, baboe, kindermeid, voedster; 
ook: verzorger-, verzorgster (van een kind); 
ngëmban, 1. van ngaïs, een kind dragen 
in den draagdoek (karembong); overdr. 1. 
van mawa (zie bawa), dragen, brengen; 
ngëmban timbalan, een bevel dragen, d. i. 
overbrengen; dièmban, gedragen worden 
(van een kind), verzorgd worden, enz. 

EMBAR, ngbr.; ngembarkeun (oobngaem- 
barkeun), = ngoetarakeun (maar min of 
meer 1.), verkondigen, doen hooren, alom 
bekendmaken; diembarkeun; kaembarkeun, 
alom bekendgemaakt. 

ËMBAT (vgl. bat, këbat en rëmbat), een 
lang en fraai rabat of val, langs den 
geheel en bovenkant van een ka sang, of 
van boven om een gordyn van een slaap- 
stede (vgl. palisir); koedoe aja ëmbatna,ge 
moet het midden houden (b.v. tusschen 
vlug en langzaam) ;ngëmbat (vgl. kèmbat en 
këbat), een lange rechte lyn of ry vormen 
(b. v. van een weg, een stoet, enz.), zich 
uitstrekken zoo ver het oog reikt; pating- 
ngarëmbat, (van vele dingen, b. v. Stroomen) 
zich in een rechte lyn zoover het oog reikt 
uitstrekken; ngëmbatkeun, = ngëbatkeun, 
zie këbat 

ËMBE, geit. (Zie badot.) 

ËMBËL, ong. ss roejoek, hoog gras en 
riet in een rawa of sitoe, rietmoeras. 

EMBER, het Holl. emmer; idem. (Vgl. 
timbadn bij timba.) 

ËMBI, 1. van bibi, tante (nl. de vrouw 



van een paman, vgL oewa); ngëmbikeun, 
zich iemands tante noemen; diëmbikeun. 

ËMBIK, maar doorgaans ëmbikëmbik, 
stooten tegen de schaal (van een kuiken 
dat uit den dop wil), zich bewegen (z. a. 
de foetus in den moederschoot, een wand 
onder den winddruk, enz.). P. 

ËMBIT, = ëngke; zie ald. P. 

ÉMBOEL-ËMBOELAN, gedurig op en 
onder duiken. (Vgl. boel en timboel) 

ËMBOEN, ook ëmboen-ëmboen, ëmboenan 
en ëmboen-ëmboenan, de fontanel (by jonge 
kinderen), het boven vlak van het hoofd, de 
kruin, schedel; ii sërëk dampal soekoe tëpi 
ka s ëmboen-ëmboenan, van de voetzolen tot 
den schedel. 

ËM80ENG, niet willen, onwillig (grover 
dan teu daek), ik wil niet; ëmboengeun, hy 
zy, het) wil niet; ëmboengan, onwillig; 
kaëmboeng, onwil. (Vgl. ang en sangeuk.) 

ËMBOET, beweging der lippen by het 
gaan spreken; ook wel beweging der 
vingers by het gaan doen van iets; ëmboeU 
ëmboetan, aanh. of gedurige beweging der 
lippen van iemand die spreekt; ook: 
lillen; ngëmboet, met iets ergens zacht op 
drukken, b. v. met den vingertop (P.). 

ËMBOH, tusschenw. om iemand te ge- 
lasten iets los te laten: laat los! 

EMBOH, er by, meer; ngemboh,\>% voegen; 
ngembohan, = nambahan, bydoen, aan- 
hechten, aan voegen, by voegen ; diëmbohan; 
kaemboh-emboh wordt gezegd van iets 
waarby zich gedurig iets anders komt 
voegen; pangembohan, wat aan iets toe- 
gevoegd is of wordt, toevoegsel. 

ËMBOK (Soem.), = ëma, moeder. 

ËMBOL, I. (vgl. bol), naar buiten komen, 
uitkomen (b. v. do hersenen of de darmen, 
door uitwendige beleediging); ëmbal-ëmbol, 
telkens naar buiten treden (van idem); 
ook (van dezen en genen): by iemand, 
komen, wel eens aankomen; ëmbol-ëmbolant 
naar buiten komen, weer naar binnen 
gaan, andermaal naar buiten treden enz. 
aanhoudend naar buiten en weer naar 
binnen gaan. 

II. Naam van de këmbang of bloem van 
de këlëwih. 

EMBRAT, gieter, = panjiraman, zie siram. 

ËMBRËK, g. w.; ngëmbrëk, opgestapeld 
liggen of biy ven liggen (van koopwaren) , 
blyven staan of liggen, niet verkocht 
raken; ngëmbrëkkeun, koopwaren opge- 
stapeld of ingepakt laten, ophouden, niet 
van de hand zetten; diëmbrëkkeun. 

ËME, polsslag; ook: de pols. 

ÉME-ËMEAN, blaten (van schapen en 
geiten). 



158 



EMEL— ENAJ. 



ÊMEL, I. verkl. met omong en pamenta, 
woord, verklaring, vraag, aanvraag. 

II. Het Holl. mijl; idem; saëmel, één 
mijl, enz. (Vgl. pal) 

ËMËR, een ceintuur van metaal [voor 
vrouwen; ook wel voor mannen, doch 
alleen als ztj versierd zijn]. 

EMES, — lopang, naam van een slinger- 
plant wier vruchten bij de rijst gegeten 
worden. 

ËMET, I., ngbr.; saèmet, een zeer kleine 
hoeveelheid, een ziertje, een klein stukje, 
een sikkepitje. 

II. (Indr.), halen, nemen. 

ËMIH, eten, aan 't eten z^jn; êmah-ëmih y 
al maar eten, lang eten, niet ophouden 
met eten, smikkelen, zich aan iets ver- 
gasten, schrokken. 

ÈMING (samentr. van ëma en aing), alleen 
bij aanspraak en als men op innigen toon 
spreekt: moeder 1 lieve moeder! 

ÈMOE, ngbr.; ngëmoe, inhouden, iets niet 
uitspreken, niet openbaren, verzwijgen; 
ngëmoe rasa, iemands gedachten bevroeden ; 
diëmoe. (Vgl. këmoe.) 

EMOET 1. (en soms 1. p.), eling s. (en 
8omB 1.), ingët k., indachtig zijn of worden, 
zich herinneren, gedenken aan, enz. (zio 
verder ingët en eling); emoetan, meening, 
gevoelen); teu dipiëmoet, niet aan gedacht 
worden, niet in herinneiing gehouden 
worden; kaemoetan, of», ook kemoetan, aan 
iets gedachtig worden of ztfn, herinnerd 
worden of zijn. 

ËMOH, het loeien van een rund; ëmoh* 
ëmohan, aanhoudend loeien. 

ÉMOJ, = ëmpoek en hipoe, zacht, indruk- 
baar (een peJuw, een vrucht, een jonge 
tak, enz.). 

EMOK, het zitten eener vrouw tn beleefde 
houding [en wel op den grond, het boven- 
lichaam rustend op den arm, de been en 
eenigszins naar achteren en dan zijwaarts 
uitgestrekt]; emokan, = lahoenan, schoot. 

ÉMOL, of mol, moer (van een schroef). 

ËMONQ, of ook mong (Indr.), = ëmboeng, 
niet willen, ik wil niet. 

ËMPAH-ËMPIH, = ëmah'ëmih; zie ëmih. 

ËMPAK, = oempak, voetstuk van het 
Inl. weefgetouw. P. 

ËMPAL, een gerecht van gekookt of 
gestoofd vleesch, met kruiderijen toebereid. 

EMPANG, I. een groote vijver (grooter 
dan koelak ot balong). 

IL L. van pisin, schoteltje (van een kopje)» 

ËMPE (Z.-B.), = batok; zie ald. 

EMPEH, =s repeh, stil, rustig, vredig, 
veilig; ook: stilstaan van de pols, niet 
meer slaan. 



EMPER, I. opstap (golodog, maar onder 
het dak), overdekte opstap van een djam. 
pana of draagstoel, overdekte gaanderij 
(eig. zij-, maar ook wel voorgaanderJJ), over- 
dekt voorhof, balkon. (Vgl.amton en Upas.) 

II. =r embar; kaemper-emper, bekend 
geworden 

ËMPE&-ËMPES, onhoorbaar ademhalen, 
roerloos zijn, roerloos nederliggen (inz. van 
een stervende kort voor zijn dood). Vgl. 
këmpes. 

ËMPET, vast mondstuk van een "fluit of 
trompet ; ëmpet-ëmpetan, een fluitje hetwelk 
de kinderen maken van een kokosblad of 
van djarami (het onderstuk van rij ststroo). 

ËMPLAD, ngbr.; ngëmplad, veeren, door- 
buigen (z. a. een draagstok of vlonder); 
ëmplad-ëmpladan, idem, aanhoudend; ngëm- 
plad-ngëmplad, een voorwerp probeeren of 
het wil doorbuigen. (Vgl. ënaj II.) 

ËMPLE, ngbr.; diëmple-ëmple, aanh. 
zachtjes gedrukt of gekneed worden (b. v. 
klei). 

ËMPLEK (vgl. sëmplek), hulpwoord om 
te tellen: stuk, brok; ëmplek tipoeng, naam 
van een soort klein gebak ; saëmplek, één 
stuk, één brok, enz. 

ËMPO, titel van vrouwen die van 
Batavia afkomstig zijn, z. v. a. bibi. 

ËMPOEK, = ëmoj en hipoe, zacht (b. v 
een rrjpe vrucht, een peluw, een kussen, 
enz.); ngëmpoek-ngëmpoek, iemand tot 
kalmte trachten te brengen, tot zachtheid 
trachten te bewegen; diëmpoek-ëmpoek. 

ËMP08, ngbr.; ngëmpos, nog niet geheel 
rrjpe pisang van den stam nemen, in een 
kuil leggen en bedekken met droge 
bladeren, zemelen en derg., die vervolgens 
in brand worden gestoken, om zoo do 
pisang gaar te smeulen; diëmpos. 

ËMPOT, zie brj hajam. 

ËMPRAK, = prak; zie ald. 

EMPRAK, in de handert klappen (van 
pret, uit leedvermaak, om aan te sporen^ 
enz.), handgeklap; noe emprak, die in de 
handen klapt ; emprak-emprakan, aanh. in 
de handen klappen, de handen samen- 
klappen; ngemprakan, jegens iemand in 
de handen klappen; diëmprakan; ngem- 
prakkeun, de handen laten klappen; diëm- 
prakkeun. (Vgl. tëpak.) 

EMPROJ, zacht, murw (z. a. de grond in 
den regentijd). P. 

ËNAJ, I. glanzen (van vruchten, van de 
huid, ^an kleuren, enz.); koneng ëna}> 
lichtgeel, goudgeel (inz. van rijpe pisang 
en van de huid); veelal zegt men arënaj, 
en dan wel van 't glanzen van de huid,, 
van rijpe vruchten, enz. 



ENAL— ENGGOEK-ENGGOEK. 



159 



n. = leuleus, slap, zwak, doorbuigen 
(b. v. een brug). 

ËNAL, zie nal. 

ËNA8, zie nas. 

ËNDAG, of wel ngëndag, z. v. a. ojag, 
bewegen, schudden; ngëndagngëndag, idem, 
aanh. P. (Vgl. eundeuk.) 

ENOAH (Mal.), schoon, fraai, = aloes; 
ngendahan, iemand door zrjn invloed tot 
het goede dringen; dok: iemand op zfln 
plaats of op zfln nummer zetten; diëndahan. 

ÉNDANQ, z. v. a. ëndag, ngbr.; pantjoer- 
ëndang, een soort watermolentïje met vier 
schoepen, dat een krukas doet draaien, 
waartegen kleppers slaan [dienende om 
heulang's enz. van vischkweekerrjen ver- 
wijderd te houden]. P. 

ÈNDAR, ngbr.; I. ngëndar, verkl. met 
nejangari koekoerilingan, d. i. rondgaan 
naar iets zoekende. 

II. = eundeur; zie ald. P. 

ÈNDËK, verkl. met kotor en kiroeh, vuil, 
drabbig; ëndëkna, het zaksel of bezinksel 
ergens van, drabbig zaksel. 

ENDEN, = den en aden, een eenigszins 
gemeenzame benaming voor personen die 
den titel van raden dragen, inz. voor jeug- 
digen van jaren; men bezigt het woord 
ook wel eens van een raden. 

ËNDËNG, ngbr.; saëndëng-ëndëng, saën' 
dëngna en saëndëngëndëngna, = salala- 
wasna, immer, altijd, voor immer, voor 
altvjd, altijddurend, eeuwig. 

ËNDJARËNDJIR, z. v. a. toeroen-oenggah, 
al maar uit en in loopen. 

ËNDJI (Z -B. en ook elders), een viien- 
delrjke benaming (b. n) voor meisjes, als 
men ze aan- of toespreekt, = ënok, juffrouw, 
juffer. 

ENOJINQ (Jav.), modern 1. van isoek en 
van isoekan, morgen; „salamët endjingl" 
goeden morgen! zegt men tegenwoordig 
wel [z{j 't dan ook vooral tegen een bekend 
Europeaan]. 

ËNDJOT, ngbr.; ngëndjot, een beweging 
vooruit doen (z. a. met de hand bfl nondjok 
of stompen), maar haar terstond weder 
terugtrekken; een snelle beweging vóór- 
en rugwaarts verrichten; diëndjot; ëndjot- 
ëndjotan, met horten en stooten. 

ÊNDOEH (Z.-B.), niet willen, ik wil niet. 
(VgL lëmboeng.) 

ËNDOEL (Z.-B.), voll. toekang ëndoel, = 
baloek; zie ald. P. 

ÈNDOQ, ei, eieren; ki ëndog, naam van 
een grooten boom; tiwoe ëndog, = titcoe 
toeroeboes, een soort suikerriet; sompok 
ëndog, nest (sajang) in de beteekenis van 
woning (hut); ook: geboren zfln, wonen; 



beubeureum ëndog, of ook kokoneng ëndog, 
eidooier; bobodas ëndog, eiwit; potong-ëndog, 
afgeplat (inz. gezegd van een erf dat den 
vorm van een ei heeft, maar aan een der 
smalle zrjden een recht (als afgeslagen) 
kantje heeft; ëndogan, 1. (van kippen) in 
den leg ztyn, eieren leggen ; 2. (van een 
nest) met eieren zj)n; katcas hajam keur 
ëndogan, sprkw.: als een kip die een ei 
moet leggen, d. i. onrustig; ngëndog, een 
ei leggen; (van een visch) kuit schieten; 
ngëndogan, een ei of eieren leggen in het 
nest van een ander; diëndogan, gezegd 
van een nest waarin een ei gelegd wordt. 

ËNDOL, I. langzaam (nl. gaan of loopen). 
Vgl. gëndol. 

II. De knoop in het haar (bij mannen> 
op het achterhoofd, spottenderwijs wel eens 
ëndog asin, „gezouten ei" geheeten [bjj 
gemis van haar wordt de knoop namelrjk 
door zulk een prop vervangen]. Vgl. bëndoL 

ËNDONG (Indr.), naar koopwaar krjken. 

ENDONG, knapzak, tasch, bedelzak 
(grooter dan gamlok). 

ËNEH, I. = mere, geven (zie bere). 

II. — aneh; zie ald. 

ËNENG, = neng; zie ald. 

ENENG, buffelkalf [h«t jong van een koe- 
noemt men anak sapi]; vgl.meme; ngeneng- 
ngeneng, ngenengan en ngenengngenengan, 
iemand iets fraais of lekkers voorhouden^ 
hem iets laten zien om hem te lokken of 
ergens toe over te halen; diëneng-eneng\ 
diënengan; diëntng-enengan. 

ËNGAH, 1. van ngangah, den mond openen 
(inz. om te spreken). 

ENGANG, naam van een wesp, grooter 
dan de papanting. (Vgl. kamarang.) 

ËNGAP, het snakken naar adem; ëngap- 
ëngapan, aanh. naar adem snakken. (Vgl. 
eungap.) 

ËNGEUH, = padoeli; zie ald. P. 

ËNGGAH ËNGGEH, hijgen (z. a. iemand 
die veel gegeten heeft). 

ENGGAL, 1. van tereh, geuwat en gan- 
tjang, spoedig, haastig, met haast; enggal- 
enggal, 1. van gcuwat-geuwat, met den 
meesten spoed, oogenblikkeiyk, terstond. 

ËNGGA8, het Holl. gas; idem; palita 
ënggas, gaslamp. 

ËNGGEU8 (vgl. geus en anggeüs) k., 
parantos 1., reeds, af, geëindigd, gedaan; 
saënggeus of sanggeus k., saparantos 1., na, 
nadat; saënggeus kitoe, nadat het aldus 
was, daarna. 

ËNGGOEK ÉNQGOEK, nab. van het geluid 
van den tikoekoer of tortel, en te geltyk 
van de knikkende beweging welke Mi 
daarbrj maakt. (Vgl. inggoek en oenggëk.) 



160 



ENGGON— ENOENG. 



ÉNQGON, leger, plaats, punt, plek, leger- 
plaats ; ook k.,pasarean enz. 1., slaapplaats, 
legerstede (vgl. geusan); rtgënggon, huizen, 
verbleven, wonen, rusten in het graf; 
ënggon-ënggon, vast wonen, vast verbluf 
hebben, geen vreemde ergens meer zfln 
of geacht worden; ngënggonan, in of op 
iets verbleven, wonen, zich nederzetten of 
vestigen in of op; diënggonan; kaënggonan, 
ïyd. vorm, gezegd van iets waarop of 
waarin iemand of iets is, verbUJft of woont ; 
ngënggonkeun, plaats geven, iemand of 
iets verbujf geven, iemand doen verbleven 
of wonen; diënggonkeun. 

ËNGKAK ËNGKAKAN, met tusschen- 
poozen-, moeiiyk-, hokkend ademhalen 
(mz. van iemand die, in het water liggende, 
gaat zinken, en nu en dan nog eens adem- 
haalt, daarby het binnengedrongen water 
uitspuwende). 

ËNGKANG, = akang, oudere broeder 
(gebezigd als men den broeder vertrouw e- 
ïyk of gemeenzaam toespreekt, 6. n.); 
verder veel gebezigd door de vrouw 
tegen haren man; ook wordt het wel van 
een ouderen broeder gezegd. 

ENGKANGENGKANG, naam van een 
watervlieg; paengkang-engkang, verkl.met 
ka ditoe salah ka dyeu salah, en gezegd 
van lieden die, elkander willende pas- 
seeren, al maar tegen elkaar aan- of in- 
loopen. 

ËNGKE (vgl. ke), = mëngke, zoo meteen, 
straks, aanstaand; ook: wacht even! 
wacht 1 straks! ëngkena, daarna, later» 
straks (zie ook mëngke); ngëngkekeun, uit- 
stellen tot later; oelah diëngkekeun deui t 
stel het niet (langer) uit. 

ÉNGKED-ËNGKEDAN, onophoudelijk met 
het achterlflf steigeren (van een paard). 

ENGKE-ENGKEAN, hinken [het bekende 
kinderspel]. 

ENGKLAK, maar meestal ngengklak, 
beweging der handen en voeten by het 
dansen ingigël); engklak-engklakan, springen, 
dansen (van vreugde, vergezeld van ngawih 
of soerak), ong. = djidjingklak. 

ÉftGKLOENG, hetzelfde als ëntjroeng. 

ENGKLOK, benaming van twee der tien 
angkloeng% die met de acht andere te 
zamen ter begeleiding van de badoed be- 
speeld worden; ngtngklokan, = nabeuh 
tngklok; o ver dr.: zich mengen in een 
onderhoud of woordentwist, tenvoordeele 
Tan een der partijen; ook: zich aan iemands 
ztyde scharen (nl. in hetgeen h\j zegt), 
instemmen met iemands woorden; boedak 
pa8eja teh lam cli8apih,anggoer diëngklokan, 
ge hebt de twistende jongens niet ge- 



scheiden, maar veeleer met de eene partij 
meegedaan. 

ËNGKOENG, hetzelfde als ëngkloeng. 

ËNGKOET, (van de oengkoet-oengkoet, 
zie ald.) „koet" zeggen; tingarëngkoet, 
hetzelfde, van vele zulke vogels. 

ËNGKOL, oi ook wel kol, het Holl. kool; 
idem (nl. witte kool). 

ËNGO, = tjyoem, een kus, een kus geven; 
ngëngo, kussen; diëngo. 

ENGSEL, het Holl. hengsel; scharnier. 

ËNI (b. «.), korte vorm van nini, groot- 
moedertje. 

ËNIL (Ar., Nil), de Njjl; tjai bangawan Ènil, 
de groote rivier Njjl. 

ËNJA (vgl. nja) k., estoe, maar vooral 
jakios 1., waar, juist, zeker; verder: echt, 
geloofwaardig, inderdaad, werkoiyk, waar- 
lijk; ook: eigenlek; als antwoord ergens op 
k., noen 1., ja! ja wel! 't is good! enz.; 
ënjana y waar is, de waarheid is, maar, 
daarentegen, doch; saënjana, geheel waar, 
in der waarheid, waarlijk, zekerlijk, inder- 
daad, waarachtiglrjk, in werkelijkheid; 
saënja-ënjana, idem, met verst.; ngaënja- 
ënja, voor zeker houden, oplettend behan- 
delen; diënja-ënja, met oplettendheid 
behandeld worden; ngënjakeun, iets ver- 
zekeren, iets staande houden; diënjakeun- 

ËNJAJ (vgl. njaj), sprankje, vonkje (vuur) ; 
saënjaj, een sprankje (vuur.) 

ËNJAN (samentr. van ënja noen), beleefder 
dan ënja, als antwoord van iemand die 
geroepen wordt: ja wel! 

ENJENG, ngbr.; anjang-enjeng, verward 
praten, door verlegenheid zich in de war 
praten; menjeng, de lip laten hangen, de 
lip tot huilen zetten (inz. van een kind). 

ËNJOEK, woordje om een koenjoek vrien- 
delijk aan te spreken. 

ËNJOT (vgl. njot), ngbr.; ngënjot, aan 
iets zuigen, een trek of haal aan iets doen, 
uitzuigen, leegzuigen (b. v. door een rietje); 
verder: aan iets trekken, rukken of 
scheuren; ook = ngadjëpit, (de menschen) 
uitzuigen; diënjot; pangënjot, los mondstuk 
van een pvjp, zuiger van een pomp. 

ËNO (Tjiandj.), een vriendelijke bena- 
ming (b. n.) voor jonge meisjes, als men ze 
aan- of toespreekt, z. v. a. liefje. (Vgl enok). 

ËNOD, I., in Z.-B., vriendelijke benaming 
welke de man tegen zjjn vrouw bezigt; - 
diënod, z.v.a. dipikanjadh, geliefd worden; 
kaënod, geliefd ztyn, geliefde \dipakekaënod, 
geliefd worden. 

II. Ngënod t doorbuigen (b.v. een bam- 
boezen brug); ngënod»ngënod f laten door- 
buigen. 

ËNOENG, = noeng; zie ald. 



ENOH— ENTJRAK-ENTJRAKAN. 



161 



ËNOH (Ar., Non), de Mohammed, naam 
Tan Noach, in den regel nabi Ènoh, de 
profeet Noach, geheeten. 

ÊNOK (Buit.), = ëno. 

ENOK, = eulis, een woord (b. n.) waar- 
mede men jonge meisjes vriendelijk aan- of 
toespreekt: liedje, enz. (Vgl. ëno en denok.) 

ËNOL, het Holl. nul; idem. 

ÈNON, of eenv. non, korte vorm van nona, 
titel voor meisjes van Europ. en van Chin. 
afkomst. 

ËNONG, zie nong. 

ENTA, ngbr.; ngenta, om iets vragen 
[zelden gebruikt; men bezigt doorgaans 
menta, zie penta], 

ËNTAÈNTE, zie ënte. 

ËNTAK, ngbr.; ngëntak-ngëntak, (van een 
vlakte)^ w\)d uitgestrekt en open; tègal 
ngëntak-ngëntak, een w^jd uitgestrekte, 
open vlakte, zonder boomen, ja zonder iets 
dat schaduw geven kan; ëntdk-ëntakan, 
geweldig heet ztf n; kapanasanëntak-ëntakan, 
't geweldig heet hebben. 

ËNTA8, in de spreektaal wel voor mèntas, 
pas (b. v. iets gedaan hebben of met iets 
gereed zyn), komen van; diëntas, verlost 
z$n [in dézen zin dat de ellende nu êntas, 
d.i. verleden is]. 

ÉNTE, ngbr.; ënta-ënte, trippelen, drib- 
belen, uit- en inloopen; ënte-ëntean, (van 
een paard) al maar achteruitslaan, steige- 
ren, gedurig het achteriyf opwippend, 
springen; ook: rondhuppelen (b. v. een 
veulen), = adjret-adjretan. 

ËNTEH, = teh II., thee. 

ÉNTEL, een klein kluwen of strengetje 
garen (nl. het een-tiende van een haloe- 
haloe); saëntel, één zoodanig strengetje, enz. 

ENTENQ, = hampang, licht, niet zwaar; 
rada enteng, vrjfl licht; moesoeh lainenteng- 
enteng, een vijand die niet licht is (d. i. 
niet licht te tellen is); ngentengan, het 
iemand (b. v. een gevangene) lichter 
maken, iemands lot verzachten ; diëntengan; 
ngentengkeun, lichter maken,verlichten,ver- 
gemakkeltyken; diëntengkeun; kaentengan, 
verlichting, gemak; njijeun kaentengan, 
't zich lichter maken. 

ENTEP, = beres, in orde, op orde, ge- 
regeld; ook: afgeloopen, klaar (b.v. een 
maaltijd); antap-entep, verschillende din- 
gen ordenen, hier en daar ordenen; ngentep, 
ordenen, op orde brengen; diëntep; ngen- 
tepan, iets in orde brengen, ordenen; 
diëntepan; ngentepkeun, in orde schikken 
(b. v. boeken in de kast), goed- of op orde 
leggen; diëntepkeun. (Zie ook seureuh.) 

ËNTÉR, z.v.a. gëtër, zie ald.; ëntfr-ëntër, 
= ngagëlèr, trillen, beven. P. 

SOïNDJkHEESGH-HOLL. WOORDMÏB. 



ENTER, ngbr.; ngaënter, = ngmtep, in 
orde schikken. P. 

ËNTET, ngbr.; diënUUëntet, by kleine 
beetjes (uitschenken). 

ËNTIK, £. een maat, ztynde een kleine 
batok of klapperdop, inhoudende hakan 
hidji djalma sapoë, djadi doewa kali njatoe, 
d. i. de hoeveelheid r^Jst welke een man, 
tweemaal per dag etende, noodig heeft; 
saëntik, één zoodanige maat, enz. 

II. Verkl. met oesik leutik, zich even 
bewegen. P. 

ËNTJAD-ËNTJED, levendig, beweeglijk, 
dartel. 

ËNTJAN, in de volkstaal soms voor 
atjan of tatjan; zie ald. 

ENTJANGENTJANG,naam van een water- 
vlieg, iets kleiner dan de engkang-engkang. 

ENTJANG-RENTJANG, zie het achterste 
woord. 

ËNTJE, 1. een woord waarmee men 
jongens vriendelijk aan- of toespreekt 
(b. n.), ong. = agoes en asep. - 2. Titel voor 
Maleische kooplieden {bangsa Pal&mbang, 
d.i. Palembangers). 

ËNTJEP, = ëntje. 

ENTJER, dun, niet gebonden, waterig 
(b. v. pap of iemands ontlasting), slap 
(b.v. van thee); ngentjerkeun, dunner maken, 
slap maken; diëntjerkeun. 

ÉNTJE8, maar doorgaans ngëntjes, water- 
tanden. P. (Vgl. aroej en oeroej.) 

ËNTJEUK, = atjeuk, oudere zuster; ge- 
bezigd als men de zuster vertrouwelijk of 
gemeenzaam toespreekt (6.n.); ook wordt 
het wel van een oudere zuster gezegd. 

ËNTJIT, g6drukt katoen, sits. 

ËNTJLOK (vgl. tjlok), ngbr.; tingarëntjhk 
lëmboer-lëmboerna, de dorpen liggen (in 't 
dal) verspreid; ëntjlok-ëntjokan, hier en 
daar iets of een beetje, hier en daar ver- 
spreid, hier en daar eenige grijze haren 
hebben, in groepjes btyeen staan (liggen, 
zjjn); diëntjlok-ëntjlok, verdeelen, en wel 
een deel hier, een ander elders plaatsen. 
(Vgl. bontjëlok.) 

ËNTJOD, ngbr.; ngëntjodkeun, zjjn af- 
spraak met iemand niet houden, iemand 
teleurstellen, iemand bedrieglijk behan- 
delen; diëntjodkeun. 

ËNTJOENG (Indr.), naam van verschil- 
lende soorten van nachtschade. 

ÉNTJRAH ÉNTJRIH, ieder oogenbiik ver- 
huizen. 

ENTJRAK, bikkelen. [Hiertoe worden zes 
steentjes gebezigd, bekël geheeten.] 

ENTJRAK ENTJRAKAN, vroolflk of dartel 
bjjeenzjjjn of feestvieren (met of zonder 
tanggapan of vertooning), een (vrooljjken) 

11 



162 



ENTJRENG— ERETAN. 



masltgd (sidékah) houden, een smulpartö 
bonden. 

ÉNTJRENG, ngbr.; ngèntjreng-ngënljreng, 
= ngintjromg+gèntjroeng (zie ëntjroeng); 
dièn^reng'èntjreng, in 't Gar. ook x.v.a. 
<ttrtfi-r#a, gevierd-, opgehemeld worden. 

ÉNTJROENQ, ngbr.; ngéntjroeng-ngén- 
tjroeng, een kind op de armen schommelen, 
terwijl degene die het doet, neuriet; 
dUhrtfroeng-èntjroeng. 

'ÉNTOD, alleen in ajalma koerang ëntod, 
een gemeen scheldwoord, z.y. a.atah-udol; 
ngëntod, het bewegen van het achterste, 
met zgn achterste in beweging zjjn (inz. 
een dier b|J ngewe); ëntod-ëntodan, in be- 
stendige beweging zfln met ztyn achterste. 
(Zie ook leunQang II.) 

ENTOG, naam van een eend met rooden 
snavel, de Manilla-eend. 

ÉNTOQ-ÉNTOG, opperhoofd, aanvoerder 
(inz. in den 8trtyd). 

ÉNTOL, I. (&. n.), een woord waarmede 
men kleine jongen» vriendelijk aan- of toe- 
spreekt; in Z..B. titel der mannelijke af- 
stammelingen van zekeren Djoh, een der 
eerste bekeerlingen van den Islam [hunne 
dochters en vrouwen voeren het prae- 
dicaat ajoe). 

IL Korte vorm van kontol; zie ald. P. 

ÉNTONQ, I. = ontong; zie ald. 

II. (B. n.), een vriendelijke benaming 
voor jongens. P- 

ÈNTRAQ, verkl. met ragèm, rame en 
$adajana pada, allen reeds druk in de 
weer zfln ; aakffeu geus ëntragna njaramboet, 
allen z#n reeds druk in de weer met de 
bewerking der sawa/i's. 

ENTRE», het HolL interest; idem; = 
boengah en anak; ngentresan, geld op inte- 
rest zetten; ook: interest betalen; dien- 
tresan; ngentreskeun doemt, geld op interest 
geven; dièntreskeun. 

EPEK, buikband van stof of leer (onder 
een anderen gedragen). 

EPE8MEËR, gevoelig, teeder (inz. van het 
oog), zwak, licht aangedaan; ook: klein- 
zeerig. 

ËPLAN, ngbr.; ngéplan, zich stilhouden, 
zwegen (P.); ngëplanan tjape, uitrusten 
van vermoeienis. 

EPOK l van sattpi, doosje (inz. van rotan) 
voor betel of oedoed, sirihdoosje, sigaretten- 
doosje; toekang «pok, (iemands) sirihdoos- 
dragen 

EPOT, korte vorm van lepot; zie ald. 

ERA k* iêin s., lingeëm L, zich schamen, 
beschaamd, beschaming (vgl. wirang); Uu 
eraeun koe mahloek, htf schaamt zich niet 
voor het schepsel; meunang era, be- 



schaming kragen, beschaamd uitkomen, 
te schande worden; eradn, schaamachtig, 
zich schamen te doen, schaamte hebben; 
ook: kuisen, bloode; eradn migawe kagore- 
ngan, zich schamen kwaad te doen; npera, 
beschamen, beschaamd maken; ngera- 
ngera, idem, met verst. \dtöra-era, of (saam- 
getrokken) dieera, beschaamd gemaakt 
worden; kaera, beschaamdheid, schaamte; 
anoe baris pikaeraeun, wat tot schaamte 
zal strekken, wat iemand schande be- 
rokkenen zal; mikaera ka, zich iets of 
iemand schamen, zich schamen voor of 
over; dipikaera; ngeraan, iemand be- 
schamen, beschaamd maken; diëra&n; 
ngêrakeun, beschamen, beschaamd maken, 
beschaamd doen uitkomen; diSrdkeun; 
kaeradn, beschaamdheid; djalma koerang 
kaeradn, een man zonder schaamte, een 
onbeschaamd man. 

ERAB (Ar., irab), toonteeken, klinker- 
teeken (vgl. hoeroep); ngeraban, Arabisch 
schrift van toonteekens voorzien ; diëraban. 
(Vgl. boeroendoel) 

ERANG-ERANQ, bovendorpel van een 
deur- of raamkozijn ; bfl de Bad. (volgens P.> 
= palang-dada, zie pidang. 

ERED, een net van eenige vademen 
lengte, om in zee of in ander groot water 
te visschen, zegen; ngered, met de ered 
visschen, sleepen; ook: een hollend paard 
in een strik opvangen; diëred. 

EREQ, laadstok; ook: voorwerp om er 
kokers of buizen omheen te maken (een 
der werktuigen van den blikslager). 

ËREH, ngbr.; ngëreh, = ngareh, regeeren, 
heersenen over; diëreh; kaèreh, geregeerd 
worden, onder iemands heerschappij 
staan. 

ÉREK, hetzelfde als rek. (Vgl. erek.) 

EREK, hetzelfde als rek iy%\.ërek);ngerék> 
met verst, ngerék-ngerek, de wacht houden 
(b. v. bjj ryst die gedroogd wordt); ook: 
op iemand of iets wachten. 

EREL, knot (kanteh of garen), bestaande/ 
* uit 7 njere; saerel, één er el, enz. 

ÉRENQ, hetzelfde als reng. 

ERENG, I. leiding, om het water uit een 
rivier af te voeren voor marak. (Zie parak.) 

II. (Indr.), gehinnik; ngereng, langdurig, 
vooral dwingend, schreien, jengelen; in 
Indr.: hinniken; ngereng-ngerengan, nab. 
van 't geluid van een draaiend molentje 
(koletjer), gonzen, snorren. 

EREP, I. z. v. a. bejak, op; bèkël t$h geu* 
erep, de teerkost is op. P. 

IL Inzet bJJ een spel, z.v.a. taroeh; erep- 
erepan, idem. 

ERETAN, pont, veerpont; manggiheretan. 



ERGELET— ETEH. 



163 



palid, h|j vond daar een weggedreven 
veerpont. 

ERQËLET, samentr. van aergëlet, zie ald. 

ERGOELO, = goelo, roos. (Vgl. aermawar.) 

ËRIM, het Holl. riem, nl. riem papier; 
eaërim, één riem, enz. 

ERLODJI, het Holl. horloge; idem; beu- 
ngeut erloaji, wijzerplaat (waarvoor men 
ook pèlat zegt). 

ERMA8, = 't meer gebr. aermae, zie ald. 

ERMAWAR, = 't meer gebr. aermawar, 
zie ald.; djamboe ermawar, zie aermawar. 

EROE (Kad.), van een mat: niet haaks 
maar scheef gevlochten, zoodat z|j een 
scheefhoekig parallelogram vormt. (Vgl. 
menjon.) 

ËROH, hetzelfde als roh, geest; njdboet 
èroh, iemands geest (leven) wegnemen. 

ËROK, het Holl. rok; vrouwenrok. 

ÉROL, het Holl. rol, z. v. a. kajoeh, zie ald.; 
saérol, een rol, een stuk (katoen, zflde, 
enz.); kantor ërol, het kantoor waar de 
politierol gehouden wordt; ngërol, beknib- 
belen, korten [ontleend, hetzij aan de 
politierol, waar de veroordeelde in den 
regel minder krtygt dan geöischt werd, 
hetzy aan een rol sits of derg M waaraan 
dikwijls minder zit dan er aan zitten 
moet]; diërol, 1. afgehouden worden, gekort 
worden; 2. door den politierechter berecht 
worden. 

ÈRONQ, hol, gat, grot (aan den zeekant, 
bty vloed geheel of ten deele onderloopende). 
Vgl. goeha, 

EROPA, het Holl. Europa; idem; voll. 
ianah Bropa. 

ËR08, of wel ros, het Holl. roos; idem 
(bloem en plant); voll. këmbang ëros» 
(Vgl. goelo.) 

ERPOL, het HolL eervol; idem; düëpas 
erpol, eervol ontslagen worden of z|jn. 

ÉSA, één, éénig (van God), = hidji. 
(Vgl. toenggal en ese.) 

E8AK (Indr.), mooi, netjes; blesak (ald., 
samentr. van bli en esak) t niet mooi, 
leel|jk. 

ESE, = siki, korrel, zaadkorrel; verder 
hulpwoord om te tellen, = hidji, één, 
stuks; ook = Uil; saese, één; doewa ese, 
twee stuks; poetrana ngan doewa ese, hfl 
had slechts twee kinderen; saese-ese, elk 
afzonderlek, stuk voor stuk. 

E8ÉM, ngbr.; mesëm, 1. van imoet, glim- 
lachen; mesëm manie, vriendelijk glim- 
lachen; moesam-mesèm, aanh. of herh. 
glimlachen; pangesëman, iemand die veel 
of voortdurend glimlacht. 

E8ROT, wrat. 

E8TI k., esto 1. (eig. ss istoe en estoe, waar, 



juist, zeker, doch het stamw. is ngbr.); 
ngestikeun k., ngestokeun 1., = nëtèpkeun, 
bevestigen, onderhouden (van een gebod), 
waarnemen, volbrengen, bewaren, acht 
geven op, opletten; dUsWcmn. 

E8TO, 1. van eeü (zie boven, ngbr.); 
ngesto, onderdanig ztfn, gehoorzaam (z. v . a. 
toeroep trouw en nauwlettend in de op- 
volging zQner plichten; ook: iemand trouw 
dienen, al zfln bevelen volbrengen; ngesto 
ka salaki, (van een vrouw) aan haar man 
onderdanig zijn; ngestokeun, 1. van ngesti- 
keun (zie b|J eek); diëstokeun;pangesto, onder- 
danigheid. 

E8TOE, 1. van ënja en = jaktos (vgl. 
esH), waar, juist, zeker,inderdaad, werkelijk, 
waarlijk; ealaki anoe ajeuna teu estoe,m^n 
tegenwoordige man is niet de ware ; saestoe, 
waar, waarachtig, waarlijk, werkelijk, echt, 
deugdelijk; adjëngan ealaki anoe saestoe, 
g|j zflt m|jn waarachtige man; saestoena, 
geheel waar, in der waarheid, waarlijk, 
zekerlijk, inderdaad, waarachtiglrjk, in 
werkelijkheid; ngestoekeun, iets verzekeren, 
staande houden, de waarheid van iets 
betuigen, instemming betuigen; diëstoe- 
keun; kaestoean, waarachtigheid, beproefd- 
heid. 

ETA, aanw. voornaamw. (voor meer of 
min verwijderde dingen): die, &&t;njaeta 9 
dat is het, die is het, daardoor komt het 
ook k., hartosna 1., dat is, dat wil zeggen, 
en wel, namelijk; eiaeun wordt gezegd 
wanneer men op den naam van iemand 
of iets niet komen kan of dien naam niet 
noemen wil; etanana, dat, dat ding, die, 
dinges ; ook wel gebezigd ter aanduiding 
van de mannelijkheid. (Zie verder Spraakk., 
§ 171-174.) 

ETANQ, 1. van itoeng, rekenen, houden 
voor (zie bty itoeng)) paetangan, s. van 
hoetang, schuld; petangan (men zegt ook 
patangan), zekere wjjze van waarzeggen 
(nl. het doen van aanwijzing door bere- 
kening waar zich iets dat verloren is 
moet bevinden, wie de dief is van iets 
dat gestolen is, op welken datum men 
zeker kan z|Jn van voorspoed op zijn 
onderneming, enz.); etmoe petangan, de 
kunst van zoo te kunnen waarzeggen; 
ahli petangan, of poerah petangan, waar- 
zegger; metanganksun, iets aanwijzen of 
verklaren door middel van zoodanige 
waarzeggerij; dipetangankeun. 

ËTEH, ss teh n. 

ETEH (b.ru), = teteh, oudere zuster (inz. 
gebezigd wanneer men de zuster vertrouwe- 
lijk aan- of toespreekt); ook we) eens ge- 
bezigd door een kind tegen zfln moeder. 



164 



ETEK— EÜNDEUK. 



ETEK, sirihbladeren, anoe bidjü tina 
areujna, lain tina tangkajna, d. i. die aan 
den stam, niet die aan de takjes groeien 
[ze zfln voor het gebruik slecht]. 

ETEM, I. een mesje, uitsluitend bty den 
rtystoogst tot het afsneden der aren ge* 
bezigd. (Vgl. soleng II.) 

IL (Z.-B.), naam van een zeeyisch. 

ETER, hetzelfde als ter. 

ETER, = gantang, een maat van 20 énftfc; 
ook wel in 't alg.: maat, inz. zoutmaat; 
saeter, één eter, enz. 

ETES, = 't meer gebr. tetes II.; zie ald. 

ETJAG, van den rug glijden, neerzetten 
(van- iemand die of iets dat men op den 
rug draagt); ngetjagkeun, (wat men op den 
rug draagt) op den grond laten gigden of 
zetten; diëtjagkeun. 

ETJEK, gering van hoeveelheid, weinig; 
ook: vlug doch met korte schreden loopen, 
tippelen, hard loopen en toch weinig 
vorderen. 

ETJENQ, naam van een plant op rijst- 
velden, welke als lalab by de rtyst gegeten 
wordt. (Zie ook gendjer.) 

ETJE8, (van een stem of geluid) z. v. a. 
tetela, helder, klaar; diëtjes-etjes of diëtjes* 
etjeskeun, duidelijk gemaakt worden. 

ETJET-ETJET, een andere naam voor 
tonggeret; etjet-etjet dina lintjar, een tong- 
geret op de lambrizeering, een verbl. 
uitdr. voor: anoe kasep arek lintar, de 
mooie jongen wil gaan visschen. P. 

ÉTJI8, hetzelfde als tjis II. 

ETJOM, maar doorgaans ngetjom, (van 
kinderen) babbelen zonder zin; (van 
volwassenen) leuteren. (Vgl. ngotjomang.) 

ETJRAK-ETJRAKAN, = entjrakentjrakan. 

ETOPAN (vgl. top), iemand in z$jn werk 
hinderen (door b. v. gereedschap weg te 
nemen hetwelk hy gebruikt), iemand 
storen; ook: in iemands werk treden; 
etopan gawe noe l#an t zich met eens 
anders doen bemoeien. 

EU, zie Spraakk., de tafels bjj § 6 en 7. 

EUDEUQ, = gelo, zot, dwaas, gek. 

EUDEUK, hetzelfde als deuk (Bant.), = 
doek, willen. F. 

EUDJEUH (vgl. djeuh), een toeroep: 't is 
genoeg l 't is voldoende ! 't heeft lang genoeg 
geduurd l houd op! (Zie verder b$peudjeuh.) 

EUDJEUN (vgl. heudjeun), persing; ook: 
aambeien; voll. panjakit eudjeun. 

EUDJEUNQ, in 't dageltjksch leven wel 
eens voor reudjeung, en = djeung, met, en. 

EUQEUH (vgl. geugtuh,ngbr.;ngaeugeuh' 
eugeuh, verkl. met ngaènja-ënja, met iemand 
ingenomen z$n. 

CUIH, alleen in negatieve zinnen: teu 



euïh-euïh, = teu eureun-eureun, niet af- 
laten, niet ophouden (b. v. met kwaad 
te doen, zelfs niet na afmaning), aan- 
houdend iets doen; eutoeuh euïh-euïhna, 
doen zonder ophouden, zonder tusschen- 
poozen. 

EUJ, tusschenw., gebezigd in een toeroep 
of een vraag die toegeroepen wordt, jegens 
lieden uit het volk, tot wie men op ge- 
meenzamen toon spreekt, of wel in 't 
algemeen jegens minderen; ong. = ons: 
hei ! zeg ! [de plaats is steeds achteraan]; dek 
naon, euj? hei! wat wil je? ka mana euj? 
zeg! waar ga je heen? ka dyeu euj! hei! 
kom hier. (Vgl. wah.) 

EUJAH EUJAHAN, pret maken. 

EUJEUB, compleet; ngeujeuban, 1. com- 
pieteeren; 2. vermenigvuldigen. P. 

EUJEUD, (van leemgrond) vast, stijf. B. 

EUKEUR, of wel keur, 1. aan iets bezig 
zijn, bezig met; ook: onderwijl, terwjjl; 
eukeur mah, juist (doen, gebeuren, enz.); - 
2. = adjang en baris k., pikeun s., bode 1.» 
voor, bestemd voor, ten behoeve van. 

EULEUQEUQ, het hoofd in de hoogte 
steken (z. a. een tro tsch mensen) ;nflfeuten- 
geugkeun beuhewng, den hals uitstrekken 
of uitrekken. 

EULEUH, of ook leuh, ong. = amboe II.» 
tusschenw. om vreugde uit te drukken 
(maar ordinair): o! wel! verbaasd! kyk 
eens! euleuht euleuh! idem, met verst. 

EULI8, korte vorm van geulis, een woord 
(6. n.) waarmede men jonge meisjes vriende- 
lijk aan- of toespreekt: schoone, liefje. 

EUMEUJ, ngbr.; dieumeuj-eumeuj, eenigen 
tjjd in den mond gehouden worden (b. v. 
het speeksel by het sirih-kauwen). P. 

EUMEUL-EUMEUL, niet koud maar ook 
niet heet (dus) lauw, niet gaar maar ook 
niet rauw (dus) halfgaar. 

EUMEUR, zacht, week, rottig (van 
vruchten). 

EUMPINQ, verkl. met sikidjagoengdibeu- 
leum atawa dikoeloeb, seug ditoenoen, dipoë, 
disina amis, d. i. gepofte of gekookte mals, 
aan een draad geregen en in de zon ge- 
hangen om zoet te worden [waarna ze 
wordt gegeten]. 

EUNDAN, een rtystbos op maat (nl. een 
handvol), = potjong iy % gedeng of V400 
tjaeng); saeundan, één zoodanige bos; 
eundanan, bos (handvol) rjjst; ook: aan 
bossen; eundaneun, (pare) om tot bossen 
te maken; ngeundanan, (pare) aan bossen 
maken, in bossen binden; dieundanan. 
(Vgl. geugeus.) 

EUNDEUK, het wiegelen; ngeundeukt 
wiegelen (z. a. op een tak); ook: ergens 



EUNDKUN— EURIH. 



165 



verblijven; ngeundeuk-ngeundeuk, met 
kracht (een tak en zoo ook den boom) 
doen wiegelen; piU ngeundeuk-ngeundeuk 
pasir, de pi'Ct wil den heuvel wiegelen, 
sprkw. Toor: willen doen wat boven zrjn 
macht gaat; ngeundeuk-ngeundeuk geusan 
(ënggon) eunteup singna roentoeh, roentoeh 
ninggang ka atoakna, titcas koe polah 
pribadi, d. i. een boom waarop men zit 
doen wiegelen om hem te doen omstoiten ; 
gebeurt dat, dan krijgt men hem op 
zich en bewerkt zoodoende zijn eigen 
ongeluk; sprkw. voor: een meerdere ten 
val brengen tot eigen schade, kwaad 
stoken (b. v. door laster) en daarvan zelf 
de gevolgen dragen; eundeuk-eundeukan, 
(van een aap of een mensch) zich al 
maar wiegelen op een tak; ook: wippen 
op een wipplank. 

EUNDEUN, I. veel, talrijk. 

II. In de volkstaal wel voor teundeun; 
zie ald. P. 

EUNDEUR, daveren, dreunen, beven, 
schudden (van den grond, b. v. door kanon- 
gebulder; niet z. a. door een aardbeving); 
eundeur sanagara, de geheele stad dreunde; 
moenggah eundeur boemi, in die mate dat 
de aarde dreunde; kaeundeur, in schud- 
ding gebracht. 

EUN-EUNAN, z. v. a. timbangan, toe- 
geeflijkheid, consideratie; hanteu pisan 
eun-eunan, niet schromen, zich niet 
ontzien. 

EUNGAP, benauwd, beklemd op de borst, 
een gevoel hebben alsof men stikken zal, 
tot boven toe vol, (van iemand die goed 
gegeten heeft) volop-, tot volle verzadiging 
gegeten of gedronken hebben; in dezen 
laatsten zin is het k., warëg 1.; - (van 
planten) verstikken; eungapeun, (van 
menschen) 3de pers.; (van planten, die 
aan licht en lucht gebrek hebben) ver- 
stikken. 

EUNGKEUTEUNGKEUT, vooruitgaan, 
vorderen (hetzij in het leeren of in 
genezing). 

EUNJEUH, op het omvallen staan; ook: 
omvallen (een boom, huis, enz.); nangkeup 
maxca eunjeuh, iets dat men omarmd 
houdt in het vallen met zich ter aarde 
werpen, sprw. voor b. v.:' iemand hulp 
vragen voor een slechte zaak, zonder hem 
te zeggen dat zij slecht is, en hem zoo 
bij ontdekking met zich in 't verderf 
storten. 

EUNTEUNQ k., katja 1., spiegel; ook wel 
voor gewoon glas, b. v. mindingan beu- 
ngeut koe eunteung, (sprkw.), zrjn gelaat 
verbergen achter glas (wat natuurlijk 



ongeremd is); lamarx eunteung, glazen 
kast; pieunteungeun, tot spiegel zullen 
(kunnen) dienen, iets (b. v. een verhaal) 
dat tot spiegel strekken moet; ngeunteung, 
in een spiegel zien; ngeunteungan, zich 
in een spiegel bezien; paeunteung-eunteung, 
tegenover elkander, b.v. paeunteung-eun- 
teung lawangna, hunne deuren staan tegen- 
over elkander. 

EUNTEUP, het zitten van of als een vogel; 
(van een vogel) op een tak zitten; ook: 
gaan zitten, zich neerzetten; eunteup kana 
sisi koelah, aan den v|jverkant gaan zitten; 
ngeunteupan, zich op iets neerzetten (van 
of als een vogel); dieunteupan; ngeunteup- 
ngeunteupkeun, iets (op iemand) doen 
zitten, d. w. z. de verdenking van een 
misdaad op iemand werpen; dieunteup- 
eunteupkeun. 

EUNTJOE (Z.-B.), = intjoe; zie ald. 

EUPAN, lokaas (in werkeLtfken en in 
overdr. zin); nèrapkeun eupan, het lokaas 
doen aan of in; dieupan koe lelepen, iemand 
als lokaas een vingerring voorhouden; 
ngeupanan, met lokaas in den val lokken; 
dieupanan koe ëmbe, met een geit in den 
val trachten te krijgen. 

EURAO, strik, werpstrik; ook: touw dat 
men spant (b. v. om een paard te vangen); 
nintjak eurad, in een strik trappen; ngeu* 
rad, met een eurad strikken of vangen, 
een strik over iemand of iets werpen; 
dieurad; ngeuradan, (voor een dier, b. v. 
een tijger) een strik leggen of spannen, 
om het te vangen; dieuradan. 

EUREUJ, = oeroej f watertanden. P. 

EUREUN k., Uren 1., ophouden, stilhouden, 
rust nemen, rusten, uitrusten, uit den 
dienst gaan ; teu aja eureunna of teueureun- 
eureun, zonder rusten, niet ophouden, 
onophoudelijk; eureun-eureunan, gedurig 
ophouden of rusten; ngeureunan, uitrusten 
van; ook: met rust laten; ngeureunan 
tjape, uitrusten van vermoeienis; dieu- 
reunan, met iets (b. v. verkeerde hande- 
lingen) ophouden; ook gezegd van de plek 
waar men rust; ngeureunkeun, doen op- 
houden, laten of doen rusten, uit den 
dienst ontslaan, van een ambt ontzetten; 
dieureunkeun Una radja, doen ophouden 
vorst te zijn \pangeureunan, pleisterplaats, 
rustplaats. 

EUREUPEUREUP, in den slaap of inden 
droom in benauwdheid zrjn en niet kunnen 
spreken, enz., de nachtmerrie, de nacht* 
merrie hebben. 

EURIH, I. naam van het hoog (lang) 
rietgras, meer bekend onder den naam 
van alang-alang; leuwmng eurih, bosch 



166 



EUSI— EWOE. 



wildernis) van rietgras; tëgal eurih, 
steppe. 

n. Bueuriheun, snikken, nokken ; ngeurih- 
keun, overgieten of laten loopen uit het 
eene voorwerp in het andere (vocht, rtyst, 
en*.), óverschenken; diewihkeun. 

EUSI, dat waarmede iets gevuld is of 
wat in iets is, vulsel, inhoud; ook: ge- 
halte; verder: inwoners, bewoners (vgl. 
boemi, doenya, imah, nagara, patoon, enz.); 
saeusina, al wat er in is (was); pieusim- 
nana, inhouden-, bevatten kunnen ;eusian t 
vulsel of inhoud hebben, bewoond; hanteu 
eusian, zonder inhoud, onbevolkt; owwws», 
vullen, ook: vol ztfn, gevuld ztyn; toengkoel 
oemeusi, getfeel en al bezig zj|n met het 
vullen van voorwerpen; ook: overhangen 
van zwaarte; ngeusi, indoen, vullen; ook: 
volbrengen; ngeusi boewah, de vrucht- 
zetting ; dieusi, waarin zich bevond, gevuld 
met, bewoond worden door; ngeusian, 
vullen, invullen, inschenken; ook: laden 
(b. v. een kanon), voldoen (b.v. een boete); 
verder: bewonen-, oedjang ngeutian karaton, 
g# gaat het paleis bewonen; dieusian, 
gevuld worden, bewoond worden; kaeu- 
sian, vol of gevuld raken (b. v. met 
water of menschen); ngeusikeun, iets 
ergens indoen, iets gebruiken tot vul- 
ling ergens van; dieusikeun; pangeusi, 
wat vult; pangeusi doenya, wat in de 
wereld is. 

EUTI-EUTI, naam van een klein, zwart, 
rond torretje, ook këkëboan en toenggeu 
geheeten. 

EÜTIK, ngbr.; saeutik, een weinig, een 
beetje, een geringe hoeveelheid, een kleinig- 
heid, een bagatel, een stukje, iets; ook: 
weinig; lain saeutik, niet een beetje, niet 
weinig; sapiwoeroek rama teu ditinggal 
saeutik, ht) liet niets na van het onderwas 
ztyns vaders ; dbdi saeutik gadoeh panoeho&n, 
ik wilde u iets verzoeken; tëgal saeutik, 
een stukje grond; saeuük'Saeutik^ kleine 
hoeveelheden, btf beetjes; lain saeutik- 
eutik, geen beetje l 't is geen bagatel! 
(d.i. het is veel); saeutik-eutikeun, een 
weinig, een deel, enkelen, gedeeltelijk, nu 
een beetje dan een beetje, b$J stukjes en 
beetjes; saoetak- saeutik, 1. van alles een 
beetje; 2. ieder oogenblik, b. v. saoetak- 
saeutik bohong, ieder oogenblik liegen; 
dieutik-eutik, btf beetjes (b. v. verkocht 
worden), b$| beetjes gevoederd worden. 
" EUTJEUJ, helder (maar donker) rood, 
z. a. rjjpe vruchten. (Vgl. objor en obroj.) 

EUTJREUG, z.v.a. bënër, goed, wel, naar 
behooren, zooals het behoort; saniskara 
kalakoean teu aja eutjreugna, onder al 



(ztyn) handelingen was er * geen naar 
behooren. 

EUWAH-EUWAH, = bangsat, slecht 
mensch, deugniet, boef, roover, inbreker, 
dief, gespuis; lampah euwah'euroah, hande- 
lingen als van een roover; manoèk eutcah- 
euwah, roofvogel. 

EUWEUH, = teu aja (maar minder wel- 
levend), niet ztyn; teu njaho di euweuhna, 
geen tjjd kennen waarin men (iets) niet 
heeft (had), het gemis niet kennen; ngeu- 
toeuhkeun, te niet doen, wegdoen, ver- 
doen, vernietigen; dieuweuhkeun. 

EWA, maar meestal ngexoa, = geuleuh 
en idjid, een afkeer hebben van, kwaljjk 
nemen, verfoeien, verachten, haten \kaewa 
en kangewa, iemand of iets waarvan men 
een afkeer heeft (b. v. van laat opstaan) ; 
mikangewa, haten, verfoeien; dipikangewa, 
gehaat-, verfoeid worden. 

ËWAR-ËWOER, strooien (b.v. geld), met 
geld gooien, verkwistend ztfn. (Vgl. 
dwoer.) 

EWATEUN, uitslag of puistjes hebben 
op het aangezicht, vetpuistje. 

EWE (vgl. awewe) k. p., gehuwde vrouw, 
of zy met wie iemand als met zfln vrouw 
leeft, wflf (vgl. pamadjikan, by padjik); 
maneh koedoe boga ewe, je moet je een 
vrouw zoeken; atah-ewe, = atah-adol (zie 
adol); anakewe, vrouw en kinderen; ewena, 
z}jn vrouw (of bijzit); piëweëun, ztf die een 
man ter vrouw zal worden; miëwe, tot 
vrouw hebben of gebruiken; dipiSwe; 
ngewe, (van dieren, = ngandji, zie andji), 
bespringen, paren; (van menschen) k., 
ngawati 1., den bijslaap uitoefenen, be- 
slapen; ewean, 1. (van een dier) verhit, 
bespringen, dekken, paren; 2. een vrouw 
nemen of hebben (vgl. lakian)\ ngewekeun, 
(van dieren) doen dekken, doen paren. 

EWËD, 1. van soesah en van hese, ver- 
driet, moeite, kommer; verder: verdriet 
hebben, bezwaard zyn; ook: moeiiyk, 
bezwaarlijk ; ngèwedkeun, 1. van njoesahkeun 
en van ngahesekeun, iemand moeite of 
verdriet aandoen, bemoeilijken; kaëtcêdan, 
moeite, bezwaar, kommer, verdriet, nopd; 
ook: in moeite geraken of verkeeren. 

EWER, ngbr.; ngewer, uitwaaien, op- 
waaien, fladderen (b.v. van de sarong); 
vwer-eweran, heen en weer waaien of be- 
wegen door den wind (P.); overdr.: ih 
twtffel zfln (vgl. oewar-awir). 

ÈWIH, ngbr.; patingarëwih, weenen, 
snikken (van vele personen). 

ÉWIT, naam van een hoofddoek-stof. 

EWOE (O.-J.), = reboe, duizendtal; baewoe- 
ewoe, by duizenden. 



EWOEH— GADANG. 



167 



EWOEH, ong. = ewëd en 1. van soesah, 
zwaar, moeiiyk; ook: bezwaard, bekom- 
merd van gemoed; ngewoeh-ngewoeh, be- 
zwaren opleggen, het iemand lastig maken ; 
pakewoeh (een Jav. afleiding van ewoeh), 
moeilijkheid, bezwaar; bantjang-pakewoeh, 



yerlies of bezwaar; lamoen aja bantjang- 
pakewoeh, als er verlies of bezwaar mocht 
zfln, d.i. als men soms een of andere 
moeilijkheid mocht ondervinden. 

EWONEWON (Z.-B.), naam van een 
zeevisch. 



G. 



QA, de zestiende letter van hei Soend. 
alphabet. 

GAAF!, (van kokend vocht) wit op- 
schuimen; goema&h, wit schuimen, wit 
schuim opgevend (b. v. palmsap). 

GAANG, naam van een krekel, aard- 
krekel (Mal. andjing tanah); kawas gadng 
katintjak, 't is of er op een gadng getrapt 
wordt, overdr. voor: plotseling doodstil 
worden, plotseling ophouden van geraas 
(de gadng nameiyk maakt een oorver- 
doovend geraas]. 

GABAG, I. naam van een uitslagziekte, 
soort roodvonk. 

II. Ngagabag, fladderen (van een kalong). 

GABAH, ngbr.; gagabah, z. v. a. taledor, 
acht el oo8, onvoorzichtig, zorgeloos, licht 
iets breken, slordig werken of bewerken; 
gagabah maparin ngandjoek, onvoorzichtig 
krediet geven. (Vgl. gagarabah.) 

GABEL, naam van een bloedzuiger 
[hierin van de gewone of leniah verschil- 
lende, dat hy zich met beide uiteinden 
vasthecht]; ngagabel, zich vasthechten. 

GABER, ngbr.; gagaber t trillende lel, 
inz. halskwab van een rund; (van een 
haan enz.) de kwab of lel onder den bek; 
gagaber tjeuli, de oorlel, het tipje van 
het oor; gagaberan, een lel hebben, een 
kwab onder de kin (aan den hals) hebben* 
ook: van bloed druipen (eig.: het uitge- 
storte bloed b\j gestolde stukken aan het 
lichaam hebben slingeren. (?VgL gèWr.) 

QABË3, voos, sponsachtig, vezelig (van 

lobaky djëroek, enz.); gabës-gabësan, het 

• niet lang uithouden (b. v. goudvisschen, 

die van een hooger- naar een lager gelegen 

veld zjjn overgeplant). P. 

QABIQ, iets met een zwaai doen (b. v. 
over den schouder gooien; digoebag-gabig, 
heen en weer bewogen-, geschud of ge- 
slingerd worden (b. v. de rëngkong). 

GABLËG, k. p. van boga, hebben, bezitten. 
(Vgl. gadoer.) 

GABLËNG (vgl. blèng), werkw. tusschenw. 
voor: wegspringen; mejongna gdblëngloen- 



tjat ka noe bala, de tflger sprong weg 
in de wildernis. 

QABLIQ,ngbr.; ngagablig (Kad.), springen 
op (z. a. een jongen op zfln buffel). 

GABLOG, ngbr.; ngagablog f een grooten 
bek opzetten (P.); zie echter ngagaplok, 
by gaplok. 

GABOEG, = hapa, ledig, loos (z. a. van 
rtystkorrels); ook, en zóó 1. van hapa en 
badjir, onvruchtbaar (van beide ge- 
slachten). 

GABOENG, hulp woord om te tellen: 
bosje; sagaboeng, één bosje, enz. [Niet 
algemeen.] 

GAB0E8, naam van een vischsoort, 
behoorende tot de doolhof kieuwigen [ook 
in gedroogden vorm wordt zy veel ge- 
geten]; zie ook dèlèg; kajoe gaboes, kurk, 
kurkboom. 

GABRAL (Z.-B.), naam van een grooten 
boom, met eetbare, zure vruchten. 

GABRË8 (vgl. brès\ werkw. tusschenw, 
voor: zich steken of gestoken raken (b. v. 
van iemand die, naar de lucht kakende, 
met de voeten in doorns trapt); ook: in 
een kuil vallen dien men niet opmerkte. 

QABRIG, alleen in katjang gabrig, naam 
van een peulsoort; dezelfde als katjang 
djdbrig. 

GABRIH, wyd (van de pflpen eener broek). 

G ABROEG (vgl. broeg), werkw. tusschenw. 
voor: iemand om den hals vallen (gdbroeg 
ngarangkoel), of: iemand te lflf %2axi{gabroeg 
dirontok). 

GADA (Skr.), knots, strfld- oorlogsknots 
[waarmede men slaat of ook wel werpt] ; 
ngagada, met een knots slaan of beuken. 

GADAGGIDIG, zie gidig. 

GADAG-GODOQ, zie godog. 

GADANG, = baris en eukeur, voor, om 
te; verder: voorloopig, tydeljjk, voorbij- 
gaand; ook: iemand die voorloopig of 
tydeiyk een ambt waarneemt; voorts: 
candidaat; mede: aanleg hebben tot, er 
uitzien als te zullen kunnen worden; 
tali padaflfteentgdeltykbindselimaungrtoui 



168 



GADE— GAGABAH. 



gadang, tfldeiyk (voorloopig) binden; ga- 
dang ajoemënëng ratoe, tusschenkoning; 
gagadangan, ttfdelrjke helper of helpster, 
noodhulp; ngagadang, voorloopig maken 
of in iets voorzien (ter latere vervanging 
door het wezenlijke en betere), voorloopig 
een ambt waarnemen (in afwachting der 
definitieve aanstelling, enz.); ook: iets 
ergens voor bestemmen; digadang, of ook 
digadang gadang, bestemd worden om op 
te volgen of te vervangen. 

GADE, pand, pandje, dat wat men te 
pand gegeven of in de lommerd gezet 
heeft; ook: hypotheek; toekang pak gade, 
pachter van de lommerd, pandjeshuis- 
pachter; tampa gade, te pand nemen, als 
pand voor iets ontvangen; goeda-gade, al 
maar te pand geven, alles in de lommerd 
zetten ; ngagade, verpanden, in de lommerd 
zetten; ngagadekeun, iets verpanden, iets 
in de lommerd zetten, iets voor geld in 
pand geven, verhypothekeeren; digade- 
keun; gadean, wat verpand is, pand ;aoerat 
gadean, lommerdbriefje ;panggadean, pand- 
jeshuis, lommerd. 

GADEMOL, z. v. a. montok, dik, corpulent. 

GADENQ, ong. = gatjong, helpen rijst- 
snflden, maar tegen een-zesde van het 
gesnedene als loon, zoodat men van de 
zes bossen één krijgt. [Niet algemeen; 
vgl. dërèp.) 

GADIL, ngbr.; ngagadü, zijwaarts met 
de hoorns stooten; digadil. 

GADING, de slagtanden van een olifant, 
elpenbeen, ivoor; ook: kalkachtig aan- 
zetsel aan de tanden; korst gading, een 
elpenbeenen zetel; kalapa gading, naam 
van een kokossoort; hoeroe gading, naam 
van een hoer oe-boom; tjaoe gading, naam 
van een pisangsoort; pakoe gading, tfzer en 
bout; gadingeun, met kalk aangezet (van 
de tanden). 

GADJAG-GIDJIG, hard heen en weer 
loopen. 

GADJAH (Skr. gaja), olifant (vgl. soratf); 
pare gadjah, naam van een een witte r\jst- 
soort, behaard, met groote korrel ;ngadoe- 
htun gadjah, olifanten met elkaar doen 
strijden; overdr. van lieden die hunne 
hoeren of meesters tegen elkander in 't 
harnas jagen; soekoe gadjaheun, platvoet; 
gagadjah, het hoofd- of middelstuk van 
een gebouw, het hoofdgebouw (zonder de 
aanbouwsels van buiten); gagadjahan, 
naam van een onkruid op sawah% boven 
de rust uitgroeiende. 

GADJIH, I. vet, smeer; katjang gadjih, 
naam van een peulsoort. 

II. Het Holl. gage; loon, salaris, bezol- 



diging, traktement; ngagadjih, loon geven, 
bezoldigen, salarieeren; digadjih. 

GADJLÉNG, werkw. tusschenw. voor: 
afspringen. 

QADJLIQ, = gatoel en ment jog, verkl. 
met ieu mënSran, fout doen, verkeerd 
doen, in een rechtzaak een verkeerde 
uitspraak doen. 

QADO k., angkeut 1., de kin; njëri gado, 
ptjn in de -kin hebben; nanggeuj gado, de 
kin in de hand laten rusten; ngadegdeg 
gado, bibberen van den mond, klapperen 
van de tanden. 

GADOEH 8., boga k.,kagoenganl.,hébben, 
bezitten [eig. in leen hebben] ; gagadoehan, 
wat in leen gegeven is, toevertrouwd 
goed, pand; hiroep gagadoehan, het leven 
is toevertrouwd goed; njawa gagadoehan, 
idem; ngagadoehan, toevertrouwen, in 
leen-, in bruikleen-, in bewaring geven; 
digadoehan; ngagadoehkeun, iets tydeljjk 
aan iemand afstaan, iets aan iemand 
toevertrouwen, in bruikleen afstaan; 
digadoehkeun- kagadoehan, in leen of in 
bewaring hebben; en als s.: in bezit 
hebben, bezitting. 

GADOENG, naam van een knoldragende 
slingerplant die in de wildernis voorkomt 
[de knol, ongeveer geiyk die van hoewi 
tihang, wordt tot gangsor, schy ven,gemaakt, 
gekookt en dan 24 uren lang in koud 
stroomend water gelegd]; verder: donker- 
groen; raksoekan gadoeng, een donkergroen 
baad je; - weureu gadoeng, bedwelmd ten 
gevolge van het gebruik van gadoeng; 
eëngir gadoeng, naam van een manggah- 
soort; simeut gadoeng, naam van een groote 
groene sprinkhaan; lagoe kèmbang gadoeng 
(Z.-B.), naam van een zangwfls; gaga- 
doeng, een sterk aangegroeide spier aan 
de achtereinden der onderkaken (bjj vette 
menschen, varkens enz.); gagadoengan, 
met een gagadoeng behept ztfn, een 
dikken-, opgezetten hals hebben; ook 
wel in 't alg.: knobbel, bult (b.v. op een 
berghelling). 

GADOER, = gablëg, k. p. van boga, 
hebben, bezitten; kagadoer, bezitting. 

GADOG, voll. ki gadog, naam van een 
grooten woudboom. 

GADO-QADO, zekere roedjak, bereid van 
kool, takoaJi, hoewi koemëli, kiripik tangkil, 
ei, katjang gadjih en toge, overgoten met 
angeun. 

GAGA, droog rijstveld op boschgronden , 
welke slechts afgebrand, niet beploegd 
zfln; vgl. tipar. [Beide benamingen worden 
samengevat in hoema.] 

GAQABAH, zie gabah. 



GAGABER— GAJOEN. 



169 



GAGABER, zie gaber. 

GAGAH, moedig, stoutmoedig, dapper, 
heldhaftig, onversaagd in den strijd ;kaga* 
gahan, moed, stoutmoedigheid, dapperheid, 
heldhaftigheid. (Vgl. përkosa.) 

GAGAK (Skr. kaga), raaf (vgl. kadk); 
taï-gagak, zie pari IV. 

GAGAL, = loepoet, niet gelukken, niet 
tot stand komen, mislukken; verder: 
vergeefs, Ijdel, mis, ontgaan, verijdeld 
raken; ngagagalkeun, doen mislukken, 
het tot stand komen van iets verhinderen, 
iets veredelen; digagaUceun. 

QAGALA, verkl. met geutah tangkal 
manggah, boomlak [wordt in Btaven aan 
de markt gebracht]; ook wel genoemd 
tai-sireum. 

GAGAMAN, eig. Jav., doch in geschriften 
vry algemeen in gebruik nevens pakarang, 
wapen, wapens, oorlogstuig. 

GAQAMBANG (vgl. gambang), tafelvor- 
mige, op pi. m. één voet hooge pooten 
staande bank, waarop men eet, zich onder 
gezelligen kout vereenigt, enz. P. 

GAGANDEN, groote houten hamer; 
gaganden beusi, voorhamer. 

GAGANG, stengel, steel (van een blad, 
vrucht, enz.), stift, schacht (van een 
spies), handvat, handvatsel, houder (van 
een pen, enz.); djaoeh-djaoeh pandjang 
gagang, sprkw., verkl. met noe djaoeh 
ditejang, noe deukeut diliwat, naar verre 
oorden gaan om iets te halen en wat in 
de nabijheid is ongebruikt laten; gagangan, 
een steel enz. hebben, gesteeld; ngagaga- 
ngan, aan iets een steel maken ook: aan 
iets een steel laten (b.v. aan' een ry staar, 
door ze af te snijden ongeveer een span 
onder de kolf); digagangan. 

GAGANTING, de geheele nek (P.) ; diga- 
gantingkeun, onthalsd worden. 

GAQANTJO, 1. dubbele haak, waarmee 
de groote gongs worden opgehangen aan 
de kakantjo\-2. bootshaak,ookduwboom, 
van onderen van een A tfzer voorzien; - 
8. de stift van het drilboortje, waarmede 
jongens moentjang-noten tot knikkers 
slapen. P. 

GAQARABAH, ong. = gagabah (zie 
gabah), onvoorzichtig, hardhandig, licht- 
breeksch, een breek-al; djalma gagarabah, 
stoethaspel. 

GAGA8, ngbr.; kagagas, zeer geroerd, 
zeer bewogen. ' 

QAGA8AH, zie gasah. 

GAGAT (Jav.), aanvang, aanvangen. (Zie 
ook hariwajat.) 

GAQEAN (Indn, van 't Jav. gage), gauw, 
haastig, gezwind. 



QAHAR, ong. = haseum, rinsch (van 
smaak); ook: geprikkeld (z. a. in den neus 
door rook). 

GAHQAR, ngbr.; ngagahgar, ophouden 
of opgehouden ztfn met vrucht te dragen. 

QAHIL, I., meestal ngagahil, (van schuld) 
niet kwijt kunnen raken, er niet los van 
kunnen worden, er in zitten (nL in de 
schuld), bleven bestaan, achterstallig, 
blflven hangen, (ztyn vorderingen) niet 
binnen kunnen kragen; taja pisan ngaga- 
hüna, er bleef (van hem) niets hangen, 
hjj was niets kwtyt geraakt, h{j kreeg al 
het zijne terug. 

n. (Z.-B.), wild zwvjn. 

GAÏB (Ar.), afwezend, geheim, verborgen, 
geheimzinnig; verder: wat verborgen is, 
geheimenis; ook: zelden; gaïb mahiooeng- 
koel koe Allah, lain bagian djalma, ge- 
heimenissen weet God alleen, zty zjjn niet 
het deel van de menschen; geus nitihan 
alam gaïb, reeds zfln op (in) de (nog) ver- 
borgen wereld; gaïb anoe njorang kana 
ramat, zelden kwam iemand voorby het 
web; noe gaïb-gaïb, de verborgene dingen. 

GAJA, bedaard, zich niet overhaasten. 

GAJA-GOJO, = angka-ongko; zie ald. 

GAJAM, voll. tangkal gajam, naam 
van een grooten boom en van ztyn eet- 
bare vrucht, gekkende op manggah; gaga- 
jaman (Z.-B.), naam van een zeevisch. 

QAJÈM, maar meestal ngagajërn, kauwen 
van iets dat tusschen de tanden is bleven 
zitten of van opgerispte dingen, her- 
kauwen; digajëm. 

GAJËR, bevochtigen, in vochten ; ngagajër, 
z. v. a. ngëijrëk, aanh. neerstroomen (van 
regen); oesoem ngidjih ngagajër hoedjan 
boe, in den regentijd valt de regen brj 
stroomen; digajër koe tjai, gezegd van een 
plant tot welke men aan het water toe- 
gang geeft. 

GAJOEH, I. ngbr.; ngagajoeh, verkl. met 
euweuh eureunna, iets doen zonder te 
rusten, zonder ophouden of tusschen- 
poozen aan iets bezig zrjn; van regen: 
aanhoudend nedervallen; digajoeh, gezegd 
van een voorwerp waaraan of waarmede 
iets zonder tusschenpoozen plaats heeft 
(b. v. van een Nieuwjaarsdag, wanneer 
het daarop aanhoudend regent). 

II. G.w.: roep op I ngagajoeh, oproepen 
(b. v. den wind of den regen) om iets 
te doen ; kagajoeh, opgeroepen, opgewekt, 
aangespoord. 

GAJOEN, het slingeren; ngagajoen, 
hangen te slingeren (b.v. een kalong aan 
een tak); goejan-gajoen, heen en weer 
slingeren (b. v. een schip op zee). Vgl. ajoen. 



170 



GAJOENG— GALEJONG. 



GAJOENG (Tjiandj.), = siwoer (Gar. en 
Soem.), een schepvat (van een batok of 
klapperdop, of wel van blik gemaakt) met 
een steel, om water enz. mede te scheppen, 
waterschepper. 

GAJONQ, ngbr.; ngagajong-gajong, een 
zaak slepende houden, iets aanhouden, 
niet afdoen. 

OAJOT, ngbr.; ngagajot, van onderen 
tegen iets zitten of hangen (eenbjjennest 
aan een tak, een kliergezwel aan den 
hals, enz.). 

GAKANQ, = garang, verkl. met babari 
ambëk, opvliegend, driftig, twistziek. 

G AKGAK, het luidkeels lachen ; ngagakgak, 
hard-, luidkeels lachen. 

GAK8AK, woest, wild, kwaadaardig, ver* 
nielend; ngagaksak, vernielen, verwoesten 
<b.v. plantsoen door gedierte); digaksak. 

GALA, ngbr.; iogala (Bkr. sakala), = 
sakabeh, al, alle, alles; sagala karëp, alle 
voornemens; sagala-gala, alles of allen 
zonder uitzondering. 

GALAB, = garap; zie ald. 

GALABAG, gedroogd tabaksblad (gelijk 
door de tabaksopkoopers wordt gekocht); 
toewan galabag, Europeesche tabaksop- 
kooper; doedoekoej galabag, een groote 
regenhoed. 

QALADAG, 1. blokken of rollen welke 
men onder een voorwerp schuift om het 
beter te kunnen verplaatsen, inz. houts- 
blokken of balken die men in een moeras- 
sigen weg legt om dien berydbaar te 
maken ; - 2. = koeda toendan, zie toendan\- 
8. slecht mensen, slechte vrouw, slechte 
lieden; ngagaladag t houtsblokken ergens 
onder of in een moerassigen weg leggen; 
digaladag, gezegd van zulk een weg, enz. 

GALAGAH, hetzelfde als kaso; zie ald. 

GALAGAR, verkl. met dëmpet pagër, 
dwarslat of dwarsstok waartusschen de 
staande stokken of latten van een bamboe- 
zen heining worden geklemd. (Vgl. gator.) 

GALAH, I. stok of boom om een boot 
voort te duwen, kloet. 

II. Zeker kinderspel, overeenkomende 
met ons „stuivertje wisselen"; manoek 
galak, naam van een vogel die zich ophoudt 
aan het zeestrand. [Deze vogel heeft de 
gewoonte om, wanneer h$f wordt opge- 
jaagd, in de rondte te vliegen tot hfl moe 
is, als wanneer men hem gemakkelijk 
grepen kan.] 

QALAJAH, hetzelfde als golojoh. P. 

QALAK, wild, woest, ongetemd; sato 
galak, een wild dier, wild gedierte; ngaga- 
galak, woest maken, aanhitsen (inz. van 
een hond). 



GALAK8AK, ngbr.; ngagalaktak, ver- 
nielen, verderven, verwoesten; digalakaak. 

GALANG, I. z. v. a. kloppen, raken, treffen; 
pagalang-galang, op elkander kloppen (b.v. 
gobang's); pagalangan, timmerloods, tim- 
merwinkel, werkplaats (inz. van den 
Waterstaat). 

II. Hetzelfde als kalang; zie ald. 

III. (Z.-B.), algem. naam voor sommige 
vischsoorten; men zegt ook gelang en 
geulang. 

GALANG GELENG, zie gelmg. 

GALANG TJANGKEK (Z.-B.), naam van 
een vischsoort. (Zie bagad.) 

GALANTANQ, ong. = gèVtodëng, prutte- 
lend, meesmuilend (b.v. vertellen). 

GALAPAK, = kajapak, laag by den grond 
vliegen. 

GALAR, dwarshout, dwarsbalk, dienende 
om twee stfllen te verbinden; ook = 
palang-dada, zie dada. (Vgl. panto en 
gatogar.) 

GALAR-GILIR, zie güir. 

QALA8AR, werkw. tusschenw. voor: 
zich in beweging zetten, en: zich voortbe- 
wegen; = goeloesoer, maar minder luide. 

GALAT, verkl. met hese ngomong, moei- 
lijk spreken, een belemmering hebben in 
de spraak, stotteren, stamelen. (Vgl. garap.) 

GALATAK-QELETEK, over den grond 
rollen; ook: op den grond liggen (vaneen 
enkel klein voorwerp). 

GALATAK-GOELITIK, zie goelitik. 

GALATIK, naam van een vogel, het rjjst- 
vogeltje, rflstdiefje. 

QALATJANG, ngbr. ;gagalatjangan, z. v. a. 
leuleumpangan, heen en weer kuieren. P. 

GALAWANG-GELEWENG, zie geleweng. 

GALEGER, 1. een lange dunne stok, 
onderdeel van de kintjir of het spinne- 
wiel [de ëlekan draait er om, door middel 
van het dryftouw];- 2. een onderdeel van 
de pakara of het Inlandsen weefgetouw 
[dun staafje, waaraan het eene einde der 
scheringdraden vastgebonden wordt, waar- 
na dat staaQe gelegd wordt in een gleuf 
van de hapii, waarom het ook galeger 
hapit heet (zie hapii); dikeureut Una galeger, 
afgesneden worden van hetgeen waaraan 
het weefsel vastzit. (Vgl. karap.) 

GALËJ, ngbr.; ngagalëj, vermengen, door- 
ééndoen; ook: vermorselen; digalèj; nga- 
galëjkeun, iets ergens in doornat maken, 
doorweeken; digalëjkeun. 

GALEJONG (vgl. gejong), op en neer gaan, 
schommelen (op de golven), voortrollen; 
ngagalejong, idem; gagalejongan, verkl. met 
ngajoen diri, zich schommelen; (van een 
boot) in roeiende beweging ztyn, op de 



GALEK— GALOER. 



171 



golven schommelen; galonoang-galejong, 
in voortdurende beweging op en neer, 
heen en weer rollen (een schip, een wip- 
stoel, enz), slingeren (van een vaartuig), 
zich heen en weer wentelen, langs den 
weg slingeren (b. v. een dronken mensen). 

GALEK, I. voll. tjaoe galek, een andere 
naam voor tjaoe iandoek, een groot soort 
pisang. 

II. G.w.: omhels en kus! goelabgalek, 
al maar pakken en kussen; ngagalekan, 
iemand pakken, omhelzen en kussen; 
digalekan. 

QALÉMBRANQ, zie gëmbrang. 

QALENDO, het uitkooksel (hampas) dat 
men overhoudt van kokosnoten, waarvan 
olie werd gemaakt. 

QALÈNG, of wel galëngan, kleine, zich 
in de lengte uitstrekkende verhevenheid 
van aarde enz., rollaag; inz. aarden rand 
of dflkje langs de lage zflde der vakken 
van rijstvelden, koffieaanplantingen en 
van alles wat terrasgewtyze is aan- 
gelegd en beplant; gagaléngan, galëng- 
achtige verheffingen, plooien, lobben, 
kwabben; beuteung ngagaralëng, een buik 
met plooien hebben (z.a. een vet mensch), 
hangbuik; ngagalëngan, om een satoah- 
bed een dijkje maken; digaléngan; nga- 
galëngkeun, aan iets den vorm van een 
galëng geven; digalëngkeun.(V^l.gëmpëng.) 

GALENTOR, zie gentor. 

GALER, knoest of kwast (in hout), met 
kwasten of knoesten; ook: krul in het 
haar, ong. = dahi; - gateran, knoesterig, 
kwasterig ; ook : met krullen; rada galeran, 
een beetje gekruld. 

GALEUH, = manah, 1. van hate enpikir, 
hart, gemoed; verder: het hart of binnen- 
ste (en als zoodanig beste) hout van een 
boom of balk (het tegenoverg. van mang- 
goewal), de eigenlijke houtlaag(vgl.yaM); 
ngagaleuh, 1. van meuli, koopen; digaleuh; 
kagaleuh, 1. 1. van kdbeuli, met iets mede- 
gekocht, in een koop begrepen; - 2.1. van 
kapake, op prtys gesteld, te gebruiken; 
ngagakuhan, = ngamanahan, 1. van 
mikiran, overdenken, nadenken over, be- 
hartigen; digaleuhan; ngagaleuhkeun, 1. 
van meulikeun, besteden tot het koopen 
van, besteden aan of voor; digaleuhkeun. 

GALIB (Ar.), = loembrah en kaprah* 
algemeen (b.v. in gebruik), gewoon, al- 
gemeen gevonden worden, enz. 

GALIDEUR, zie gideur. 

GALIGIR, alleen in êma$ galigir, z. v. a. 
poepoeton, klomp ongevormd goud (vgl. 
galoegoer) ; galigiran, in ongevormden toe- 
stand verkeeren (van een stuk goud). 



QALIQOET, of wel goemaligoet, haastig 
(iets) zeggen, snel het woord nemen. P. 

GALIH 1. p., manah 1., hate k M hart, ge- 
moed (vgl. galeuh); in Z.-B. het inwendige, 
harde hout van een boom (de galêuh); 
panggalih, 1. van panalar, overdenking, 
overweging, behartiging. 

GALIJEUR, = baljfeur; zie ald. P. 

GALING, krullen, met krullen, gekruld, 
krul (van of in het haar; niet gekroest, 
zie rintit; en vgl. momtang bij poentang); 
katjang galing, naam van een peulsoort. 

GALINGGËM, voll. tangkal galinggëm, 
naam van den wilden ramboetan [veel 
tot omheining gebezigd]. 

GALINGGING, dood hout; (van een mensch, 
inz. van een oude van dagen): kwakkelen, 
komen te liggen, ziek liggen; ook (vgl. 
ginggeung) z. v. a. panas-tiris, koortsig. 
(Vgl. djalingdjing.) 

GALO, vermengd, dooreengemengd, door 
elkaar gewerkt; digalo, dooreengemengd-, 
vermengd worden; pagalo, onder elkander 
gemengd, met elkander vermengd; pagalo 
djeung, vermengd met; ngagalokeun, door- 
eenmengen, vermengen, dooreendoen, ver- 
werken; digalokeun. 

G ALOEDRA, of wel garoeda (Skr. garuda), 
griffioen, adelaar; ngagaloedra, benaming 
voor alle vogels die, evenals de galoedra, 
twee vingers van den klauw naar voren 
en twee naar achteren hebben, z. a. de 
heulang, alap-alap, ekek, enz. [deze ztyn 
volgens de Mohamm. wet alle haram, d. i. 
verboden]. Zie ook ngoepoek. 

GALOEGOE, even ontsproten palm (inz. 
van kalapa en kawoeng gebezigd). P. 

GALOEGOER, een geheele boom, een 
ongeschonden geheele boomstam (zóó als 
hty in de aarde staat, vgl. poeloekan); 
sagëde galoegoer kalapa, zoo dik als de 
stam van een kokosboom. 

GALOEH (Skr. galü, een soort van edel- 
gesteente), naam van een regentschap in 
de res. Tjirebon, in den ouden tjjd een 
koninkrijk en tevens naam van de dajeuh 
of hoofdstad. 

QALOEMA, voll. awi galoema, naam van 
een dunne bamboesoort met lange gele- 
dingen. 

QALOENGAN, I. voll. përang gcUoengan, 
handgemeen ztfn. (Vgl. tjampoeh.) 

II. (B. p.), = golongan. P. (Zie gotong.) 

G ALOENGGANQ, honger en dorst hebben. 

GALOER, spoor, achtergelaten merk of 
spoor (b.v. van een ftadafc of rhinoceros, of 
van een boom die langs den weg gesleept 
is, vgl. aloer); ngagaloer, een spoor achter- 
laten (van een slak b. v.); gagaloer, balk 



172 



GALOEWANG-GALEJONG-- GAMPAR. 



waarin de sttylen van een huis worden 
geplaatst, de balken waarop een brug 
rust, enz., fondatiebalk. 

GALOEWANG-GALEJONG, zie galejong. 

GALOMBRANG, zie gombrang. 

GALONQQENG, voll. oébar galonggmg 
(Kad.), iets dat in de nabijheid van het 
huis gelegd wordt om lieden die willen 
inbreken een huidziekte, verlamming of 
blindheid te bezorgen. 

GAMAH, ontsteld, verschrikt, schuchter; 
ook van dieren, b. v. visch, ten gevolge 
van het in het water vallen van steenen, 
waardoor ze niet in het net wil; in laatst- 
genoemden zin z. v.a. giras; ngagamahan, 
opschrikken, verschrikken, wegjagen, 
maken dat de visch weggaat; digamahan. 

GAMBALANG-GEMBELENG, verkl. met 
loegag-legeg, een zwierigen gang hebben. P. 

GAMBANG, naam van een muziekinstru- 
ment, bestaande uit een bak waarop 
houten plankjes tot toetsen liggen [te 
vergeleken met het voorwerp dat wij 
„glaspiano" noemen]; ngagambang, op de 
gatnbang slaan (spelen). 

GAMBAR, afbeelding, schilderij, portret, 
beeld, plaat; ngagambar, een afbeelding 
maken, portretteeren; toekang ngagambar, 
teekenaar, schilder; ngagambarkeun, iets 
afbeelden, uitteekenen, onder een beeld 
brengen, van iemand een portret nemen 
of maken, aft eek en en, afschilderen; digam- 
barkeun. (Vgl. iekin.) 

QAMBAWASA (Z.-B.), z. v. a. pangawasa 
(zie kawasa), kracht, krachtig. P. 

GAMBIR, 1. naam van een bekende 
plant; - 2. een uit de bladeren dezer plant 
vervaardigd praeparaat, dat sterk samen- 
trekkende eigenschappen bezit, een be- 
standdeel uitmaakt van den sirihpruim 
en ook als stoppend geneesmiddel gebruikt 
wordt; - 3. de kleur van gambir, d. i. de 
Izabelkleur; këmbang gambir, naam van 
een bloem [purperkleurig, met wit in 't 
midden]. 

GAMBLOENG, onbewerkt bleven, onbe- 
werkt liggen (b. v. een sawah); ngagam- 
bloengkeun, niet onderhouden (inz. van 
een tuin), onbewerkt la ten, (e en koffie tuin) 
afschrijven. (Vgl. garoeng.) 

GAMBLOK, = garnlok; zie ald. 

GAMBOEH, I. 1. van bisoêl, puist, zweer, 
gezwel. 

II. Benaming van een soort van [Madoe- 
reesche] dansers ; verder = makoeta topeng, 
het hoofdversiersel van een topeng; ook 
naam van een iëmbang-vr$ü (zie Spraakk., 
Aanh.). 

GAMBOEHANG, = gëmboel, gulzig zijn, 



meer verlangen, schrokken; ook: op 
grooten voet leven, royaal leven. 

QAMBOEL, ong. =s neunggar, stooten, 
stompen; gagamboel, = teuteunggar, aanh- 
met de hoorns stooten of met de vuisten 
in de lucht slaan. P. 

GAMBOELËNQ, ong. =r denok, goed in 
het vleeseh zitten en er knap uitzien (van 
een vrouw). 

QAMB08, elastisch, samendrukbaar (b. v. 
het hart of binnenste van een kalapa- of 
djambe-8tam; verder: licht, luchtig (van 
voedsel), niet voedzaam (b. v. borondong, 
rijst waarin de toko is, enz.); kai gambos, 
zeer zacht hout; gagamboz (Z.-B.), = bajah I., 
long. 

GAMBRANG, = hapa; zie ald. 

GAMBRENG, het mopperen ;ngagambreng, 
mopperen, te keer gaan; goembrang-ganu 
breng, aanh. mopperen. 

QAMEJA (Z.-B.), een zeer groot bosch, 
oerbosch. 

QAMËL, ngbr.; toekang gamël, stalknecht ; 
ngagamël, wrijven, opwrijven, iets wrijven 
om het mooi te krijgen, glad wrijven 
(b. v. een paard); digamël; digamëlgamël, 
aanh. opgewreven worden; pagamèl, = 
panajagan, gamelan- akelei. 

GAMELAN, de Javaansche benaming van 
de gobng (zie ald.), maar ook op W.-Java 
algemeen gebruikt, zelfs in de geschriiten. 

GAMÈT, voll. kaijang gamët, hetzelfde als 
kaijang polong, erwten, peulen. 

GAMLOK, of ook gamblok, een linnen 
zakje dat aan een band over den schouder 
gehangen wordt, platte zak of tasch, 
bedelzak, knapzak, reiszak; imah gamlok, 
aanbouwsel [zooals een arme wel eens 
zet tegen het huis van een meerver- 
mogende, met diens goedvinden, voor de 
goedkoopte], hut, stulp. 

GAMPANG, = babari k., gampil 1., licht, 
gemakkeiyk,niet moeilijk te doen,lichtelijk, 
op gemakkelijke wijze (vgl. hampang); 
sarining gampang, naam van zekere 
djampe, en ook wel: de beste djampe ; nga* 
gampang, het met iets gemakkelijk op- 
nemen, het met iets niet zwaar nemen ; 
ook: toevertrouwd goed zich toeèïgenen 
of dat misbruiken; ngagampang ka kagoe- 
ngan radja, zich vergrepen aan het eigen- 
dom van den koning; digampang; nga- 
gampangkeun, iets lichter maken, iets 
vergemakkelijken, het zich met iets ge- 
makkelijk maken, weinig werk ergens 
van maken; digampangkeun. 

GAMPAR, I. een heffing of soort van 
hoofdelijke omslag, in noodige gevallen 
door de Mohamm. geestelijkheid van de 



GAMPARAN— GANDIK. 



173 



beladers van den Islam geheven ten be- 
hoeve van den eeredienst, b. v. tot reparatie 
van een moskee [men kan echter tot be- 
taling daarvan niet gedwongen worden]; 
in 't alg.: collecte of vrijwillige heffing; 
ngagampar of ngagamparkeun, voor een 
bepaald bedrag (ten behoeve van een 
doel als het genoemde) aanslaan, een 
heffing doen, een collecte houden; di- 
gamparkeun, 

II. Ngagampar, verkl. met meupeuh hanteu 
matjoky d. i. slaan maar niet by ten (van 
een vechtenden haan); digampar, gezegd 
van het dier dat alzoo door zulk een haan 
gedaan wordt. 

GAMPARAN k., titihan (maar niet alg.) 1 M 
houten voetzool, holsblok met een knop 
van voren welke tusschen den grooten 
en volgenden teen geklemd wordt [men 
gebruikt ze b. v. bjj het baden of gaande 
langs een modderig pad]; verder: gebieder, 
heer, meester, meesteres [een hooger titel 
dan djoeragan en = of iets lager dan goesti] ; 
ook gebruikt als titel in plaats van een 
pers. ef bez. voornw. van den 2den pers. 
(vgl. Spraakk. § 159, 9); doeka gamparan, 
een beleefde uitdr. voor: ik weet het niet. 

GAMPIL, 1. van gampang en van babari; 
zie aldaar. 

QAMPING, kalkrots, kalksteen, de rots 
of steen waarvan men kalk maakt; ook 
genoemd piapoeëun. (Vgl. apoe en tjeos.) 

GAMPLÉNG, werkw. tusschenw. voor: 
slaan en o verwerpen of overflappen (nader 
uitgedrukt door neunggeul, gamplëng di- 
teunggeul, en door ngaroengkoep, gamplëng 
diroengkoep); ook = geboet, werkw. tus- 
schenw. voor: verkoopen, verkwisten, ver- 
kwanselen. 

GAMPOENG, g.w.; ngagampoeng, een na- 
lezing houden btf achterlijke rystplanten; 
digampoeng. (Vgl. poepoeri.) B. 

GAN, korte vorm van agan; zie ald. 

QANA (Skr.), naam van een batara; 
gana-gana, z. v. a. wawanianan (zie wani), 
overmoedig. 

GANA GINI, naam van een pokatji (zie 
4at woord). 

QANA8, = danas, ananas. 

GANDA, I. (Skr. gandha, reuk, reukwerk), 
in Z.-B. naam eener plant. 

II. Diganda, = dipoendoerkeun, een eind 
naar achteren geplaatst worden (b. v. bJJ 
een wedstrijd een paard of man, die of dat 
harder dan de tegenpartij kan loopen). 

GANDANG, een fiere of statige houding; 
ook: zulk een houding hebben. (Vgl. 
ginding.) 

GANDANG-GINDING, zie ginding. 



GANDAR, I. de houten steel of schacht 
eener ptyl. 

II. Op een afstand, veiaf; oelah gandar 
teuing, laat het niet te veraf zfln, wees 
niet te veraf; ngagandaran, verder van 
iemand of iets afgaan; ook: vieren; 
digandaran. (Vgl. anggang en djaoeh.) 

GANDARKIA, naam van een kleine wrange 
vrucht welke ingezouten als toespijs ge- 
geten wordt; tangkal gandarija, naam van 
den boom die deze vrucht draagt. 

QANDAROESA, naam van een heester. 

GANDA80LI, naam van een plant welke 
fraaie bloemen draagt. 

GANDAWË8I, vuursteen waaruit met 
een paneker (zie teker) vuur geslagen 
wordt. 

GANDEK, 1. van pandakawan, (manne- 
lijke) bediende, UJfbediende (eig. bediende 
van een hooger soort, met wien zyn 
meester wel raadpleegt enz.); in ruimer 
zin ook wel voor soldaten; ngagandek, 
iemand als gandek dienen. (Vgl. badega 
en boedjang.) 

GANDELO, = gademol en montok, vet, 
corpulent. 

GANDENG, = baribin, geraas, rumoer, 
gedruisch, gekletter, leven; ngagandengan, 
geraas bjj iemand maken (zoodat hy niet 
hooren kan); digandengan; kagandengan, 
Hjd. vorm: geraas om zich heen hebben, 
van geraas last hebben. 

GANOËRWO (Skr. gandharwa, de muzi- 
kanten en zangers van de goden in Indra's 
hemel), naam van een soort geesten, kwel- 
geest, kwelduivel, plaaggeest; en verder : 
plager, boosdoener, ondeugd; sahagandër- 
voona noe migawe kitoe'i wie is de ondeugd 
die dat gedaan heeft? 

GANDÉ8, kortaf ztyn, kort aangebonden, 
kort van stof z{jn; goendas-gandës, idem, 
met verst, en beleedigend. 

GANDÉT, kerf, inkeping, insnijding; ook 
= sengked, insnijding (ingesneden trede) 
in een boom, om by het beklimmen den 
voet daarin te zetten; verder: inspringen 
(b. v. een regel die iets naar binnen staat); 
gagandét, hetzelfde; ngagandët, aan iets 
vasthaken, vast blijven zitten; digandëi- 
gandët, met inkepingen of insnijdingen 
gemaakt worden, van inkortingen voor- 
zien worden of zijn. 

GANDEUANG, met lange passen voort- 
schreden en daarbij het hoofd flink opge- 
richt houden. (Vgl. gandang.) 

GANDIK, I. haarlok (= dato", maar verder 
naar beneden hangende, tot op de kin, 
en van onderen in een krul eindigende), 
gedragen door badaja's en bruiden. 



174 



GANDIL— ÖANGSA. 



IL (Z.B.), vflzel. 

III. (Z.-B.), naam van een riviervisch. 

GANDIL, naam van het werktuig dat 
meer algemeen tjagak otneuk genoemd 
wordt. (Zie oenenk.) 

GANOJA, het dwarse bovengedeelte van 
een kris of dolk, met het puntig stuk 
dat in het hecht gaat. 

GANDJAR, g. w.; ngagandjar, beloonen; 
ook wel gebezigd voor: geven, schenken; 
digandjar, beloond worden; digandjarheun, 
tot belooning doen strekken; gandjaran, 
belooning. 

QANDJÉL, wat men ergens onder legt 
ot wat onder iets ligt (om dat voorwerp 
vast te doen staan of het van den grond 
af te brengen), steunsel, klos, klosje; nga- 
gandjël, iets (b. v. een steen) ergens onder 
leggen, stutten, steunen, ondersteunen 
(ook oveTdT.);digandjël;ngagan4jélijandjël, 
overdr.: nu en dan een steentje aan- 
brengen, b. v. in het huishouden), een 
tegemoetkoming geven, ondersteunen 
(b. v. met geld); ngagandjëlan, onder- 
steunen; ngagandjëlan ka noe toaloerat, de 
behoeftigen ondersteunen; digandjSlan. 

GANDJIL, te min voor iemand (van een 
gift), te klein (van een paard, z. a. voor 
iemand die gewoon is op een grooter te 
rijden). 

GANDJOK, ngbr.; migarutjok, iemand 
ophouden, hem op een vraag of verzoek geen 
bepaald antwoord geven, iemand op sleep- 
touw houden, hem tusschen hoop en vrees 
laten slingeren; dipigandjok; kapigandjok. 

GANDJOR, te kort ztfn (b. v. een strjl 
die niet sluit aan de poepoeroes, omdat hfl 
niet lang genoeg is). 

GANDJRANG QANDJRING, een rinkelend 
geluid maken. (Vgl. gëndjreng.) 

QANDOE, een schflfje (koekje) goela Djatoa 
of Java-sulker (aren-suiker); gandoean, 
idem. 

GANDOEL, voll. gëdang gandoel, naam 
van een papaju-soort met langen bloem- 
steel [draagt weinig of geen vrucht; een 
aftreksel van het blad wordt als laxeer- 
middel gebruikt]. 

GANDOEM (Perz.), koorn, inz. rogge. 

QANDOJ, ngbr.; ngagandoj, gezwollen, 
dik (van een lichaamsdeel), opgezet 
'"' GANDOK, een aanbouwsel van een huis, 
een armoedige woning, ter besparing van 
bouwmateriaal, en dus van kosten, tegen 
het huis van een ander aangebouwd 
(vgi gamlok en sëmpü); gagandok, balkon. 

GANDOLA, naam van een slingerplant. 

QANDON, volgens F. samentr. van gan- 
doean; zie gandoe. 



GANDONG, g. w.; ngagandong, op den 
rug dragen (b. v. een kind of een schaap); 
ngagandong leungtun, staan of loopen 
met de handen op den rug; digandong; 
ngagandongkeun, iemand iets op den rug 
geven, op den rug leggen (opdat h$J het 
zoo drage); digandongheun, op den rug 
gelegd worden. 

QANDROEM, voll. djagong gandroem, naam 
van een malssoort. 

QANDROENQ, gerst [niet menigvuldig 
aangetroffen;- men maakt er de zoogen. 
koeweh borondong van]. 

GANËP, = djangkëp, even, een even getal ; 
gangsalganëp, oneven en even. (Vgl. gènèp.) 

GANG, het Holl. gang; gangpad, smalle 
doorgang. 

GANGA8, hardvochtig, straf ; ook gezegd 
van carnivoren (b# visch). 

GANGGAJONG, het uitstellen, het ver- 
dagen; ngaganggajong, iets uitstellen, ver» 
schuiven, verdagen; diganggajong. 

QANGG ANQ, = poë, in den zin van panas, 
heet; ngaganggang, even boven het vuur 
roosten of braden [ong. H voet boven het 
vuur, op \Jzers; minder dicht aan het vuur 
dan by panggang; een of twee IJzers wor- 
den in het vleesch gestoken en deze 
worden gelegd op de beide tfzers, welke 
zich aan weerszoden van het vuur be- 
vinden]; ook gezegd van gronden welke 
men onbebouwd laat (B.); diganggang. 

QANGQARANQAN, naam van een klein 
roofdier, soort wezel [hét voedt zich met 
muizen, ratten, kiekens enz.]. 

GANGQAWANG, zie gawang. 

GANGGËNQ, naam van een plant (gras- 
soort), die veel op den bodem van sitoe's 
voorkomt 

GANGGOE, = heureuj, ergens aankomen, 
aanraken, beschadigen; verder : het kwellen, 
plagerij; ngaganggoe, aan iets komen, aan- 
roeren, aanraken, aanstooten; ook: iemand 
lastig vallen, plagen, kwellen, treiteren; 
diganggoe, geplaagd worden, enz.; teu 
diganggos, ongemoeid gelaten worden. 

QANGGONQ, ngbr.; Uuweung ganggong, 
dicht-, ondoordringbaar bosch (vgl. lang» 
gong); soetra ganggong, een soort zijde. 

QANQ8A, I. een metaal, samengesteld 
uit geel en rood koper met tjzer, een soort 
brons of klokkenmetaal, klokkensptys 
[men maakt er bekkens van; vandaar 
ook] bekken (om op te slaan); batoék 
gangsa, een hoest, ontstaan door het in- 
ademen der lucht van dat metaal brj het 
vervaardigen, koperhoest, kuch, droge 
chronische hoest, teringhoest. (Ygl. pa- 
roenggoe.) 



GANGSAL— GANTOENG. 



175 



II. Het Holl. gans; idem. (Vgl. echter 
sovxmg.) 

QANQ8AL, ondeelbaar, een ondeelbaar 
getal, oneven. (VgL djangkép en ganèp.) 

QANQ8ENQ (Koen.), = balaj, muurtje, 
muur of pad van riviersteen (maar 
niet rondom een graf); ngagangseng, = 
ngabalaj, zulk een muurtje, muur of pad 
maken (maar met dezelfde beperking). 

QANQ8IR, g. w.; ngagangsir, ondergraven» 
doorgraven (van een huis)» inbreken (door 
middel van ondergraving); ngagangsir akar, 
de wortels ondergraven; digangeir; pang- 
gangsirna, het (zfln) ondergraven. 

QANQ80ER, ngbr.; ngagangsoer, langs 
den grond kruipen, op den buik voort- 
kruipen (b. r. een kind). 

GANG80R, g. w.; ngagangeor, gadoeng 
tot schaven (plakjes) schaven, door er 
een bamboezen voorwerp (zie hieronder) 
over heen te bewegen; ook: iets heen en 
weer trekken (b. v. onder het vechten de 
beenen van zijn tegenpartij); digangsor; 
panggangaoran, het voorwerp, tot gangeor 
gebezigd. 

QANITRI, naam van een boom, welks 
vruchten (boewah ganitri) men wel gebruikt 
tot kralen voor een rozenkrans (taebeh). 

GANJANQ, alleen in garo-ganjang, zich 
overal krabben. P. (Vgl. garo en ranjang.) 

GANJOL, maar meestal ngaganjol, in 
den mond of in den bek nemen (z. a. een 
jong kind den tepel of een jong dier de 
speen). P. 

GANTAL, = djambe; zie ald. P. ♦ 

GANTANA GINTINI, vrooljjk rondloopen, 
„in de wolken zjjn", rondjubelen. 

GANTANQ, een maat, inhoudende twintig 
ëntik en = eter, d. i. een schepel of een- 
tiende pikoel; saganiang, één gantang, 
enz.; ngagantang, met een gantang of by 
de gantang meten. 

GANTAR, een lange dunne bamboestok, 
droogstok, drooglat, enz. 

GANTAWANQ (vgl. gontowong), werkw. 
tusschenw. voor: haastig en luide iets 
zeggen, met verheffing van stem spreken, 
schreeuwen; gantawang radja ngalahir,de 
koning sprak met luide stem, zeggende; 
goemantaioang, hetzelfde. 

GANTEL, het hangen aan; ngagantel, 
hangen aan (z. a. b. v. een lantaarn aan 
een stang, een gewicht aan een ketting, 
enz.), neerhangen; ook: aangehecht, ver- 
bonden (b. v. een wagen aan een anderen); 
ngagantêlan, hangen of hechten aan; 
digantelan ; ngagantelkeun, iets hangen aan, 
inhangen; digantelkeun. 

QANTI k., gëntos 1., veranderen; ook 



overdr., b. v. gantipikir olganti panjana, van 
meening veranderen ; verder: vervangen, in 
plaats geven, in plaats treden ; tevens : wat 
men in plaats geeft, voor het geleende terug- 
geeft, aflossing; ook: vervanger; voorts 
g. w.; teu ganti loaktoe, geen volgenden ttyd 
afwachten; gantina, iets ergens voor in 
plaats; ganti-ganti, afwisselen, om de 
beurt, bty afwisseling, elkander afwisse- 
len; ganti-ganti aorana, een afwisselend 
geluid geven, afwisseling in het geluid 
brengen; goentaganti, telkens door of met 
een ander of elkander verwisselen ; gaganti, 
iets of iemand in plaats voor of ter ver- 
vanging van, vervanger; ngaganti, ver- 
vangen, verwisselen; verder: overgaan 
(b. v. uit een wagen in een schip); ook: 
geleend geld teruggeven, terugbetalen, 
vergoeden; voorts: ter vervanging van, in 
plaats van, voor; diganti; kaganti, ver- 
vangen, verwisseld; beurang kaganii koe 
peuttng, de dag werd door den nacht 
vervangen; ngagantian, iemand vervangen, 
afwisselen, in de plaats van iemand (b.v. 
regeeren), opvolgen, geleend geld terug- 
betalen, de waarde teruggeven, restitu- 
eeren, schadeloosstelling geven (zie ook 
ngagéntenan bfl genten); digantian t ver- 
vangen worden, enz.; ngagantikeun, iets 
tegen iets anders verwisselen, omruilen; 
digantikeun; pangganti, vervanger; pang- 
gantian, wat tot vervanging dient, schade- 
vergoeding, restitutie. 

GANTJANG k., enggal 1., snel, spoedig, 
met spoed, zich spoeden, vlug loopen, 
voorloopen (van een uurwerk), zich spoeden 
naar; gagantjangan, met grooten spoed; 
pagantjang-gantjang, om het snelst (b. v. 
vliegen); ngagantjangan, sneller (b. v. 
loopen) dan; kagantjangan, te haastig-, 
gehaast-, overhaast (doen); ngaganijang- 
keun, iets met snelheid-, met spoed ver- 
richten (b. v. een tocht), tot spoed aan- 
zetten, bespoedigen; digantjangkeun. (Vgl. 
geuwat.) 

GANTJAR, onregelmatig, ongeluk van 
hoogte. P. 

GANTJLENQ, ngbr.; ngagantjleng, dage- 
lijks over iets spreken of iemand vermanen; 
digantjleng* 

GANTOENQ, hangend; sasak gantoeng* 
hangende brug, hangbrug ;tjadaa gantoeng, 
overhangende rots; lampoegantoeng,hang- 
lamp (vgl. doedoek II); aipat gantoeng, draad 
met een looden balletje, schietlood, pas- 
lood, loodl^n; palajangan gantoeng, een 
noodwaterleiding; - gantoengna, afstand, 
tusschenruimte, verschil in leeftijd; ajaoeh 
gantoengna, groot is de afstand, groot is 



176 



GANTOER— GARAP. 



het verschil in leeftijd; oelah Hat ieuing 
gantoengna, laat er niet te groote tusschen- 
ruimte (van tfld) ztfn; oelah katjida teuing 
gantoengna, laat het niet te veraf zfln; 
ngagantoeng, hangen, ophangen ; digantoeng; 
gantoengeun,&Q (het) op tehangenej^oeta- 
goemantoeng (z. v. a. goela noe rek asak), 
de mooie kleur van het benedengedeelte 
der boven- voortanden en ook van het ge- 
deelte der nagels dat met patjar-koekoe 
roodgeverfd is; ngagantoengkeun, iets of 
iemand ophangen; overdr.: iemand ten 
plicht stellen (z. a. de wet); digantoeng- 
keun; gantoengan, voorwerp om iets aan 
op te hangen (P.); panggantoengan, galg. 

QANTOER(Kad.), = tjadh.{VgLgoentoer.) 

GAOEK, een schreeuw geven, het schreeu- 
wen; ngagaoek, schreeuwen, uitschreeuwen; 
ook = ngagaoer, brullen (b. v. een tyger die 
gestoken wordt); gagaoekan, aanh. schreeu- 
wen, aanh. brullen, gebrul. (Vgl. gaok.) 

QAOER, het brullen, gebrul; ngagaoer, 
brullen (z. a. een tijger of een leeuw). 
Vgl. gaoék. 

GAOK, = kaak, kraai; ook: krassen, 
grauwen, snauwen ; sëntak-gaok (eig. raven- 
gekras), grauwen en snauwen; ngagaok. 
iemand (op luiden toon) toeschreeuwen, 
toesnauwen, toegrauwen; gagaokan, aanh. 
krassen of schreeuwen. 

QAOR (vgl. oor), miauwen, krollen. 

QAP, werkw. tusschenw. voor: grijpen 
met den bek, bijten, in bijten, in happen; 
als g. w. : hap! enz. 

QAPIT (Bad.), = dèmpet lajeus (zie 
lajeus). P. 

GAPJOEK, zich reppen, inz. om een gast 
of gasten behoorlek te ontvangen ;priboemi 
gapjoek mëtakeun soesoegoeh, de bewoners 
repten zich om een onthaal gereed te 
maken. (Vgl. garapjak.) 

QAPLAH (waarsch. 't Ar. ghaflah, on- 
achtzaamheid), het doel niet bereiken, 
falen, vergeefs, nutteloos, ijdel; lampah 
gaplah, z. v. a. lakoe boentoeng, ijdele-, 
nuttelooze-, onvruchtbare handelingen; 
hanteu aja dadamëlan anoe gaplah, hij doet 
niets dat nutteloos is; oelah gaplah, het 
zy niet nutteloos, het z\j niet ijdel; kaga- 
plahkeun, pel gemaakt worden (of zijn). 
Vgl. gapong. 

QAPLOK, I. ngbr.; ngagaplok, op iemands 
rug hangen of bevestigd zitten (b. v. 
een zak). 

II. Een klanknab. van slaan: klap; nga- 
gaplok, = neunggeul, een klap geven; 
djangdji ngagaplok, verkL met: pok, tara 
ditimbang-timbang, soo maar wat praten, 
klappen, babbelen, zoo maar wat beloven, 



zonder 't voornemen te hebben die belofte 
na te komen; goeplak-gaplok, al maar 
klappen of babbelen; digaplok, een klap 
krijgen, geslagen worden; ngagaplokan, 
klappen geven, iemand aanh. of herh. 
slaan; digaplokan. 

QAPOEJ, ngbr.; ngagapoej, hangen zóó, 
dat het benedeneinde goed den grond 
raakt (b. v. een gordijn, ofiemanddieaan 
een boomtak hangt), nederhangen, op den 
grond hangen, slepen. 

GAPOER (Ar., gafoer), veelvergevend 
(van God); Raboe'l-gapoer, de veel vergeven- 
de Heer. 

QAPOERA (Skr., gopura, poort), een 
hekje, of ook een liggende ladder of iets 
derg., voor een deur of gaanderij (inz. om 
kleine kinderen binnen te houden); ook: 
balustrade. 

GAPONG, verkl. met moal djadi, ijdel, 
van geen nut, vergeefs, zonder waarde, 
ledig, zinledig; omong gapong, zinledige 
uitdrukking; tara gapong, nooit ijdel, nim- 
mer vergeefs. (Vgl. gaplah.) 

GAPROEK, aanvallen, een aanval doen 
(van menschen of dieren). 

GARADAH, ngbr.; ngagaradah, ong. = 
njaksrak (zie saksrak), doorzoeken, visi- 
teeren; digaradah. 

GARA GARA, I. teekenen of verschijnselen 
in de natuur, welke verwoestend ver- 
mogen hebben. (Vgl. toenggara.) 

II. Aanleiding, aanleidende oorzaak; 
naon garagarana? wat is de aanleiding 
daartoe? 

GARAJ, voor loon rijst snijden bij den 
oogst (koelian diboewat, waarbij men Vso 
van het gesnedene ontvangt. [Niet alge- 
meen.] 

GARALANG, ngbr.; ngagaralang, met 
striemen, gestriemd zijn. 

GARAMANG GARIMING, zie gariming. 

GARAMBEUH (Kad.), gezwollen. (Vgl. 
garnboeh I.) 

GARAM GÉRÉM, zie gërëm. 

GARANG, = gdkang, driftig, opvliegend, 
twistziek; ngagarang, boven het vuur 
drogen (inz. tabak of deëng); digarang; 
panggarangan, rooster. 

GARANGQAM (van 't Jav. ganggam, 
weifelen in zijn gevoelen of besluit), ngbr.; 
ngagaranggam, denken over (iemand of 
iets) zonder tot een besluit te komen; 
ieu ngagaranggam ka noe sedjen, men denkt 
(dan) over geen ander. 

GARANGQANG, volL ioembak garanggang, 
een soort speer van bamboe. 

GARAP, I. stameren, stotteren; ook 
[maar zelden] stotterend spreken (z. a. 



GARAPJAK— QAROE. 



177 



iemand die driftig is). Vgl. galat en 
tjadel. 

IL (Boem.), = ragap, zie ald.; ngagarap, 
= ngaragap, aanvatten, aanpakken; nga- 
garap saicah, het (een) rijstveld bewerken; 
geus anggeu8 digarap, bewerkt-, besteld 
zjjn (van den akker). 

GARAPJAK, = soemejah en akoean, 
vriendelijk, voorkomend. (Vgl. gëpjak en 
gapjoek.) 

QARASGIRIS, zie giris. 

GARAWAK, ngbr.; gagaratoakan, zzgogo- 
rowokan, zie gorowok. 

QARDOEH (verb. van t Port. guarda), 
wachthuis of schildernuis aan de wegen 
[waar de nachtwacht haar verbluf houdt 
en de kohkol hangt, waarop zoo noodig 
alarm geslagen wordt], nachtwacht [op 
haar rondgang heet deze echter door- 
gaans rondo] ; salisoeng gardoeh, een ver- 
bloemde uitdr. voor sakongkol, konkelen 
[onder lisoeng gardoeh versta men de kohkol, 
het alarmblok, F.]. 

QAREDJA (Port., igreja), Christenkerk; 
ook: kerk houden, een Christelijke gods- 
dienstoefening houden; verder: gemeente, 
nl. Cnristeiyke gemeente; manoek garedja, 
musch; ngadëgkeun (of njijeun) garedja, 
een kerk bouwen, de kerk stichten of 
bevestigen. 

GARËGÉl*, = gërëgët; zie ald. 

GAREPJAK, = 't meer gebr. garapjak. 

GARËS, g.w.; ngagarës, vreten (van een 
dier); digarës; ngagagarës, k. p. van nga- 
hakan, (van menschen) gulzig eten, vreten; 
gagarëê bae koe sijaï vreet jtf dat maar op! 
digagarëe. 

GARESOL, ongeluk, onregelmatig (b.v. 
van de tanden of van op elkander liggende 
voorwerpen). Vgl. karehol. 

QARETJOK, ngbr.; digaretjok, verkl. met 
diririwoed, het iemand lastig maken, en 
2. door norowetjo, al maar tegenspreken. 

GAREUWAH, door geraas te maken zich 
verraden of een schuilplaats aan den 
vgand ontdekken; ook in 't alg.: geraas 
maken; digarewoah, gezegd van dengene 
wiens schuilplaats alzoo verraden wordt 
of is; ngagareuwahan, iemands schuil- 
plaats verraden door geraas te maken; 
digareuwahan. 

GAREWOL, iets gehaast en daardoor 
minder accuraat doen; garoewal-garewol, 
idem, met verst. 

QARIHAL, niet geheel fijn ztfn (b. v. ge- 
stooten lijst, of meel waarin stukjes zjjn 
die niet ztfn fijngestampt; (van den stijl) 
niet vloeien. 

GARIM (Ar.), schuldenaar. 

8ontDAlTBB80H-HOLL. WOOBDIVB. 



GARIMING, maar meestal ngagariming, 
jeukte (z. a. door 't rondkrioelen Tan 
luizen, mieren, enz.); tinggariming t «OYwal 
jeukte hebben (z. a. bfl rooden hond, 
indoeng kesang); tikoro tinggariming, een 
verspreid jeukend gevoel in de keelholte 
hebben (z.a. btf een beginnende verkoud- 
heid); garamang-gariming, de vingers, deze 
al bewegend, over eens anders lichaam 
laten weiden, kriewelen. P. 

QARINDJÉL, zie gindjëL 

GARINQ, verdorren, verdrogen, uitdrogen, 
verdord, verdroogd, uitgedroogd, dor, 
droog ; ook: verkolen ; verden droog smaken 
(b. v. een tabakspruim); ngagaringkeun, 
droog-, kurkdroog laten worden ; digaring- 
keun. 

QARINTIL, ngbr.; tinggarintil, in elkaar 
gekruld, in elkaar gedraaid zitten (b. v. 
haar), klissen. 

GARINTOEL, kluiten, s te enen of derg. 
welke zich boven de oppervlakte ver- 
heffen, oneffen; verder: wat uitsteekt, 
wat aanwezen heeft; atoewe garinioel 
womgkoel, er bevinden zich slechts vrouwen 
(ztynde de mannen uitgestorven). 

GARIS, langs iets streken, een ljjn 
trekken, een streep zetten; verder: ltfn, 
streep, meet, schrap; goeras-garis, gedurig 
langs iemand of iets streken (b. v. bfl het 
aanhoudend langs loopen), langs elkander 
strflken of schuren (b. v. twee menschen 
die elkaar passeeren); ngagaris, langs 
iemand of iets streken of schuren; verder: 
een schrap of ltyn trekken, een streep 
zetten; digarte; kagaris; - pagaris, ianga 
elkander streken of schuren; ngagaritan, 
het herhaalde van ngagaris; digarisan^ 
kagarisan, ïyd. vorm, gezegd van iemand 
of iets waar een die voorbQ gaat langs, 
strtykt; panggatïs, = mastar, liniaaU 
(VgL gator.) 

GARI80EL, hetzelfde als garesol 

GARIT (vgl. goerat), ljjn of vore, gö< 
trokken op den grond, inz. met een 
patjoel; garitan, idem. 

GARITJOE, ong. = garindjël, zie ald.; 
ngagaritjoe, opkomen van pukkels of puis- 
ten, pukkels kragen. P. 

GARO, het zich krabben (met de nagels); 
ngagaro, zich krabben (met opzet) \gagaro, 
zich aanhoudend krabben; goera-garo, zich 
hier en daar-, zich overal krabben (b. v. 
op het hoofd en op het lichaam, uit ver- 
legenheid). 

GAROE, I. het welriekend aioehout, dat 
fijn of tot snippers gemaakt als reukwerk 
in vuur gebrand wordt (tatalnadibêuleum); 
garoe Stjëm, Siameesche garoe. * 

12 



178 



GARÖEDA— GATJONG. 



II. Eg; ngagaroe, eggen; digaroe; gaga- 
roean, een eggetje als speelgoed. 

QAflOEDA (Skr. garuda), hetzelfde als 
gaUedra, griffioen» adelaar. 

GAROEQOE8, zie goegoes. 

QAROEGOET, zie goegoet. 

QAROENQ (ygl. garing, eig. laten uit- 
drogen), ongebruikt of onbenuttigd laten, 
niet gebruiken, niet benuttigen, onge- 
bruikt biy ven (b. v. een sawah, een boom, 
een vrouw, een waarschuwing, enz.); ook: 
oude vrijster; - ngagaroeng, onbenut-, 
ongebruikt laten; ngagaroengkeun, iets 
ongebruikt laten, onbebouwd laten: (van 
een Jongeling of jongedochter) in reinen 
ongehuwden staat bewaren (b. v. voor 
tapa); digaroengkeun. 

QARÓEWAL GAREWOL, zie garewoL 

GAROGOL, een val om dieren (ttfgers, 
zwanen, ratten, enz.) te vangen; ook: 
een met paalwerk omheind perk, om er 
by de jacht de dieren in te draven; nga> 
garogol, zich op de vangst van dieren 
toeleggen met een garogol; digarogol. 

QAROQOT, zie gogot 

GAROK, k.p. van bopeng, mottig; volgens 
P.: over 't geheeleiyf mottig; si garok,een 
scheld w.: jou mottige! 

GAROKGEK, oneffen, ongeluk, met kuilen 
en buiten (b.v. van een pad). 

QAROMENG, zie gommg. 

OARONQ, voll. oetjing garong, hetzelfde 
als oetjing leuweung, wilde kat. 

QARPOEH, vork (om mede te eten). 

GARWA, = geureuha, l.van pamadjikan, 
echtgenoot©, gade, gemalin; bakal garwa 
of pigarwaeun, zy die mentotechtgenoote 
krggen zal, aanstaande gemalin; kagoe* 
ngan garwa ka, tot gade nemen, huwen 
met; migarwa, huwen; dipigarwa, tot gade 
genomen worden, gehuwd worden; kapi- 
garwa, (iemand) tot gemalin z^n, iemands 
gade zfln. (Vgl. isiri.) 

GAS (Perz. gaz), lengtemaat, gerekend 
van de voetsolen tot de toppen der vingers 
van de rechtstandig omhoog gestoken 
armen. P. 

GASAB (Ar.), het zich toeöigenen van eens 
anders goed; ngagasab, zich eens anders 
goed (b.v. toevertrouwd goed) toeeigenen, 
ovir eens anders goed beschikken (door 
bet weg te nemen of te verkoopen), 
vervreemden; digasab, 

OA8AH (Vgl. asah), z. v. a. goesroek, zie 
ald.; gagasah, (van een dier, inz. van een 
paard) zich uit jeukte tegen iets schuren; 
digasakkêun, z. v. a. digowoekkeun, zie 
goeêroek. 
GA8A* GI8IK, de gtstk. 



GAS AL, = gangsal; zie ald. 

GA8AL-QESEL, zie gesel. 

GASIK, rap, vlug, gezwind (b. v. loopen, 
groeien), rad (b v. verhalen); gasik-gasik, 
zeer vlug, gezwind; sing gasik-gasikl ge- 
zwind! goesak-gasik, zeer gezwind. 

GASIR, ngbr. ; ngagasir, = ngagaris, langs 
(iets) stryken of sleepen (b.v. met de kleeren 
langs den muur), langs (iets) schuren; 
digasir, gezegd van het voorwerp waar- 
langs geschuurd wordt; kagasir;-pagasir, 
langs elkander schuren (b. v. in het voor- 
btygaan). 

GASRAK-G0E8R0EK, zie goesroek. 

GA8ROEK, ngbr.; tigasroék, botsen, zich 
stooten (b.v. iets of iemand die of dat van 
boven komt en botst tegen een zich lager 
of op den grond bevindend voorwerp); 
pagasroek, tegen elkander botsen of stooten; 
dipagasroekkeun, tegen elkander gebotst 
worden. 

QA8TI, ngbr.; digasti, een speling op en = 
ditigas (zie tigas), fijngehakt worden; digasti 
didjijeun tjai, fijngehakt en tot water 
gemaakt worden. 

GATAT-GÉTËT, alles met veel drukte 
doen. 

GATËL, ofwel gagatél (Djas.), rijst welke 
men aan een loerah geeft voor diens 
bemoeiingen. 

GATET, onvoldoende, ontoereikend, ge- 
deeltelijk. 

GATEUW, de koningin der witte mieren 
(ratoena), 

GATI (Bant.), z. v. a. hese, moeilijk, be- 
zwaarlijk, onmogelijk; ook: van gewicht, 
van belang; bedja gati, bericht (ot zaak) 
van aanbelang; goemati, ong. = Uien, 
zorgvuldig, nauwlettend voor iets zorgen, 
ijverig over iets waken, nauwlettend vast- 
houden en betrachten, getrouw (in iets) 
ztyn; poma masing goemati ka eta wasijat 
iboe, houd vast aan en betracht uw 
moeders laatste vermaningen; garoemati 
koemawoela, zy dienden getrouw (met 
getrouwheid); kagoematian, zorgvuldigheid, 
yver (voor iets). 

GATJAR (vgl. aijar IL), voor loon ryst 
sneden by den oogst (koelian diboewat), 
waarbij men van de zes gedeng één atjar 
krtygt; digatjarkeun, een rijstveld op deze 
voorwaarde laten sneden. (Vgl. dërëp en 
gatjong.) 

GATJONG (volgens B. samentr. van de 
beide achterste lettergrepen van êangga 
en potjong), voor loon rijst snijden by den 
oogst (koelian diboewat), waarbty men van 
de tien potjong één voor zich krflgt [tóó 
gewooniyk in de Preanger; in 't Buit» 



GATOEL— GEBAL. 



179 



doorgaans dërip, zie ald.]; digatjongkeun, 
een rijstveld op deze voorwaarde laten 
sneden. (Vgl. gadeng, gatjar, enz.) 

QATOEL, vorkl. met teu mënëran, fout 
doen, verkeerd doen, in een rechtzaak 
een verkeerde uitspraak doen; ngagatoel, 
niet geschieden, niet doorgaan, niet tot 
stand komen, teleurstellen. 

QATRA, verkl. met doek toehoor, hanteu 
kadjeun, d. i. wil men (of gebeurt het), het 
is goed, wil men (oi gebeurt het) niet, het 
zij zoo; verder: iemand noodigen alleen 
welstaanshalve; ook: op een koopwaar 
bieden, omdat men het niet best laten kan. 

GATRIK, naam van een jongensspel, het 
pinkerspel of saniplak. [Het wordt 
gespeeld met een stukje bamboe, de pinker 
of sani, djanak geheeten, en met. een 
spaanvormig plankje, de plak, bahon 
genaamd, waarmee men den pinker doet 
opspringen en wegslaat.] 

QATROEK, alleen in tigatroek, -sztitadjong 
en tidagor, zich stooten. 

QAWAJAH, = 't meer gebr. lalawora, 
zorgeloos, onverschillig, lichtzinnig; teu 
meunang gawajah, men mag (daarbij) niet 
onverschillig te werk gaan. 

QAWANQ, tusschenruimte, afstand tus- 
schen twee punten; ook: kloof; sagawang 
pos, één post ver (d.i. de afstand tusscben 
twee poststations); gagawangan, = ga- 
wang-, ngaganggawang, openstaan (van iets 
waarin een groot gat is, b. v. van een 
pagèr of heining), een stuk uit missen. 

QAWAWAK, = gowowok; zie ald. P. 

QAWE, I. k., damël 1., werk, bezigheid, 
arbeid; ook: uitwerking, nut, nutten, 
baten; verder: = paraboen, middel tot 
betoovering; teu pindo gatoe k., teu pindo 
damël 1., iets (wjjl het goed is) niet behoeven 
over te doen of over te zeggen, onnoodig 
(het) nog eens te doen of te zeggen; iorta 
gatoe, verkl. met dipërih-pati en dipenta 
gawena (P.), bevelen te doen, gelasten te 
maken; ook z. v. a. njifeun, maken; saga- 
wena-sagawena, ieder z$Jn eigen werk heb- 
ben; digawe (bedrijvend), werken, arbeiden ; 
noe poer ah digawe, werkman, werklieden; 
toekang digawe, handwerksman; barang- 
gawe, (in 't alg. zonder bepaald voorwerp) 
werken, arbeiden; migawe, werken, doen, 
maken, bedreven, plegen; dipigawe; nga- 
gatoe, 1. werken; 2. = maraboenan % betoo- 
veren; kagawean, betooverd; - pagawe, 
werker, werkman, arbeider; ook: dienst- 
plichtige (aan den weg, op Iemands erf), 
degene die voor een ander heerendienst 
verricht; verder: dier dat voor den arbeid 
wordt gebruikt; magawe, = njamboet t een 



rjjjstveld voor de beplanting bewerken* 
ngagawekeun, iemand aan het werk zetWs', 
doen werken; ook: een dier voor het wet k 
gebruiken; digatcekeun; gawekeuneun, om 
voor het werk te gebruiken (een dier 
b. v.); panggawe, woik, handeling, daad; 
ook: toovermiddel; gagawean, het gedoe, b.v. 
van een kind (P.); pagawean, werk, bezig- 
heid, verrichting, handelwijze, daad, han- 
deling (alles in ruimer zin dan gawe). 

II. (In het Buit.), = karffadn, feest, 
inz. besnjjdenisfeest. 

GAWIL, bUjven haken, ergens aan bljjven 
hangen; ngagawil, hangen aan, boven 
den grond hangen. [Meer alg. gebruikt 
men tegenwoordig gawing, ngagawing.] 

GAWING, biy ven haken, aan iets bleven 
hangen ; ngagawing, hangen aan (een muur 
of derg., b. v. een sleutel), boven den 
grond hangen (vgl. njantel bty pantel); 
goewangyawing (vgl. oewang-awing), aan 
een muur of derg. hangen, boven den 
grond hangen te slingeren, los hangen 
aan ; digoewang -gawing, (va.n iets dat hangt) 
heen en weer geslingerd worden; pating- 
garawing, hangen (b. v. vruchten aan een 
boom); ngagawingheun, iets ophangen 
boven den grond; digawingkeun;gagawing t 
slinger van een uurwerk. 

GAWIR, een steile helling, aan welker 
benedenrand zich een afgrond bevindt, 
bergwand; ook: steil. (Vgl. iémbing en 
lamping.) 

GA WOEL, verkl. met hawoeng dilijangan 
paragi ngala laoek, d. i een groote ronde 
koker, gemaakt van een hawoeng-Bt&m, 
die in een dam in een rivier geplaatst wordt 
om visch te vangen. 

QAWOK, haastig opeten, haastig aan- 
nemen, enz. 

GE (korte voim van oge), ook, zelfs; 
ramboet salambar ge hagoengan gamparan, 
mtyn haren zelfs één (d. i. tot één toe) 
behooren u. 

GÉBAH. g. w.; ngagëbak, dieren ergens 
van afjagen, uitjagen, wegjagen, verjagen, 
afhouden, weren; digëbah\ gëgëbah, aan- 
houdend dieren verjagen of van iets 
weren; ngagëbah-gibah, opjagen, opdraven; 
ngagëbahheun, een dier of dieren van iets 
verjagen of weren; digëbahkeun. 

GÉBAJ, maar doorgaans ngagibaj, (van 
't haar, inz. van een vrouw, Tan een 
paardestaart, enz.) los neerhangen, (van 
behaarde rjjstsoorten enz.) lange haren 
hebben; verder (van een doek enz.) los 
af- of neerhangen. 

GËBAL, onderdanige dienaar of dienares 
(zie dalem I.). , 



180 



GEBANG— ÖEBLEö: 



QëBANQ, voll. tcmgkal gëbang, naam van 
•een palmboom die Ins. aan den zeekant 
gevonden wordt, waaierpalm. 

QËBAR, I. = gèbèr; zie ald. 

II. Lap katoen, sits of andere stof ter 
lengte van 8 of 4 ellen, baan (vgl. rfo»tt0); 
sagëöar, één lap van zoodanige lengte, één 
baan, enz.; gëgëbaran, 1. van dezelfde soort 
of qualiteit zjjn (laken, sits, enz.); 2. aan 
elkander verwant ztyn, verwanten zvjn. 

GËBËG, I., g. w.; toekang gëbëg, iemand 
met het verzorgen van een paard of van 
paarden belast; ngagëbëg, schoonmaken 
(een paard), gladmaken, wrtyven; verder: 
polsten, bruineeren; digëbëg. 

IL Werkw. tusschenw. voor: schrikken, 
opschrikken; gëbëg kaget ki Lahoeri, L. 
schrikte op; ngagëbëg, opschrikken, ont- 
stellen, van ontsteltenis beven; ngagëbëg 
reuwas, verschrikken, ontstellen; goemëbëg 
en gëgëbëgan, in een toestand van ont- 
steltenis verkeeren; ngagëbëgkeun, een 
angkloeng in schuddende beweging brengen ; 
digëbëgkeun. (Vgl. randjoeg.) 

GEBENQ, ngbr.; gegebeng, 1. = gagaber 
(zie gaber) ; 2. de vier scherpe kantjes van 
een etyutt-peul, die iets lel-achtigs hebben; 
gegebengan, 1. een lel of halskwab hebben; 
2. (van de djadt-peul) van zulke lelachtige 
kanten voorzien ztfn; katjang pandjang 
gegebengan, een verbl. uitdr., doelende op 
daradjat, zie ald. [katjang pandjang is = 
djadt; uit samentr. van djadt ontstaat djat 
en zoo komt men op daradjaf]. 

GëBëR, ngbr.; ngagëbër, heen en weer 
waaien (van een boom, door den wind); 
gigëbër, oorlel, het tipje van het oor; ook 
k. p. van tjeuli, het oor, de ooren; digëbèr- 
gëbër, bewaaid worden (z. a. met een hihid 
of waaier); ngagëbëran, be waaien, aan- 
waaien (b. v. vuur); dig&ëran; ngagëbër- 
keun, met iets waaien of waaiend heen 
en weer bewegen; digëbërkeun. 

GEBER, ngbr.; gegeber, lel (van een haan, 
vgl. gagaber); gegeber an, = gagaberan, 
halskwab van een rund; ngageberkeun, 
door de handen laten gaan (van koopwaar, 
s. a. sarongs, zakdoeken, enz.); digeberkeun, 

GËBE8, hard niezen (vgl. gëbri$); verder, 
maar dan meestal ngagëbeë, ss njëntak, 
snauwen, toesnauwen; gëgëbes, = sësëntak, 
aanh. tegen iemand snauwen. 

GEBES, = gëbis; zie ald. 

GËBID, overgroote dikke ooren of lippen 
hebben. P. (Zie ook gëbir I.) 

GËBING, lapje vleesch (ong. ter grootte 
van een hand); sagëbing, één zoodanig 
lapje, enz.; gëgëbing, sz gëgëbër, k. p. van 
#«uK, het oor, de ooren. 



GËBIR, I. s gebid; zie ald. 

IL (Z.-B.), = gimir; zie ald. 

GËBIS, maar doorgaans ngagëbit, mis- 
slaan (in dézen zin dat men iemand of 
iets raakt terwtyl men op iets anders 
doelde). P. Ygl. gebes en geubis. 

GËBJAQ, (van rijst) overal rflp ztfn; ook : 
overal aan 't oogsten z$Jn (van de .ryst). 

GËBJAR, glinster, lichtstraal; ngagëbjar, 
een glinster werpen, stralen, licht uit- 
stralen, schenen, lichten, glanzen, glin- 
steren, schitteren; verder: het opslaan 
van de oogen; (van 't gelaat) verhelderen, 
opklaren, vriendelijk (lachend) zien; (van 
't hart) opgewekt, vroohjk, glunder; 
goemëbjar, vrooltyk, opgewekt, er vriendelty k 
uitzien, opgewekt gestemd ztfn. (Ygl. bjar, 
gëbraj, enz.) 

GËBJAR-GËBJOER, zie gëbjoer. 

GËBJOER, maar meestal ngagëbjoer of 
goemëbjoer t = ngagëboer, vlammen, fonke- 
len, gloeien, blinken, schitteren; gëbjar- 
gëbjoer, schitteren van vele dingen, door 
elkander schitteren ; kagëbjoer-gëbjoer, weg- 
gespoeld worden door de golven (z. v. a. 
kasoeroengsoeroengkeun). 

GËBJOG, plank in of van een wand of 
beschot (staande, en uitsluitend van de 
bewanding); ook: een huis met houten 
wanden, planken huis, voll. imah (of boemi) 
gëbjog; dxgëhjog, met planken beschoten 
worden. 

GÉBLAG, ngbr.; ngagëblag, omgevallen 
ztfn, tegen den grond liggen (b. v. een muur 
of wand); verder: wyd openstaan (van een 
deur); tigëblag, omvallen (een mensen, een 
wand, enz.); ook = roedjoek, met iets in- 
stemmen, bevallen; ngagëblagkeun, (een 
deur, enz.) openstooten, openwerpen; 
digëblagkeun. 

QËBLAG-GËBLIG, zie gëblig. 

GË&LAS (vgl. bias), doorloopend, open, 
geen beletsel vinden, niets ztfn dat den 
doortocht verspert, open zjjn van hetgeen 
te voren toe was (b. v. een pagër); 
sagëblasna, ronduit-, rechtuit-, zonder 
omwegen spreken; ngagëblas f vrijuit 
(spreken); ngagëblaakeun, doorslaan (open- 
maken), een beletsel dat den doortocht 
verspert verwijderen, ronduit ergens mede 
voor den dag komen (inz. in dézen zin 
dat hetgeen vroeger verzwegen was, nu 
ook wordt medegedeeld), de geheele waar- 
heid zeggen, niets verzwegen, zich geheel 
en onbewimpeld uitspreken; gëblaskeun 
boe, zeg het maar ronduit; digëblaskeun. 

GËBLÉQ, I. uitgeperste soeoek, eoeoek- 
koek, hjnkoek. (Vgl. boengktt.) 

II. Z. v. a. boeroeng, zot, dwaas, gek. 



GEBLEG— GEBRIG. 



181 



GËBLEQ, hulptelw. om platte voor- 
werpen te tellen (b. v. stukken buik en 
geldstukken), stuk, stuks; verder: geld- 
stuk, tablet; sagëbleg, één stuk, enz.; 
ngagëbleg, een gëbleg vormen, d. i. plat 
ztyn; gëblegan, in platte stukken ztyn; ook: 
plaat van metaal; beusi gëblegan, plaatyzer. 

GÊBLIG, stampend loopen; gëblag-gëblig, 
idem, aanhoudend. 

QËBLOEQ (vgl.bloeg), werkw. tusschenw. 
voor: van de hand doen, verkoopen, voll. 
gëbloeg didjoewal; verder : nederploffen (van 
iets dat bty het vallen een dof geluid 
geeft, b. v. een kokosnoot); in meer alge- 
meenen zin: op den grond ploffen, ter 
aarde storten, van het paard vallen, enz.; 
ook: kloppen (z. a. op een matras); ting- 
garëbloeg, neerploffen (van vele dingen). 

QËBLOE8, hetzelfde als gëbroes. 

QËBLOQ, I. ong. = kajoeh, stuk katoen 
of andere stof van een bepaalde lengte; 
ook: hoeveelheid tabak van 20 lempeng'8 
(zie bako); sagëblog laken, een stuk (of rol) 
laken; ngagëblog, met een breed en plat 
voorwerp op het water slaan (b. v. om 
de via oh op te dry ven). 

II. (Indr.), naam van een gebak van 
këtan met daarop geraspte klapper en 
gepofte katjang idjo {katjang hedjo). 

GËBOEG, g. w.; ngagëboeg, slaan (inz. 
met een stok, roede of een zweep); overdr. : 
tuchtigen, kastijden; digëboeg; ngagëboegan t 
aanhoudend zoo slaan; digëboeg an; - page- 
boeg, aanstekende-, besmettelijke ziekte, 
plaag, epidemie, pest (vg\, sasalad); - pang- 
gëboeg, roede (om mee te slaan), tucht- 
roede ; - pigëboeg (Z.-B .), werktuig bestaande 
uit drie boomstammen, om een tijger, als 
bJty gaat rukken aan geplaatst lokaas, 
daaronder te verpletteren. 

GËBOER, het flikkeren; gëboer-gëboer, 
al maar flikkeren; ngagëboer, opvlammen, 
glimmen, opflikkeren (van een vuur), 
flikkeren (z. a. een rood vaandel in de 
zon), fonkelen, schitteren, blinken (b. v. 
de tanden, edelgesteenten, paardetuig, 
wapens, enz.); tinggalëboer, flikkeren, 
glimmen, blinken (van vele dingen). 

GEBOET, werkw. tusschenw. voor: val- 
len, neerstorten, afstorten, wegwerpen, 
van de hand doen, verkoopen, verkwan- 
selen. (Vgl. gamplëng.) 

GËBOQ, 1. stukken pisangstam [waarvan 
men drie gebruikt om een doode er op 
te leggen voor de wassching]; zie ook 
ioengkoe. 

II Naam van een fjarangka (zie ald.) 
van de grootste in gebruik zjtynde afmeting 
(tjarangka panggëdena). 



III. (Z.B.) een hoeveelheid garen van 
10 kiriwil of ëntel; zie ald. 

GEBOJ, naam van een wtfs by gamelan 
en tan dak; ngageboj, heupwiegend loopen; 
ook gezegd van dieren die wat slap van 
lenden z\jn. 

GÉBOS, het ultgolven (geblaas) van rook 
of stoom (b. v. by een locomotief); ngagëbos, 
rook, stoom of vuur van zich uitlaten, 
blazen tegen; ook: toesnauwen (z. v. a. 
ngahaok en njëntak); digëbos; kagëbos. 

GEBOT, g. w.; ngagëbot, slaan, kletsen; 
inz.: waschgoed, om het schoon te kragen, 
slaan op een steen of stuk hout; ook: 
8oeoek slaan met een stok om de schil 
te verwijderen; ngagëbot samak, met een 
mat ergens op slaan [wat pamali heet, 
matak dihakan boehaja]; digëbot. 

GëBRAG, klanknab. van slaan, stampen 
met den voet, of kloppen (b. v. op een 
mat); ook: het uitslaan of uitkloppen 
(b. v. van wandluizen uit een liggende 
mat); verder: alle of allen te geljjk; 
mariksa mak» djeung gëbrag, ondervragen 
met vreesaanjaging (om de waarheid er 
uit te krijgen); ngagëbrag t iemand ergens 
tegen innemen, van iets afkeerig maken, 
afschrikken; digëbrag; kagëbrag, bang ge- 
maakt (b.v. voor een plaats waar een ziekte 
heerscht), ten gevolge van schrikaaojaging 
vervaard, afgeschrikt; ook: kabawa kana 
djalan salah, d. i. medegevoerd op den 
slechten weg, verleid; ngagëbragan, paloe- 
poeh uitkloppen (buiten), b v. om wand* 
luizen er uit te verwijderen; digëbragan, 
(Vgl. gébrig.) 

GÉBRAG-GËBROEG, zie gëbroeg. 

GËBRAH, diep doordringen (de houw 
van een scherp wapen, of een houw 
treffende op een zachte plek), een diepe 
en breede kloof maken; ook: in ééns 
doorhakken. 

GËBRAJ (vgl. braj en gëbjar), licht worden, 
naar binnen stralen (z. a. wanneer men 
een venster opent), lichten, schtynen; 
ngagëbraj, idem. 

GÉBRAS-GËBRI8, zie gëbris. 

GëBRëQ (vgl. gëbëg IL); ngagëbrëg, schud- 
den, in schudding ztyn; (van regen) aanh. 
neder vallen; ook: in menigte voorhanden 
zjjn; sagëbrëgan, één schudding, één aan- 
pak (inz. door velen); ngagëbrëgkeun, iets 
forsch of met veel handen aanpakken (op- 
dat het spoedig gereed zjj): digëbrëgkeun. 

GËBRET, ngbr.; hoedjan ngagëbret, wolk- 
breuk, 

GËBRIQ, g. w. ; ngagëbrig, laten schrikken, 
iemand den schrik op het lyf jagen, aan 
het schrikken maken; verder: verjagen, 



182 



GEBRIS-GEDE. 



wegjagen (door met den voet te stampen 
en te schreeuwen); digëbrig; kagèHrig, 
verjaagd, verdreven; andjing galak digë- 
brigan, een kwaden hond aanhitsen, 
sprkw. toot: zfln meester, ais he boos 
is, tot grooter toorn prikkelen. (Vgl. 
g&rag.) 

QÊBRI8, nab. van 't geluid van niezen, 
het brieschen van een paard, en derg.; 
ook: steeds .is" antwoorden (uit onwillig- 
heid); gëgëbrie, idem; gëbrae-gëbria, maar 
meer goebros-gëbris, op bitsen toon tegen 
iemand spreken, bits antwoorden (b. v. 
als men van iets beticht wordt) en zich 
dan toornig verwijderen, te keer gaan, 
opspelen (b v. een vrouw, als haar man 
er een tweede vrouw b{| nam of wil 
nemen; vgl. djëbras-djëbrie). 

GËRRO (vgl. 6ro.), ngbr.; ngagëbro, neer- 
ploffen, neerstorten. 

GÉBROEG (vgl. broeg), werkw. tusschenw. 
voor: vallen, storten, iemand op 't ïyf 
vallen, haastig in de armen klemmen [doch 
in de beide laatste gevallen beter gabroeg]; 
als gezegde: vallen, ploffen (in het water 
of op den grond); gëbrag-gëbroeg, of goebrag- 
gëbroeg, met de voeten stampen, te keer 
gaan, hevig aangaan (van een boos mensch , 
vooral van een booze vrouw); ngagëbroeg, 
plompen (in het water), nederstorten (in 
een diepte); ngagëbroegkeun, doen ter aarde 
storten, doen neddrplompen (in het water, 
in een diepte); ook: (een deur) dichtgooien; 
digëbroegkeun; tigëbroeg, ter aarde of in 
een diepte storten, nederstorten, ineen- 
storten. (Vgl. gëbroes, enz.) 

GËBROEL (vgl. broet), afgaan, afvallen, 
afvliegen (b. v. een stuk dat men ergens 
van afknipte, veeren die van een vogel 
afgeschoten zyn, haar dat afgesneden is, 
enz.); gëbroelan, z. v. a. goendoekan, troep, 
zwerm, kudde; sagëbroelan, =s sa&leutan 
en eagoendoekan, een troep, een kudde. 

GËBROE8 (vgl. broes), werkw. tusschenw. 
voor: inwerpen, indoen, zich werpen in 
(b. v. in zee); Ogëbroes, = tikëljémploeng, 
in het' water storten; ngagëbroeekeun, 
iemand of iets storten in (b. v. in de zee); 
dig&roeskeun. (Vgl. goebroes.) 

GÊDAQ, schudden, bewegen, heen en 
weer schudden of zwaaien, zwiepen; ieu 
gedag gedag a$an, zich zelfs niet bewegen; 
ngagëdag, iets schudden, iets heen en weer 
bewegen; digëdag; hagëdag, geschud wor- 
den of raken (b. v. door den wind), aan- 
gestooten; kai hagëdag koe angin, een 
boom bewogen (alleen) door den wind, 
sprkw., getefcd van iemand die tot al wat 
aJg 4oet door anderen moet aangezet wor- 



den; ngagëdag gedag y iets aanhoudend 
schudden; ngagëdagkeun, iets heen en weer 
bewegen, iets schudden; digëdagkeun. 

QEDAQ, ngbr.; ngagëdag f omhoogslaan 
(van vuurvlammen), hard branden, woeden 
(van vuur). Vgl. goedag. 

GEDAG GËDIG, zie gëdig. 

GÊDAH, glas (de bekende harde, broze, 
doorschijnende stof); ook: van glas; laoet 
gëdah, glazen zee. 

GÉDANG, de vrucht, meer bekend onder 
den naam van papaja; tangkal gëdang, de 
boom dié deze vrucht draagt. 

GËDAR GËDOR, zie gëdor. 

GÉDE, 1. k., agëng 1., groot (van lichaam, 
nl. van den mensch); 2. k., agoeng 1., groot 
(in waardigheid, rang of derg.), aanzien- 
lek, voornaam (zie voorts agëngenagoeng);- 
verder: groot van omvang, gezet, dik, 
(een bamboe, een balk, het lichaam), wijd 
(een deur, een opening), sterk, krachtig 
(van den wind, van den regen); djalan 
gëde, de groote weg; tjai gëde, een groot 
water; sidèkah gëde, een groote maaltyd; 
bakti gëde, een groot geschenk; gëde angin, 
een groote (sterke) wind; gëde laicangna, 
wrjd is de deur; toeloengna gëde, groot is 
z{jne hulp; djaltna gëde, een voornaam 
mensch; soedagar gëde katjida, een zeer 
aanzienlek koopman ; - pare gëde, naam 
van een soort witte r$at; hoewi gëde, nasun 
van een aard vrucht; koneng gëde, een 
koneng-sooTt met dikken woitel; antanan 
gëde, naam van een antonan-soort; harang- 
gasah gëde, naam van een plant; - djang- 
koenggëde, lang en zwaarlijvig, zwaar- 
gebouwd; pondokgëde, kort en dik; - noe 
gëde, een groote, een voorname ; noe gëde- 
gëde, noe galëde, de grooten, de aanzien- 
leken; - gëder o, de grootte-, de -omvang 
ervan; verder: hei meest, vooral, bovenal, 
inzonderheid; gëdena wads, inzonderheid 
wekte het een weemoedige stemming; 
gëde-gëdena, op z^n allermeest; sagëde, zoo 
groot als, zoo dik als, zoo klein als; eagëde 
sasawi, zoo klein als een mosterdzaadje; 
eagëde tipoeng, zoo klein als een korreltje 
meel; gëdena eagëde goenoeng, zoo groot 
als een berg, van omvang gelijk een berg; 
ook z. v. a. ninggang, wat aangaat, wat 
betreft; eagëde kamt mah, m|j aangaande, 
als het me betrof; - goemëde, zich groot 
voordoen, zich voomaam aanstellen, ver- 
waand, hoogmoedig; goemëde hate, hoog- 
moedig enz.; - pagëgëde, (van een kind) 
op volwassen leeftyd komen (vgl. pakokolot 
be kolot)\ - gëgëden, groote, voorname, 
hooggeplaatste, opperste, gebieder; noe 
gëgëden, de grooten, de voornamen ; kagèden, 



GEDEBAG-GEDEBOEG— GEDJED. 



183 



toII. djcUma kagëden (Kad.), iemand die 
slechts voor het groote, het voorname, 
oog en hart heeft en het kleine niet acht; 
oelah kagëden, volgens P. z. v. a. oelabon, 
zie ald.; ngagëdean, (van den mensch) k., 
ngagëngan 1., grooter worden, in grootte 
toenemen, groeien, opwassen; verder 
(alléén 't k.-woord): grooter doen worden, 
doen toenemen, grootbrengen, opvoeden, 
verzorgen (ook van vee), aanwakkeren 
(van vuur); digëdean; ngagëdekeun, groot 
maken, grootbrengen, opkweeken (kinde- 
ren, vee, enz.), in sterke mate kweeken 
of hebben (b. v. timboeroe of achterdocht), 
bevorderen, tot macht en aanzien brengen, 
verheffen, verheerlijken; teu ngagëdekeun 
anak y geen kinderen hebben grootgebracht; 
digëdekeun; hagëdean, grootheid. 

GËDÉBAG GËDËBOEG, zie gëdëboeg. 

GÊDËBËQ, 1. = gëdëboeg; 2. = këtjëboek, 
zie ald. 

GËDËBOEG, ter aarde storten (b.v. iemand 
die door een wapen doodeltyk getroffen 
is; ook: tegenaanvallen; gèrëgës- gëdëboeg % 
z. v. a. roesoeh, hals over kop (b. v. ver- 
trekken of reizen); ngagëdëboeg, omvallen, 
tegen den grond vallen; gëgëdëboegan, zich 
om en om werpen (van iemand die ligt), 
zich aanhoudend van de eene zyde op de 
andere werpen; gëdëbag-gëdëboeg, zich ge- 
durig van de eene ztyde op de andere 
werpen; tigëdëboeg t afvallen, afrollen, neder- 
rollen, tegen den grond slaan, van een 
hoogte naar beneden storten, afstor- 
ten, in een diepte storten; ngagëdëboeg- 
keun maneh, zich tegen (op) den grond 
werpen. 

QËDËBOES, verkl.met djalmagëde bohong, 
iemand die bedreven is in 't liegen. 

GËDËBONG, I. naam van een grooten 
heester (kleinen boom), voll. tangkal 
gëdëbong. 

II. (Kad.) de bast van de pisangstruik 
[gebezigd voor verzending van levende 
planten, vruchten en vischj. 

GË0ËBROE8, ngbr ; tigëdëbroes, = tigëbroes 
(zie gëbroes), ergens instorten. 

GËDËG, I. benaming gegeven aan twee 
moentjang-noten die, na tegen elkander 
geklopt te ztyn, beide nog in hun geheel 
ztyn; verder: gelijk van kracht, even sterk 
(b. v. vechtenden). 

II. Ngagëdëg, = 't meer gebr. ngagoedoeg 
(zie goedoeg), branden, opvlammen; nga- 
gëgëdèg, of ngagëdèg-gëdëg, aanh. branden, 
hevig opvlammen. 

QËOEG, een pagër of heining waarvan 
de bamboelatten in een schuinsche rich- 
ting door elkander gestoken worden; ook 



(vgl. garogot): groote (hooge) heining, 
palissade, perk. 

GEDEG, = godëg, met het hoofd schud- 
den van neen; ook van een vlieger: den 
kop aanhoudend heen en weer schudden; 
gegcdeg, schudden van neen; gedeg-gedeg, 
aanh. met het hoofd van neen schudden. 
(Vgl. gegebeg.) 

GËDËGËS, = 't meer gebr. gërëgës ; zie 
gëdëboeg. 

QEOENG, I. een rijstbos van twee potjong, 
Vaoo tjaeng \ sagedeng, één gedeng, enz. 
[Wanneer de rijst bij bossen verhandeld 
wordt, dan vormen 200 bossen één tjaeng- 
gedeng ea dan wegen de bossen 5—8 fcoü's» 
maar 6 komt hot meeste voor. Wordt de 
rijst bij het gewicht verhandeld, dan is 
één tjaeng kati = 1000 kati, ~ 10 datjin of 
pikoel. In dit geval wegen de bossen meest 
7 of 8 kati, maar ook wel meer. Moet de 
huur voor een sawah in bossen worden 
voldaan, dan moeten die bossen meestal 
7 kati wegen. In Z.-B. weegt een gedeng 
gemiddeld 10 kati; zie kait II.] 

II. L. van gtgtr, zijde, ter zijde ;0wfcn0«un, 
ter zijde van; gegedeng, = pëpëdëk, 1. van 
goegoeling, rolkussen; pagedeng-gedeng, aan 
elkanders zijde, zij aan zij; gegedengan 
(eig. zty aan zij), met zijn beiden (iets) uit- 
maken; ngagedengkeun, ter zijde van zich 
hebben, naast zich hebben, naast of nevens 
iemand doen zijn of plaatsen; digedengkeun, 
naast (iemand) geplaatst worden. 

GÉDËR, ngbr.; goemëdër, trillen, beven; 
ook: ruischen (van vele stemmen); nga- 
gëdër, ruischen (van stemmen, hetzij door 
spreken, weenen, juichen of joelen ver- 
oorzaakt, of ook wel van het aanhoudend 
roffelen van de bëdoeg);ngagëdër sotoarana, 
hunne stemmen joelden, maakten getier. 
(Vgl. gidir.) 

GEDER, ong = gidir en kèder y verschrikt, 
versaagd, kleinmoedig. 

GËDËBOEG, bet bonzen ergens op; ngo- 
gëdëroeg, op iets (b. v. een deur) bonzen; 
ook (sterker dan këtrok): met geraas of 
bonzend neerstorten; ti loehoer ragrag nga- 
gëdëroeg, hij stortte bonzend van boven 
neer; digëdëroeg, op gebonsd worden; 
digëdëroeg-gëdëroeg, aanh. op gebonsd 
worden. 

GËDIQ, zich met een poot tegen het ltyf 
slaan (van een paard); gödag-gëdig, hard 
loopen en te gelijk met de armen slaan; 
digëdig, van een paard: (door den berijder) 
met de voeten in de ztyde gestooten wor- 
den, het paard de sporen geven. 

GËDJËO, niet loopen kunnen (van iemand 
wiens beenen omwonden zijn). 



184 



GEDJLAGr-GrEDJLIGr--GEGEL. 



GËDJLAG GÉDJLIG, zie gëdjlig. 

GËOJLAQ-GËDJLOG, zie gëdjlog. 

GËDJLIG, af- en tevens wegspringen; 
ook: stampen met den roet; gëgédjlig, 
aanh. met den voet stampen (van boos- 
heid); ngagëdjlig t af- en tevens wegspringen, 
zich wegpakken, zich uit de voeten maken; 
gëdjlag gëdjlig, nü hoog dan laag stappen 
(van iemand die op een hobbel ach Lig pad 
gaat), nü met den eenen dan met den 
anderen voet stampen (van ongeduld, ver- 
veling, aandoening, enz.), voll. gëdjlag- 
gëdjlig koe soekoe. (Vgl. gëdjlog.) 

GËDJLOG, verkl. met nintjak loehoer- 
Handapan, loopen (in werkelijkheid of 
voor ztfn gevoel) op een hobbelachtigen 
(buffel) weg; gëdjlag-gëdjlog, nü hoog dan 
laag stappen (van iemand die op een 
hobbelachtig pad gaat). Vgl. gëdjlig. 

QëDJOEL, z. v. a. gelo, zot, mal, dwaas, 
onnoozel, gek; ook: onzinnig. 

QËDJOS, I. = djo8 t werk. tusschenw. 
voor : insteken, instooten. (Vgl. gëtjos.) 

II. Ong. = koden (zie kodi), namaak, 
valsch. B. 

QËDJRET, = tjeret, spatten (van iets 
dat valt), breken terwfll de inhoud rechts 
en links spat; ngagëdjret, vocht werpen 
of uitwerpen in iemands nabtyheid (ten 
einde hem daarmede te laten bespatten); 
digëdjrei, gezegd van den persoon dien 
men alsoo doet. 

QËDOEK, nab. van een dof geluid, veroor- 
zaakt door het slaan b.v. tegen een boom- 
wortel {tjanir) of op een voorwerp dat 
met iets zachts overdekt is; verder: 
ergens tegen s tooien of stompen ;Hgëdoek, 
zich stooten (b. ▼. tegen een deur); kagëdoek, 
(zonder opzet) gestooten of aangestooten 
worden of ztfn (b. v. tegen den arm). 

GëDOER, I. het fel branden; ngagëdoer, 
iel branden (van vuur of van een odor of 
flambouw); hoeroeng ngagëdoer, fonkelen, 
schitteren (b. v. de oogen). 

IL Bonzen op een deur; ngagëdoer, idem, 
(maar met den bepaalden wil om het te 
doen); digëdoor, (van een deur) op gebonsd 
worden. 

QEDOG, schudden, bewegen, zich be- 
wegen, wankelen, bewogen worden (b.v. 
een troon); goeati mooi gedog pangkon, 
uw schoot (troon) zal niet wankelen; 
ngagedog maneh, zich schudden, ook in 
den zin van: itfn gedaante afschudden, 
zich ontdoen van ztyn lichaam [en iets 
anders worden]; ngmgedogkeun, heen en 
weer schudden (b. v. een maat); digo&og- 
*wro. (Vgl. gedag.) 

GËDOGAN, 1. benaming van de groote 



stukken hout die het Inl. weeftoestel 
vormen {vgl. pakara); voll. gëdogan pani- 
noenan; - 2. paardenstal. 

GËDONQ, groot huls, heerenhuis; in 
het algem. benaming van alle gebouwen 
van eenig aanzien, vooral die welke door 
Europeanen bewoond worden; in het 
btyz. nog van een gebouw, dat hier 
en daar bjj de regentswoning staat, en 
bestemd is tot het logeeren van gasten 
en het geven van feesten (vgl. goedang); 
in Z.-B. verder die ztfde van een muntstuk, 
waarop het wapen gestempeld is [de 
andere zflde heet tjaioang]; - katjang gëdong, 
naam van een peulsoort; manggah (of 
boewah) gëdong, naam van een der fijnste 
manggah-Boorten. 

QÉDOR (vgl. dor), het tegen iets stompen; 
ngagêdor, met iets hard ergens tegen 
stompen of kloppen (b. v. met een steen 
tegen een boom om vogels te verjagen); 
digëdor; ngagêdor-gëdor, aanh. zoo kloppen; 
digëdor-gëdor; gëdargëdor, kloppen en slaan 
(z. a. btJ het inóónzetten van een huis), 
gebeuk, gebons; ngagëdoran, aanhoudend 
kloppen op (b. v. op de deur); digëdoran; 
ngagëdor-gëdorkeun, (met iets) gedurig 
eigens tegen kloppen of stompen; digëdor* 
gëdorkeun. 

GEGEBEQ, het hoofd ontkennend schud- 
den, schudden van neen. (Vgl. godëg en 
gedeg.) 

QëGëBëL (Z.-B.), naam van een zeevisch. 

QËGËBËR, zie gëbër. 

GËQËOEN, zie gëde. 

GËGËDOEG, verkl. met poerah marentak, 
oudste, opperste, voorganger, aanvoerder, 
bevelhebber, vorst; in 't algem. iemand 
aan wien (het opperste) toezicht of be- 
stuur ergens over is opgedragen; kagëgë- 
doegan, 1. onder een gëgëdoeg staan; 2. het 
gebied van een gëgëdoeg. 

GËGËDOG, op iets met de vuist slaan 
(om gedruisch te maken). 

GËQËDROG, = gëgëdog. (Vgl. këiok en 
këtrok.) 

QËQËK, met klein gewas en onkruid 
begroeid, wildernis, sterk of geheel be- 
groeid met boomen, planten enz., een 
r$jke vegetatie; (van een stad of land) 
met menschen en huizen gevuld, goed 
bezet, dicht bevolkt. 

GËGËL, ong. ss owël t met ztyn hart aan 
Iets vastzitten of verkleeid ztyn, dierbaar 
achten, gehecht zfln aan; teu gëgë% niet 
gehecht zQn aan; ngagëgëlan, iets of iemand 
(b. r. een bediende) in waarde honden, 
niet willen missen, enz.; digëgëlan; kagë- 
gëlan, 1. ss kahtgëtan, zich iemand herin- 



GEGEL— GELANG. 



185 



neren, aan iemand met genegenheid 
denken; 2. iets dat men ter gedachtenis 
of herinnering aan iemand geeft of zendt, 
wat men iemand geeft of toezendt als 
bltjk dat men ztyner gedenkt, bewijs van 
gehechtheid ; ook: geschenk bij de geboorte 
ran een kind (inz. een lap katoen). 

GEGEL, bijten, het bijten; ngagegel 
(doorgaans samengetr. tot ngegel, van den 
mensen k., ngalandép L), in den mond of den 
bek dragen, btften, in iets bijten; njyoem bari 
ngegel, kussen en bijten, overdr. (van een 
reinzaard) met achoone woord en tot iemand 
komen, maar daaronder een slechte be- 
doeling verbergen; digegel; kagegel, bty 
ongeluk gebeten; ngagegelan, of ngegclan, 
herhaaldelijk aan of op iets bijten, door 
knagen van de buitenste schil ontdoen, 
knagen op, af knagen; digegelan. 

GÉGËM, de onbepaalde breedte van een 
vuist (vgl. gënggëm); sagëgëm, één vuist 
breedte, enz. 

QÈGÉMBOENQ, k. p. van beuteung, buik. 

GEGEMPA, uitgeperste soeoek. (Vgl. 
gëblëy en boengkil) 

GÈGËNDIR, een lange en dikke stok, 
knuppel; ook: knots. 

QEGEP, nijptang, buigtang, pincet; hoen- 
toe geg*p, greep van een nijptang 

GËGËPLAK, naam van een lekkernij 
vervaardigd van rijstmeel met suiker, 
meestal vermengd met geraspt klapper- 
vleesch. [Men geeft aan deze gebakjes 
doorgaans den vorm van ean scheef hoekig 
parallelogram of van een ruit.] 

GËQËR, verkl. met toengtoêng soesoeri 
koeda, dat wat tegen den nek van het 
paard zit, het punt waar de manen 
eindigen; ook dat punt van den nek bij 
andere dieren; verder: ruggestreng, rug- 
gegraat (P.); bovendien: bergrug, voll. 
gëgër goenoeng. 

GËGË8, g.w.; ngagëgës, aan iets knagen; 
ook: met een mes of ander scherp voor- 
werp over iets zagen om er een gat in te 
maken (b.v. in blik of in een planken 
beschot); ngagëgës pikir, aan het gemoed 
knagen, 'het gemoed verderven (b.v. van 
den nijd); digëgëa. 

GëQëT, I.schietwormpje,mJJt; ook: mot; 
ngagëgët, knagen; verder: een vogel van den 
tongriem snijden (om hem te leeren praten); 
ngagëgëtan, aanh. knagen; digëgëtan. 

QËGÈTOEK, naam van een zekere lek- 
kernij [gerooste satnpm, gestampt en 
vermengd met geraspte klapper en zout]. 

QEHENQ, aangebrand, geschroeid, ge- 
zengd (door vuur of door een gloeiend 
ijzer), verschroeid. 



QEHGER, in opschudding-, in roer komen 
of zijn (een stad, een land, een leger, enz.); 
verder: opschudding, beroering; gehgeran, 
= 't Bataviasche lata, iemand (een vrouw) 
die men kan laten doen of zeggen wat 
men wil (een soort zenuwzwakte); 
kagehgeran, in opschudding geraken of 
geraakt; ngagehgerkeun, in beroering of 
opschudding brengen; digehgerkeun. 

GEJE, z. v. a. kërëp, dicht opeen (b. v. 
geplant), tegen elkander aan, dicht op 
elkander (zonder ofbtfna zonder tusachen- 
r uimte; pageje-geje> dicht op elkander (staan 
of geplant zijn). 

GÉJËR (vgl. goetfoer), ngbr.; ngagëjër, 
aanhoudend vallen (van regen), plas- 
regenen; kagèjër, aanhoudend beregend 
raken; ook: meegesleurd (B.). 

GEJONG. draaien (b. v. een vrouw met 
haar achterlichaam); ngagejong, iets heen 
en weer bewegen (b. v. een rooster met 
visch er op) boven het vuur; digejong. 
(Vgl. gcOejong, gojang en gijoeng.) 

GEJOT, slingeren ; geget-gejot, idem, aan- 
houdend; goejat-gejot, heen en weer slin- 
geren, in slingerende beweging zijn, 
schudden (b. v. de billen); - gejotan, het 
voorwerp waarmede men slingert; ook: een 
bamboezen voorwerp (soort rooster) waarop 
gebakken visch is gelegd en dat boven 
het vuur heen en weer bewogen wordt; 
verder: vracht die aan een draagstok door 
meerdere personen gedragen wordt, = 
gotongan [met dit verschil, dat bij gejotan 
het voorwerp, hetwelk gedragen wordt, 
niet vast tegen de rantjatan sluit, maar 
eenigszins vrijgelaten is, waardoor een 
slingerende beweging mogelijk is]. 

GEK k., rampoejoek 1., werk w tUBsenenw. 
voor: gaan zitten, zich nederzetten; ook 
g. w.: ga zitten I 

QËKGÈK, verkl. met seuri laoen balëm, 
binnensmonds lachen, in zijn vuistje 
lachen. F. 

GëL, werkw. tusschenw. voor pëgat, 
breken. 

GÈLAK GËLIK, nab. van het geluid van 
den heulang of kiekendief, = kèlak-këlik 
(zie këlik); ook: eenzaam ztyn, alléén zijn 
(vgl. Qoenggëlik). 

GELANG, I. {vg\.geulang\ alleen in tèpoeng- 
gelang , een eikel, een kring, cirkeirond 
ook: een kring vormen, geheel om (iets) 
heen zijn. 

II. Hetzelfde als galang II. 

GELANG, I. naam van een plant, de 
Inlandsche postelein; ook djoekoet gelang 
genoemd. 

II. Ngagelang, = ngagisik^ over elkander 



186 



GELAP— GELENDENG. 



wreven (b. v. de handen); ook: iets tus- 
schen de handen wreven; dtgelang djeung, 
dooreenge wreven worden met; panggelang 
êoeoek, zie soeoek. 

QËLAP, I. ong. = geledeg, onweer, bliksem, 
donder (vgl. gilap); sada gëlap, donderslag; 
aowarana tjara gëlap, met donderende stem ; 
hoentoe gëlap, luchtsteen. 

II. Mal., smokkelen; lampah gëlap, smok- 
kelarfl; milampah 0tfap,smokkelary plegen; 
madat gëlap, gesmokkeld opium. 

GëLAR, zichtbaar, voor allen openbaar 
zyn, bestaan, zyn, leven (in de wereld); 
hgagëlar, voor het oog bloot liggen (b. v. 
goederen die onbedekt ergens zyn neer- 
gezet of neergelegd), in het openbaar zyn, 
voor elk zichtbaar zyn, liggen, aanwezig 
zyn; goemélar, leven (in de wereld, van 
menschen); atoet goemëlar di boemi, lang 
leven op de aarde; noe goemëlar, wat in 
de wereld leeft, wat zich in de wereld 
beweegt; ngagëlarkeun, het aan zyn geven, 
doen bestaan, in de wereld doen zyn; 
ook =. ngadjoeroeheun, baren ;digëlarkeun; 
gélaran (6. p.), = toetoeran (zie toetoer); 
pagëlaran, huis op het vooreif (vooral van 
de regenten, ton het houden van vergade- 
ringen), vergaderzaal, vergaderlokaal; 
magëlaran, vergadering houden. 

QËLA8, het Holl. glas; 1. = gëdah, glas 
(in 'talg.); 2. =s loemoer, drinkglas. 

QéLëBËQ, een padati of voertuig met 
wielen uit één houtschyf gemaakt, tot 
vervoer van boomen en derg., mallejan; 
ook: affuit; by de Bad.: schyf van laban- 
hout op de styien der rystschuren (ten 
einde aan de muizen het binnenklimmen 
te beletten); ngagèlëbëgan, iets op een gëlèbëg 
plaatsen om het te vervoeien (b. v. een 
kanon); digëlëbëgan. 

QËLËBËR (vgl. bër), werkw. tusschenw. 
voor: vliegen, aan komen vliegen of weg- 
vliegen. 

QËLËBOEQ, het hard waaien; ngagëlë- 
boeg, hard waaien, bulderen, loeien, stor- 
men (van den wind). 

QËLËBOER, = galëb&er, zie gëboer. 

QëlèDËQ, het geruisen van een nade- 
renden regen, het gesis van een brand, 
enz.; ook: werkw. tusschenw. voor: hard 
loopen (gëlëdëg loempat); als toeroep: 
handig 1 spoedig! ngagëkdëg, met haast 
heengaan, met spoed vet trekken ; ook : zich 
snel verspreiden (van een vuur); leuweung 
gëlédëgan, = leuweung kakaïan, groot bosch; 
djalan gëlédëgan, = djalan gëde, de groote 
weg. 

QELEOEO, knetterende donderslag, ratel- 
slag; ngagoeroeh $ora geledeg, een gedruisch 



als van den ratelenden donder ;p4li geledeg, 
een groote kist op wieltjes, tot bewaring 
van goederen en geldswaarde. (Vgl. goe- 
loedoeg) 

GËLËOOEG, het donderend of bulderend 
geluid van geschut, brekende golven, hagel, 
regen, enz; tinggëlëdoeg, idem (van vele 
dingen); tigëlëdoeg, — tigëdëboeg, zie gëdëboeg. 

GËLËQËR, klanknab. van snorken; ook: 
bulderen (b. v. van geschut); ngagëlègër, 
snorken: gëgëlëgëran, voll. kerekgëgëlëgëran, 
al maar snorken, aanhoudend snorken; 
goemëlëgër, snorken, brullen; ook = soe- 
soembar, snoeven. 9 

GELEHE, ngbr.; ngagelehe, = njangkere, 
op zyde liggen (met de beenen uitgestrekt 
en den arm onder het hoofd); gegelehean, 
idem, aanhoudend. 

GËLËJËR, werkw. tusschenw. voor: zich 
in oeweging zetten (b. v. een spoortrein), 
vooruitgaan, vooruitschieten ; in het alg. = 
madjoe, voortgaan. 

GËLËK. ngbr.; ngagëlëk, z.v.&.ngarogrog, 
alles te hoop loopen en zich om iemand 
of iets heenscharen (b. v. om hem nauw- 
keurig op te nemen); ngagëlëk baris, in 
een dichten drom oprukken; digëlëk, aan- of 
voortgedreven worden (van een of van 
velen, en zoowel van men schen als dieren); 
ook: doorgespoeld worden, met water of 
anderen drank door de keel gespoeld wor- 
den; digèlëk-gëlëk, met grooten spoed gedaan 
worden; pagéUk, o f pagëlékgëlëk,v ei kl met 
silih-stred en pada mor o ka noeheurtn,<i.i, 
elkaar voortduwen (b. v. van een zich 
voorwaarts bewegenden drom menschen); 
ngagëlëkkeun diri kana katjilakadn, zich 
moedwillig in onheil begeven (of storten). 

GËLËMËNG, ngbr.; ngagèlëmëng, slechts 
den uitwendigen vorm van iets kunnen 
waarnemen, iets niet duideiyk kunnen 
zien (b. v. de maan, als zy door wolken 
bedekt is). Ygl. rëmëng. 

GËLËMPËNQ, = leundjenr, stuk, stuks 
(van reepen waschzeep, staven tfzer of 
gagala, bamboestokken, enz.; sagëlëmpëng, 
één stuk, één reep, enz. 

GËLËMPONQ, ngbr. ; ngagëlëmpong, alleen 
in ngagëlëmpong koneng, een lichtgele huid- 
kleur hebben. (Vgl. omjang en sijangj 

GËLËNDËNG (vgl. gëndëng), het pruttelen ; 
ngagëlëndëng, morren, mopperen, pruttelen, 
by zichzelven of binnensmonds murm uree- 
ren; ook: foeteren (vgl. koemapang en gërën- 
déng); digëlëndéng, beknord worden; gëgëlën- 
dëng, aanh. pruttelen, mopperen, murmu- 
reeren; tinggëlëndèng, (van velen) tegen 
elkander, of onder elkander, of te zamen 
tegen iemand morren of mopperen. 



GELENDOENG— GELONG. 



187 



GËLËNDOENQ, (van een vallend voorwerp) 
een doffen klank geven; patinggëléndoevg, 
(van vele dingen) met doffe slagen neder' 
vallen (b. v. steenen). Vgl. gëlëndroeng. 

GËLËNDOET, ngbr.; ngagëlëndoet, verkl. 
met dipapatahan loba, iemand vermaning 
op vermaning toedienen ; digêlëndoet. 

GËLËNDROENG, het klank geven; nga- 
gëlëndroeng, klank geven (van een nol 
voorwerp, als men er op slaat), = ngën» 
troeng; brommen. 

GËLËNQ (Z.-B.), = këlëng; ngagëlëng, = 
ngëlêng, zie këlëng. 

GELENG, alleen in ekek geleng, naam van 
een ekek soort; ngageleng, (intransitief) 
omdraaien (van een wiel of rad), rvjden 
over (iets of iemand, vgl. rindës); digeleng ; 
kageleng, aangereden, overreden (door oen 
voertuig, b$j ongeluk); digeleng geleng, 
gewreven worden (inz. een kind om het 
in slaap te maken); galang-gdeng, zich 
om en om draaien (b. v. iemand die ligt 
en met lieden ter weerszijden spreekt); 
gegelengan, nederliggen (b. v. op eon bank 
of op den grond); ngagareleng, = miringkil, 
krinkelen. 

GËLËNGGËNG, ngbr. ; ngagëlënggëng, verkl. 
met ngotjorna pantjoeran gëde, (van een 
pantjoeran) een dikken straal water uit- 
werpen. 

GELENJE, z. v. a. bëger, speelsch, wulpsch; 
verder: een jongen die aan een meisje-, 
een meisje dat aan een jongen het hof 
maakt. 

GËLËNJOE, ngbr.; ngagëlènjoe, = moet, 
glimlachen. 

GELENTER, ngbr.; ngagelenter t iets, losjes 
uitgespreid, in de zon drogen (b. v. rrjst); 
digelenter. 

GËLËNTJËNG, = poiong, stuk, in tweeen; 
ook: plotseling of schielijk doodblijven 
(b. v. een dier dat door den bliksem ge- 
troffen is); oagëlèntjëng, — sapotong, één 
stuk; düilas gëlëntjëng, in tweeön gespleten 
worden of zijn. 

GELENTJENG, ngbr.; yegelentjengan, be- 
weeglijk zijn, in voortdurende beweging 
zQn (b. v. de tong). 

GËLËSËR, ngbr.; ngagëlësër, gaan of 
kruipen (van een slang, een aal en derg. 
gedierte); van een dier met pooten z.v.a. 
soékoe dikarajapkeun, schuifelen; van een 
mensen: sloften, met sleepvoeten loopen. 

QtLËTASQËLËIIS, ong. = gëlik-gëlik, 
zachtjes spreken. 

GËLËTËK, 1. ong. = kërëtëg, gevoelen; 
nja koemaha gëlëtëk manah prxbadi, zooals 
uw eigen gevoelen is. 

II. Klanknab. van beweging of geluid; 



gëlëtëk-gëlëtëk, zich na elkander laten 
hooren (b. v. van muziekinstrumenten). 

GËLËTOEK, nab. van het geluid van 
een op iets vallenden steen, z.v.a.: bonst 
ook: met het hoofd ergens tegen bonzen» 
in het alg. : het vallen of bonzen van 
iets hards op of tegen iets hards; koemaha 
gëlëtoek batoe këljëboer tjaina bae, d. w. z. 
koemaha mangkena boe of koemaha behna 
bae t zooals het uitvalt. 

GËLÈTOK, nab. van het geluid van 
kluiven (ergens op). 

GËLËWEH, = lalawora, onachtzaam, 
onnadenkend, iets licht opvatten. 

GELEWENG, ngbr.; Ugeleweng, over de 
zvjdo van iets aftuimelen; galawang-gele- 
weng, niet vast zitten, heen en weer wag- 
gelen (inz. van iemand die te paard zit). 

GËLIK GËLIK, zachtjes spreken \goemëlik- 
gëlik, grienen. 

GËLO (vgl. gelo), g. w.; ngagëlo, te verg. 
met ngolo (zie oio), beloven maar niet 
doen, iemand met kwade bedoeling tot 
iets pogen te verleiden, iemand bedotten, 
bepraten, bedriegen, om den tuin leiden, 
misleiden; digëlo; kagèlo, gefopt, bedot, 
bedrogen, misleid, vei leid jpan^Zo, middel 
om te verleiden, verleiding. 

GELO, zot, mal, dwaas, onnoozel, dol, 
gek, uitzinnig (vgl. edan, boeroeng, enz. 
[gelo, zoo zegt wen: teu matak ng ar oeksak y 
edan wel]; si gelo, jou gek, die onzinnige; 
gegtloan, zich gek of dol aanstellen (b. v. 
een dronken mensch); ngagegelo, iemand 
voor den mal houden (vgl. bodo) ; digegelo ; 
matak ngagelokeun, zot*, dwaas maken; 
kageloan, onzinnigheid, zotheid, dolheid. 

GËLOENG k., sanggoel 1., knoop waarin 
het haar in of boven den nek, of bij man* 
nen op het achterhoofd, wordt o pge bonden, 
haarwrong, kapsel (vgl. poetri, ponggok, 
enz.); ook: de omgekrulde kant van een 
katjapi, enz.; njalindoeng ka gëloeng, onder 
de haarwrong schuilen; sprkw., verkl. 
met awewena beunghar, salakina malarat, 
d. i. de vrouw rrjk, de man arm (rn.a.w.: 
een man die van zvjn vrouw leeft); digë- 
loeng, zich een knoop in het haar leggen, 
zich kappen; ngagëloengan, een ander het 
haar opmaken; digëloengan. (VgL galing.) 

GÊLOER, = goler, liggen. P. 

GËLOET, vechten, worstelen (vgl. goelëi); 
ngadoe gëlott, kamp vechten, worstelstrjjd; 
gëgëloetan, ravotten, bakkeleien; ngagë- 
loetan, iemand te lijf gaan, met iemand 
gaan vechten (maar lain geloei saënjana); 
digëloetan. 

GËLONQ, ngbr.; ngagëlong, een groot stuk 
(brok) inslikken; digilong\ kagëlong, btj 



188 



GELOR-GEMOEH* 



ongeluk een groot stuk (brok) inslikken 
dat vervolgens in de keel bljjft zitten, 
zieh verslikken, een brok in de keel 
nebben. 

GËLOR, on?. r= karoöh, begeerig, heb- 
zuchtig; inz. begeerig naar de bezitting 
van minderen. 

GËMAH, volkrijk, volkrtfkheid. (Vgl. 
gimoeh.) 

QEMBANQ, ngbr.; ngagembang, iemand 
aftrekken van zfln werk, iemand vanden 
goeden wng afbrengen, iemand van het 
goede aftrekken, misleiden, verleiden; 
gembangan, gedurig het werk laten rusten, 
gedurig zich met andere dingen dan met ztyn 
werk bezighouden, ongedurig; ook: licht 
af te tiekken of te verleiden; digembang, 
afgetrokken worden, misleid-, verleid 
worden; kagentbang, van ztyn werk of van 
den goeden weg afgetrokken raken of 
geraakt. 

GEMBEL (Z.-B.), voll. ëmbe gembel, = 
domba, schaap. 

GËMBËNQ, ngbr.; ngagëmbèngan, (van 
insecten) over iets of iemand zoemen. 

GËMBES, = 't meer gebr. kasoer. 

GËMBIR (Z.-B.), hetzelfde als gébir. 

GËMBJOENG, reizende bedelaars (dik- 
wtfls blinden), die door het geven van 
primitieve muziek op rëbana of byola, 
waarbtf zfl zingen, aan den kost trachten 
te komen. P. 

GËMBL.OENG, opgeblazen, opgezet (van 
den buik), een dikken buik hebben; ook 
scheldw., z. v. a. *l gëde beuteung, dikbuik. 

GËMBLONG, I. (Soem.), = bmggol, het 
2^ centsstuk; gëgëmblong, naam van een 
soort klein gebak. 

II. G. w.: smtft neer lof tegen een wasch- 
man: sla 't (op den steen) 1 ngagëmblong, 
z. v. a. ngabantingkeun, iets (b. v. wasch- 
goed) tegen iets (in den regel tegen een 
steen) slaan om het schoon te kragen; 
digémblong. 

GEMBLONQ, ngbr.; ngagëmblong, voll. 
ngagëmblong hedjo, mooi in het gioen 
staan. 

QËMBOEL, nog niet verzadigd, meer ver- 
langen, gulzig, vratig, schrokken; ook: 
een gulzigaard. * 

GEMBOL, het iets met zich dragen in 
een doek; ngagembol, iets in een doek over 
den schouder met zich dragen, maar ook 
wel in ruimer zin: dragen, medevoeren» 
ëndol ngagembol, gantjang pintjang, laat 
't langzaam gaan, zoo men slechts wat 
met zich draagt, wie snel loopt wordt 
licht kreupel, sprkw., = ons: langzaam 
gaat zeker; digembd^ in een doek over 



den schouder met zich gedragen worden; 
kagembol, zóó medegedragen; in ruimer 
zin = kabawa, medegevoerd; gembolan, 
bundel. 

GËMBONQ, voll. awi gëmbong, naam van 
een bamboesoort, ong. = de tamjfang [zjj 
wordt voor blaasroeren en derg. doeleinden 
gebruikt]. Vgl. gombong. 

GËMBOR, zacht, beursch (van een vrucht 
die gevallen of waarop geslagen is, en 
wel op de plek waarop z\j gevallen of 
geslagen is); tjaoe gëmbor, naam van een 
pisangsoort. 

GËMBRANQ, het rinkelen, gerinkel; 
ngagëmbrang, rinkelen (van glas of borden) ; 
ook: op de trom slaan; galëmbrang, rinkin- 
ken. (Vgl. brangbrang en gémbrong II.) 

GÉMBRENG, omroepersbekken (doch in 
dit geval beter bende); verder: cimbaal 
(twee stuks); ngagêmbreng, iemand die zich 
heeft schuldig gemaakt aan overspel, op 
bespottelijke wflze uitdossen en vervolgens 
rondvoeren, hetztf te voet, hetzij achterste 
voren op een paard gezeten, om hem of 
haar aan de verachting over te geven 
[oude rechtspleging]; digëmbreng. (Vgl. 
deungkleung II.) 

GEMBRENQ, = ginding, pronken, ijdel 
ztyn in kieeding of bewegingen; ngagêm- 
breng, idem. 

GËMBROE, een dikken buik hebben (van 
kleine menschen en dieren); ook: een kleine 
dikke vent, dik manneke. (Vgl. gëm- 
bloeng.) 

GËMBROENG, ngbr.; ngagëmbroeng, = 
ngagoeroeh, een sterk gedruisch geven of 
maken. 

GÉMBRONG, I. nab. van het geluid ver* 
oorzaakt door het breken van aarden voor- 
werpen, en ook wel in 't algemeen van 
breekbare waar. 

II. Ngagëmbrong, in grooten getale iets 
doen, bt) menigten ergens te samen-, in- 
of op ztyn (b. v. vliegen op een kreng), 
zwermen, omzwermen. 

GËMËS, met tyver zoeken of trachten 
om een mensen ot dier kwaad te doen, 
iemands ongeluk wenschen of zoeken. 

QëMëT, = imeut, nauwkeurig, met aan- 
dacht, oplettend, met attentie, naarstig, 
accuraat (b. v. naar iets zoeken, naar iets 
hooren, iets nagaan of iets onderzoeken); 
dipariksa digëmëtan, nauwkeurig onder- 
vraagd worden ; ngagëmëtkeun, iets nauw- 
keurig nagaan; digémètkeun kalakoeanana, 
ztyn gedrag werd nauwkeurig nagegaan. 

GËMI, spaarzaam, zuinig; ook: iets zorg- 
vuldig voor zich houden. 

GËMOEH, levendig, welvarend, bloeiend 



GEMOEK— GENDES. 



189 



en volkrijk (van een stad of land). Vgl. 
gëtnah en hardja. 

QËMOEK, vettig, vet zijn; verder: smeer, 
vet; tevens: mest {v$Lgadjih en berak); ook 
wel: zwaarlijvig, corpulent (doch deze 
beteekenls Is eig. Mal.; zie lintoeh enmon- 
tok)\ ngagëmoeky de as van een voertuig 
enz. smeren; verder: mesten, bemesten; 
digëmoek; ngagëmoekan, mest om (een plant) 
leggen, bemesten; digëmoekan;panggëmoekt 
mest8pecie v mest. 

GËMPAL, dik, ruw, gezwollen, hard (van 
de huid). 

QËMPAR, nederliggen (op den grond of 
op bedden, van zieken of dooden, en altijd 
in het meervoud); pagalëmpar, idem; 
ngagèmparkeun, doen nederliggen, neder- 
leggen (van zieken of dooden); digëmpar- 
keun. [De vorm galémpar komt voor, maar 
ten onrechte, omdat gëmpar reeds meer* 
voudig is.] 

GËMPEL, g. w.; ngagëmpel, te velde 
staande rij9t afsnijden onder de aar (didji- 
jeun heutjak boe), inz. omdat het gewas 
tegen den grond ligt, de halmen gebroken 
zijn en de gewone wtfze van samenbinden 
niet kan gevolgd worden; digémpel. 

QËMPËNG, ngbr.; ngagëmpêng, ong. = 
ngagalëng, d. i. den vorm hebben van een 
galëng of amca/i- dijkje, er als een galëng 
uitzien, dikke limpels op het lichaam 
hebben (b. v. ten gevolge van stokslagen); 
ook van aderen of spieren: zich boven de 
oppervlekte verheffen ngagëmpéngkeun, 
aan iets (aarde, gras enz.) den vorm van 
een galëng geven; digëmpëngkeun. 

GEMPLEK, veel op een hoop, veel btf 
elkander (z. a. vruchten aan een boom, 
b. v. kalapa), in elkander zitten, in de 
war zitten (van het haar); ook — meuh- 
peuj, rijk beladen. (Vgl. gomplok.) 

QËMPOENQ, doch meestal gëmpoengan, 
zich verzamelen, vergaderen, bijeenkomen, 
samenkomen, vergaderd zijn, bijeen zijn; 
ook: vergadering, samenzijn. 

GËMPOER (vgl. jpo*r),neergehakt, geveld, 
vernield, verdelgd, verdaan, uitgeroeid 
[het stamw. wordt zelden gebruikt]; 
ngagëmpoer, neerhakken, vellen (van een 
boom of geboomte), uitroeien, verdelgen, 
doen vergaan (een stad, een bevolking, 
een enkel persoon, een ding); digëmpoer. 
(Vgl. toempoer.) 

QËMPOL (eig. Jav.), naam van een 
lekkernij van meel met kokosmelk, tot 
ballen gekneed. 

QEMPOR, = kempor, lam in de onderste 
ledematen. 

GËN, werkw. tusschenw. voor; zetten 



op of in een gat of plaats waar het 
voorwerp (b.v. een pot of theepot) gewoon- 
lijk staat; gën ditanggërkeun, hy zette het 
overeind. (Vgl. tagën.) 

GËNAH, = ngeunah, aangenaam, rustig, 
gerust, op zyn gemak zijn, tevreden, 
weltevreden, zonder zorg, genoeglijk, 
goedsmoeds, enz.; gënah pikir (of hate), 
schik of genoegen hebben, goeden moed 
hebben, weltevreden zijn; ngagënahkeun, 
iemands gemoed rustig maken, stillen; digë- 
nahtoun-, kagënahan, gerustheid, genot, ge- 
noegen, aangenaamheid, em.;mang8akagë- 
nahan, tijd des welbehagens \kagëgënahan % 
aan een aangenaam gevoel-, aan gerustheid 
of zorgeloosheid toegeven, zich aan een 
genoeglijk gevoel overgeven. 

GËNDAM, middel tot betoo vering; nga- 
gëndam, overreden, overhalen, aandraven 
(tot iets), prikkelen; verder: betooveren, be- 
goochelen, vervoeren, misleiden, verleiden; 
digëndam; kagëndam, betooverd, misleid, 
bekoord, vervoerd, verleid; kagëndam koe 
aft, betooverd door een ring; ngagöndaman, 
iemand bepraten, trachten te overreden, 
verleiden; digëndaman; panggëndam, ver- 
leidend voorstel, middel der verleiding, 
bet oo vering, verleiding. 

GËNDANG, = 't meer gebr. këndang, een 
langwerpige trom. 

GËNDËNG, voll. koetoekgëndëng, prut- 
telen, grommen, klagen; ngagëndëng, = 
koekoeloetoes (zie koeloetoes), pruttelen, 
morren; ook: op iemand knorren of prut- 
telen; digëndëng; gëgëndèng, een klein 
boschje {roengkoen)\ ngagëgëndéng, bijeen- 
staan, verzameld staan. (Vgl. gêlèndéng.) 

GENDENG, g. wv ngagendeng, zich naast 
iemand plaatsen of voegen (vgl. gedeng) ; 
digendeng koe kawasaning Pangeran, ver* 
gezeld (bijgestaan) worden door de kracht 
des Heeren. 

GËNDER, I. zwachtel, verband ergens 
om (vgl. laha); ngagënder, verbinden, 
zwachtelen (van hetgeen gebroken, stuk, 
van elkander af is); digënder, verbonden-, 
vastgebonden-, omwikkeld worden; nga- 
gënderan, om binden, omzwachtelen, om- 
winden; digënderen. 

II. Doorstiksel (van een matras, een 
kussen en derg.); ngagënder, dóórstikken ; 
digëndsr. 

III. Naam van een muziekinstrument als 
de kelenengan. [Het wordt bij de gamelan, 
maar ook wel op zichzelf gebruikt.] 

GËNDËS, ngbr.; ngagëndës, te druk de 
bladeren of vruchten van een boom of 
plant plukken [waardoor die plant wordt 
benadeeld]; digëndëe. 



190 



GENDÏNG— ÖENGGEM. 



GËNDING, 1. gonggieter; - 2. naam van 
een melodie of wtfs op de gamelan. 

0ÈNDI8 (Jav.), suiker. (Vgl. goela.) 

OENDJAH, = kawara, spoedig vrucht- 
gevende, vroegrflp, kort te velde staande; 
pare gendjah, een vroegrijpe rrjstsoort; 
kalapa gendjah, een vroegrijpe kokos soort; 
kawoeng gendjah, een vroegrijpe kawoeng- 
soort. (Zie ook saer I.) 

QENDJANQ, g. w.; ngagendjang, iemand 
aan weerskanten vasthouden (b. v. een 
gevangene); ook = ngaping, aan weers- 
zijden van iemand zijn of gaan (b. v. van 
iemand die te paard zit) om hem te 
ondersteunen; digendjang. 

GËNDJE, een soort hennep [de bladeren 
worden na fijngesneden te zijn (disiksik) 
in tabak gerookt, of ook wel fijngewreven 
{dirijeus), met water vermengd en dan 
doorgezegen (disaring), waarna hot sap 
met een drank wordt vermengd [het 
gebruik brengt, evenals opium, bedwel- 
ming te weeg] ; toeureu gëndje, door gêndje 
bedwelmd. 

GËNDJËR, drilboor. 

GENDJES, naam van een waterplant 
die als lalab gegeten wordt; ook etjeng 
walanda geheeten. 

GËNOJIL, ngbr.; ngagëndjü, een harde 
plek, bonk of knobbel vormen. 

GENDJLONQ, in beweging komen, zich 
bewegen (b. v. de aarde bij een aardbeving); 
verder: schudden, slingeren, wankelen, 
waggelen (de aarde, de wereld, de zee, enz.). 

GËNOJOT (vgl. djoi)y ngbr. ; ngagëndjot, een 
snellen ruk aan iets doen, een snellen duw 
aan iets geven (om het te doen voortgaan); 
digëndjot. 

GËNDJRENG, 1. verkl. met beusi ninggang 
beusi deui, kletteren, ratelen; ook wel: 
ritselen; verder: gekletter, wapengekletter; 
tinggatëndjreng, idem (van vele wapens of 
metalen voorwerpen; ook gebezigd van 
het geruisen of geritsel van neerdalende 
nymphen. - 2. Naam van een lagoe rong- 
geng of zangwtjs van de publieke danse- 
ressen (een këtoek tüoe lagoe, B ). 

GËNDOE, komt alleen voor in samenst. 
met saoer, rosa en raos (zie deze woor- 
den); ngagëndoekeun, in Z.-B. = ngadoekeun, 
zie adoe (P.). 

GËNDOEK, ngbr.; ngagèndoék, opzetten, 
opzwellen, een opzetting of zwelling vor- 
men, uitzetten, een verhevenheid vormen 
(b. v. een gezwel of de borsten eener 
vrouw); ngagëndoek-gëndoek, zich opblazen, 
„zich dik maken" (van iemand die boos 
ia). Vgl goendoek. 

GËNDOEL, I. de zoogen. moenijang lalaki 



of enkelvoudige tnoerUjang-pit, (Vgl. 
dampa.) 

II. = boeroeng, dwaas, zot, onverstandig. 

III. (Soem.), = botol, flesch. 
GËNDOENQ, ngbr.; goemëndoeng, (van 

vruchten) dauw op zich hebben, be- 
dauwd. P. 

QËNDOET (Kad.), = boerajoet, groot van 
omvang (inz. van den buik eener zwan- 
gere vrouw of van een pak dat iemand 
draagt). 

GENDOJ, ngbr.; ngagendoj, — ngagandoj; 
zie gandoj. 

GËNDOL, = ëndol, langzaam (nl. gaan 
of loopen). 

QENDOL, = gembol; ngagendol, iets in 
een bundel met zich dragen (hetzij in de 
hand, over den schouder gehangen of hoe 
dan ook); digendol. 

GËN0ONG, zekere lagoe bij 't rtjststampen; 
gëndongan, voll. nitir gëndongan, alarm- 
Hlaan op het rtjstblok (P.); ook =r toetoeng- 
goelan, zie ioenggoel. 

GENDONG, ong. = ëlang, de twee groote 
manden met kramertjen van een mars- 
kramer; ook, maar voll. toekang gendong, 
marskramer (die met zulke manden vent); 
ngadjoewal djaroem ka gendong, naalden 
ver k o open aan een marskramer, sprkw., 
verkl. met moal bisa ngabobodo ka noe 
pintër, men kan een verstandig mensoh 
niet bedotten; ngagendong, iets op den 
rug in een doek dragen (vgl. gandong); 
digendong. 

GËNËP (vgl. ganëp), zes; gënëpan, deze», 
zes stuks, zestal; kagënëp, de (het) zesde. 

GENGGE, schelletje, belletjes (z. a. van 
een kat of om de enkels van een kind), 
bellen, rinkel, rinkelbel (vgl. gënia en 
gengseng); parfja gengge, naam van een 
pa r#a soort met kleine vruchten; koepa 
gengge, naam van een fcocpa-soort; tawo 
gengge, naam van een satoo-soort; katjang 
gengge, een soort aardnoot; digenggean, 
van bellen voorzien worden of z$Jn, aan 
iets bellen doen. 

GENGGEHEK, naam van een riviervisch. 

GENGQELE ib. p), = tjelegedeg en gek.?. 

GENQQELEK (6. p.) t hetzelfde als genggele. 

GËNQGËM (vgl. gëgëm), greep, handvol; 
8agënggëm, = èakeupeul, één greep, één 
handvol, enz.; ngagènggëm, in de gesloten 
hand of vuist houden of klemmen, met 
de vuist omklemd houden; ook: een kind 
vertroetelen, het in alles ztyn zin geven; 
digënggëm; kayënggëm, iets in zijn hand 
hebben, vasthebben, met de hand omklemd 
houden, in zijn macht hebben; kaaaküan 
reudjeung kawaraean hanteu kagënggëm 



GENGGERONG— GENTRA. 



191 



koe maneh, ziekte en gezondheid hebt gft 
niet in uwe hand (macht). 

GËNGGËRONG, = tikoro k., ténggërokan 
1., het keelgat, de strot, de keel of hals; 
njanggakeun gënggërong, ztfn keel ter be- 
schikking stellen (om straf te ontvangen). 

QENGGONQ, grond die aan de opper- 
vlakte droog, maar onder den bodem week 
en drassig is, zoodat men, er op tredende, 
er in zakt ; verder : schudden, bewegen (b. v. 
een huis bty een aardbeving); ook: naam 
van een gamëlan-wi$a\ rantja genggong,eeii 
rantja met weeken ondergrond. (Vgl, 
ginggeung.) 

GENG80R, hurkend voortgaan (in ge- 
zelschap van meerderen). 

GËNI (Jav., 8kr. agni), vuur (vgl. seuneu); 
naraka gëni, het helsche vuur; hantoegëni, 
vuurspook; walang gent, zie sangit\gëgëni, 
= 8idoeroe (zie doeroe); pagënen (Z.-B.), plek 
waar men gewoon is het erfvuil te ver- 
branden. 

GÉNJAJ, het glinsteren; ngagënjaj, glin- 
steren, schitteren. (Vgl. njaj, ënjaj, enz.) 

GËNJA8, ngbr.; ngagënjas, helder, door- 
schijnend (van water), glinsteren (b.v. 
gladde bladeren). 

GENJENG, ngbr.; garo-genjeng, = garo- 
ganfang, zie ganjang. P. 

GËNJËNJËNQ, werkw. tusschenw. voor: 
aanpakken en meenemen; gënjënjèng boe 
dibawa, hy pakte het aan en nam het mee. 

QÉNTA (Skr.ghanta) bel, schel, klokje, de 
bellen om den hals van een kat, een olifant, 
enz. (vgl. gengge); ook de bel van een 
padaii of kar; ngagëniadn, aan iemand of 
iets een bel of bellen hangen; digëntadn. 

GÉNTAK, g.w.: haast jet spoedig Igëntak- 
gëntak, g. w.: haast je zeer! ngagëntak, 
forsch aanpakken, gevoelig beetpakken, 
rukken aan; verder: met haast doen (b.v. 
opzien, spreken, enz.), haast maken, met 
iets voortmaken, met kracht stroomen; 
ook: in ééns (b v. breken, van een schip 
enz.), met een ruk, met kracht; pinga- 
gëntakeun, er haast mede zullen maken; 
digèntak, met haast-, met kracht aange- 
pakt worden, enz.; kagëntak, gehaast, 
overhaast; ngagëntak-gëntak, haasten, aan- 
sporen, voortjakkeren; teu beunangdigëntak- 
gëntak, men kan er zich niet mede haasten; 
ngagëntakkeun, in eens inhouden (b. v. een 
paard); verder : met iets haast maken, haast 
aohter iets zetten, spoedig gereedmaken 
of doen, enz.; ook: aanzetten, aandraven; 
digëniakkeuru 

GENTEN, ngbr.; ngagëntenan, ong. = 
ngagantian, tydeltjk de plaats van een 
ander innemen, voor iemand die ripoeh 



is een oogenblik den last dragen, voor 
iemand invallen, enz. 

GËNTENG, I. smal of dun in het midden, 
hol, uitgehold (z.a. door slijtage, b.v. een 
me»); ook: het smalle of dunne gedeelte 
van iets; soekoe gënteng, het enkelgedeelte; 
soekoe gënteng bëlokeun, een ootmoedige 
uitdr. voor: ik steek u myn voeten toe om 
ze in het blok te sluiten ; sato gënteng, klein 
gedierte, inz. insecten ; gënteng koe kadekna, 
lëgokkoe tapakna, reuntas koe polahna, smal 
door eigen houwen, uitgehold door eigen 
voetspoor, omvallen door eigen handeling, 
sprkw. voor: zich door eigen stieken in 
het ongeluk hebben gestort; - gëgëntengt 
engte, nauwte (b. v. in een waterweg), 
smalle opening, het dunne (smalle) van 
een boom of van een lepel, smalle uitloop 
van een berg, versmalling, landengte. 

II. Dial. voor kènteng, dakpan. 

GENTENG, (van een hond, maar ook wel 
van een ander dier) het in den kop bfyten 
van een anderen hond, enz.; ngagenieng, 
met den bek een anderen hond enz. bty 
den kop te pakken hebben; silik-genteng, 
(van honden enz) elkaar met dn bek bJJ 
den kop hebben. 

GÉNTËR (vgl. gër) t geruisen, gedruisch 
(inz. van door elkander sprekende stem- 
men); gëntër ngaharewoskeun, velen fluister- 
den er onder elkander over.{Vgl.goentoer.) 

GÈNTI, hetzelfde als ganti; silih-gënti, 
elkander afwisselen of vervangen, om de 
beurt doen. (Men zegt ook piligënti.) 

GËNTJAJ, ngbr.; ngagëntjaj (Z.-B.), = 
ngagëntjlang, zie gëntjlang. P. 

GENTJËLEK, in bossen b\j een zit ten (van 
vruchten), in een verwarde bos of bossen 
zitten (van iemands hoofdhaar). Vgl. 
gemplek. 

GËNTJET, g. w.; ngagëntjet, vast ver- 
binden, nauw aaneensluiten, samendruk- 
ken, samenpersen (van goederen, b.v. in 
balen), uitdrukken, dtingen, verdringen* 
ook : „iemand het vuur na aan de schenen 
leggen"; digëntjet, 

GËNTJLANG, ngbr. ; ngagëntjlang, branden 
(van een lamp en derg.), schenen, lichten. 

GËNTONG, een groot aarden watervat 
(met een hals; vgl. boejoeng). 

GËNTOR, het brommen; ngagëntor, knor- 
ren, brommen; digëntor. 

GENTOR, werkw. tusschenw. voor: kussen, 
omhelzen; ngagaUntor, = njijoeman (zie 
Vijoem), aanh. kussen; digalentor. 

GËNT08, 1. van ganti en gènti; zie ganti. 

GËNTRA, 1. van sowara en van sorat 
geluid, stem; ngagëntra, geluid geven 
roepen; ngagëntradn, een stem totiemaad 



192 



GENTRANG— GEREK. 



richten, iemand roepen, toeroepen, aan- 
roepen; digëntra&n, aangeroepen-, toe* 
geroepen worden. 

GËNTRANQ, ngbr. ; ngagèntrang, nab. van 
't geluid van het Inl. weefgetouw. P. 

GËP, werkw. tusschenw.: 1. = gap, zie 
ald.; 2. voor omarmen. P. 

GËPAK GËPOEK, zie gépoek. 

GËPËK, ngbr.; atah-gëpëk, een scheld w., 
ong. = atahadol, zie adoL 

GÉPENQ, plat, dun (b. v. een visch); 
ngagëpengan, afplatten; digëpengan; nga- 
gëpengkeun, plat of platter maken, pletten; 
digëpengkeun. (Vgl. gepeng.) 

GEPENG, plat, dun (van voorwerpen in 
't algemeen). Vgl. gepeng. 

GËPJAK, op levend! gen-, opgeruimden 
toon spreken (b. v. tot zfln gasten), door 
spraakzaamheid hen met wie mensamen 
is vermaken, opgeruimd-, gezellig-, aange- 
naam-, onderhoudend zjjn. (Vgl. garapjak.) 

GÉPLOEK (vgl. ploek), nab. van het 
geluid van iets dat valt : plof; ngagëploek, 
neerploffen, vallen. 

GÉPOEK, een klop met gereedschap op 
hout; gëpak-gëpoek, kloppen en slaan \nga~ 
geposte, 1. kloppen (op hout); 2. = mekprek, 
stukslaan, fijnkloppen; 8. = matjoel, den 
grond omwerken met de patjoel;ngagëpoek 
sirah, iemand de hersens inslaan ;digëpoek, 
stukgeslagen worden, enz. 

GËPOK, ngbr.; sagëpok, ding dat uit 
twee helften bestaat, twee bty elkander 
behoorende dingen (b. v. de beide stukken 
kuit van een visch); ook: een pak pëpëtasan 
of vuurwerk; kagëpok, 1. = kapmpeuh, ge- 
slagen (van iets waartegen iemand aan- 
slaat); 2. tot één gemaakt, aaneenverbon- 
den, aaneengehecht; 8. = kabawa en 
katarik, medegevoerd, In iets betrokken 
raken of geraakt (b. v. in een recht- 
zaak). 

GEPOR, ngbr.; ngagepor y op den grond 
zitten. 

GËPRAK (vgl. prak), werkw. tUBSchenw. 
voor: treffen, samen treffen, op elkander 
stooten; verder: ontmoeting, gevecht; 
gèprak neunggarna, zty stietten elkander 
of op elkander; sagëprakan, één treffen; 
sagëprakan mafte bëdit, bfl een (»t eerste) 
treffen konden ze van hun geweren ge- 
bruik maken, ééns konden ze hun geweren 
afvuren (meer kruit en lood hadden ze niet). 

GËPROEK, het kletteren van wapens, 
het treffen of handgemeen worden van 
stadenden, het neervallen of zich neer- 
zetten van een vogel die niet hoog vliegen 
kan en nagezet wordt (b.v. depwjoeft). 

GËPROK (vgl. gëprak), treffen, samen- 



treffen (van tegenpartijen), aanval; sage» 
prokan, één samentreffen, één aanval. 

GËR ( werkw. tusschenw. voor iets dat 
met gedruisch, geruisen of rumoer gepaard 
gaat; gér përang, daar ontbrandde de 
strijd; gër hoedjan, daar viel een stort* 
regen; gër seuseurian, men brak uit in 
lachen; gër diseuseul, daarop werd hjj uit- 
gescholden; gër patjektjokan, er ontstond 
een twist, men geraakte in twist; goer-gër, 
het herhaalde van gër. (Vgl.dërengëntër.) 

GËRA-QËRO, zie gëro. 

GËRAH, = soeka, blrjgeestig, zich ver- 
heugen, verheugd zijn, blflde ztfn, lustig 
z)jn, jubelen. 

GËRANG GËROENG, zie gëroeng. 

QERE, g. w.; ngagere, een molkrekel 
(kasir) halen uit zijn gat; verder: kapok 
ontdoen van de zaadjes (B.); ook: iemand 
met iets in den neus of in de ooren 
peuteren, kittelen; digere; panggere, een 
gedraaid touwtje met menschenhaar eraan, 
om een kasir te vangen of te halen uit 
ztfn gat; verder in 't alg.: peuter, voor- 
werp om te kittelen; boeloe panggere, (van 
een vogel) pas korte veertjes hebben. 

GËRËBËG, ngbr.; ngagërëbëg» in menigte 
by elkander ztfn, in menigte tegenwoordig 
wezen, (van menschen of dieien) iemand 
omstuwen; digërêbëg, gezegd van iemand 
(b. v. een hoofd) die door een menigte 
omringd of omstuwd wordt. 

GËRËBONG, een boogvormige tent ergens 
over, een (met een tent) overdekt voertuig 
(hetzü draagbaar, kar of wagen); gëgërë- 
bongan, tent (b, v. over een afgesloten 
plek van een sampan of boot). 

GËRËDËG, het geluid of gedruisch „van 
een rollenden wagen; ngagërëdëg, rollen 
(van een wagen), voortrollen, voortsnellen, 
voorby snellen; digërëdëg teuing, iets te 
hard aanzetten, inz. te veel vuur onder 
iets doen. 

GËRËGËL, het gël klinkend geluid van 
het doorsneden der ry staren; ngagërëgël, 
(van een etem) rystaren afsnflden. P. 

GËRËQË8, ngbr. (vgl. gëgës en zie gëdë- 
boeg) ; gërëgëseun, het graveel heb ben ; wawa- 
toe gërtgëseun, graveelsteen, graveelgruis . 

GËRÊGËT, maar doorgaans gërëgëteun 
(vgl. gëgèt). ontstemd, vergramd, ntydig, 
boos; ook: woeden (in het binnenste, van 
drift); ngagërëgëtj nijdig worden, boos 
worden, vergrimmen; ngagërëgëtnapsoena, 
ztyn drift ontstak. 

GËRëJëK, stampvol (met menschen); 
di dapoer gërëjëk eusi-boemina, in de keuken 
was het vol dienstboden. 

GEREK, = kerek, snorken. P. 



GERELENG— GERGESI. 



193 



GERELENG (vgl. geltng), rollen, zich 
over den grond rollen (van langronde 
voorwerpen); ngagereleng, idem; ook: iets 
<b. v. een stuk bamboe) over den grond 
rollen; digereleng; gegerelmgan, heen en 
weer rollen, zich om en om wentelen op 
4en grond; ngagerelengkeun, iets over 
den grond rollen of voortrollen; digere- 
lengkeun. 

GËRËM, maar meestal ngagërëm, grom- 
men, brullen, brommen (van een dier, 
van de zee, van een berg, enz.); garam* 
<gërëm t aanh. of gedurig brullen of brommen; 
•gëgëtëman, al maar of aanhoudend brullen; 
ngagërëman, iemand aanbrommen; ook: 
tegen iemand geweld maken of tieren; 
digërëman. (Vgl. karëgëm.) 

GËRËMËT, I. ngbr.; ngagërëmët, over iets 
in ztyn binnenste nadenken (b. v. uit 
twjjfel aan de waarheid), met gedachten 
aangaande iets vervuld zjjn, twyfel aan- 
gaande iets koesteren. 

II. Oëgërëmëtan, zacht geruisen (in een 
bosch, wildernis of eenzaam oord); ook: 
-zachtjes spreken, in alle stilte doen; 
verder: klein gedierte, insecten; saroe- 
paning gëgërëmëtan, allerlei insecten. 

GÉRËNDAKA, z. v. a. karoesoehan, zie 
roesoeh. 

QERENDEL, het Holl. grendel; idem. 

GËRËNDËNG, het spreken in een aan- 
grenzend vertrek [geltfk dat voor iemand 
•die zich er buiten bevindt wel hoorbaar 
maar moeiiyk te verstaan is, onderscheiden 
van gëUndëng, vgl. gëndëng en gërëndomg], 
in 't alg.: een doffe klank; ngagërëndëng, 
«dof klinken; tinggërëndëng, spreken [van 
velen op gezegde wyze gehoord); gëgërën- 
dèngan, de klank van het met elkander 
spreken (zooals in een aangrenzend 
vertrek). 

QËRËNDIL, verkl. met loba, veel en 
Telerlei; pikirna gërëndil, hjj dacht aan 
veel en velerlei. 

GËRËNDJAL-GËRËNDJIL. (vgl. gëndjil), 
veel harde plekken, kluiten, knobbels of 
bonken hebben. 

GËRËNDOENG, het hol klinken; ngagë- 
rëndoeng, luide maar onduidelijk, hol 
klinken (b. v. een stem van binnen uit 
een huis, uit een put, enz.). Vgl.gërëndëng. 

GËRÈNG, I. het grommen, gebrom; nga- 
gërëng, = ngagërëm (zie gërëm), grommen, 
brommen. (Vgl. gëroeng.) 

II. (Z.-B.), doorn van de doornbamboe. 
4Vgl. oeneuk.) 

GERENG8ENG, een plat-ronde koperen 
-kookpan, ook kekentjeng genoemd. 

QËRËNJIH, ngbr.; ngagërënjih, verkl. met 

SOWCIUIIIISCH-HOLL. WOOBDMTB. 



ngaririhan, aanhouden met vragen, om 
iets aanhouden. 

GERENTEL, kleine ronde dingetjes (b. v. 
schape- of gei tekeutela) ; ook: klein bal- 
letje, pil; oebar germiel, pil, pillen; gege- 
rentelan, klein en rond (van vele dingetjes). 
Vgl. goeroentoel. 

GËRËNTË8, iets btf zichzelven hebben 
voorgenomen; geus aja gërëntës katboe t (ik) 
had reeds bjj my zei ven voorgenomen; 
verder: met een enkel woord iets aanduiden 
of over iets spreken, iets maar even op 
het tapöt brengen; ook: fluisterend praten, 
pruttelen; tinggërëntës, (van velen) onder 
elkander pruttelen of mompelen. 

GERESEL, = letek, werkw. tusschenw. 
voor: afzagen, doorsneden. 

GËRË8IL, ngbr.; ngagërësil, knagen, af- 
knagen (inz, door een muis). 

GËRËT, kerf, streep of schrap dwars over 
iets heen; ngagërët, een kerf, streep of 
groeve op (over) iets maken, kartelen; 
verder: afbakenen, afperken, iets bepalen, 
een bepaalde prfls of som vragen; digërëi; 
gëgërët, draad van een schroef; gërëtan, 
gekarteld; panggërët, (het tegenoverg.van 
palajoe) de breedte van een vlak of in 
't alg. van iets dat een oppervlakte heeft 
(b. v. een tuin, een huis, enz.); verder: 
balk die in de breedte van een huis op 
de stijlen gelegd wordt (eig. watës rovoa- 
ngan), dwarsbalk (vgl. pamikoel btf pikoel). 

GËRET, knarsen, knarpen (van een deur), 
het krassend geluid van een scherp voor- 
werp op iets hards (b. v. by het trekken 
van een streep); ngagëret, krassen, HJnen 
ergens op- of inkrassen (b. v. op een lei); 
digërst. (Vgl. gerit.) 

GËRËTAK, verkl. met datang roesoeh, 
d. i. komen met haast; ngagërëtak, iemand 
onverhoeds of met haast beetpakken, 
met iets overvallen, tot iets haasten, 
iemand doen schrikken, verjagen; digërëiak 
ditjandak djeung dipariksa, hty pakte hem 
onverhoeds beet en ondervroeg hem. 

GERETJEK, verkl. met akoean, aanhalig, 
voorkomend, vriendelijk. 

GËRËWËL, het gevoel als iets langs ons 
heen gaat, een lichte aandoening; ngagë- 
rëwël f langs de hand of den voet gaan 
(van een visch in het water); tinggërëtcël, 
idem (van vele visschen). 

GËRËWONQ (vgl. gorowong) % wfld gapen 
(z. a. een kuil of spelonk); ngagërëwong, 
een wjjde opening vormen, diep in- 
loopen. 

GËRGËSI, naam van een grooten mythi- 
schen vogel, de griffioen of grflpvogél, 
(Zie rok II.) 

18 



194 



GERIM— GESOET. 



QËRIM, benaming voor diverse stoffen, 
en wel everlast, lustre, damast, alpaca, 
en derg. 

GERING k., teu damang 1., onwel, onge- 
steld, ziek, krank, ïydend; gering hate of 
gering pikir, hartzeer; gëringan, gedurig 
ongesteld zrjn, ziekel\jk, sukkelen; nga- 
gëringkeun, ziek maken; digëringkeun; kagë- 
gëringan, ziek ztfn (van), van streek zrjn 
(van), zich iets aantrekken, kwenen; 
kagègëringan bawaning njadh, liefdeptyn, 
liefdesmart. (Vgl. garing, gëroeng en 
goreng.) 

GËRIP, ook kërep, het Holl. griffel; idem* 

GERIT (vgl. gëret) het gepiep der wielen 
van een padati, of het knerren van een 
deur op hare duimen, kraken; gëgërit 
(Z.-B.), naam van een zeevisch; pagërit, 
voll. kai pagërit, een paar houten, schuin 
over elkander, welke tegen elkander 
schuiven en geluid geven als ze door den 
wind worden bewogen; ngagërit, piepen, 
knerren, knarsen. 

GERMANI, het Holl. Germanié, Duitsch ; 
tanah Qermani, Duitschland; oerang Qer- 
man», Duitscher; basa Qermani, het 
Duitsch. 

GËRO, werkw. tusschenw. voor: roepen, 
uitroepen, schreeuwen; ook: schreeuw, 
roep ; gëro boe ngadëngek, hjj gaf een schree uw 
(of gil); ngagëro, = njëloek 1s..,ngagëntra\., 
roepen, uitroepen, schreeuwen ; tinggarëro, 
idem, (van velen); gëra-gëro, gedurig of 
aanhoudend roepen of schreeuwen; gëgë- 
roan, een geschreeuw aanheffen, zonder 
ophouden schreeuwen; ngagëroan, tegen 
iemand roepen, aanroepen, binnenroepen, 
iemand toeroepen of toeschreeuwen, bij- 
eenroepen; digëroan; silih-gëroan, tegen 
elkander roepen; ngagërokeun, iets uit- 
roepen, uitschreeuwen; digërokeun. 

QÉROEH, geruisen, gedruisch, iets met 
gedruisch doen (zóó dat het in 't oog 
valt); hanteu gëroeh, geen gerucht maken, 
geen ruchtbaarheid aan iets geven, in de 
stilte (doen), onhoorbaar; teu meunang 
gëroeh saeutik, volstrekt geen gedruisch 
(drukte) mogen maken. 

GÉROENG, grommen, brommen, stenen, 
kreunen, kermen, janken; ook: gebrom, ge- 
steen, enz,; ngagëroeng, brullen, brommen, 
luid kreunen, het uitbrullen \tinggarëroeng, 
idem (van velen); gërang-gërotng, telkens 
kermen, grommen, kreunen, janKen, enz.; 
gëgëroengan, aanh. kreunen, klagend geroep 
(2. a. van duiven), gekreun, gesteen, ge- 
klag; gëroenggëromgan, aanh. of gedurig 
kermen, enz.; kerek gëroenggëroengen, kla- 
gelflk of stenend snorken. 



GÉROE8. geglansd; verder: glanzen, 
glimmen (van een sarong, hoofddoek, enz.,, 
ten gevolge van het gepolijst zijn met 
een këwoek); ngagëroes, iets (een weefsel, 
leder enz.) met een këwoek polijsten, glan- 
zen, gladmaken, gladden; digëroes. 

GËRONG (Z-B.), algemeene benaming 
van eenige zeevischsoorten. 

GERONG, naam van zekere lagoe rong- 
geng (ron^eny-deuntjo) ; ngagerong, z. v. a. 
ngawih, neuriën. (Vgl. gëroeng.) 

GEROT, I. = kahot, sedert lang een 
betrekking waarnemen of waargenomen 
hebben, oud gediende, sinds lang iets 
doen of plegen (b. v. dieveqj), en in 
dezen zin z. v. a. bisa; verder: een 
echte-, doorknede , doortrapte-, geboren 
(dief enz.); siloeman gerot, een oude-, echte 
of geboren siloeman; gërotan, in iets gerot 
zijn; bangsat gërotan, een oude (echte, door- 
trapte) boosdoener; lëbe gërotan, een echte 
lëbe (dat is een die zrjn vak verstaat) 
leuweung gërotan, een oud bosch. 

II. Het kraken, van boomtakken, als z# 
door den wind over elkander schuren 
(vgl. gëret en gerit); ngagërot, (bij zoodanig 
schuren) kraken. 

GËRPOE (Z.-B.), naam van een zeevisch, 
ong. = de kakap. 

GË8. = dës, werkw. tusschenw. voor 
pinggës, breken. 

GÉ8AT-GÉ80ET, zie gësoet. 

GESEH, verschillen, niet gelijk, verschil- 
lend z$Jn, anders zrjn, afwijken; ook: af- 
wijking, verschil ; teu geseh, niet verschillen 
(b. v. een poitret van het origineel) ;ngage- 
sehkéun, iets van iets anders doen afwijken 
of verschillen; digesehkeun. 

GÉ8EK (Gal.), = gisik, g. w.; ngagësëk, 
tusschen de handen fijnwrrjvenjdtgrëséfc.P. 

GËSËL, = 't meer gebr. bërëg; zie ald. 

GESEL, ngbr.; ngagesel, = ngeureut, 
snjjden; digesel; digesel-gesel, aanh. met 
een stomp mes over iets gezaagd worden ; 
gasal-gesel, al maar met een stomp mes 
over iets zagen. 

GÉ8ÉNG, 1. = këntjëng, snel, met snel- 
heid verrichten; ngagësëng, sterk aan- 
dringen, aanzetten tot iets; digësëng. 

II. Z. v. a. gelang II., g. w.; goelagësëng, 
zekere paardenkleur, nl. donkerbruin 
ngagësëng, dooreen wreven, mengen (b. v. 
asch met olie). 

GËSOET, ngbr.; gësoet-gësoet, haastig, met 
haast, schielijk, gezwind; gësat-gësoet [de 
meest gebr. vorm), idem, met verst.; 
gësat-gësoet moelang, schielijk naar huis 
terugkeeren; geura gësat-gësoet geuwat 
indit, haast u en vertrek. 



GESOH— GEUGEUH. 



195 



GESOH, ngbr.; ngagesoh en ngagesohan, de 
beja8 by het wannen rechts en links doen 
gaan; digesoh. P. 

GESPER, fraaie, versierde vrouwen- 
gordel of ceintuur, waarvan de haken vóór 
op 't ïyf in elkaar sluiten. 

GÈ8RÈK, g. w.; ngagësrëk, iets afslijpen, 
afvrjlen of afzagen; in Kad.: nat wasch- 
goed met beide handen over een plank 
met ribben schuiven; digësrëk. (VgL goesar 
en goesroek.) 

GE8REK, ngbr. ; ngagesrek, over elkander 
schuiven of schuren (b. v. het garen van 
twee vliegers); ook: twee stukken bamboe 
over eikander schuren om vuur te maken; 
ngagesrekkeun, over elkander doen schuren ; 
digesrekkeun. 

GËTAH (Indr.), kleverig vocht dat uit 
sommige boomen en vruchten vloeit. (Vgl. 
geutah.) 

GÈTAK, ngbr.; ngagëtak (Bant.), = nga- 
gëbah, zie gêbah. P. 

GËTAPAN, z.v.a. reuwasan, schrikach tig 
(van aard), schichtig. 

GËTA8, broos, licht breken (b. v. hout); 
overdr.: kribbig, prikkelbaar, licht boos 
worden, lichtgeraakt. 

GETEK, I. = rakit, vlot (van bamboe of 
hout); verder: pont, schouw; toekany 
getek, vlotter; pigetekeun, (bamboe of hout) 
om er een vlot van te maken; digetekkeun, 
tot een vlot gemaakt worden. 

II. Kriewelen, kittelen, het gevoel van 
iemand die gekitteld wordt, jeuken, 
jeukte; garetek, = djengkel en keuheul, 
geprikkeld z^jn, zich geprikkeld voelen, 
iets niet meer kunnen uithouden, niet 
meer kunnen verdragen, wrevelig, kregel, 
kregelig, iets moede ztyn; gareiekan, licht 
garetek worden, lichtgeraakt, prikkelbaar 
van humeur. 

GËTËM, z. v. a. siga-siga, doen alsof; 
gëtëm 8ëmoe isin, een bedeesd gezicht zetten, 
bedeeed kijken (opzettelijk). 

GÉTEN, = toetafen (waarmee het dikwjjls 
wordt samengesteld), zorgvuldig, oplet- 
tend, zorgzaam; ngagëtenan, nauwlettend 
op iemand of iets acht geven, zorgvuldig 
voor iemand of iets zfln, aan iemand of 
iets oplettendheid betoonen, steeds iemand 
of iets in het oog houden; digëtenan; 
kagëtenan, zorgvuldigheid. 

GÊTÉR, het beven; ngagëtër, trillen, 
beven (van ontsteltenis of schrik), inwendig 
beven, ontstellen, ontroerd, beving; goe- 
mëtór, sterk beven ; galoemëtër, idem, meerv.; 
tinggoemêtër, beven enz. (van velen); nga- 
gëtérkeun, doen beven; digëtërkêun. (VgL 
degdeg en këpër.) 



GÉTIH (vgl. geutah) bloed; weureu gëtih, 
misselijk van bloed; pinoeh koe gëtih, met 
bloed bedekt; mandi gëtih, in bloedbaden; 
hoetang gëtih, bloedschuld; gëtihan, met 
bloed ztyn, bloeden, bebloed; ngising gëtih, 
bloed afgaan; ngagëtih, voll. kasakit nga- 
gëtih, bloedvloeiing (uit de scheede of uit 
den anus). 

GÉTING, = gëten, zorgvuldig, maar ook 
wel: bemoeizuchtig; dipake kagëting t 
iemand tot voorwerp vanzen zorg stellen. 
GËTJËK (Z.-B.), = rëmën, nog al eens, 
dilnw^\a;ngagëtjëk,iet3 geheel fijn stampen; 
digëtjëk. P. 

GËTJOS (vgl. tjos), werkw. tusschenw. 
voor: steken, prikken ; ook: prik, por, steek ; 
gëtjos nëivëk, hij stak hem (met een kris) ; 
ngagëtjos, een por geven, prikken, steken; 
digëtjos. (Vgl. këtjok.) 

GËTOEN, ngbr.; gëgëtoen, leed gevoelen, 
8p\jt hebben. 

GËTOK, ngbr.; ngagëtok, ong. = ngëtok 
en ngètrok, kloppen op, slaan op, inz. 
hameren, kloppen, tikken op metaal (z.a. 
b. v. door een goudsmid); verder: iemand 
met een knokkel of de knokkels op het 
hoofd slaan; digêtok. 

GËTOL, = daekan, arbeidzaam, nijver, 
vHJtig, ijverig; kagëtolan, y ver, vljjt, arbeid- 
zaamheid. 

GETRENG, verkl. met sakeudeung-keu- 
deung paseja, d. i. twist gierig; ook = 
patjogregan, met elkander overhoop liggen, 
krakeelen; ngagetrengan, twist zoeken met. 
GËTRIK, ngbr.; ngagëtrik-gëtrik, bevelen, 
bevelen geven, werk te doen geven, enz. 
GEUBIG, ngbr.; ngageubig, vlu^ en on- 
bevracht loopen; goebag-geubig, = koepat- 
kapit, loopen slingerende met de armen; 
digoebag-geubig (vgl. goebaggabig), iets dat 
men draagt (b. v. een mensch of de 
rëngkong dien men op den schouder heeft) 
heen en weer bewegen, schudden of' laten 
slingeren; ook: oen vracht door het 
heen-en-weer-bewegen van het lichaam 
van zich af trachten te schudden. 

GEUBIS, 1. van laboeh en ragrag, (alléén 
van een mensch) vallen (b. v. in een kuil, 
van een hoogte, van het paard enz.), af- 
vallen, voorovervallen. 

GEUEUMAN, dat waarvoor men vreest 
(b. v. een hoog ambtenaar), dat waarvoor 
men bang is (b. v. een groote boom), dat 
waarvan men naar of akelig wordt, 
schrikbeeld, boeman. 

GEUQEUH (vgl. eugeuh), ngbr.; ngageugeuh, 
z. v. a. njangking (eie tjangking), in zjjn 
macht of onder zjjn bescherming hebben, 
macht hebben over, invloed of overwicht 



196 



GEUGEUJ— GEURA. 



hebben op; ook: hulp verleenen, bescher- 
men; noê ngageugeuhna, die over (hen) het 
bevel voert; digeugeuh. 

QEUQEUJ, z. v. a.: laat maar gaan! laat 
maar waaien! ngageugeujkeun, verkl. met 
ngalampahkeun, ten uitvoer leggen, vol- 
brengen; digeugeujkeun- 

QEUGEUS, = gedeng, twee eundan of 
rtystbosjes (zie deze woorden); ngageugeus, 
twee eundan's tot één bos samenbinden, 
in bossen (schoven) binden; digeugeus; 
geugeusan, twee samengebonden eundanan; 
verder: schoof, bos (ook z. a. van katjang 
of djagong). 

GEUGEUT, verkl. met teu daekeun djaoeh, 
innig en bestendig liefhebben (sterker dan 
njadh en zelfs dan sono); ook: liefde (nl. 
van een verliefde, van een echtgenoot of 
van ouders); verder: verliefd; kageugeut, 
de persoon die (dien) men innig liefheeft, 
de persoon op wie (wien) men verliefd 
is, geliefde, beminde. 

GEUINQ, g. w.; ngageuing, iemand wakker 
maken, wekken; ook: iemand iets voor- 
houden of te binnen brengen wat hy ver- 
geten heeft, wakker maken om aan iets 
te denken, herinneren, iemand tot iets 
opwekken, tot het goede vermanen of 
aansporen; digeuing; ngageuing maneh, 
zich wekken, zich opwekken; ook: tot 
inkeer-, tot bezinning komen; ngageuing- 
geuing, meerdere menschen wekken of 
opwekken; goewang-geuing, al maar wek- 
ken of opwekken; ngageuingkeun, = nga- 
hoedangkeun, iemand wakker maken, 
wekken, opwekken, weer levend maken; 
digeuingkeun. 

QEUJEUR, te overvloedig water hebben; 
kageujeur, van te veel water ltfden (b. v. 
planten). 

GEULANG, I. k., pinggël 1., groote ring, 
polssieraad, armband (zie gelang, rante, 
tjoeroek, leungeun en Boekoe); digeulangan, 
om den pols gedaan woiden (van een 
bandje enz.), van een geulang voorzien 
worden; pigeulangan, (eig. de plaats voor 
een geulang) de pols van hand of voet, 
het pols- of enkelgewricht. 

II. Zie galang IL 

GEULEUH, vuil, vies, morsig, onrein 
(vooral van iets waaraan drek zit); ook 
s ngewa enz., een afkeer-, afschuw of 
gruwel hebben van, verfoeien, haten, ver- 
afschuwen; sipat geuleuh of ook geugeuleuh, 
onrein, vuil, verfoeilijk; verder: wat vuil of 
onrein is, verfoeiHjkheid, gruwelijkheid; geu- 
leuh-keufMUh, zie heumeuh I. ; kageuleuh, dat 
die) waarvan men afkeerig is; migeuleuh, 
verfoeien, haten, verafschuwen; mikageu- 



leuk, jegens iemand of iets een afkeer 
hebben, haten, verfoeien; dipikageuleuh', 
8ilih-pikageuleuh, elkander haten, enz.; 
ngageuleuhan, bevuilen, bemorsen, bedoen ; 
ngageuleuhan ka, iemand haten; kageu- 
leuhan, 1. bevuild geraakt (b.v. een klee- 
dingstuk door een klein kind); 2. haat, ar- 
keer; ook: verfoeiltykheid, afschuweiykheid, 
gruwelijkheid; sipat kageuleuhan, idem. 

QEULEUJEUR, het draven; ngageuleujeur, 
dry ven, met den stroom mededry ven [een 
sterker woord dan ngagoelotsoer, zie goe- 
lo68oer]. 

GEULIS (vgl. eulis), schoon (van een 
meisje of vrouw, zie kasep); ook '.bevallig, 
lieftallig; awi genlis, naam van een bamboe- 
soort; haoer geults, naam van een haoer- 
soort [geschikt voor alle doeleinden]; 
tjaoe geults (Z.-B.), naam van een pisang- 
soort; geugeulis panon, z.v.a. soesoeganan, 
zie soegan; geugeulisanan, (van een meisje 
of vrouw) doen alsof ze mooi was, de 
schoone uithangen, coquet; kageulisan, 
schoonheid. 

GEUMEUN, ngbr.; geugeumeuneun, = 
goemëbëg (zie gëbëg), schrikken, ontstellen, 
zich ontzetten. 

GEUNA, = poma en peupeudjeuh, een 
hulpwoord dienende tot versterking van 
een gebod of verbod, meestal verdubbeld 
tot geuna-geuna, vgl. Spraakk. § 102, VI. 
[Op zichzelf heeft deze nadrukswjjzer geen 
beteekenis, evenmin als poma en de metste 
andere nadrukswoorden.] 

GEUNEUK. rood worden of zyn in het 
gelaat (b. v. van toorn), een roode plek 
op het iy f hebben (b.v. waar men geslagen 
is). Vgl. reup. 

QEUNGGEUREUH, zie geureuh. 

GEUNINQ, een tusschenw. dat dient om 
op levendigen toon iets aan te wyzen of 
uit te drukken: zie! kyk! immers! -voor- 
afgegaan door tah ((ah geuning) dient het 
om met klem op de klaarblijkelijkheid 
of de wezenlijkheid van iets te wyzen: 
zie! ziedaar! - de uitdrukkingen mapan 
geuning en malah geuning dienen om iemand 
iets te binnen te brengen of van iets te o ver- 
tuigen: immers; - geuninganan, zie! kyk! 
(gebezigd b.v. als men by een verhaal óf 
betoog onverwachts een voorbeeld of 
bewys vindt om het gezegde te staven). 

QEUNTEUL, blauw zien, zwart zien (de 
lippen, de huid, gebak enz.), dik, ge- 
zwollen (b. v. wondhvven)',geun*ukgeunteul 
aisina, de randen zagen rond en gezwollen. 

GEURA, 1. haast hebben, haastig zyn; 
sor ka noe geura ieja, hty zette het neer 
voor hem die haast had (die zich haastte) ; - 



GEURAHEUN-- GIBAS. 



197 



2. als toeroep: haast u! haastig! fluks! in 
deze het. geheel = gewcat, waarmee het 
vaak afgewisseld wordt; - 8. dient het om 
op levendigen toon iets te zeggen, iemands 
attentie ergens op te vestigen, iemand 
te waarschuwen, enz.; geura bapa, aja 
maoeng! vader, een tjfygerl geura leumpang 
maneh, loop maar toe! [gty komt er toch 
niet]; geural èngke oerang tangtoe tjilaka, 
pas op! we zullen een ongeluk kragen; 
geura boel pas op! - 4. hulpw. voor de 
geb. wijs (maar alleen daar gebruikt 
waar het gebod terstond of al thans spoedig 
moet worden volvoerd); geura-geura, met 
spoed (doen); als g.w.; haast u zeer! (Zie 
verder Spraakk. $ 102, II.) 

GEURAHEUN (vgl. gërah), een uitroep, 
in 't alg. dienende om zjjn verwondering 
ergens over, ook in afkeurenden zin (b.v. 
als iemand zich een sterfgeval in z\)n 
familie niet aantrekt) te kennen te geven; 
men kan het woord weergeven op deze 
wtfze: hoe is 't mogelijk! hoe kunt ge 
zoo zijn (doen)! hoe kan dat! ge hebt 
goed praten! hoe zou niet! het mocht 
wat! - ook z.v. a. païngan, 't is te be- 
grijpen! natuurlek! - het woord wordt 
dikwijls versterkt door den nadruksw. 
teuing, en dan staat het soms gelijk met 
oentoeng teuing, 't is nog gelukkig! 

QEURANG, hetzelfde als girang II. 

GEUREUH, = gamah, schrikken, schuch- 
ter, ontsteld, verschrikt; sawan geureuh 
ot awewe geureuh, wordt gezegd van een 
meisje of vrouw dat (die) gedurig op 
trouwen staat, maar zonder dat het er 
toe komt; andjing geureuh, waakhond (?); 
kageureuhan, in den onder geureuh ge- 
noemden toestand verkeeren; digeureuh- 
geureuh, beknord worden; ngageunggeureuh- 
keun, iemand beknorren, bestraffend tegen 
iemand murmureeren, iemand verhinderen 
(iets) te doen, berispen, verbieden, tegen- 
gaan; digeunggeureuhkeun. 

GEUREUHA, hetzelfde ais garwa, 1. van 
pamadjikan, echtgenoote, gade, gemalin. 
(Zie verder garwa.) 

QEUREUNG (Z.-B.), aardworm (vgl loot 1. 
en zie tjatjing) ; areuj geureung, naam van 
een klimplant; hoë geureung, naam van 
een rotansoort; beuheung geureung, de 
streep onder aan een sarong. 

QEURI, naam van een vogel als de kerak, 
zwart en veel leven makende; ngageuri, 
z. v. a. njewot, vergrimmen, grimmig-, ver- 
grimd zjjn, in toorn uitbarsten, woedend, 
op iemand aangaan, hevig tegen iemand 
uitvaren; ook: rood worden ofz^n (van het 
gelaat); pasëmon raraj ngageuri, het uit- 



zicht van ztfn gelaat werd rood; beureum 
ngageuri, vuurrood (van het gelaat, van 
toorn). 

GEUS, gedaan, afgedaan, geëindigd, ge- 
noeg, reeds, al; ook en vooral: hulpwoord 
voor den verleden ttfd. (Vgl. gis, ënggeus 
en anggeus, en zie Spraakk. § 99.) 

GEU8AN k., = ënggon, in 't alg.: plaats; 
in 't btyz.: slaapplaats; verder = eukeur, 
paranti, enz., plaats voor, ten einde, voor, 
om te, tot; geusan loenta, de plek waar 
men heen wil gaan; manggih geusan matoeK, 
een plek vinden voor vast verbluf; gampang 
geusan milih, gemakkelijk om uit te kiezen ; 
ditoeliskeun geusan pangwarah, het is ge- 
schreven tot waarschuwing; pigeusaneun, 
zullen dienen voor, zullen strekken tot, 
leiden tot, om te; meunang pigeusaneun 
njëratkeun, iets te schreven gekregen 
hebben. 

QEUTAH, het kleverig sap van som- 
mige planten, gom, hars. (Vgl. gëtih en 
toewak.) 

GEUWANG (Z.-B.), naam van een rivier- 
krab, ter grootte van een kapiting, doch in 
voorkomen gelflk de keujeup, 

GEUWAT k., enggal 1., gauw, haastige 
spoedig, met spoed; ook g. w.; geuwat- 
geuwat, zeer spoedig, in de gauwigheid, 
oogenblikkeiyk; ook g. w.; geugeuioatan, 
met grooten spoed; ngageuwat, met haast 
(doen), zich haasten, haastig, gezwind; 
kageuwat, spoed achter gezet worden of 
ztfn; ngageuwatkeun, iets met haast doen, 
maken of Voortzetten, bespoedigen, haast 
doen maken ; digeuwatkeun ; geuwatgeuwat- 
keun, maak er groote haast mede! 

GEUWEUNG GEUWEUNG, g. w.; ngageu- 
weung-geuweung, (van den mensch, met de 
handen; van een dier, met den bek) schud- 
den, door elkander schudden; digeuweung- 
geuweung. 

GËWAK-GÉWOK, zie gëwok. 

GE WEL, ngbr.; ngagewel, zich hechten 
(inz. van een bloedzuiger). 

GEWEWEK, het keffen; gegewewekan, 
keffen, aanhoudend keffen (van een hond); 
ook: aanhoudend schreeuwen. 

GÉWOK, het snauwen; ngagëwok, =^ 
njëntak, snauwen, iemand toesnauwen; 
gëwak-göwok, al maar snauwen (tegen 
iemand). 

GEWOK, = tjangkewok, klein armoedig 
hutje, krot; lëmboer sagewok, eon krot- 
achtig buitenhuisje; ngagëwok, in een hoek 
van het huis of van de hut zitten, zonder 
meubels of derg. 

GIBA8, ook kïbas, voll. domba gibas of 
domba kibas, een schaap met een dikken 



198 



ÖIBEG— GIL1DIG. 



vetten staart, vetstaart. [Het soort be- 
hoort op Java niet te huis.] 

QIBÉQ, ngbr.; ngagibëg, zich zacht heen 
en weer bewegend (zich zacht schuddend) 
-voortgaan (van een viscbje). 

QIBLËG, maar doorgaans ngagiblëg, 
lichtgroen (b. v. jonge rtystplanten). P. 

GIBRIQ, het zich schudden ;gigibrig, zich 
schudden, zich uitschudden (van een 
mensch of dier); ngagibrigkeun, van zich 
afschudden; digibrigkeun. 

GIDËG, met het hoofd afkeurend of van 
neen schudden; gigidëg, idem, aanhoudend 
(z. a. b. v. een onwillig kind doet). 

GIDEUG, = gidëg, zie ald.; galideug, 
schudding veroorzaken (b. v. door hard 
over een bamboezen vloer te loopen); 
ngagideugkeun, iets of iemand heen en 
weer schudden of wrikken; digideug- 
keun. 

GIDEUR (vgl. gidir, enz.), ngbr.; galideur, 
zich aanh. bewegen (b. v. het hoofd van 
een kind), beweeglijk; teu galideur, niet 
beweeglflk, vast, rustig (b. v. het hart); 
ngagalideur, zich aanh. naar rechts en 
links bewegen (b. v. het hoofd van een 
kind). Vgl. gidëg. 

GIDIQ, maar meestal ngagidig, snel 
doorloopen (nojod bat) zonder om te zien; 
goedag-gidig en gadag-gidig, snel door- 
loopen, slingerende met de armen. 

GIDIR, het beven; ngagidir, sterk beven, 
sidderen, gruwen, rillen (ook z. a. van 
strijdlust). 

GIDJIG (&. p.\ = gidig. P. 

GIUEUQ, = ojag, in schudding komen, 
slingeren, waggelen (b. v. een schip). 
Vgl. igeug. 

GIGIH, halfgare rjjst; sari-gigih, z. v. a. 
rosa gigih, smaken als halfgare rjjst. 

GIGILI, zie gilt. 

GIQIR k., gedeng 1., zjjde, aan de ztyde, 
naast, ter ztyde; gigireun, ter zjjde van; 
di gig ir, aan de (ter) zjjde, naast; kagigir, 
naar den kant, van den weg af, zijwaarts; 
ti gigir, ter zyde, van of aan de z^de; 
sanggigir, ngbr.; njanggigir, met de zflde 
gericht naar, op de zflde liggen; ngagigir- 
kmn, ter zflde van iemand of iets ztfn, 
naast zich hebben; digigirkeun. 

GIQIRINTING, verkl. met: beuneur sawa- 
reh, iawareh hanleu, (van rjjst) ten deele 
vol van korrel, ten deele niet. (Vgl. 
gogorontong.) 

GMAK, blyde, verheugd, in z*jn schik ztfn 
met iets. 

* GIJ AL, ngbr.; patinggarijal, het hoofd 
of bovengedeelte van het lichaam heen 
en weer (naar de ztfde) bewegen. 



GIJOEH, z. v. &.poékët;pagijoeh, elkander 
omstrengeld houden (z. a. vechtenden). 

GIJOENG (vgl. gejong en gojang), draaierig, 
misseiyk, duizelig (b. v. ten gevolge van het 
eten van djambe, door bloedverlies, enz.), 
van streek zjjn, bedwelmd, bedwelming 
(b. v. ten gevolge van het zien van een 
schoon jongeling of een schoon meisje), 
dronken, uitzinnig; garijoeng % idem, met 
verst.; anggoer pagijoengan, zwtjmolwijn; 
loemoer pagijoengan t zwtymelbeker. 

GIKQIK, ngbr.; ngagikgik, verkl. met 
seuri dipëngkëk, ingehouden lachen, lachen 
in zfln vuistje. (Vgl. gakgak.) 

GILA, schuw, bang, griezelen (b. v. voor 
heet water, voor een vijand, enz.); verder: 
wild, woest (uit vrees), buiten zichzelven, 
dol; matak gila, griezelig; ook wel = »»oe- 
toeh, maar sterker, b. v.gila koe pamali, 't is 
ten strengste verboden; kagila, schuwheid, 
bangheid, vrees; ngagigila, iemand schuw*, 
bang- of griezelig maken, iemand bevreesd 
maken voor; digigila; ka gila-güa, z. v. a. 
matak gila, zie boven; patoetna ka gila-güa, 
een griezelig gezicht ; waloengan ka gila-gila, 
een griezelige stroom, een rivier waar- 
voor men bang wordt. 

GILANQ, schitteren, blinken, stralen; 
goemilang, idem. 

GILAP, blinken, glad, glimmend (van 
kleederen, gepoetst koper, een zwaard, 
enz.); ginggilapan, = goemoerüapan, zie 
goerilap. 

GILËK, het zich draaien; ngagilëk, zich 
een weinig draaien of verplaatsen ; ngagilëk- 
gilëk, iets om en om draaien (b. v. het van 
alle kanten beschouwen om het goed te 
kennen); goelak-gilëk, het hoofd nu rechts 
dan links naar den schouder buigen; 
ngagilèkkeun, iets om en om draaien of 
telkens een weinig verplaatsen; ngagiUk- 
keun kalimah, een (moeilijk) woord van alle 
kanten beschouwen (om de rechte be- 
teekenis te vinden); digtlèkkeun. 

GILËR, flikkering (b. v. een bloem die 
zich even keert, van een edelgesteente, van 
het oog, enz.) ; ook: een blik op ztfde werpen, 
zydelingsche blik; goelar-gilër, rollen, 
tintelen (van de oogen), met de oogen 
blikken, lonken of draaien; ngagilëran,— 
ngitjeupan (zie kitjeup\ een blik of lonk 
werpen op, een wenk geven aan ; gilërkeun 
matal wend uwe oogen afl 

QILI (Bant.), = kamalir, zie ald.; gigüi, 
een oever van kiezel (nl. aan den rivier- 
kant). 

QILIDIQ (ygl. lidig), betreden, platgetreden 
en modderig (van een plek die veel be- 
treden is, ten gevolge waarvan het gras enz. 



GILIG— GINGSIR. 



199 



vertrapt en de bodem min of meer mod- 
derig geworden is); djalan gilidigan, een 
goed begaanbare-, veelbetreden weg; 
djalan tatjan gilidigan, een nog niet goed 
begaanbare weg. 

GILIG, verkL met pageuh, vast, stevig; 
verder: tot zekerheid gekomen, tot een 
besluit of beslissing komen of gekomen, 
weten wat men wil, zich van zjjn kracht 
bewust; gilig mikiran, tot een besluit 
gekomen z\jn; güig-gilig % vast besloten 
zijn; - gigilig (Z.-B.), naam vaneenzeevisch; 
ngagüigkeun hate, het hart (de gedachten) 
samentrekken op één punt, op één zaak, 
op een bepaald doel; digiligkeun. 

GILINDING, schijf van hout (z. a. de 
përbot); vandaar = kikiping, schijf wiel; 
verder: kleine kar met schijfwielen, 
schuif kar; ook: rolwagen. 

GILING, rol, cylinder; toekang (of djoeroé) 
giling, molenaar; kapoet giling, rolzoom, 
rolnaad; ngagiling, malen, vermalen; 
digiling;ngagilingan, iets malen, vermalen; 
tiwoe digilingan, het suikerriet wordt 
gemalen; ngagilingkeun, den molen doen 
draaien; ook: omrollen, oprollen (b. v. de 
mouwen); digüingkeun; panggiling, oprol- 
Ier; panggilingan, rol, molen, het gebouw 
waarin zich een molen bevindt. 

GILINTJII^G, ngbr.; ngagilintjing, alléén 
gaan, zonder gezelschap of beschutting 
gaan, van alles ontbloot zijn, niets in de 
wereld bezitten, doodarm. 

GILIPIR, het Holl. griffier; idem. 

GILIR, verwisselen, afwisselen, om en 
om, bij beurten, om de beurt; gilirgilir, 
aanh. afwisselen of om en om doen; 
bagilir, zie ald.; ngagilir, zich omkeoren 
<op de andere zijde); galar-güir, draaien, 
zich om en om keeren; digilir-giUr> om 
de beurt (b.v. gebruikt of gegeten worden); 
ngagilirkeun, iets verschuiven (b. v. de 
kris in den gordel van achteren naar voren 
schuiven of omgekeerd), iets omdraaien, 
iets verwisselen; ook: zich laten af wisse- 
len; ngagilirkeun awak, zich omkeeren; nga» 
gilirkeun noe karëmit, de wacht aflossen; 
digüirkeun; - giliran, beurt, volgbeurt, toer- 
beurt, afdeeiingen die om de beurt iets 
doen (b.v. de wacht houden) ;giliran sa ha'i 
wiens beurt is het? 

QILISIR, schuivende zich voortbewegen; 
ngagilisir, langs een wand, muur enz. 
streken (b. v. een buffel); tinggilisir, van 
velen: zich schuivend of langs iets schui- 
vend ergens heen bewegen. {Vghgëtësër en 
goêloesoer.) 

QILIWI8, z. v. a. tepa, zie ald. B. 

GIMBAL (van haar, maar inz. van wol) 



stijf in elkander zitten, als 't ware in do 
klit zitten. 

QIMBAR, 1. van boebar, opstaan (b. v. 
van den maaltijd), uiteengaan (van een 
vergadering). 

GIMBOENQ, ngbr.; ngagimboeng, toe- 
stroomen, te hoop loopen, in grooten getale 
bfleenstaan (van een menigte), zich om 
iemand of iets, of z. a. voor de deur, 
verdringen; koempoel ngagimboeng, te hoop 
loopen. 

GIMBREUNG, = rame, zie ald. P. 

GIMIR, = këder, bloode, versaagd, flauw- 
hartig, beducht, versaagd zijn, verschrikt 
worden of zrjn, vreezen; teu gimir, niet 
versaagd zrjn, niet vreezen; aingieu gimir 
saboeoek, ik ben geen haar bang; kagimir, 
het versaagd zrjn, versaagdheid; kagimi- 
ran, versaagdheid, vreesachtigheid. 

GIMLING GAMLANG, een holle ruimte, 
wijd en breed. 

GINDI, onregelmatig (b. v. een momtjang- 
noot met drie pitten), anders dan gewoon, 
afwijkend van hetgeen behoort; ong. *= 
owah. (Vgl. pikir.) 

GINDING, ryk, prachtig, zwierig gekleed 
gaan, een pronk aanhebben, pronken met 
fraaie kleeren; verder: praal, staatsie 
(vgl. madangkrang); ngaginding, loopen te 
pronken, ledig rondloopen ; gandang-ginding 
en goendang-ginding, = ginding, maar in 
sterke mate of aanhoudend; ook: veel 
staatsie voeren; gigindingan, pronkerig; 
gigindinganan, niets doen dan maar mooi 
gekleed uitgaan; paginding-ginding, zich 
om het mooist kleeden; kagindingan, ver- 
waandheid, verbeelding, pratheid. 

GINDJËL, ngbr.; ngagindjël, een harde 
plek of knobbel ergens in, hard voelen 
(van ééne plek, b. v. in een matras of in den 
buik) ; ook : verharden ; garindjël, knobbels ; 
ngagarindjët, knobbels vormen, als knob- 
bels aanvoelen, het gevoel hebben alsof 
ergens knobbels zitten; gigindjël, nieren 
(van den buffel); in Z.-B. ook van den 
mensen (vgl, boewah). 

GINGQANG, het Holl. gin gang, ong. = 
saloer, katoenen weefsel (moestal gekleurd) 
met strepen. 

GINGGEUNQ (vgl. inggeung en ringgeung), 
in beweging of schudding zijn (b. v. de 
aarde door een aardbeving), in beroering 
zijn. 

GINGGIJAPEUN, ong. = singsjjeuneun, 
sidderen als men aan een ongeluk terug* 
denkt. 

GINGGILAPAN, zie gilap. 

GING8IR, van plaats of van gedachten 
veranderen (sterker dan owah); teu gingnr, 



200 



GINTIR-GIROEK. 



niet van zyn plaats gaan, roerloos of 
onbeweeglijk by iets zyn, de zinnen vast op 
iets gezet hebben ; hama gingsir, misgewas 
door ontydige cultuur; hamo keuna owah- 
gingsir, (van God) aan geen verandering 
onderhevig; digingsir (Buit.) = diloengsoer, 
in digingsir tjalih, by zich genoodigd wor- 
den; - goemingsir, 1. = gingsir; 2.~gimir 
(zie ald.); ngagingsirkeun, 1. van njingkir- 
keun (zie singkir), aan kant doen ; ook = 
ngabantjang, 1. van ngadjoewal, verkoopen; 
digingsirkeun. 

GINTIR, het tweernen; bënang (of hola) 
gintir, getweernd garen; ngaginHr, tweer- 
nen, touw of koord draaien [door het uit 
te spannen en aan het eene einde iets 
zwaars te hangen, hetwelk in draaiende 
beweging wordt gebracht]; digintir; nga- 
gintiran, touw of koord alzoo draaien; 
digintir an; gintiran, wat getweernd of 
gedraaid is. 

GINTJOE, een kleur- of verfstof, karmijn 
[gebezigd zoowel voor het verven van 
stoffen als van houtwerk enz.]; poleng 
gintjoe, geruite stof met karman als 
hoofdkleur. 

GINTOENG, voll. tangkal gintoeng, naam 
yan een boom die wrange vruchten draagt ; 
dipiami$ boewah gintoeng zegt men van 
iemand die meent dat anderen van hem 
houden; pare gintoeng, een donkerkleurige 
behaarde rystsoort. 

GIPANQ, naam van zeker gebak. 

QlRAGIROE, = 't meer gebr. goera* 
giroe. 

GIRANG, I. (het tegenoverg. van hilir), 
wat hooger op, stroomopwaarts of meer 
naar 't gebergte gelegen is, hooger ge- 
legen plaats of streek; tanah beh girang , 
de bovenlanden; girangeun, boven een 
gegeven plaats liggen, dichter by den 
oorsprong der rivier liggen; di girang, op 
hooger gelegen plaats, in hooger gelegen 
streek; njaba ka girang, hoogerop-, naar 
hooger gelegen plaats gaan; ti girang, 
van hooger gelegen plek of streek; njijeun 
poetjoek ii girang, sprkw. voor: iemand 
Slecht behandelen en nog daarenboven 
boos op hem zyn; pagirang-girang f met 
elkander dingen of strijden om de hoogste 
plaats of om de eerste te zyn; pagirang- 
girang dijoék, allen het hoogst (bovenaan) 
willen zitten; panggirangna, de hoogst 
gezetene, eerste; dyoek panggirangna, of 
cUjoek di panggirangna, bovenaan-, op de 
voornaamste plaats zitten. (Vgl. heula,) 

II. By de Bad. z. v. a. eoenan en toewang 
(zie ald. en vgl. poeoen en seurai). 

GIRAP, z. y. a. ngoredjat (zie koredjat)en 



ngagibëg (zie gëbëg), opschrikken, opsprin- 
gen. P. 

GIRA8, schuw, schichtig, schuchter, vrees- 
achtig (van dieren, maar ook wel van 
menschen, b. v. van ambtenaren: hun 
superieur schuwen). Vgl. giris en gamah, 

GIRI (Skr.), = goenoeng, berg; pagiri- 
giri, = pagirang-girang en paheula-heula.. 
(Zie girang en heula.) 

GIRIBIG (Soem.), = kadjang, mat- of 
vlechtwerk van fijn gespleten bamboe of 
van gespleten feircy-takken. 

GIRIK, stukje bamboe, gevoegd by een 
geschenk en waarop de naam staat des» 
genen voor wien het geschenk bestemd 
is; in ruimer zin: merk, loodje, penning, 
etiquette, adreskaart (label), enz.; ook: 
aanslagbiljet. 

QIRIMI8, = biribis, motregen, stofregenen. 

GIRING (vgl. iring), g. w.; digiring (van men- 
schen) weggeleid worden; ngagiringkeun t 
opjagen, voor zich uit dryven, voor zich 
henen dryven,voortdry ven(inz. van dieren) ; 
digiringkeun. (Vgl. këntjar.) 

GlRINQSING, I. kwakzalvery met genees- 
middelen, djampe'a enz. (om de lieden 
af te zetten), zwendelary (zie ook wajang) ; 
ngagiringsing, kwakzalveiy met zulke 
zaken plegen, bedriegen, oplichten; noe 
ngagiringsing, kwakzalver, bedrieger, zwen- 
delaar; toekang ngagiringsing, idem, maar 
in dézen zin dat de bedoelde er bepaald 
zyn bedryf van maakt. 

II. Naam van zeker patroon by stoffen. 

GIRIS, = gimir en giras, versaagd, be- 
ducht, vreesachtig; garas-giris, schuchter, 
angstig, bang (b. v. onderdanen voor een 
toornigen vorst). 

GIRIWIL, spartelen (inz. van een visch 
aan den haak, als hy uit het water wordt 
opgehaald). 

GIROE, z. v. a. riboet, het druk hebben; 
koering keur giroe, ik heb het druk; goera- 
giroe, met grooten haast, haastig (loopen, 
binnengaan, enz.). 

GIROEK, = geuleuh, idjid en ngewa, een 
haat, gruwel of afkeer tegen iemand of 
iets hebben, haten, verfoeien, gruwen 
van, verafschuwen; matak giroek, oorzaak 
van afkeer; sipat giroek of sipat noe matak 
giroek, gruwelykheid, afschuweiykheid ; 
kagiroek, persoon, zaak of voorwerp dien 
(die, dat) men verfoeit of waarvan men een 
afkeer heeft, gruwel, afschuw; dianggo 
kagiroek koe Allah, God heeft er een af- 
schuw van; dipikagiroek, voor iemand een 
voorwerp van afkeer of haat zyn ; saka- 
giroek, één in afkeer; kagiroekan, afschuwe- 
iykheid, gruwelykheid ; lampah kagiroekan 



GISIK— GODOG. 



201 



idem; müampah (migawe, ngalampahkeun) 
kagiroekan, gruwelijkheid doen. 

QI8IK, wrijven, zich de oogen wrijven of 
uitwreven; ook: iets wrijven; sffagisikkoe 
aing, ik zal je wrij ven (Je wasschen, je 
inpeperen); ngagisik, wrijven (b. v. een 
blad); digisik, gewreven worden; gigisik, 
zich aanhoudend ergens wreven, aanh. 
zich de oogen uitwreven; gasak-gisik, zich 
hier en daar wreven, zich al maar wreven. 

GITIK, g. w.; ngagitik, slaan (met een 
hoë, een rietje, of een roede), geeselen; 
digitik; kagitik; ngagitikan, iemand aan- 
houdend zoo slaan of geeselen; digitikan; 
panggitik, voorwerp om mee te slaan, 
roede, geesel. (Vgl. rangket.) 

QITJËL, het waggelen; ngagitjël, waggelen, 
kantelen; goetjal-gitjèl, waggelen, niet vast 
staan, zich al heen en weer bewegen 
(b. v. een rond voorwerp waarop men 
zit), wiebelen, gewlebel; ngagoetjal-gitjël, 
iets ronds heen en weer bewegen (b. v. 
een gewicht). 

GIWANG, 1. iets dat tot inleggen ge- 
bezigd wordt (b. v. paarlemoer of hout 
van een andere kleur); ook: knoopjes van 
paarlemoer of derg. ; - 2. (Buit.) oorbellen; - 
ngagiwang, (een kistje enz ) met giwang 
inleggen. 

QIWAR, een weinig uitweken, een weinig 
op zijde gaan; ngagiwar, idem; verder: 
afschampen (b. v. een pijl); goewar-giwar, 
nu naar den eenen, dan naar den anderen 
kant gaan (b. v~ een paard of een rijtuig); 
digoewar giwarkeun, iets op die wijze doen 
gaan. 

Ql WING, aan iets hangen te slingeren. F. 
(Vgl. gawing.) 

GOAH, voll. ladja goah, naam van een 
ladja-soort; zie ladja. 

GOAK, schreeuwen, het op een schreeu- 
wen zetten (b. v. een kind); goak-goak, 
gedurig een schreeuw geven, al maar 
schreeuwen; ngagoak, krassen (van een 
kraai), een schreeuw geven, schreeuwen; 
tinggaroak, schreeuwen, een geschreeuw 
aanheffen (van velen) ; gogoakan, aanhou- 
dend schreeuwen. 

GOBAG, hoosvat, vischschepper (drie- 
hoekig van vorm, van oepih, boomschors 
of gevlochten bamboe) met handvat. (Vgl. 
panawoe bij tawoe.) 

GOBANG I. k., soengkèlang L, hak- of 
kapmes, sabel. ^ 

II. (Z.-B.), een der üenamingen van het 
2>£ centsstuk. 

GOBED, in Z.-B. een breedo arit, zie 
ald.; peso gobed, verkl, met peso paragi 
koedak-kadek, een kapmes, voor verschil- 



lende doeleinden geschikt; ragadji gobed* 
schrobzaag; ngagobed, in Z.-B. = ngababad, 
zie babad. 

GOBJAG, = 't meer gebr. objag. 

GOBJOG, ngbr.; ngagobjog, met haast-, 
spoedig iets eindigen of afmaken, voort- 
maken, met haast afschieten (b. v. kanon, 
nen); digobjog; ngagobjogkeun, iets met 
haast (gezamenlijk) verrichten of afwerken; 
digobjogkeun. 

QOBRAH, ruim, wijd (b. v. de mouwen 
van een buis of de pijpen van een broek). 

GOOA (vgl. dodja en tjoba), verzoeking; 
ook g. w.; gogoda, verzoekingen, verlei- 
dingen (en wel van de zijde des duivels, 
door booze menschen ofookdooraardsche 
dingen, maar steeds met het bepaalde 
doel om op den verkeerden weg te leiden: 
dek mawa kana djalan salah); ngagoda, 
iemand verzoeken, tot het kwade trachten 
te verleiden; digoda; kagoda, in de ver- 
zoeking vallen of gevallen zijn, verzocht, 
vervoerd, verleid; panggoda, middel tot 
verleiding, verzoeking. 

GODEBAG (vgl . gëdëboeg), ngbr. ; tigodebag, 
ter aarde storten, tegen den grond slaan. 

GODËG, met het hoofd schudden naar 
links en rechts (van verwondering) ; gogo- 
dëg, idem, aanhoudend; gogodëgan, idem. 
(Vgl. gedeg en gegebeg.) 

GODEG, bakkebaarden; godegan, bakke- 
baarden hebben of dragen. 

GODEN, het Holl. gulden; idem (nl. een 
gulden van 100 duiten, of, gelijk men 
zegt, een gulden koper, ook genoemd 
roepfia iambaga (vgl. perak\ de waarde' 
staat gelijk met ƒ0.83»); sagodèn, = saroe- 
pija iambaga, één gulden koper, enz. 

GODI (Jav., omwindsel); digodi, verkl. 
met dibanda en ditalian, stevig gebonden 
(omwonden, omwikkeld) worden. 

QODJEH, z. v. a. sëgoet, parmantig doen. 

GODJI, g. w.; ngagodji, = mërës (zie përës), 
melken; digodji. 

GODJOD, ngbr.; ngagodjod, liggen met 
tegen de kin opgetrokken beenen; ook 
(van dieren en menschen) gebonden neder- 
liggen (geus diringkoes); ngagodjodkeun, 
iemand (of ook een lijk) doen nederliggen 
met tegen de kin opgetrokken beenen; 
digodjodkeun. 

GODOG, g. w.; ngagodog, = nakeur, iets 
koken of stoven; ook: boven kokend 
water gaarmaken (b. v. koeweh mangkok, 
welke daartoe op een sasak boven kokend 
water geplaatst wordt); digodog; gadag- 
godog, keken of stoven van meerdere dingen; 
gogodogan, voll. sipat gogodogan, wat zoo 
in of boven kokend water gaargemaakt 



202 



GOD0NG— GOEGAH. 



wordt of is; godogan en panggodogan, voor- 
werp (pan) waarin men kookt of stooft. 
QODONG (eig. Jav.), = daoen, blad; 
êaképër godong toaringin, een blad van de 
waringin; malam godong, was, yergadeid 
van de bladen van sommige pisang- 
soorten; gogodongan, allerlei bladeren, 
gebladerte. 

GODOS, I. (het tegenoverg. van kikér) 
los of althans niet sttff gedraaid (van 
touw en derg.). 

II. = ngarendeng, naast of nevens elkan- 
der ztfn (b. v. twee vliegers); sagodos, of 
wel sapagodos, z. v. a. tjotjog, geheel geljjk, 
geheel en al overeenkomen, ook z. a. van 
twee of meer volzinnen; digodos, zich 
voegen bty, gaan liggen naast. 

GOEBAGGABIG, zie gabig. 

GOEBAG-GEUBIG, zie geubig. 

GOEBAH, g. w.; ngagoebah, voorwerpen 
(bloemen of andere versiersels) knippen 
of vervaardigen van papier (b. v. ter op- 
luistering van een feest); digoebah, van 
versiersels worden voorzien (= dirënggi- 
rënggi; goébahan, zoodanige voorwerpen; 
goegoebah, bloemachtige versiersels (onver- 
schillig van welken aard, hetzy ingegoten, 
ingesneden of opgelegd). 

GOEBAJ GEBOJ, =s loenghajlenghoj, 
zachtjes naar toe zwemmen. P. 

QOEBËL, het met de hand aan iets 
zitten; ngagoebël, al maar met de hand of 
de handen aan iets zitten, inz. van een 
mannelijk persoon: al maar de hand aan 
het geslachtsdeel hebben of daarmee spelen 
(njoö 8irit). 

GOEBLÈQ, geluid geven bg het schudden 
(b. v. een kokosnoot, een bedorven ei enz.), 
rammelen (van iets dat zich ergens in 
bevindt). Vgl. goeplëk. 

GOEBOEG (Z.-B.), wachthuis \ngagoéboeg, 
grot voor matoa (zie bawa), meenemen, 
meesleepen. wegsleepen, in de wacht 
sleepen. 

GOEBRAG, vallen, neerstorten, zich 
werpen op; ook == goeroedag, ter wereld 
komen, geboren worden; barang goebrag 
orok teh, toen het kindje ter wereld kwam; 
goebrag nindih, zich werpen op; tigoebragi 
storten in (b. v. in een sloot of kuil); 
ngagoegoebrag, opkloppen (eig. opbombar- 
deeren); digoegoébrag, 

GOEBRAG-GÈBROEG, = gëbrag-gëbroeg, 
zie gibroeg. 

GOEBRA8-GÉBRI8, zie gëbris. 

GOEBROEG, ngbr.; ngagoebroeg-goebroeg, 
iets schudden, aan iets schudden, ram- 
melen (b. v. aan een deur); digotbroeg- 
oebroeg. 



GOEBROES (vgl. broes), ngbr.; tigoebroes, 
= 't meer gebr. Hgëbroes, vallen in, storten 
in; ngagoebroeskeun, iets of iemand eigens 
in storten of werpen (in een put, in het 
water, in het vuur); ngagoebroeskeun maneh, 
zich werpen in (een diepte enz.); digoe- 
broeskeun. 

GOEDAG, ngbr.; ngagoedag, branden, in 
brand staan, in vlam staan; ook — nga- 
goelak, uitslaan (van vlammen), hevig 
branden. 

GOEDA-GADE, zie gade. 

GOEDAG GADOG, = gogodëg (zie godëg), 
al maar met het hoofd schudden (heen en 
weer). 

GOEDAG-GIDIG, zie gidig. 

GOEDANG, = koedang, pakhuis, magaztyn, 
schathuis, schatkamer; goedang doewit, 
geldpakhuis, schathuis; digoedangan, in 
een magazijn of schatkamer opgeborgen 
worden. (Vgl. gëdong.) 

GOEDAR GEDOR, zich links ec rechts 
tegen den wand slaan; goedar-gedor oge 
pangawak kaoela, al sla (stoot) ik mtyn 
lichaam links en rechts tegen den wand 
(=ons: ai stoot ik mijn hoofd te pletter). 

GOEDAWANG, openbarsten, opengebar- 
sten; ook: eon gapende wonde hebben 
gapen (van een wond). 

GOEDÉG, ngbr.; figagoedëg-goedëg, iets 
aanhoudend heen en weer bewegen of 
schudden (b. v. een boompje in den grond); 
digoedëg-goedëg; ngagoedëgkeun, iets hoen 
en weer bewegen of schudden; digoedëgkeun. 
(Vgl. gedag.) 

GOEOEL (Jav.), buffelkalf. (Zie eneng.) 

GOEDIG (vgl. gedag), in de war raken 
(b. v. haar), verward; rara-goedig (Kad.), 
naam van een dodol-soort, gemaakt van 
kètan. 

GOEDINGDANG, buitengewoon groot (van 
viervoetige dieren). P. 

GOEDJIH, ong. — pipiloeëun, zich met 
eens anders zaken bemoeien. 

GOEDJROED, z. v. a. roesoeh en gehger, 
in beweging komen of zjjn (van een volks- 
menigte), in opschudding; ngagoedjroedkeun, 
de menschen schrik aanjagen, verschrik- 
ken, in opschudding brengen; digoedjroed- 
keun. (Vgl. goejoer.) 

GOEDOEBOE8, een persoon die by zjjn 
schuldoischer in dienst gaat tot afbetaling 
zijner schuld, pandeling. 

GOEDOEG, het hevig bia.nden;ngagoedoeg t 
hevig branden; ook: koken of zieden van 
toorn; ambëk ngagoedoeg, het koken of 
branden van den toorn in 't gemoed, 
kokende of ziedende toorn. (Vgl. gëdëg II.) 

GOEQAH, 1. p. van tanghi, zich oprichten, 



GOEGAJ— GOËL. 



203 



opstaan (van zitten, liggen of uit den 
slaap); ngagoegahkeun, iemand (een voor- 
naam mensen) wekken; digoegahkeun. 

QOEQAJ (b. p,), = loegaj; zie ald. F. 

GOEGAT, I. ngbr.; ngagoegaU weer op- 
nemen (van den draad van een verhaal), 
het verhaal voortzetten van het punt waar 
men het had afgebroken (vgl. sigëg, toenda); 
verder: een ouden twist of derg. oprakelen; 
ook = malikan, wat men heeft laten 
rusten weder opnemen en voortzetten; 
digoegat. 

IL (Jav.), aanklacht (vgl. toeding en 
këlak)] ngagoegat, iemand aanklagen ; digoe- 
gat; panggoegat, aanklacht. 

GOEGOE, g. w.; ngagoegoe (vgl. ngawaro 
by waro), naar iemand hooren, in den zin 
van: zijn woord hooren, zyn vermaningen 
enz. aannemen en opvolgen, gehoor geven 
aan; ook: toegeven aan (een gevoel); 
digoegoe; goegoean, iets zoodra men het 
hoort aannemen, oogenblikkeiyk ergens 
gehoor aan geven, zonder onderzoek afgaan 
op hetgeen men verneemt, lichtgeloovig 
(— përtjajadn); ook: licht gehoor geven 
aan, licht te verleiden. 

GOEGOEDJËG, ngbr. ; ngagoegoedjëg, verkl. 
met ngeukeuhan, aandringen, sterk aan- 
dringen (en wel op geven, gaan of doen); 
ngagosgoedjëg menta, = keukeuh menta, 
aanhouden om iets. 

GOEGOELA (Z.B.), bed voor plantsoen. 

QOEGOELOE, = loeloegoe, voornaamste, 
eerste, leider; ngagocgoeloekeun, aanmoedi- 
gen, bevorderen (b. v. een twist); noe ngagoe- 
goeloekeun, aanlegger, aanvoerder, de bel- 
hamel; digoegoeloekeun, bevorderd worden, 
aangevoerd-, aangehitst worden. 

GOEGOEMOEK (Buit.), = hoen jo er, heu- 
veltje. 

QOEGOEP, gehaast, gejaagd, iets gejaagd 
doen, zich overijlen. 

QOEGOER, 1 . geruisen, geklater (als van 
een naderenden regen, van een verwijder- 
den donder, enz.); ook: donder; sada 
goegoer, donderend geluid; sowarana tjara 
goegoer, met donderende stem (vgl. goeloe- 
goer); teu goegoer teu angin, sprkw. voor: 
ergens komen-, iets ontvangen zonder 
voorafgaande kennisgeving; - 2. z. v. a. 
owah, van beteekenis veranderen; nga- 
goegoeran, rjjst {pare) stampen, maar alleen 
voor zoover het begin betreft (bangsal 
kenek, kakara ragrag Una sapoe), dus: 
stampen in het ruwe; digoegoeran; hoeoet 
goegoeran, grove zemelen. 

QOEGOERAH, 1. van hëkëmoe, den mond 
spoelen, den mond met water reinigen; 
ook: zeker middel (iamba) dat men door 



den neus naar binnen laat loopen om het 
daarna uit te spuwen (het doel is om by 
het tf/H&ansr-zingen een flinke, heldere stem 
te hebben]; ngagoegoerah, de eerste wegen 
reinigen (door een braak- of purgeermiddel) ; 
verder: het genoemde middel aanwenden ; 
digoegoerah. 

GOEGOEROENG (Z.-B.), duiker. 

GOEGOES, beschadigd (b. v. goederen 
by vervoer); garoegoes, overal beschadigd. 

GOEGOE8I, tandvleesch; ook: do (drie- 
dubbele) rand van een ftateup-dak en de 
rand van een tuinbed; toelang goegoesU 
kaak; ngagoegoesi, met het tandvleesch 
byten of eten (van iemand die zyn tanden 
mist); van een maïskolf: niets meer aan 
zitten om te eten (euweuh gegeleunana), 
afgeknaagd zyn en er dus uitzien als het 
tandvleesch waaruit do tanden missen; 
ngagoegoesian, de goegoesi aan het dak 
maken; digoegoesian. 

GOEGOET, het byten; ngagoegoet, (van 
oen dier of van een mensen) byten; 
digoegoet; ngagaroegoet, afkluiven, afknab- 
belen; digaroegoet. (Vgl. gogot.) 

GOEGOETOEK (O.-S.), steenklomp, rots- 
blok. P. (Vgl. Jav. goetoek.) 

GOEHA (Skr. guha), grot, hol, spelonk. 

GOEJANG, zich baden (van dieren), zich 
in het water of het siyk wentelen; vanmen- 
schen = mandi, zich baden, zich wasschen, 
maar k. p.; panggoejangan, plaats waar 
dieren gewoon zrjn zich te baden, inz. 
buffelwed. 

GOEJAT GEJOT, zie gejot 

GOEJÊR (vgl. goejoer), ngbr.; ngagoejèr, 
z.v. a. ngahantëm, met kracht doen; nga* 
goejër boe djinah, er maar op los hoereeren. 

GOEJOEB, één lyn trekken, eensgezind, 
eendrachtig, vereenigd; pagoejoeban, ver- 
eoniging, vennootschap, bankinstelling, 
enz.; noe sapagoejoeban, lid of leden eener 
vereeniging, enz. 

GOEJOER, = roesoeh, in beweging (onniBt) 
komen of zyn, in rep en roer zyn (b.v. 
ten gevolge van een sterfgeval of van iets 
dat ontsteltenis veroorzaakt), beweging 
onder het volk, paniek, opschudding; 
ngagocjoerkeun, de menschen verschrikken, 
in opschudding-, in verwarring brengen, 
een paniek veroorzaken; digoejoerkeun. 

GOEJON, 1. van banjol, schertsen, mallig- 
heid maken, mallen; ook: scherts \8ëmpal- 
goejon, met elkander schertsen en lachen; 
goegoejon, 1. van babanjolan, stoeien, ravot- 
ten, met iemand schertsen; ook 1. van nga- 
banjolan, zich over iemand vermaken. 

QOËL (Z.-B.), naam van zekere gierst* 
soort. 



204 



GOELA— GOELOENG. 



GOELA (Skr. gula), suiker (vgl. pastr, 
kawoeng, gandoe en beulah); godogan goela 
(Indr.), = peueut, stroop van Javasuiker; 
kasakit goela, de suikerziekte; ngagoeladn, 
suiker op of in iets doen ; digoeladn. 

GOELAK, het woeden van vlammen; 
ngagorlak, uitbarsten (van vlammen), 
woeden (van de vlammen bfl een grooten 
brand), hevig branden (z. a. wanneer de 
vlammen het brandende voorwerp geheel 
inhullen); ook: met kracht uit een gat 
springen (van water), uitbreken (van het 
licht). Vgl. golak en galak. 

GOELAK-GALEK, zie galek II. 

GOELAK GILÉK, zie gilëk. 

GOELAK-GILOEK, het heen en weer be- 
wegen of draaien van een groot voorwerp. 

GOELALI, naam van zekere snoeper^ 
van suiker. 

GOELAMA (Z.-B.),naam van een zeevisch. 

GOELANDJÉNG, = lëndjang, zie ald. P. 

GOELANGQAPER, ngbr.; digoelanggaper, 
z. v. a. diheureujan, iemand (b. v. een 
slapende) bevoelen, betasten, enz.; in 't 
alg.: kwellen, plagen. 

G0ELANGGA8AHAN, = goelinggasahan. 

GOELANQ-GOELANG, een soort dienaars 
of wachters, in dienst van den regent (of 
van den vorst) tot bewaking van de 
regentswoning (of het paleis) en tot hand- 
having der politie [oorspronkelijk waar- 
8chynitJx „rondgaande wacht"]. Zie ook 
loperes. 

GOEL ANG GOELING, zie goeling. 

GOELA NOK ÉP, nauwe verwantschap. 

GOELANQ8INQ (Z.-B.), naam van een 
zeevisch 

GOELAR-GILËR, zie gilër. 

GOELARGOLER, zie goler. 

GOELAWIR (6. p.), = wadah, zie ald. P. 

GOELËT, = dalit, elkaar st*jf beet- 
hebben (inz. van twee personen die met 
elkander aan het worstelen zfln); verder: 
innig verbonden, één ztyn. 

GOELIDAQ, in menigte aanwezig ztfn 
en door elkander loopen (b. v. buffels); 
pagoelidag, idem; ngagoelidag, (van een 
rivier) krachtig stroomen. 

QOELIGAH, onrustig (b. v. iemand die 
gpkweld wordt door onvervulde begeerten 
of wenschen), gekweld worden of zich kwel- 
len (met zorgen of begeerten); ngagoeligah, 
idem; hanteu ngagoeligah pikir, rustig ztfn, 
tevreden z{)n; goeligahan, onrustig zjjn, 
in onrust ztfn, gejaagd; hanteu goeligahan 
deui, Bi z$n begeerten vervuld zien. 

GOELIMPANG, nederrollen, nederstorten. 

GOELINQ, maar meestal goegoeling k., 
pëpëdëk en gegedeHg 1., rolkussen ; ngagaeling, 



omrollen, omvallen, ter aarde storten; 
goelang- goeling, al maar rollen, aanh. om- 
rollen, om en om rollen, zich om en om 
wentelen, gedurig zich van de eene z'jde 
op de andere keeren, rond wentelen; goe- 
goelingan, al maar rollen, heen en weer , 
rollen (b. v. over den grond), zich wentelen 
of over den grond rollen (b. v. van droef- 
heid), zich in het sltfk wentelen (van 
dieren); tigoéling, omrollen, omkantelen; 
ngagoelingkeun, iets omrollen, wegrollen, 
voortwen telen, oprollen; ook : onderstbovea 
werpen; digoelingkeun; kagoelingkeun; pa- 
goelingan 1., = pakoelëman, slaapstede, 
bed; ook: slaapkamer. 

GOELINGGASAHAN, of wel goelangga- 
sahan, verkl. met teu daek tjitjing, onrustig, 
woelig, woelen (b. v. een zieke of barende) ; 
ngëdëngna goelinggasahan, hjj ligt maar te 
woelen. 

GOELINTING, het omtuimelen; ngagoe- 
linting, omverduikelen, omtuimelen; tigoe- 
linting, idem (bepaald btf ongeluk) ;pating- 
goelinting, van vele dingen: op den grond 
liggen. 

GOELIPAK, over den grond rollen; goe- 
goelipakan, heen en weer over den grond 
rollen. 

GOELITIK, afkantelen, afcuimelen, van 
iets afrollen (b.v. van het paard); tfnflf- 
goditik, idem (van vele dingen of personen)» 
galatak-goelitik, om en om kantelen, heen 
en weer rollen. 

GOELO, voll. këmbang goelo, wilde roos 
[kruipplant met scherpe bladeren, lentjop, 
en roode rozen; ook ergoelo genoemd]. 

GOELOEBOER, hoog vliegen (vgl. galapak); 
ngagoeloeboer, flikkerend door de lucht 
vliegen. 

GOELOEDOEG, het rollen van den donder 
(meer naby dan goegoer), donderen; ook: de 
donder (vgl. geledeg); goemoetoedoeg, het 
rollen of rommelen van den donder, 
donderen, gedonder; tinggoeloedoeg, don- 
derend gedruisch, veroorzaakt door vele 
dingen (b v door een schare krijgslieden) ; 
ngagoeloedocgkeun, doen donderen (b. v. 
zyn stem). 

GOELOEGOER, donderen, bulderen (b.v. 
geschut, vgl. goegoer), gebulder; tinggoe* 
loegoer, idem, van vele dingen (b.v. kanon- 
nen), kanongebulder; ngagoeloegoer, een 
donderend gedruisch maken (b. v. een 
instortend huis), met donderend gedruisch 
(b.v. instorten). 

GOELOEKGOEK, nab. van dierengeluid 
(b.v. van een wild zw$jn). 

GOELOENG, opgerold; ook: rol; overdr.: 
het met zichzelven ééns z{jn,weten wat men 



G-OELOENTOENGAN— GOEMOEROEBOET. 



205 



wil of doen zal, tot een besluit gekomen 
zijn (vgl. gilig); ook: slechts aan één ding 
denken, alleen met één zaak zich bezig- 
houden; manah goeloeng, eenstemmig, één 
van hart; sagoeloeng, wat bij elkander 
gerold is, een rol; overdr.: samengevoegd, 
één van zin en gemoed ; goegodoeng, 1. op- 
roller: (in 't alg.); 2. verschillende dingen 
oprollen; - ngagoeloeng, 1. iets oprollen (b. v. 
een mat); 2. = ngarontok, iemand aan- 
vallen (b.v. van een hond), zich op iemand 
werpen; 8. met iets omdragen, op iets 
prat zijn of bogen, b. v. ngagoeloeng bangsa, 
prat zijn op zijn afkomst; 4. in groote 
stukken of klompen wegspoelen (aarde, 
door het water); digoeloeng, opgerold 
worden, aangevallen worden, enz.; kagoe- 
loeng, gerold in; overdr. z.v.a. kalipoetan, 
geheel in of onder de macht van (b.v. van 
het hart: geheel onder de macht der 
lusten van het vleesch zijn); - pagoeloeng- 
goeloeng, 1. over elkander heen rollen; 
2. de armen om elkander heen geslagen 
hebben, elkander omstrengeld houden 
(b. v. vechtenden of treurenden); ngagoe- 
goeloeng, in de armen nemen of houden, 
met iets omdragen, iets in de armen 
geklemd ronddragen, liefkozen, knuffelen, 
moffelen; overdr.: zich op iets laten voor- 
staan, prat ztyn op, dwepen met; koenjoek 
ngagoegoeloeng kalapa (sprkw.), de aap loopt 
rond met een kokosnoot, d. w. z. het is 
onzeker of men iets hebben zal aan het- 
geen waarmede men zoo ingenomen is; 
digocgoeloeng; ngagoeloengan, meer dan één 
ding oprollen; kdbeh langit digoeloengan, 
al de hemelen werden opgerold; goeloengan, 
1. wat ergens omheen is gerold; 2. rol, 
oorkonde, voll. lambaran goeloengan of 
kiiab goeloengan; ngagoeloengkeun, iets op- 
rollen (een mat, een zeil, een blad papier, 
enz.), ineenrollen, samenrollen; digoe- 
loengkeun. 

QOELOENTOENGAN, in z^jn geheel, onge- 
broken; ook: in levenden lijve (voll. awak 
goeloentoengan); batoe goeloenioengan, een 
geheele (ongebroken) steen. (Vgl. boeiend 
en lantjar.) 

QOELOESOER, het slepend geluid van 
een voorwerp over den grond; Kad. ook: 
uitglijden; ngagoeloesoer, met den stroom 
meedrijveti (met minder kracht dan bty 
ngageuleujeur); ook: kruipend of langzaam 
voortgaan (van een kruipend dier); tigoe- 
loesoer, van iets afgleden; goegoeloesoeran 
(Kad.), in zwijm vallen. (Vgl. goesoer, 
gëlëaër en gilisir.) 

QOELOETOEK, het geluid van een steen 
of van steenen die, geworpen zijnde, over 



den grond rollen; ngagoeloetoek, wentelen, 
over den grond rollen, zich wentelen (b. v. 
een zwtfn), voortrollen (b. v. een steen of 
ander rond voorwerp); tinggoeloetoek,idem, 
van vele voorwerpen. 

QOELOETROEK, gestommel; goegoeloe- 
troekan, aanh. stommelen. P. 

GOEMAAH, zie gadh. 

GOEMALËDAG-GOEMALËDOEQ, (van mu- 
ziek) voortdurend dagdoeg klinken (P.), 
aanh. ruischen. 

GOEMANG, of goemang-goemang, iets op 
den tast doen. P. 

GOEMANG-GAMÈNGAN, zjjn toorn koelen 
aan wien of wat ook, omdat men het 
eigenlijke voorwerp van zijn toorn niet 
aandurft of niet te pakken kragen kan. P. 

GOEMANTAWANG, zie gantawang. 

GOEMANTOENG, zie bij goela. 

GOEMARËGËT (vgl. gëgët en gërègëi), 
innerlijk boos, verwoed, zijn toorn opkrop- 
pen, naar wraak dorstend. 

GOEMATI, zie gatü 

GOEMAWANG (Jav.), schitteren, blinken. 

GOEMBËL, kreukel; ngagoembêl, kreu- 
kelen. P. 

GOEMBIRA, = 't meer gebr. goemira. 

GOEMBRANG-GAMBRENG, zie gambr eng. F. 

GOE MBRENG, maar meestal ngagoembreng 
(Kad.), een geluid of stem wel hooren, 
maar niet verstaan wat gezegd wordt. 

GOEMËBËQ, zie gëbëg. 

QOEMËDËR, zie gëdër. 

GOEMÈL, — ngagaro, zich krabben. P. 

GOEMELA (Jav., van wela), = boemela 
(zie bela), ter zijde staan, btf staan; sëdja 
goemela ke goesti, hij wilde zijn heer bestaan. 

GOEMÈLËTËR, beven, sidderen, .= goe- 
mëtér, maar sterker. (Vgl. gëtër.) 

GOEMËLIK-GËLIK, zie gëlik. 

GOEMËNDOENG, zie gëndoeng. 

GOEMING8IR, zie gingsir. 

GOEMIRA, 1. van atoh en van boengah, 
vrooiyk, blijde, zich verheugen, verheugd 
z\jn. 

GOEMOEDËR (Jav., van goeder), groot 
rumoer; goemoedër noe seuseurian, er was 
een gebrul van lachen. 

GOEMOEDJËNG, 1. van seuri, lachen; 
ngagoemoedjëngkeun, 1. van njeungseurikeun, 
lachen om, uitlachen; digoemoedjêngkeun. 

GOEMOELINQ, verkl. met kakara rek 
boeloean, d. i. nog kaal, maar bezig zijn 
poddeveeren te krtygen (van jonge vogels). 

GOEMOENDA, zie goenda. 

GOEMOENQGOENQ, zie goenggoeng: 

GOEMOERILAPAN, zie goerilap, 

GOEMOEROEBOET, tranen storten, 
vloeien van tranen; goemoeroeboet ijipa- 



206 



GOEMOEROEDOEG— GOENOENG. 



nonna, hy stortte tranen, zyn tranen 
vloeiden. (Vgl. boeroeboet) 

GOEMOEROEDOEG, = goemoeloedoeg, zie 
goeloedoeg. 

GOEMOE8TI, zie goesii. 

GOEMOLANG-GOLANG, zie golang. 

GOEMOROLONG, zie gorolong. 

GOEMORONTJONG, zie gorontjong. 

GOEMPLOEK (vgl. gomplok), = djoem- 
ploek, ngbr.; ngagoemploek t een op zichzeli 
staand groepje vormen, z. a. een dorpjd 
met z^jn geboomte midden op een vlakte; 
goemploekan, zulk een groep. 

GOENA (Skr., hoedanigheid, voortreffe- 
lijkheid, verdienste), 1. = gatoe, nut, 
nuttigheid; asa taja goena diri, 't is iny 
of ik van geen nut ben;- 2. too vermiddel; 
katörap goena, getroffen door een goena, 
betooverd. (Zie ook widjaja). 

GOENDA, naam van een onkruid, op de 
sawah'a voorkomende; goemoenda wordt 
gezegd van rystplanten, en verkl. met 
keur meudjeuhna ngora, d. i. de periode 
als de planten de verplanting te boven zyn. 

GOENDAL, begeleider, volgeling; nga- 
goendal, volgelirg zyn, begeleiden; digoen- 
dal; ngagoendalan, iemand begeleiden; 
digoendalan. 

GOENDAM, hardop droomen, in den slaap 
praten. 

GOENDANG GINDING, zie ginding. 

GOENDAS GANDÉS, zie gandés. 

GOENDIIC (Jav. en Mal.), =parëkan, bijzit. 

QOENDIL, zonder bladeren (van een plant 
wier bladeren b. v. afgeplukt zyn), zonder 
haar of veeren, kaal (b. v. een kip die in 
een hawoe gekropen is); ook: kaal van 
een kleed, een kale plek op een kleed; 
pare goendü, naam van een onbehaarde 
rJjjstsoort. 

GOENDJAE, voll. tangkal goendjae, naam 
van een peuteuj-soovt, bflna = pëtir, maar 
met langer stengel. 

GOENDOE, I. ouderen of oudsten, dieby 
de verdeeling van werkzaamheden (b.v. in 
een koffletuin) over een zeker aantal 
jeugdiger personen worden gesteld. (Vgl. 
poendoeh.) 

IL Be vier aan den eenen kant met 
kalk of kryt witgemaakte centen, by het 
Wpkfc-spel in gebruik. 

GOENOOEK, troep, hoop, verzameling, 
kudde; sagoendoek, één troep, enz.; nga" 
goendoek, btfeen zyn, een troep zyn, op een 
hoop liggen, opgestapeld liggen, zich 
ophoopen (ook b. v. schuld of moeite); 
iinggaroendoek, (van tranen) in de oogen 
staan; gotgomdoekan, in (by) troepen of 
groepen; ngagoendoekkeun, op een hoop 



doen; digoendoekkeun; digoendoek-goendoek- 
keun y in groepen verdeeld of bijeengevoegd 
worden; goendoekan, hoop, zwerm, troep 
kudde, schare, ploeg; ngëreh sagoendoekan 
eta f regeereude over die byeenwonende 
afdeeling. 

GOENDOEL, kaal, kaalhoofdig; goegoen- * 
doelan, idem; ngagoendoelan, zich of een 
ander kaal scheren; digoendoelan, kaal 
geschoren worden (door zichzeiven of een 
ander). Vgl. doegoél. 

GOENËM, of wel goenëm-tjatoer, = badami, 
&a,meïispréken;goegoenëman t samenspreken , 
met elkander raadplegen; pagoenëman, 
idem; ngagoenëmkeun, = ngabadamikeun, 
raadplegen over, beraadslagen over; digoe- 
nëmkeun, goenëman, samenspraak, mon- 
deling onderhoud. 

GOENG, nab. van 't geluid van de goöng. 

GOËNG, ngbr.; ngagoëng, een gonzend 
geluid maken (inz. van een koletjer of 
molentje); verder: draaien, ronddraaien 
(inz. van een koletjer); ook: doen draaien, 
omdraaien; ngagoëng koemis, zyn knevel 
omdraaien, aan zyn knevel draaien; 
digoëng; ngagoëngan, iets aanh. omdraaien 
(b. v. iemands oor); digoëngan; ngagoëng- 
keun, iets om- of ronddraaien (b. v. een 
sleutel in het slot), doen draaien; digoëng- 
keun; panggoëng, handvat om te draaien, 
draaier, kruk. 

GOENGGOENG (vgl.agoeng),lot,pi%9; ook: 
het vertroetelen; ngagoenggoeng, iemand 
lof toezwaaien, in de hoogte steken (nga- 
goëng- ngagoëng), flikflooien, voortrekken, 
vertroetelen, bederven (een kind, door het 
te geven al wat het hebben wil); digoeng- 
goeng ; goemoenggoeng t groot doen, voornaam 
doen, zichzeiven in de hoogte steken; 
goenggoengan, z. v. a. kaasih, troetelkind, be>> 
dorven kind ; panggoenggoeng, lof, pit) s, enz. 

GOENGGOEROETOE, naam van een plant, 
welker bladeren men wel over het haar 
strtykt om luizen te vangen [deze hechten 
er zich aan vast en worden op die wyze 
verwijderd]. 

QOENJËNG, g. w. ; ngagoenjëng, aan iets 
rukken, trekken; pagoenjëng-goenjëng, aan 
weerskanten van iets trekken (wie het 
hebben zal), aan elkander trekken (b. v. 
twee personen die aan elkander gebonden 
zyn). 

GOENOENG, berg; tangkoer goenoeng f 
naam van een plant; gègër (of lamotêir) 
goenoeng, bergrug; toenggang goenoeng,(r&xi 
de zon) boven de bergen staan, d. i. ten 
ondergang neigen, tegen den avond (vgl. 
lingsir); oemoer toenggang goenoeng, naby 
den dood zyn; oemoer toenggang goenoenq* 



GOENTA-GrANTI— GOERA WIL. 



207 



angën-angën pëtjaUsawëd, sprkw., verkl. 
met geus deukeut ka poeh, ari hate ngo* 
ngoraeun keneh, d. i. den dood nabij ztyn 
(hoog op jaren), maar nog jong van hart; 
bagoenoenff-goenoeng (in plaats van pagoe- 
noeng-goenoeng), bergen hoog (torenhoog), 
' opgehoopt, opgestapeld; pagoenoengan en 
pigoenoengan, gebergte, bergland, hoogland. 

GOENTA-GANTI, zie ganti. 

GOENTA J, enclave (van stukken grond). B. 

GOENTAJANG, ngbr.; goegoentajangan, 
op-, over- of langs klauteren (van een aap). 

GOENT ALGANTIL, slingeren. ( Vgl. gantel) 

GOENTING, schaar ; saeran goenting, naam 
van een saeran-soort; goenting pameulahan 
djambe, d. i. katjip, een verbl. uitdr. 
om katjipia aan te duiden; ngagoenting, 
knippen, uitknippen, afknippen; digoen- 
ting; tatjan digointing, nog onaange- 
sneden (van een stuk goed); ngagoen- 
tingan, een stuk goed in deelen knippen; 
ook: een schaap scheren; digcentipgan; 
panggoentingan, knipsel. 

GOENTOER, een sterke stroom, stort- 
vloed, overstrooming, vloed (hooger en 
sterker dan tja&h), stroom of vloed van 
gloeiend siyk (lava) uit een krater; ook: 
hevige regen ; hoedjan goentoer, een overstor- 
tende regen; verder (nï.goentoer): gedruiscb, 
z. v. a. sora raramean; overdr.: hevig, heftig ; 
goentoer amarahna, een stroom van toorn, 
d. i. een heftige toorn; kabaioa goentoer, 
met den vloed medegevoerd worden of 
zjjn; ngagoeyoentoer, wegspoelen, afspoelen 
(b. v. onreinheid, door water), doorspoelen 
(door de keel), uitspoelen, geiyk laten 
spoelen (van den grond), uit laten spoelen 
(b. v. een engte); digoegoentoer ; kagoentoeran 
madoe, een honingvloed tegen zich kragen. 

GOENTRËNG. krakeelen (inz. van kin- 
deren). 

GOEPAJ, g.w.; ngagoepaj, iemand met 
de hand tot zich wenken of roepen; 
digoepaj; goepoej-gapaj, nu dezen dan dien 
met de hand tot zich wenken, nu hier 
dan daar iets vandaan halen (b. v. om 
te eten); nyagoepajan, iemand tot zich 
roepen, maar met herhaalde of aanhou- 
dende beweging van de hand; digoepajan. 

GOEPÉK, I. ngbr.; ngagoepëk, op den 
blooten grond, op de aarde of in de modder 
nederzltten of gaan zitten \goepëkan> verkl. 
met panggoejangan moending, plek waar 
buffels gewoon ztyn te baden. 

II. Snel (of steeds sneller) elkander met 
den voet iets (b. v. een djêrotk) toerollen 
(inz. van kinderen, die al spelende dicht 
bty elkander gekomen ztfn); ook: het 
voetbalapel. 



GOEPËL, = koetjël, zie ald. P. 

GOEPÉRNÉMEN, vol), kangdjëng Ooepër- 
nemen, het Gouvernement, de Nederl. 
Indische Regeering. (Vgl. koempëni.) 

GOEPÉRNOER, het Holl. gouverneur; 
stadhouder, landvoogd; kagoepërnoeran t 
gouvernement, provincie. 

GOEPÉRNOER DJENDRAL, het Holl. Gou- 
verneur-Generaal; idem; ook Toewan Bësar. 

GOEPIT, nauw, smal (van een weg, een 
rivier, enz.); ngagoepit, zich vernauwen; 
goepitan, enge bergkloof, vernauwing in 
een rivier, nauwte, engte, dooigang 
zeeèngte. 

GOEPLAK GAPLOK, zie gaplok. 

GOEPLËK, het geluid dat teweeggebracht 
wordt als men een voorwerp waarin 
harde dingen ztyn schudt (b. v. een doosje 
lucifers), rammelen. (Vgl. goeblëg.) 

GOEPOEH (Z.-B.), = roesoeh\ haastig, 
gehaast; goepoeh-goepoeh, met groote 
haast. P. 

GOEPOEJ-GAPAJ, zie goepaj. 

GOER, werkw. tusschenw. voor: in 
brand vliegen, gaan branden (nader uit- 
gedrukt door hoeroeng); idem van een 
sterk geruisch, inz. van een zwaren regen 
(vgl. gër). 

GOERA GaRO, zie garo. 

GOERA GIROE, zie giroe. 

GOERAH, = boeboerak, zie ald. P. 

GOERAJANG, ngbr.; goegoerajang en goe- 
goerajawgan, met de handen om zich heen 
grepen (b. v. iemand die in het water ligt 
of iemand die plotseling in het donker 
is geraakt) om iets te vinden waaraan 
men zich kan vasthouden, met de hand 
of handen om zich heen grepen; ook 
gezegd van iemand die veel leent. 

QOERAME, naam van een fflne en zeer 
smakelijke viscnsoort die men veel in 
vyvers teelt of houdt. 

GOERANDIL, voll. opak goerandil, naam 
van een soort koeweh, van opak ge- 
maakt. 

GOERANG-GORENG, zie goreng. 

GOER AN TIL, ngbr.; patinggoerantil, (van 
vele dingen) hangen aan, afhangen, naar 
beneden hangen. (Vgl. goental-gantü.) 

GOERANTING, gezegd van een aanplant 
waarvan het gewas niet gelijkmatig in 
bloesem of vrucht is. B. 

GOERA8 GARI8, zie garis. 

GOER AT, iyn,haal, streep; ook: graad ( c ); 
goerat noe herang dina tjai, vaargeul; nga- 
goerat, een Hjn of streep ergens op maken 
of trekken, linieeren; digoerat. (Vgl. gëret) 

GOERAWIL, hangen, inz. vallende in of 
aan iets bljjven hangen; patinggoerawil, 



208 



GOER.ÖER— GOEROEH, 



idem, van velen; goegoerawilan, zich, op 
gezegde w^jze hangende, vastwerken. 

QOER GÊR, zie gèr. 

GOERI (Indr.), achter. (Ygl. boeri.) 

GOERIH, aangenaam (nl. zoet en lekker) 
van smaak. 

GOERIJANG, I. Geest, Godheid (samentr. 
van Goeroe Jang (of Yang), = Batara 
Goeroe of Qiwa); Goerijang Toenggal, d.i. 
Goeroe Jang Toenggal, anders gezegd Batara 
Goeroe of Qiwa; Goerijang Toedjoeh (de 
zeven Geesten), idem. 

II. Vet, dik, corpulent; goegoerijangam 
idem. 

GOERILAP, licht van zich geven, glim- 
men (z. a. b. v. een tjika-tjika), lichten (van 
den bliksem), fllkketen; ook: weerlichten 
(doch zóó beter boerinjaj); pëdang gocrilap, 
het zwaard flikkert, de zwaarden flikkeren; 
tinggoerilap, (van meerdere dingen) schit- 
teren, flikkeren, in elkander flikkeren; 
goegoerüapan of goemoerilapan, aanh. flik- 
keren of fonkelen, geschitter, geflikker. 
(Vgl. gilap.) 

GOERINDA, een draai-sltjpsteen om edel* 
gesteenten enz. te slapen; ngagoerinda, 
afhouwen, afbeitelen, verbeteren, ver- 
fraaien, inz. iets dat reeds tot stand ge- 
komen en gereed is nog verder bewerken en 
het zoodoende bederven [te mooi maken]; 
ook: kun 8 telen; digoerinda. 

QOERINDJAL, ngbr. ; ngagoerindjal, zich 
pogen los te rukken of los te worstelen, 
zich trachten te ontworstelen; goegoe. 
rindjalan, aanh. trachten zich los te wor- 
stelen, pogen vrty te worden; ook gezegd 
van de bewegingen der vrucht in den 
moederschoot. 

GOERISA, naam van een iëmbang-w^s. 
(Zie Spraakk., Aanh.) 

QOERIT, het maken van een tèmbang; 
ngagoerit % ong. = nganggit, een tèmbang 
maken, in dichtmaat schreven; ook: ver- 
fraaien, iets fraai of netjes maken; digoerit; 
goegoeritan, bg wtyze van amusement in 
dichtmaat schreven; ngagoeritan, iets 
fraaier maken, verfraaien, opknappen; 
digoeritan. 

GOERITA, navelbandje, buikband (met 
bandjes). 

GOERNAT, het Holl. granaat; groote 
kogel, granaat, bom. 

GOERNITA (Skr. ghürnita, rollend), alge- 
meen bekend, wereldkundig, het is alge- 
meen bekend, het is van algemeens be- 
kendheid, het wordt overal gezegd; bedja 
ënggeus goerntia, het bericht werd overal 
bekend, de zaak is wereldkundig geworden. 

GOEROE (Skr.), onderwijzer, leeraar, inz. 



leeraar van den godsdienst, godsdienst- 
leeraar; Batara Goeroe, de God-leeraar, d. i. 
Qiwa (ook Dewa Goeroe, Sangyang Goeroe en 
Ratoening Devoata geheeten; zie ook desa 
en goerijang); pigoeroeëun, iemand die tot 
leeraar wordt opgeleid; iskola pigoeroeëun, 
of eenv. iskola goeroe, kweekschool voor 
onder wijzers; goegoeroe, bjj iemand om 
onderwijs gaan, by iemand les nemen of 
ter school gaan; panggoegoeroe, het onder- 
wtfs-nemen, het lesontvangen;ngroflroero«m, 
leeraar over iemand zjjn, als goeroe onder- 
was geven, ong. = ngaxooeroek\ ook wel: 
by of van iemand leeren, in iets les 
nemen : digoeroean, 1. z. v. a. diwoeroek, 
onderwezen worden of ztyn; 2. gezegd van 
dengene bjj wien iemand onderwas ont- 
vangt; oepama elmoena koe maneh hanteu 
kapanggih, goeroeanl als ge zijn leer niet 
verstaat, neem dan les by heml ngagoeroe- 
keun, onderwazen, onderricht geven in; 
digoeroekeun. 

GOEROEBAG, = goebrag, nederstorten, 
in iets neerploffen; tigoeroébag, ergens in 
geraken, vallen in, neerstorten in. 

GOEROEBJOENG, = goeroeboeg. P. 

GOEROEBOEG, van schrik opspringen; 
ngagoeroeboeg, met geraas opspringen (b. v. 
een paard dat lag); goegoeroeboegan, aanh. 
opspringen of met zyn pooten stampen 
(b.v. een paard op stal). 

GOEROEDAG, komen, uitbreken, aan- 
komen; ook 1. van boeroesoet, geboren 
worden, ter wereld komen; ngagoeroedag, 
onverwachts aankomen, ter wereld komen- 

GOEROEDJAQ, met rumoer aankomen 
of binnenkomen (van een mensen). 

QOEROEDOEG, het rollen van een wagen 
langs den weg, het geraas dat men hoort 
als iets (b. v. een stoel) over een houten 
vloer gesleept wordt, gedruisch (z.a. van 
aankomende menschen, van dravende paar- 
den, enz.); verder: in gang z^jn, rollen (van 
een wagen) ; ook : komen, aankomen (van een 
mensch) ; tinggoeroedoeg, gedruisch van vele 
menschen, wagens, paarden, enz.; goemoe- 
roedoeg, dreunen (b. v. de aarde); ngagoe- 
roedoeg, een sterk gedruisch geven (b. v. 
een aardstorting): ngagoeroedoegkeun, doen 
optrekken van iets dat gedruisch maakt 
(b. v. een leger). Vgl. goeloedoeg en gërèdég. 

QOEROEH, een sterk of donderend geluid, 
geruisen of gedruisch (b. v. van een 
harden regen); sapêrii goeroeh di langit, 
als een gedruisch in de lucht; ngagoeroeh, 
gedruisch (veroorzaakt b. v. door vuur, 
door geween, door soldaten, enz.), ruischen 
(b. v. van muziek, vleugels, enz.), bruisen 
(van de zee); en verder gebezigd van allerlei 



GOEROEK-GEREK- GOEWAR. 



209 



ander sterk geluid; goemoeroeh, idem, aan- 
houdend. 

GOEROEK-GEREK, (iets) haastig in de zon 
of boven 't vuur drogen (in stede Tan 
■dipoëkeun). P. 

GOEROEMOEJ, = koeroenjoeng, voorden 
dag komen, ergens uit te voorsch{jn 
komen; tinggoeroemoej, achter elkander 
uitkomen of te voorschijn komen (van 
velen). 

GOEROEMOENG, het gonzen enz. ; ngagoe- 
roemoeng, gonzen ; verder : iemand omringen 
van alle kanten, om iemand of iets heen 
krioelen (b. v. mieren om suiker), om iets 
of iemand heen gonzen (van muskieten); 
digoeroemoeng; patinggotroemoeng, gonzen 
{van vele muskieten, enz.). 

GOEROEMOET, I. ngbr.; ngagoeroemoetan, 
een held, hoofd of vorst in grooten getale 
gemeenschappelijk aanvallen (door onder- 
danen of lieden die elk voor zich met 
hem zich niet zouden kunnen meten); 
digoeroemoetan, 

II. Goegoeroemoetan, zich in bala of wil- 
dernis ophouden, in bala rondsnuffelen. 

QOEROENGQOE80EH, = roeroesoehan, in 
groote drukte ot zeer gehaast iets doen, 
tjlings of overijld handelen; ngagoeroeng- 
goesoeh, = ngageuwat-geuwat, tot haast 
aansporen, met grooten haast doen;e%oe- 
roenggoesoeh, met grooten haast gedaan 
worden. 

GOEROENTOEL, matig klein voorwerp 
van een ronden vorm (b. v. een stukje 
gambir, een klontje suiker, een kluit 
aarde, een borondong, enz.), balletje, klontje, 
klont, kluit, klomp; Hnggoeromtoel, idem, 
van vele dingen; goegoeroentoelan, kluiten, 
klonters, aan kluiten of klonters zjjn. 
^Vgl. gerenlel.) 

GOEROENTOENG, nab. van 't geluid van 
water dat men ergens in- of uitgiet, 

GOEROETOE, maar meestal ngagoeroetoe, 
bfl zichzelven mopperen (na een berisping 
ontvangen te hebben). P. 

GOEROETOEK-GOEROETOEK, nab. van 
het geluid van een dravend paard, van 
katten of ratten die hard over den zolder 
loopen, enz. 

GOEtAK-GASIK, zie gatrik. 

GOE8AR \c.,pëpër II. 1., g. w.; ngagoesar 
k., mépër en ook wel nëtëkan 1., tanden 
Tjjlen; digoesar; ngagoesaran, iemands 
tanden afvijlen; digoesaran; goe$aran, het 
tandenvtylen. 

GOESOER, g. w.; ngagoesoer^ = njered 
.<zie sered), iets langs den grond sleuren, 
sleepen, medesleepen, wegsleepen, voort- 
sleepen; ook: zijn staart na zioh sleepen; 

SOENDAJJEESOH-HOLL. WOORDEHB. 



digoésoer; kagoeioer, m edegesleep t, mede* 
gevoerd; ngagoegoesoer, iets al maarvoort- 
sleepen, overal medesleepen, steeds met 
zich sleepen; digoegoesoer. 

QOE8ROEK, ngbr.; ngagoesroek, iets 
ergens over heen bewegen (b. v. een 
wapen by het slijpen, een zaag bfl het 
zagen, enz); digoesroek; gasrakgoeeroek, 
iets al maar over of langs iets schuren 
(b. v. den rug); digoeeroekkeun, over iets 
heenschurende het wegnemen. 

GOESTI, heer, de Heer; pigoestieun, hty 
die iemands heer worden zal; goemoeeti, 
iemand als heer erkennen, dienen of 
gehoorzamen (b. v. de ouders door het 
kind); gocmoe&ti-goe&ti, a&nh. goettil roepen; 
migoesti, iemand die het niet is als heer 
erkennen, dienen of gehoorzamen; dipi- 
goesti ; digoesti-goesti, al maar (door iemand) 
go*8ti genoemd worden; pagoes ten (samentr. 
van pagoestian), 1. = gvesti, maar 1. p.; 
2. collectieve benaming voor allen die 
men boven zich heeft (b. v. voor God, 
den koning, de ouders enz.), superieuren. 

GOETJALGITJÉL, zie gitjèl. 

GOETOEK, één om één, één voor één 
cent, één cent het stuk; ook ~idjen, man 
tegen man (b. v. vechten). 

GOETRËK, ngbr,; ngagoetrëkgoetrëk, aan 
iets wrikken om het los te doen gaan, 
iets los wrikken; digoetrëk-goetrik. 

GOETROET, ngbr.; ngagoetroet, heen en 
weer bewegen (b. v. bfl het sujpen); 
dlgoetroet; ngagoetroet- goetroet, idem, aanh.; 
verder: zagen over iets om het stuk te 
kragen (b. v. met een bot m&B) ;digoetroet- 
goetroet. 

GOEWAJ (6.p.), = goetoar. P. 

QOEWAM, alleen in taja {euumH, geus 
taja of geut euweuh) goewamna, zich niet 
meer bewegen, geen beweging meer 
maken, zich niet meer verroeren of roeren, 
geen tegenstand meer bieden (van men- 
schen en dieren), volstrekt lQdeltyk, weer- 
loos. 

GOEWANG (b.p.), s.v.a. geuing, zie ald.; 
digoewang, = digeuing, gewekt worden. 

QOEWANG-QAWINQ, zie gawing. 

GOEWANQ-GEUING, zie geuing. 

GOEWAR, g.w.; ngagoewar, uit elkander 
doen, uitpakken, ontpakken (b. v. aange- 
komen goederen), den inhoud onderzoeken, 
uit elkander leggen; ook: poken in (het 
vuur), roeren in (b. v. in schatten, d. i. er vrty 
over beschikken), het er ruim van nemen; 
digostoar; digoewar-goewar koe patjoel, met 
den patjoel uit elkander gedaan worden (b. v. 
mest); ngago&warkeun^ iets uit elkander 
doen (b. v. een zak koffie om den inhoud 

14 



210 



ÖOEWAR-ÖIWAR— GOLEJAH. 



te verspreiden); digoewarkeun\pangg(moar % 
pook. 

QOEWAR-GIWAR, zie giwar. 

QOEWIK, het schreeuwen; ngagoewik, 
schreeuwen (van een varken, b. v. als het 
mishandeld wordt). 

GOEWI8, g. w.; ngagoewis, dooreenroeren, 
omroeren, onder elkander mengen, door 
elkander werken (b. v. water en aarde, 
of suiker vóór die in den vorm gegoten 
wordt), gelijkmaken, effenen (gelijk b. v. 
door het laatste eggen aan een savmh 
geschiedt); digoewis; ngagoewiskeun, door- 
eenroeren, dooreendoen, onder elkander 
mengen; digoewiskeun; panggoewis, werk* 
tuig (molentje enz.) om verschillende 
dingen dooreen te mengen. 

GOEWOER, overgieten; ook k. p. van 
mandi, een .bad nemen. P. 

GOQ, werkw. tusschenw. voor: stil- 
houden, stilstaan, gaan zitten. (Vgl. nagog 
bj|} iagog.) 

GOQO, ngbr.; ngagogo, aanvatten, grepen 
(onder water); digogo. 

GOQOBROG, k. p. van imah, huis, woning. 

GOGODOH, naam van een soort koeweh, 
met kleursel vermengd. 

GOGOOONG, het boveneinde van een 
krisscheede, ook dadaoen (zie daoen) ge- 
nee ten. 

GOGOG, geblaf van een hond ; ngagogog, 
blaffen; ngagogogan, aanblaffen, blaffen 
tegen; andjing ngagogogan kalong, de hond 
blaft tegen een vliegenden vos, sprkw. 
voor: het nabyzflnde veronachtzamen ter 
wille van het onbereikbare; digogogan. 

GOGOK (Buit.), = këndi, aarden water- 
kruik. 

GOGOL, I. schroefsleutel (voor een 
wagen); ook: hefboom; ngagogol, een 
wagenschroef (moer) los- of vastdraaien; 
ook = njoengkal, (met een hefboom) op- 
heffen; overdr.: het voor iemand opnemen, 
iemand voorspreken; digogol. 

II. Ngagogol, verkl. met dirante leungeunna 
kentja-katoehoe, iemand do handen binden. 

IH. (Z.-B.), 1. persoon die voor een ander 
in de dessa karbouwen opkoopt; ngagogol, 
het beroep van gogol uitoefenen; - 2. heler 
van gestolen goederen, handlanger van 
een dief; ngagogol, gestolen goed helen; 
ngagogoUeeun, gestolen goed aan den man 
brengen; digogolheun. 

IV. = kongkol, zie ald. P. 

GOGOMBAK, 1. (Band.), = djadjambak 
(Tjiandj.), de staart van een vlieger; - 
2. kwast van een tulband. 

GOGORONTONQ, zie gorontong. 

GOGOT (Z.-B.), naam van een zeevisch; 



garogot, ngbr. ; ngagarogotan, afkluiven (var* 
groote dingen, door een hond, een tijger 
enz.). Vgl. goegoet. 

QOHGOJ, 1. van batoefc, hoesten ; ook : hoest. 

GOHGOR, naam van een klein soort 
tygerkat. (Vgl. këroed.) 

GOJANG, beweging, in beweging zjjn (heen- 
en weer of op en neer), wankelen, wiebelen, 
schommelen, wippen; ook:^luiden(vaneen 
klok); verder: bewogen zfln (van het hart); 
in Indr. bovendien: uitrusten, schaften; 
kor Bi gojang, wipstoel,schommelstoel; këm- 
bang gojang, versiersels van goud, verguld 
zilver of koper, die in de sigèr of in de gëloeng 
van een bruid gestoken worden by den op- 
tocht; ngagojangkeun t iets in beweging-,, 
in schudding of schommeling brengen, 
doen schommelen; ook = mëtakeun, regelen, 
ordenen, besturen; ngagojangkeun nagara y 
de stad besturen; digojangkeun. 

GOJOR, g. w.; lagoe gojor (Z.B.), naam 
van een zangwjjs; ngagojor, water op een 
sawah enz. laten loopen; verder: aan den 
loop zrjn, den loop hebben, elk oogenblik 
naar achteren moeten; digojor, gezegd van» 
de sawah enz. waarop men water laat 
stroomen. 

GOK, werkw. tusschenw. voor: samen- 
treffen, ontmoeten; ook als gezegde ge- 
bezigd; goek-gok, elkander gedurig ont- 
moeten. 

GOKGAK, op schreeuwen gen toon, als 
schold men,iet8 mededeelen of verhalen. P. 

GOKGOKAN (Z.-B.), naam van een zee- 
visch. 

GOKITA (Indr., spreektaal, samentr.van 
hanggo kita), voor mi). 

GOLAK, het koken; ngagolak, koken, aan 
de kook zjjn (b. v. water); ook: aanh. 
bobbelen of borrelen (z. a. kokend water); 
seuneu ngagolak, kokend vuur. (Vgl. gëdoer.) 

GOLANG, ngbr.; goemolang-golang, al 
wentelende of draaiende aan komen rol- 
len; ngagolangkeun, iets doen draaien (b. v. 
een koletjer of molentje), iets in beweging 
brengen; vorder: met iets handel drijven 
(z. a. mot een kapitaal), van iets zrjn han- 
tering maken, iets winstgevend maken, 
exploiteeren; digolanykeun. 

GOLEBAG, alleen in iigolebag, afstorten, 
neerstorten, ergens afvallen. 

GOLEDAG, maar doorgaans ngagoledag r 
ach tei o verliggen op den grond (zonder 
kussen of iets te gebruiken); ook: spijzen 
zoo maar op do rampadan opdienen zonder 
borden te gebruiken; digoledag; paling* 
goledag, allen op den rug liggen (slapen) ' r 
MgoUdagi achterovertuimelen. 

GOLEJAH, maar doorgaans gogolejahan t 



GOLEK— GONDANG. 



211 



= gogoUpakan en boelak-balik, zich om en 
om wentelen. 

GOLEK, pop, tcajan^-pop; voajang golek, 
een wajang die by dag met poppen 
gespeeld wordt, poppenspel. 

QOLEMPANQ, ngbr.; tigolempang, omkan- 
telen; ngagolempangkeun, iets doen om- 
kantelen (b. v. een gëntong, zóó dat deze 
op zyde komt te liggen); digolempangkeun. 

GOLENTE, alleen in tigolente, = tigolen- 
tjeng, zie golentjeng. 

GOLENTJENQ, alleen in tigolentjeng, = 
tigolente, omrollen, onderst boven rollen, 
omtuimelen. 

GOLEPAK, maar meestal ngagolepak, ter 
aarde storten, plat op den grond vallen; 
verder: op den grond neergesmakt liggen; 
patinggolepak, idem (van velen en ver- 
spreid); golepakan, maar meestal gogole- 
pakan, zich om en om wentelen. 

GOLER, liggen, op den grond liggen (b. v. 
geld, een schedel, een vermoeid mensen, 
enz.); ngagoler, rechtuit of uitgestrekt op 
den grond nederliggen; tinggaloUr, idem 
(van vele menschen of dingen); goelar- 
goler, hier en (of) daar liggen; gogoleran, 
op den grond liggende zich om en om 
wentelen; ngagolerkeun, iets op den grond 
uitgestrekt nederleggen; digolerkeun. 

GOLETAK, ter aarde liggen; ook: open- 
baar geworden, gebleken; pagoletak, = 
patoelajah (zie toelajah), ter aarde liggen 
(van velen), over den grond verspreid 
liggen. 

GOLETI (Indr.), zoeken. (Vgl. 't Jav. 
golek II. en 't Soend. tejang.) 

GOLETRAK, ngbr.; 1. patinggoletrak, 
rammelend nedervallen (steentjes, geweer- 
kogels, geld enz., en wel op de pannen, 
op hout of op paloepoeh). - 2. Naam van 
een gamëlan-v?$s. 

GOLEWANG» alleen in patinggolewang, 
(van velen) omtuimelen, ter aarde storten. 
[Niet algemeen.] 

GOLOBRAS, afvallen van rflpe vruch- 
ten. B. (Vgl. goebrag en goebroes.) 

GOLODOG, stuk balk enz. dienende tot 
opstap voor een huis, stoep; men zegt 
ook babantjik; in Buit. bovendien = tangga, 
trap, trapladder. (Vgl. papangge.) 

QOLOJOH, maar veelal ngagolojoh, zich 
richten naar, zich uitstrekken, zich neder- 
leggen (in zwakte of onmacht, b. v. om 
te sterven), van vermoeidheid, zwakte enz. 
nederzinken; tinggolojoh, idem, van velen. 

QOLOK (Mal.), = bëdog % houwer, kapmes. 

GOLOKLOK, het geluid van braken en 
van water dat uit een flesch of derg. ge- 
goten wordt of daarin loopt, klokken; 



verder: leegloopen; ook: volloopen (b. v. 
iemand die in het water ligt); pating- 
golokgok, idem, van vele dingen of 
menschen. 

GOLONDONGAN, in (of nog in) de schil 
ztjn ; verder: in ruwen staat verkeeren,onbe- 
schaafd, ongemanierd, ruw ; kopi golondo- 
ngan, kofflein den bolster of in de roodeschil; 
tjatjah golondongan, op en top een mensen 
uit het volk (in kwaden zin); kolot golon 
dongan, een onbeschaafd-, ruw oud man; 
masyat golondongan, verkl. met ieu pisan 
bisa ngctdji, d. i. van godsdienst niets af 
weten, daar zoo maar heen leven zonder 
zich om de hoogere dingen te bekommeren, 
ongodsdienstig. 

GOLONG, I. rol, bos of kluwen dik touw 
of rotan; ook: klos; ngoeseup golong, vis- 
sen en zonder hengel, alleen maar met 
een haak waarvan het touw op een klos 
zit; sagolong, één. rol, enz.; ngagolong, tot 
een rol maken, oprollen, klu wenen; digolong; 
golongan, 1. bos opgerold goed, kluwen, rol, 
enz. (zie ook mangle); 2. g. w.; rol op! 
3. (O.-P.), lid van het dessabestuur (P.). 

II. In de volkstaal soms voor kolong. 
zie ald. P. 

GOLOSOR, z. v. a. toeloej, daarop; nga. 
golosor, afgleden (b. v. een pan van het 
dak), gljjden, zich laten afgleden (b. v. 
van een glibberige hoogte). 

GOMBEL (Z.-B.), I. = gombtr. (Vgl. 
pamëlar I.) 

II. Prop, stop; ook: strottenhoofd, 
Adamsappel. P. (Vgl. laki.) 

GOMBER, oorknop, = soewëng y maar met 
kleiner insteek. 

GOMBONG, voll. auri gombong, een 
groote (dikke) bamboesoort [van uitgebreid 
nut voor styien, watergoten, enz.]. Vgl. 
andong III. 

GOMBRANG (vgl. gëmbrang), het rinkelen; 
ngagombrang, rinkelen (inz. van een val- 
lend metalen voorwerp, b.v. een rampadan); 
galombrang, rinkinken. 

GOMENG, ngbr.; ngagomengan, iemand 
storen, gedurig storen; teu digomeng-gomeng, 
iets ongestoord laten, laten rusten; oelah 
digaromenggaromeng, stoor hem (haar, het) 
niet. 

GOMPLOK, in trossen neerhangen (blade- 
ren, vruchten, enz.), weelderig gebladerd; 
ook: dik (zwaar, veel) dn lang haar heb- 
ben; kat noe gomplok, lommerrijke boom; 
gogomplokan, hier en daar met trossen 
neerhangen. (VgL gemplek.) 

GONDALI (Z.-B.), gioote ijzeren of houten 
haak. P. 

GONDANG, I. naam van een groote toetoet 



212 



GONDENG— GORENG. 



of slak, die zich' in moerassen ophoudt 
[grooter dan kejong}. 

II. (Buit), een bamboezen korf [in de 
Preanger kolanding geheeten]. 

III. Zingen, en dat gezang begeleiden 
door op het rjjstblok te slaan (noetoe bari 
ngawih); lagoe gondang, naam van de daarbij 
gebruikelijke zangwys; ngagondang, het 
genoemde nadoen of spelenderwtys doen 
(noeroeian gondang). 

GONDENG, g. w.; ngagondeng, een dier 
dat onwillig is te gaan, achter een ander 
doen loopen om het zoo voort te krijgen; 
verder z. v. a. ngobeng, een paard aan 
wederzijden by de teugels houden en 
voortleiden, opdat ztyn beryder er niet 
afvalle; ook wel: aan de hand leiden; 
digondeng. 

GONDEWA (Skr. gandiwa), boog (eig. de 
boog zonder het koord), het hout of derg. 
dat men door het koord te spannen tot 
boog maakt [men vervaardigt ze by voor- 
keur van kai peueung}; mëntang gondewa, 
den boog spannen. (Vgl. panah.) 

QONDJAK, ngbr.; ngagondjak, schertsen, 
gekscheren, gekheid maken; digondjak y 
gezegd van den persoon die een voorwerp 
van scherts is; gogondjakan, met elkander 
schertsen, railleeren; ook: aanhoudend 
den draak met iemand of iets steken. 

GONDJINQ, naam van een gamëlan-wijs. 

GONDJRANG, het klinken of rammelen 
van (veel) geld; tinggalondjrang t klet- 
teren van zwaarden, gekletter; ngagon- 
djrangkeun, laten rammelen; digondjrang- 
beun. (Vgl. gorondjang en kënijreng.) 

QONDOK, kropgozwel. (Zie ook laki.) 

QONDONQEUN, een opzetting of zwelling 
van de oorklier; verder: aan zulk een 
zwelling Ifld en, een dik gezicht, de bof. [Het 
volksgeloof zegt dat, als men op zulk een 
zwelling kedjo legt en deze vervolgens een 
hond voorwerpt, het euvel op dien hond 
overgaat, zoo hy althans de ryst gegeten 
heeft.] 

QONQQONQ, I., ngbr.; ngagonggong, = 
ngagogog, blaffen (zie gogog). 

II. Voll. poejoeh gonggong, een groote 
poejoeh, patrys. (Zie poejoeh.) 

GONG8ENQ, bel, rinkelbel (geiyk wel 
door honden of paarden gedragen wordt, 
grooter den gengge). 

QON1 (Mal.), de plant die het jute- vlas 
levert» waarvan de gonlzakken gemaakt 
worden; karoeng goni, gonizak (gonjezak). 

QONJOK, ngbr.; ngagonjok, omringen, 
omsingelen, zich op één punt verzamelen, 
samenkomen; ook: met menigte ergens op 
s$n (b. v. mieren op een stukje suiker); 



gogonjokan, in troepen samenrotten; ook 
(b. v. van sterren): groep, constellatie. 
(Vgl. goronjok.) 
( ONTEWANG, = gantawang. P. 
GONTOT, onderbreken, onderbroken, 
niet voortzetten, halverwegen biyven 
steken (b. v. water dat men kookt, als 
het tot razen gekomen is niet verder 
vorderen, omdat het brandhout op is). 

QONTOWONG, werkw. tusschenw.voor: 
grof spreien of schreeuwen; ook g.w.; 
ngagontowong, grof spreken, schreeuwen, 
snauwen; gogoniowongan, al maar schreeu- 
wen of snauwen. (Vgl. gantawang.) 

QOÖNG, een koperen bekken, het voor- 
naamste stuk van de gamelan; ook de 
gamelan zelf, het gamëlan*Btel; goöng 
ndbeuh maneh, de goöng bespeelt zichzelf, 
sprkw.: eigen lof uitbazuinen, opsnyden. 
(Vgl. renteng, salendro, enz.) 

GOPRAK, maar meestal ngagopraJc, nab. 
van den klank veroorzaakt door het stooten 
of vallen van een steenen voorwerp. 

QORAH, ngbr.; ngagorah, babbelen, zitten 
kletsen of zwetsen. 

GORDA, naam van een boom ;gordagëde, 
een groote gorda, 

GORDAH, voll. lagoe gordah (Z.-B.),naam 
van een zangwys. 

GOREHEL, werkw. tusschenw. voor: 
voor den dag komen (van iets dat ergens 
onder lag of verloren werd geacht). 

GOREK, I. het heen en weer draaien 
van een mes ergens in; ngagoreky eenmes 
in een voorwerp heen en weer draaien 
(b.v. om het binnenste daaruit te kry gen); 
digorek. (Vgl. gorok.) 

II. Het geluid van de toeweuw; ook wel 
naam van dat dier. 

GORENG. I. k., awon 1., kwaad, slecht, 
leeiyk (van gedaante, van handelingen, 
enz.), gemeen, boos; ngagogoreng k., ngawm- 
ngawon 1., iemand bekladden, iemand 
lasteren; digogoreng; migoreng, = ngago- 
goreng; dipigoreng; ngagorengan, iemand 
slecht behandelen, boosheid aandoen; 
digorengan; ngagorengkeun, iemand smaden, 
verguizen, bekladden, lasteren; digoreng- 
keun; kagorengan, kwaad, het kwade, 
slechtheid, ondeugd, boosheid. 

II. GK w.; pisang goreng, gebakken pisang; 
ngagoreng, braden '(in een pan), bakken 
(vleesch, gebak, enz.); digoreng; goerang- 
goreng, nü dit dan dat braden, allerlei 
braden of bakken; gorengan (Soem.), = 
kokotot (Tjiandj.), afval van vleesch; gogo- 
rengan f braden en bakken, onderscheidene 
dingen braden en bakken, allerlei gebraad 
maken; ook: gebraad; sipat gogorengan* 



GOREWAL— GOSONG. 



213 



gebraden of gebakken voorwerpen; pang- 
gorengan, braadpan, bakpan, koekenpan. 

GOREWAL, het omdraaien; ngagorewal, 
omdraaien, verdraaien (b. v. iemands hand) ; 
ook: iets (b. v. de sarang's van een bam- 
boezen vloer) bevestigen door invlechten 
(in plaatB van het vast te binden); digorewal ; 
tigorewal, een draai maken en zoodoende 
van zfln paard tuimelen. 

GORGAR, hetzelfde als gokgak. P. 

GOROBAG, I. goederen-, maar inz. per- 
sonenkar; kareta (api) gorobag % goederen- 
trein. 

II. Tabaksmand, inhoudende iOlempeng; 
sagorobag, één mand tabak van genoemde 
hoeveelheid, enz. 

GOROBAS, in iets gaan, in iets ver- 
dwenen (b. v. een tyger in de wildernis); 
tigorobas, in een gat, kuil of goot neder- 
storten. (Vgl. boes en goebroes.) 

GOROGOTEUN (vgl. gërëgëi), branden van 
ongeduld om tot iets (b.v. spreken, opeten, 
aantrekken van een kleedingstuk) over 
te gaan. 

GOROH (Jav.), = bohong, liegen, leugen. 

GOROK, ngbr.; ngagorok, zich of een 
ander met een kris of derg. wapen door 
den mond in de keel steken en daarop 
het wapen ronddraaien; ook: de keel 
afsteken, den hals afsneden ; digorok; nga- 
gorokkeun, stoppen, proppen, vullen (b.v. 
iemands mond); digorokkeun. 

GOROL, ngbr.; ngagorol, verkl. met 
kapadjoekeun gawe, iets met minder nauw- 
keurigheid of attentie verrichten (de hand 
met iets lichten) om het maar spoedig 
af te krflgen; digorol; gorolan, taak, deel 
dat iemand voor ztyn rekening heeft van 
een werk dat